Via deze pagina blijf je op de hoogte van recente stemmen, meningen en recensies van Raspoetin.
Standaard zie je de activiteiten in de huidige en vorige maand. Je kunt ook voor een van de volgende perioden kiezen:
januari 2025, februari 2025, maart 2025, april 2025, mei 2025, juni 2025, juli 2025, augustus 2025, september 2025, oktober 2025, november 2025, december 2025, januari 2026, februari 2026
Poubelle - Pieter Waterdrinker (2016)
»
details
Destiny of the Republic: A Tale of Madness, Medicine and the Murder of a President - Candice Millard (2011)
Politiek en expansie in een tijdperk van industrialisatie, 1877–1900
2 juli 1881 was een benauwde zomerdag in Washington D.C. President James A. Garfield (1831–1881) stond op het punt de stad te verlaten voor een bezoek aan het westen van Massachusetts. Om half tien ’s ochtends, terwijl hij door het spoorwegstation liep, klonken er schoten. Garfield stortte neer, geraakt door een kogel in de rug. De schutter, Charles Guiteau, gaf zich onmiddellijk over.
Aanvankelijk dachten de aanwezige artsen dat de president de aanslag zou overleven. Garfield zelf, veteraan van de Burgeroorlog en vertrouwd met de langdurige gevolgen van schotwonden, wist beter. “Ik ben ten dode opgeschreven,” zei hij. De doktoren probeerden van alles, maar doordat verpleegkundigen de wond met blote handen en onsteriele instrumenten onderzochten, trad bloedvergiftiging op. Op 19 september 1881 overleed Garfield.
De natie rouwde. Will Boyer, een boerenjongen uit Ohio, was verbijsterd toen hij het nieuws hoorde terwijl hij over een landweg liep. Garfield belichaamde de Amerikaanse droom van de selfmade man. Geboren in een blokhut in Ohio — hij was de laatste zogeheten log-cabin president (een traditie waartoe onder anderen Andrew Jackson, James K. Polk, Millard Fillmore, Franklin Pierce, James Buchanan en Abraham Lincoln behoorden) — werkte hij zich op via Williams College, preekte in de Disciples of Christ Church, gaf les aan Hiram College, werd advocaat en senator van Ohio. Hij vocht in de Burgeroorlog, trad in 1863 toe tot het Congres en werd in 1880 tot president gekozen — een verkiezing die zijn doodvonnis bleek.
Wat Guiteau betreft: de jury verwierp zijn beroep op ontoerekeningsvatbaarheid. In juni 1882 werd hij opgehangen.
Hoewel Garfield bekendstond als een fatsoenlijk en welwillend man, vertegenwoordigde hij ook een politieke generatie die zich meer bezighield met het profijt van het ambt dan met de noden van de gewone burger. Tijdens zijn Congresperiode raakte hij betrokken bij het Crédit Mobilier-schandaal van 1873 en andere beschuldigingen van corruptie. Zijn nominatie in 1880 leidde tot een diepe scheuring binnen de Republikeinse Partij tussen de Stalwarts en de Half-Breeds, rivaliserende facties die elkaar bevochten om de verdeling van patronagebanen.
De obscure Guiteau, zelf een Stalwart en aanvankelijk aanhanger van Garfield, verwachtte hiervoor te worden beloond met een hoge diplomatieke post. Toen dit uitbleef, verergerde zijn mentale waanstoornis. Hij zag de dood van Garfield als “een politieke noodzaak” en geloofde dat de Stalwarts hem als een held zouden vieren. (Niet voor niets koos hij een .44-caliber British Bulldog-revolver: die zou later mooi staan in een museum.)
Dit alles is mijn vertaling van de inleiding van hoofdstuk twintig uit The Enduring Vision, het overzichtswerk dat ik las tijdens mijn minor Amerikanistiek. Het is een episode uit de Amerikaanse geschiedenis die mij volledig was ontgaan. Toen ik mij later verdiepte in de roofbaronnen en het Progressieve Tijdperk, stuitte ik opnieuw op dit tragische verhaal van een president die nog geen vier maanden diende en bij wie vermoedelijk nog maar weinigen een belletje doet rinkelen. Wat eigenlijk onterecht is, gezien de monumentale betekenis van zijn lot.
Aanvankelijk liet ik het erbij en zette het kloeke boek terug in de kast. Tot ik tot mijn eigen verrassing een maand later hoorde dat Netflix een miniserie had gemaakt over deze geschiedenis: Death by Lightning, gebaseerd op Destiny of the Republic van historica Candice Millard.
Wat een buitengewoon boeiende serie is dat. Prachtige decors, sublieme dialogen en een diep ontroerend verhaal. De onderhuidse politieke boodschap - onmiskenbaar gericht op de huidige, losgeslagen bende die het Witte Huis bestuurt - maakt het geheel des te wranger. Natuurlijk: ook in de negentiende eeuw was de Verenigde Staten geen fraai voorbeeld van bestuurlijke deugd, en het land draagt al lang een duistere ondertoon met zich mee.
Desondanks blijft het mij fascineren.
»
details
» naar bericht » reageer
Van Huis en Haard: Dagboek van een Jaar op Drift - Pieter Waterdrinker (2023)
Na het lezen van de columnbundel Baden-Baden (2025) begon ik vrijwel meteen aan het dagboek Van Huis en Haard (2023) van Pieter Waterdrinker. Bij het lezen van de columns had ik sterk het vermoeden dat deze bundel voortvloeit uit het dagboek. Bovendien was ik benieuwd naar de gedachtengang van de schrijver over de oorlog in Oekraïne en de geopolitieke spanningen op het Europese continent, bezien vanuit een literair perspectief - om zijn nieren te proeven, zogezegd. In de columnbundel blijft Waterdrinkers visie op deze kwestie summier en zijn standpunt opvallend vaag. Mijn verwachting was dat het dagboek, waarin de schrijver zich meer ruimte permitteert voor reflectie en duiding, hierin meer zou bieden. Bovenal hanteert Waterdrinker een aangenaam stijlregister, dat naar meer smaakte.
En ik moet erkennen: het kostte me soms grote moeite het boek aan de kant te leggen. Wat een leesplezier, zeker rond de kerstdagen. Met terugwerkende kracht verbaast het me dan ook hoe kritisch de recensie met de titel ‘Pieter Waterdrinker maakt met zijn oorlogsdagboek zijn eigen poëtica onschadelijk’ was die Sebastiaan Kort voor NRC Handelsblad schreef en waarin hij het boek met twee van de vijf ballen beoordeelde.
Ik kan me de boze tweet van Waterdrinker op 12 mei 2023 nog goed voor de geest halen, waarin hij zichtbaar gekrenkt reageerde op wat hij als een groot onrecht ervoer:
‘Na kwart eeuw Rusland verhaal ik over de tragedie van deze tijd. Geen letter daarover is dit bedachte afkatstuk van een NRC-sneeuwvlok die nooit wat in zijn leven heeft meegemaakt. Ook al is ’t een kutboek: die lui hebben hart, levenservaring noch gevoel.’
Enkele minuten later werd de tweet alweer verwijderd.
Nu weet ik dat Waterdrinker een kort lontje heeft, maar ik begrijp niet goed waarom een recensent een avontuurlijk leven zou moeten hebben geleid om een eerlijke recensie te kunnen schrijven. Toch voel ik, na herlezing van Korts recensie, de neiging het voor de auteur op te nemen - en, eerlijk gezegd, ook voor mijn eigen plezier de recensie van Sebastiaan Kort te recenseren. Want het is, kortom, een merkwaardige recensie en, zoals Waterdrinker het wellicht bedoelde, een brevet van onvermogen.
‘Sneeuwvlok’ Kort opent zijn bespreking met een principiële afwijzing van het schrijversdagboek als genre. Daarbij beroept hij zich op het gezag van Willem Frederik Hermans, die inderdaad een uitgesproken afkeer had van het publiceren van dagboeken. Volgens Kort is een dagboek alleen gerechtvaardigd wanneer de schrijver overleden is - zoals bij de dagboeken van J.J. Voskuil - of wanneer het ter plekke verslag doet van een wereldbrand. In het geval van Waterdrinker zou hij dus in de frontlinie aanwezig moeten zijn of in Rusland zijn gebleven.
Is Kort zich bewust van de rijke traditie van egodocumenten in de monumentale Privé-domeinreeks van De Arbeiderspers? Een reeks waarvan men toch mag aannemen dat iedere serieus te nemen literair criticus haar hoog aanslaat. Het lijkt mij niet de taak van de recensent om te bepalen waar een dagboek aan moet voldoen en vervolgens vanuit zo’n normatief standpunt een boek te beoordelen. Een genre kan oriënteren, maar mag geen normatief keurslijf worden.
Het tweede bezwaar is het bezopen etiket ‘ansichtkaartproza’ waarmee Kort het oorlogsdagboek van Waterdrinker badinerend typeert. Hij suggereert hiermee vermoedelijk een leegte en esthetische oppervlakkigheid, omdat de dagboekanier spreekt over wandelingen en regelmatig melding maakt van het genot van een glas wijn en goed eten. Maar de criticus laat na dit oordeel tekstueel te onderbouwen. Een serieuze analyse van stijl, zinsritme of perspectief ontbreekt. Alsof observatie en herhaling geen literaire functies kunnen hebben, maar louter decoratief zijn. Dat is geen close reading, maar wegwuiven. Een dagboek mag fragmentarisch, herhalend en onaf zijn, mits het stilistisch en perspectivistisch iets draagt.
Het zwaarst weegt Korts verwijt dat Waterdrinker ‘niets te melden heeft over de oorlog’. Terwijl Waterdrinker juist bewust schrijft vanuit afwezigheid. Hij is verdreven en mag niet meer terug. Zijn Rusland bestaat alleen nog maar in herinnering. Dat is een legitiem, zelfs klassieke oorlogsperspectief: dat van de balling of de ontheemde. Denk aan Joseph Roth na 1933, Stefan Zweig, Vladimir Nabokov - schrijvers die Waterdrinker zelf ook veelvuldig noemt en van wie geen van allen ‘aan het front’ stond.
De oorlog werkt in Van Huis en Haard door alles heen. Het staat niet centraal, maar is overal aanwezig. Elk glas wijn, elke treinreis, elke lezing staat in de schaduw van de Russische agressie in Oekraïne. Toch houdt het dagelijks leven niet op. Juist deze spanning is voor de lezer uiterst voortdurend voelbaar. Kort ziet dit onvoldoende, omdat hij de oorlog te letterlijk zoekt. Dat is geen gebrek aan inhoud, maar een literaire keuze tegen spektakel in. Het boek documenteert hoe oorlog het leven ontregelt zonder zichzelf te dramatiseren. Dat is geen ansichtkaart, maar een dagboek van ontworteling.
De laatste ongerijmdheid in Korts stuk betreft zijn bewering dat Waterdrinker met dit dagboek zijn eigen poëtica of reputatie zou ondermijnen. Omdat Waterdrinker in zijn romans venijnig en misantropisch zou zijn, maar in zijn dagboek vriendelijk en beminnelijk, concludeert Kort dat het venijn blijkbaar fictie was. Daarmee wekt hij de indruk de schrijver te hebben ‘ontmaskerd’.
Dat is geen literaire kritiek, maar een psychologiserende lezing van het auteurschap. Het suggereert dat een schrijver moreel consistent moet zijn over genres heen, en dat fictie verdacht wordt zodra zij niet samenvalt met het karakter van de auteur. Fictie is fictie. En een dagboek is geen roman met een plot. Wie dat onderscheid niet maakt, beoordeelt geen literatuur, maar voert karakterkunde.
Een literaire kritiek behoort zich in de eerste plaats te richten op de kwaliteit van de lectuur - stijl, toon, ritme, zeggingskracht, samenhang - en niet op het al dan niet voldoen aan vooraf vastgestelde morele, politieke of genrematige verwachtingen.
»
details
» naar bericht » reageer