menu

Hier kun je zien welke berichten gert_r als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Iedereen Is Eigenaar van Iets - Youp van 't Hek (2007)

3,0
Achterklapjournaille. Babybottenbrekers. Bezitters van Rukkerini's. Blaricumse teefjes. Blinde IJslanders. Bungalowproleten. Bungelende hamlappen. Doorgesnoven mollen. Doorzonheksen. Druppelende Tena Lady's. Excuusnegers. Gorillagroupies. Graaigajes (al dan niet wonend in schurftvilla's). Hang- en schaatsbejaarden. Hoerroepers. Homongolen. Lelijke gerefo's. Maffiamaatjes. Manke Polen. Maurice de Politiehond (ook Maurice de Speurhond). Platjesfluisteraars. Pret- en knuffelnichten. Relmutsen. Roddeltrollen en -hoeren. Tietlifters. Vinexvulsel. Wassenaarse rimpelvullers. Zieke Fons.

Iedereen is eigenaar van iets. Youp van ’t Hek is eigenaar van de tekstverwerker waar de bovenstaande kwalificaties in 2007 zijn uitgerold.
Leuk? Niet leuk? Mwah. Van ’t Hek schrijft voortdurend in de hoogste versnelling, en dat zorgt voor een vermoeiend ritje.
Veel korte zinnetjes. Geen plaats voor lid- en/of werkwoorden. Zoals deze drie dus.
In de stukjes die over z’n eigen familie gaan zul je de kwalificaties overigens niet tegenkomen, dan is hij opvallend week.
De bundel sluit af met 3 verhaaltjes met een iets rustiger tempo, eerder verschenen in Hollands Diep.
Uit de laatste daarvan kan je opmaken dat Youp weet dat hij niet alleen maar fans heeft. Hij kan wel relativeren.
En dat is een goede zaak, want ook al valt er nergens zo goed over te twisten als over een verschil in smaak, uiteindelijk geldt wat er in Spaarndam op het voormalige raadhuisje staat:
"D'een eer 't, d'ander weert 't, wat deert 't".

Ik Bak Ze Bruiner - Gerard Reve (1996)

4,0
In 1969 verscheen Ik bak ze bruiner, een grammofoonplaatje met 4 sprookjes van Gerard Reve, bedoeld voor kinderen.
Aan deze gedrukte uitgave uit 1996 kun je zien hoe zeer de tijden veranderd zijn: als een schrijver nu met dergelijk proza voor kinderen op de proppen zou komen was hij, om met Hans Teeuwen te spreken, niet binnen een half uur weg op het politiebureau, en kon hij zijn computer daar achterlaten….
Zo heeft in één van de sprookjes Sinterklaas, die
alleen maar een jurk om zijn blote kont draagt, net als de Paus en kardinaal Alfrink
wel erg veel belangstelling voor een stoute en ondeugende jongen.

In Eendje Kwak Kookt Zijn Eigen Potje, een bewerking van een sprookje van de gebroeders Grimm, is de pap vervangen door poep.
Dit verhaaltje was onlangs voor de theoloog Lodewijk Dros aanleiding voor een heel artikel over provocaties en taboes, waar Reve natuurlijk in grossierde: Dros over Eendje Kwak.

Een halve ster is voor de tekeningen van Van den Boogaard.

Ik Heb Alzheimer - Stella Braam (2005)

3,5
Op de achterkant van Ik Blijf Thuis!, het boek over de laatste jaren van Braams moeder, las ik dat van Ik Heb Alzheimer al 60.000 exemplaren verkocht zijn. Daaruit blijkt wel dat het onderwerp heel erg in de belangstelling staat.
In Ik Heb Alzheimer wordt gesteld dat dementie, waarvan Alzheimer de bekendste vorm is, de natuurlijke eindziekte is van iedereen die niet voortijdig aan een andere ziekte komt te overlijden. *)
Het verslag van het verloop van de ziekte van hoofdpersoon René wordt gelardeerd met meningen uit de hoek van de wetenschap die, zoals wel vaker, redelijk haaks staan op wat zich in de praktijk afspeelt. Eén van de praktijkproblemen is bijvoorbeeld het verstrekken van medicijnen, zoals hier aan een medebewoonster van René:
De 'zuster' tegen mij: 'Ze is heel lastig.(...)Ik zal haar zo een pilletje geven. Maar we krijgen haar niet goed ingesteld'.
Overigens is het boek ook wel de moeite waard als verslag an sich.
Het spanningsveld tussen het formele en intellectuele taalgebruik van René, in zijn werkzame leven kinderpsycholoog, en de banale en alledaagse problemen waar hij zich voor gesteld ziet zijn zeker amusant. Ik vind het echter wat ver gaan om een verhaal over iemand die niet nadrukkelijk zelf de clownsrol heeft opgezocht en nog maar over beperkte denkkracht beschikt hilarisch te noemen.
"Ik heb altijd geleerd dat je met psychoten moeilijk kunt communiceren. Nu ik het zelf ben, blijkt dat reuze mee te vallen”
Ook denkt René vaak nog dat hij zich aan de universiteit bevindt en dat de medebewoners van het verpleeghuis lid zijn van zijn werkgroep.
Running gag is zijn aversie tegen Tilburg en zijn bewoners.
Als René al lang en breed is verhuisd naar Maastricht is veel van wat er verkeerd gaat volgens hem te wijten aan deze kruikenzeikers.
Die kregen het trouwens ook al voor hun kiezen in J. Kessels: The Novel. Zou er dan toch iets van waar zijn?

*) Uitzonderingen bevestigen de regel: de oudste vrouw van Nederland had hier geen last van:
Hendrikje van Andel

Import Export Doodslag Moord - Martin Koomen (1986)

Alternatieve titel: Portland in Pruisen

3,5
De titel van de heruitgave uit 2001, Portland in Pruisen, roept herinneringen op aan de Bob Evers-serie: Cnall-effecten in Casablanca, Een Dollarjacht in een D-trein en dergelijke.
Portland in Pruisen heeft ook wel iets jongensboekachtig, met 2 ferme Hollandsche jongens die een klusje moeten opknappen in het vuige Duitschland van 1936.
Martin Koomen schrijft mooie volzinnen, een zekere vormelijkheid uitstralend, maar wel onderhoudend en uiteindelijk ook wel spanning oproepend. En dat moet ook, want tenslotte wordt het boek verkocht als thriller.
Eén keer veroorlooft hij zich over de hoofden van de hoofdpersonen heen een mening over het Nederland van 1986:
‘Dit is dus zo’n veelbesproken Autobahn’, zei ik vol ontzag.
‘Juist Fokkema, kijk er maar eens goed naar. Je mag aannemen dat over vijftig jaar ook bij ons het landschap zal worden verpest door hele netwerken van zulke verkeerswegen.’
Het leek me verstandiger maar niet rechtstreeks te reageren op deze belachelijke voorspelling.

Dit is het eerste deel van in totaal 13 ‘Portlands’.

In de Schaduw van de Parnassus - Joris van Casteren (2002)

3,0
Enthousiast geworden door het lezen van 3 recentere titels van Joris van Casteren, waaronder Zeg mijn lezers dat ik door..., over “vergeten schrijvers”, verkeerde ik in de veronderstelling dat Van Casteren zelfs een interessant boek zou kunnen schrijven over “vergeten paardenslagers” of over “vergeten puntlassers”.
Na lezing van In de schaduw van de Parnassus, over “vergeten dichters”, moet ik die mening toch helaas iets nuanceren.
Het kan zijn dat het pennetje van de toen pas 25-jarige Van Casteren 4 jaar vóór Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf nog wat minder soepel was, en het is wel zeker dat het verschijnsel "dichter" mij minder interesseert dan het verschijnsel "schrijver", maar in ieder geval betrapte ik mezelf er gaandeweg op dat ik steeds vaker keek hoe lang het nog was, en hoe ver.
De inleiding van 15 bladzijden, waarin Van Casteren het hele speelveld overziet, was nog wel interessant, maar na weer een verhaal over een goede dichter die het toch niet gered heeft omdat
hij - 80 procent van de hoofdstukken gaat over mannen - weigerde het spelletje volledig mee te spelen en aan de nodige zelfpromotie te doen, weet je het op een gegeven moment wel.
Dat een dichter wil dichten, en niet, bijvoorbeeld, met de borst vooruit op elk station van Nederland wil hangen om de nieuwste titel te promoten, valt te prijzen, maar Van Casteren toont wel de keerzijde: je zit thuis, je partner schenkt nog eens een kopje koffie in, en je gaat verder met een gedicht dat waarschijnlijk nooit meer uitgegeven en gelezen zal worden.
Ik wens de geïnterviewden veel sterkte toe!

In Gesprek - Gerard Reve en Simon Carmiggelt (1980)

3,5
Het dubbelinterview vond plaats bij Carmiggelt thuis en werd gepubliceerd in Hollands Diep #1 in november 1975. De algemene teneur is dat Reve een ongezouten mening ten beste geeft over een collega, een vertegenwoordiger van de pers, een linkse politicus, arbeiders, de veel te ruime sociale voorzieningen of mensen die bij hem over de vloer komen en dat Carmiggelt reageert in de trant van “Nou, nou, dat valt toch wel mee…”, waarna Reve er nog een schepje boven op doet. Van de collega’s moeten Hermans en Campert het ontgelden, en ook Reves veronderstelling dat Mensje van Keulen een boek is van schrijver Bleekers Zomer vindt z’n oorsprong in dit interview.
VN-interviewster Bibeb is één van de journalisten die een veeg uit de pan krijgt:
Reve: Je moet dat wijf echt gewoon oppakken en van drie hoog door een ruit gooien.
Carmiggelt: Dat is geen halve maatregel, maar interviewen is een hele moeilijke kunst.
Een stelling die je nu nog steeds hoort, poneerde Reve al in 1975:
De jongeren kunnen niet meer schrijven, want hebben het op school niet meer geleerd.
Het dubbelinterview wordt gevolgd door een gesprek met Carmiggelt, gepubliceerd in Menuet #1 in 1978. Carmiggelt haalt herinneringen op aan de tijd vlak na de oorlog, toen ze collega’s waren bij Het Parool, en laat z’n licht schijnen op een aantal van Reves werken en op zijn karaktereigenschappen, zijn homoseksualiteit, zijn geloof en zijn Veenendaalse periode.
Conclusie: In gesprek is een zeer onderhoudend boekje, vooral voor fans van Gerard Reve.