Via deze pagina blijf je op de hoogte van recente stemmen, meningen en recensies van Wandelaar.
Standaard zie je de activiteiten in de huidige en vorige maand. Je kunt ook voor een van de volgende perioden kiezen:
januari 2025, februari 2025, maart 2025, april 2025, mei 2025, juni 2025, juli 2025, augustus 2025, september 2025, oktober 2025, november 2025, december 2025, januari 2026, februari 2026, maart 2026, april 2026, mei 2026, juni 2026, juli 2026, augustus 2026, september 2026, oktober 2026
Halve Eeuw Trappistenleven: Kroniek der Cistercïenserabdij "Maria Toevlucht" te Zundert 1900-1950, Een - Godfried Bomans (1950)
»
details
Het Nut van de Wereld - J.M.A. Biesheuvel (1975)
»
details
De Bijbel als Schepping - F. Weinreb (1963)
»
details
Wie God Verlaat Heeft Niets te Vrezen: De Schrift Betwist I - Maarten 't Hart (1997)
»
details
Nieuwe Bijbelse Miniaturen - Carel ter Linden (2020)
»
details
Normal Christian Life, The - Watchman Nee (1957)
»
details
Quarantaine - G.L. Durlacher (1993)
»
details
Kerk als Constructiefout: De Overlevering Overleeft Het Wel - H.M. Kuitert (2014)
»
details
Ene Doel van God: Een Antwoord op de Leer van de Eeuwige Straf, Het - Jan Bonda (1993)
»
details
Bril van God: De Schrift Betwist II, De - Maarten 't Hart (2002)
»
details
Boek der Verandering: De Bijbel als Bron voor een Alternatief Christendom, Het - Cees den Heyer (2006)
»
details
Bijbelse Miniaturen - Carel ter Linden (2018)
»
details
Erfenis van Karlijn. Verdriet, Vriendschap, Muziek en Meer Dan een Voetbalspel, De - André Rooijakkers (2019)
»
details
Onzichtbaren, De - Frank Nellen (2023)
»
details
Een Vreemd Vertrouwd Gezicht: Over Moderne Jezusproblematiek - Robrecht Michiels (1976)
Een smal en dun boekje. Snel gelezen, zou je denken. Maar het lezen bleek niet gemakkelijk. De schrijver haalt in kort bestek veel overhoop.
Het werkje vond ik in de kelder van kringloopwinkel ‘De Enclave’ in Baarle, en de vriendelijke dames in de winkel vertelden me dat we ons daar in Belgisch Baarle, dus Baarle Hertog, bevonden. Dat weet je nooit zeker, want de grens loopt hier en daar dwars door de huizen heen. Maar voor de belasting maakt het veel uit, zo werd mij verteld.
In ieder geval, het boekje heeft een zuidelijke, rooms-katholieke sfeer, waarin ik minder goed thuis ben, maar die me wel boeit.
De schrijver, Robrecht Michiels (1933), was professor in de theologie in Leuven en is door de nieuwe ruimte binnen de kerk na Vaticanum II - het Tweede Vaticaanse Concilie, dat plaatsvond van 1962 tot 1965 en modernisering van de katholieke kerk beoogde - in die nieuw ontstane ruimte zich gaan bezinnen op de bronnen van het geloof, vanuit een bredere theologie, die vooral ruimte geeft aan het mens-zijn van Jezus en het hier en nu beleven van dat geloof in de maatschappelijke verbanden. Er is werk te doen in de wereld.
Een moderne opvatting dus? Nu, vijftig jaar later, komt ook dit verhaal al wel wat belegen over. Het borrelde en bruiste van de nieuwe ideeën begin jaren zeventig, ook in de theologie. Het engagement wordt nu minder beleefd is de indruk, de progressieve katholieken uit de zeventiger jaren zijn een dagje ouder geworden en veel kerken en parochies sluiten de deuren.
Het is in veel opzichten een boekje van voorbij. Dat zegt wat over onze tijd en ieder mag dat signaal voor zichzelf opvatten als winst of verlies. Het boekje is dun, maar geconcentreerd geschreven. Een knappe synthese van aloude belijdenis en modern verstaan van de boodschap.
»
details
» naar bericht » reageer
Schandaal, Het - Conny Braam (2004)
stem gewijzigd, oorspronkelijke stem was 3,5 sterren
»
details
L'Homme-dieu ou le Sens de la Vie - Luc Ferry (1997)
Een leesbaar essay van de Franse filosoof Luc Ferry, waarin hij de veranderde levenshouding sinds de Verlichting peilt aan de hand van de zinvraag en het vermogen om lief te hebben.
Werd de zin van het leven eeuwenlang afgemeten aan het geloof in God, met zijn morele imperatief - dat gold ook zeker nog voor Kant! - daarna verschoof de denkrichting van God naar de mens. Het centrum werd verlegd naar de zin van het eigen leven, en steeds minder de zin voor de gemeenschap. Ferry citeert zowel Paus Johannes Paulus II als theoloog Eugen Drewermann. De paus roept op tot geloof in waarden van boven, Drewermann zoekt deze in de mens zelf. Ferry bekijkt hun standpunten met respect maar als ongelovige.
De afgelopen eeuw was de ontwikkeling van de vermenselijking van het goddelijke, naar nu: de vergoddelijking van het menselijke. Daar hebben we een god buiten ons niet meer voor nodig. De humaniteit als hoogste norm. Niet langer als een aanvaarden op gezag, maar een zelf ontdekte en ervaren werkelijkheid: 'authentiek zijn'. Het levensproject is niet langer onderdeel van het grotere bouwproject, en daaraan een steentje bijdragen, maar zelfverwerkelijking. Het eigen leven als ‘project’; de privatisering van het geluk.
Niet direct een ongelukkige ontwikkeling, aldus de schrijver, al is hij er niet helemaal zeker van of deze bevrijding ook geluk gebracht heeft. Er zitten egocentrische aspecten aan de romantische liefde. Het is een ander soort liefde dan de liefde voor de naaste, waar iets van een offer (sacrafice) in zit.
Het einde van de theologische ethiek bracht ook verwarring en frustratie met zich mee.
Ferry meent dat dit afschudden van oude banden geen tijdelijke zaak is. Het is geen intermezzo naar een volgend groot verhaal waaraan de mens zich zal onderwerpen. Eenmaal deze weg ingeslagen is er geen weg terug.
Diep gaat de schrijver in op de oorsprong van het kwaad, dat hij ook zo wil benoemen als een werkelijkheid die verder gaat dan een neurose. De mens heeft de mogelijkheid verschrikkelijke dingen te doen. En die gebeuren dan ook: Rwanda en Bosnië, de gruwelijkste martelingen en moordpartijen. Daar helpt geen sociologie of psychologie tegen die het wil verklaren vanuit de structuren waarin mensen gevangen zitten. De duivel mag dan afgeschaft zijn, het raadsel van het kwaad is nog springlevend en duikt op waar je het niet verwacht.
In de eeuw van de 'Verlichting' was er van grote humaniteit nog niet veel te merken. Schokkend zijn de harde feiten over de geringe waarde die aan kinderen werd toegeschreven, zoals dat aan het licht komt in onderzoek naar kindersterfte in de achttiende eeuw. Werd aan de oudste zoon die het familiebedrijf kon overnemen, liefde en zorg besteed, aan de volgende kinderen veel minder. Vaak werden de 'ongewenste' kinderen aan een voedster uitbesteed op het platteland. En met die kinderen liep het vaak slecht af:
“De cijfers spreken trouwens voor zich: in de tweede helft van de achttiende eeuw stierf, van de kinderen die bij een min werden ondergebracht, tussen de 62 en 75% voordat ze één jaar oud waren! Dit ‘kleine sterven’ leek niemand te hinderen: noch de ouders, noch de samenleving, noch de op geld beluste voedsters. Flandrin maakt melding van een concreet geval waarin aan een bepaalde voedster, in de twintig jaar dat ze haar vak had uitgeoefend, twaalf kinderen waren toevertrouwd van wie er niet één in leven was gebleven, zonder dat wie dan ook zich daar druk over maakte!” (131)
Om nog maar te zwijgen van het aantal gevallen van kindermoord, zoals de schrijver opmerkt. Van alle geregistreerde geboorten in de achttiende eeuw heeft onderzoek uitgewezen dat bijna 30% van die kinderen in een gasthuis werd opgenomen. Een huiveringwekkend citaat:
“ Een man draagt de pasgeboren kinderen op zijn rug, in een gewatteerde doos waar er drie in passen. Ze staan rechtop in hun windsels, ademen de lucht in die van boven komt. De man houdt alleen halt om zelf iets te eten en de kinderen een beetje melk te laten zuigen. Wanneer hij zijn doos opendoet, blijkt er vaak een baby dood te zijn: dan zet hij zijn tocht voort met de twee overige, hij wil snel van zijn vracht af. Heeft hij die afgeleverd bij het gasthuis, dan gaat hij meteen weer terug voor eenzelfde tocht, want zo verdient hij zijn brood.”
Van collectieve verontwaardiging of gewetensnood over deze praktijken was in die tijd nog geen sprake. Moest dat geweten nog ontwikkeld worden?
Dat verandert volgens de schrijver als door economische omstandigheden mannen en vrouwen hun eigen waarde gaan ontdekken en als individu over zichzelf gaan beslissen. Dan ontstaat ook de ruimte voor vrije partnerkeuze, liefde en gevoel. Hoe die omslag in denken en voelen precies plaatsvond, kan de schrijver niet helemaal overtuigend aantonen.
Ferry ziet het probleem. De nadruk op gevoel en persoonlijke liefde in onze tijd maakt ook kwetsbaar voor herleving van stromingen die op die kwetsbaarheid inspelen en surrogaat bieden. Met name ziet de schrijver dit bij allerlei varianten van ‘new age’ die
“... ondanks hun holistische opvattingen voortdurend aanspraak blijven maken op individualistische verworvenheden als authenticiteit en ‘denken vanuit jezelf’, zelfs voor wat betreft de keuze van een goeroe!”.
Luc Ferry maakt vele rake opmerkingen in zijn boek en ik heb nu nog maar een paar aspecten uit dit werk aangestipt. Het boek is 30 jaar oud en dat merk je aan de gebruikte voorbeelden, maar ook aan het optimistische levensgevoel dat in die jaren heerste. Ik denk dat de donkere schaduwen inmiddels beter zichtbaar geworden zijn. Het vooruitgangsgeloof brokkelt door de feiten, de permanente crises in de wereld, af. De vraag is nu of humane verworvenheden inderdaad onomkeerbaar zullen zijn.
De zin van het leven. Onlangs zag ik een praatprogramma op TV met een aantal gasten om de ronde tafel. De presentator kwam op gegeven moment met de vraag: wat is de zin van het leven? Nadat iedereen uitgelachen was, zei een bekende historicus in het gezelschap: ‘Het leven is zinloos. De zin moet je er zelf aan geven.’ Er werd instemmend geknikt.
Typerend voor onze tijd. En ook voor mensen in onze regio. Word je in een vluchtelingenkamp geboren, zul je misschien eerder denken: de zin van het leven is dat ik vandaag een boterham kan krijgen. Niet eens belegd. De luxe naar de zin van het leven te vragen is in bepaalde situaties beschamend. Het mens-zijn is vooral een mysterie, alle wetenschappelijke vooruitgang ten spijt. Menselijk gedrag doet ons verbazen. Hoe goed kennen we onszelf?
Tenslotte de titel van het boek. Luc Ferry bespeurt dat een leven zonder god niet kan zonder een zekere mate van transcendentie. Iets dat het natuurlijke, biologische overstijgt. Er zit iets goddelijks in de mens, wat de mens onderscheidt van het dier. Het gaat dan om solidariteit met de zwakken, biologisch niet zinvol, maar ethisch menselijk des te meer. Mensen zijn pas humaan wanneer ze dat besef en die liefde kennen.
De auteur begon zijn studie in 1968, een tijd waarin alles politiek geladen was. Er werd de spot gedreven met de caritas, de naastenliefde. “De kritiek van Marx en Nietzsche op het ‘medelijden’ was een verplicht onderdeel van de filosofiestudie.” Nu, in de jaren negentig is die kritiek nog wel te horen maar is de situatie omgekeerd. “ In een periode van 25 jaar is het aantal particuliere liefdadigheidsorganisaties verhonderdvoudigd, terwijl de laatste revolutionaire strijders inmiddels tot de antiquiteiten behoren” (153).
Een goed boek, kundig naar het Nederlands vertaald door Jeanne Holierhoek.
Hier en daar nog tweedehands verkrijgbaar.
»
details
» naar bericht » reageer
Niet te Geloven: De Werkelijkheid achter het Nieuwe Testament - Willie van Peer (2019)
Dit boek is laagdrempelig geschreven, een beetje als een ‘NT voor dummies’ waarbij de knalgele omslag met kruis die indruk versterkt.
Dat niet iedereen in deze tijd thuis is in dit onderwerp zal duidelijk zijn en daarom is het te prijzen dat de auteur van de basis af laat kennismaken met het onderwerp.
Daarbij doet hij zijn best als niet-gelovige zich objectief en wetenschappelijk op te stellen.
Willie van Peer is filoloog, geen theoloog of historicus. Filologie is volgens mijn papieren ‘van Dale' te omschrijven als: ‘de wetenschap die zich bezighoudt met (de verklaring van) de taal en letteren van een volk, vaak in samenhang met de cultuurgeschiedenis.’
Want, ondanks verwoede pogingen bewijzen in de oudheid te vinden, moeten we het doen met de Griekstalige geschriften, eeuwenlang overgeschreven, mogelijk gecorrigeerd, die we kennen als het Nieuwe Testament. Keiharde bewijzen van authenticiteit hebben we niet. Een punt scoort de auteur als hij opmerkt dat Jezus en zijn vrienden geen Grieks spraken maar Aramees. De schrijvers van het NT waren dus niet afkomstig uit de directe entourage van Jezus en dus geen getuigen. Dat blijkt ook als de Griekstalige schrijvers fouten maken in de topografie van het land. Ze kenden Palestina niet. Een vertaalprobleem deed zich voor toen gesproken werd over Jezus die over het water liep. De oorspronkelijke tekst is heel wat minder miraculeus: hij liep langs het water.
En dan komen we al meteen op het eerste grote probleem bij dit boek: te doen alsof het allemaal begon in het jaar nul. Het Nieuwe is namelijk niet te begrijpen en los te zien van het Oude Testament. En dat zou de filoloog toch beter moeten beseffen. Jezus was een Jood en zijn volgelingen niet minder. Niet alleen de Griekse maar ook de Joodse traditie zou dan onderwerp van onderzoek moeten zijn. Maar die Joodse achtergrond komt er maar heel karig vanaf.
Het tweede is de ondertitel: 'De werkelijkheid achter het Nieuwe Testament'. Niet alleen suggereert de schrijver daarmee dat er zo’n verborgen werkelijkheid te vinden moet zijn, maar ook dat hij die gevonden heeft en deze in dit boek uit de doeken doet. Dat is nog maar de vraag. Heel veel opmerkelijks komen we, als we een beetje thuis zijn in het onderwerp, niet tegen. Geen onthullingen dus.
Het is niet heel moeilijk scoren voor de schrijver om de nadruk te leggen op de verschillen tussen de twee geboorteverhalen van Jezus en de onmogelijkheid van het spreken van de zeven laatste woorden aan het kruis. Want wat zei hij nu echt? Er is veel ongerijmdheid te vinden wanneer we de verschillende evangelisten met elkaar vergelijken. Die verschillen zijn niet alleen terug te leiden tot verschillende visies op Jezus, volgens de auteur, maar maken duidelijk dat er heel verschillende verhalen de ronde deden. Een biografie zit daar niet bij.
Dat wil ik best aannemen. Die diversiteit is er zeker en pogingen tot harmoniseren breken vaak op. Woorden, toegeschreven aan Jezus, kunnen we lang niet altijd letterlijk nemen. Anders dan bij de evangelisten is het de figuur van Paulus die voor problemen zorgt. Paulus hield er, net als Jezus, een apocalyptische visie op na: een geloof in een spoedige eindtijd en overwinning over de kwade machten.
Maar daarmee houdt de vergelijking met Jezus op, zegt van Peer. Hij schrijft over Paulus:
" Wat hij had gehoord dat Jezus verkondigde, beviel hem absoluut niet. Vooral het koppige vasthouden aan de joodse wet was hem een doorn in het vlees …. laten we heel duidelijk zijn: wat Paulus verkondigt heeft niets, maar werkelijk niets meer met Jezus te maken. Hoe zou dat ook kunnen? Hij heeft Jezus niet alleen nooit gesproken of ontmoet, hij toont ook een duidelijke afkeer om ook maar iets van de boodschap van Jezus te vermelden.”
Zo moet de schrijver zich afvragen: ‘was Jezus een christen?’ (231)
Het antwoord moet natuurlijk zijn: nee. En dat beweert Paulus, zelf ook een Jood, natuurlijk ook niet. Maar was Paulus echt zo afkerig van Jezus' boodschap? Dat valt nog te bezien. In veel van zijn teksten spreekt hij net zo vermanend en in dezelfde geest als de Jezus uit de evangeliën. De populaire opvatting dat Paulus het oorspronkelijke geloof van Jezus heeft vervalst en er een christelijk geloof van heeft gemaakt, is een bekende maar bij nader inzien niet vol te houden conclusie.
Niets nieuws dus in dit boek, maar toch een moedige poging om vanuit een andere wetenschappelijke invalshoek dit grote onderwerp in het kort te behandelen. En zeer leesbaar bovendien, zoals we van een taalkundige mogen verwachten.
»
details
» naar bericht » reageer
Dagboek van een Poes - Remco Campert (2007)
»
details
Steen der Wijzen, De - J.M.A. Biesheuvel (1983)
stem gewijzigd, oorspronkelijke stem was 3,5 sterren
»
details
Was de Kat Getuige? - A. Lourens-Koop (1979)
»
details
Achter het Net Gevist - Jackie Lourens (1978)
»
details
Paul Temple and the Margo Mystery - Francis Durbridge (1986)
»
details
Red Planet, The - Charles Chilton (1956)
»
details
Journey into Space - Charles Chilton (1954)
»
details
Geneva Mystery, The - Francis Durbridge (1971)
Het boek ken ik niet, het verhaal, verwerkt tot hoorspel, des te beter. Paul Vlaanderen en het Milbourne Mysterie luidt dan te titel.
In 1966 kwam dit hoorspel bij de Avro voor de microfoon, zoals dat heet. Vertaald en bewerkt door hoofdrolspeler Jan van Ees, onder zijn pseudoniem: Jan Bennik.
Paul Vlaanderen was vanaf de jaren '40 een enorm populaire hoorspelserie. Jan van Ees en Eva Janssen als Paul en Ina, het wat deftige Londense speurderspaar, met hun huisbediende Charlie, een rol van Donald de Marcas.
Die stemmen, die doen wat met je. Ze klinken nu opvallend bekakt. Misschien hoorde dat ook wel zo bij de altijd beschaafde en ouderwets liberale Avro. Maar er zit ook zoveel huiselijkheid en warmte in. Het verhaal ontspint zich in hoog tempo en het eindigt in de Zwitserse sneeuw. Best aardig als detective, maar ik moet zeggen dat de fascinatie voor het hoorspelgeluid me vaak afhield van de verhaallijn. Het is gewoon zo prachtig gemaakt!
De serie werd uitgezonden vanaf begin januari 1966. Nu dus 55 jaar geleden. Het was de laatste échte Paul Vlaanderen. Acteur Jan van Ees overleed op 23 oktober van dat jaar, op 70-jarige leeftijd.
Het hoorspel is door Beeld een Geluid gerestaureerd en uitgegeven op CD bij Rubinstein in 2010. Met een beetje geluk nog wel verkrijgbaar.
»
details
» naar bericht » reageer
Zaak Menten. Het Complete Verhaal: de Oorlog, de Vlucht, het Proces en de Nasleep, De - Hans Knoop (1977)
stem gewijzigd, oorspronkelijke stem was 4,0 sterren
»
details
Meidoornstraat: Opgroeien tussen Kerk en Communisten tijdens de Wederopbouw, De - Martin Rep (2020)
»
details
Verhalen uit het Gekkenhuis - J.M.A. Biesheuvel (2018)
stem gewijzigd, oorspronkelijke stem was 4,0 sterren
»
details
Meisje met het Rode Haar, Het - Theun de Vries (1956)
De roman ‘Het meisje met het rode haar’ verscheen in 1956, werd in 1977 door de schrijver herzien, waarna een reeks herdrukken volgde. De laatste jaren echter is het lastig nog een recente herdruk van het boek te vinden, zoals dat ook al jaren het geval is met ander werk van de schrijver.
Theun de Vries gold lang als een ‘besmet’ schrijver, door zijn openlijke keuze voor het communisme, wat hem met name na de Hongaarse Opstand in 1956 bijzonder kwalijk werd genomen. Dit boek had hij toen al geschreven. Het waren de jaren van de Koude Oorlog. Pas jaren later zou hij afstand nemen van zijn liefde voor communistische regimes. Hij raakte teleurgesteld, al verloor hij zijn geloof in de klassenstrijd niet.
Maar al in 1963 vertaalde hij een roman van de Russische dissident Aleksandr Solzjenitsyn over de strafkampen in Siberië. In 1971 verliet hij de CPN.
Desondanks blijft dit boek over Hannie Schaft, een 'Waarheidsgetrouw’ beeld geven van het type verzet dat in een communistische jeugdgroep in Kennemerland werd georganiseerd. Het verzet was, zoals de hele samenleving destijds, sterk verzuild. Calvinisten en communisten streden samen voor dezelfde zaak, maar ieder binnen de eigen groep, wat tegelijk een zwakte en een kracht bleek in het verzetswerk. Dat de communisten in de oorlogsjaren een belangrijke bijdrage geleverd hebben aan verzet en bevrijding, kan niet ontkend of gebagatelliseerd worden.
Het eerlijke beeld is niet altijd fraai. Zo kun je je afvragen waarom jonge meisjes gerekruteerd moesten worden om aanslagen te plegen en wapentransporten per fiets te doen onder het oog van de vijand. De vaak onhandig uitgevoerde sabotages en liquidaties op klaarlichte dag, en de repressailles die daarop volgden: het miste vaak doel. De acties hadden vaak iets van een wanhoopsoffensief. Hanna S., zoals de naam is van de hoofdpersoon in het boek, wilde niets liever dan dit verzetswerk doen. Ze was enorm gemotiveerd, gaf haar studie eraan om volledig aan het werk te kunnen in het verzet.
De Vries schreef het boek vanuit de eerste persoon, met Hanna als de ik-figuur en verteller.
Enorm knap hoe hij zich inleefde in de gedachten en gevoelens van de jonge studente, haar strijd, haar angsten en frustraties, maar ook haar typische meisjesdingen. Het verhaal in het boek loopt parallel met de echte levensgeschiedenis van Hannie Schaft, maar wijkt ook op punten daarvan af. Daarvoor is het een roman, een ingekleurde versie van de geschiedenis.
Het jargon in dit boek is typisch voor hoe communisten spraken over hun strijd. Over Duitsers, NSB’ers of nazi’s wordt nauwelijks gesproken. Het zijn allemaal fascisten. En fascisten zijn vijanden van het volk en de arbeiders en verdienen niet anders dan de kogel. Wie goed of fout was, was zo zonneklaar en had geen verder onderzoek nodig. Er werd in het verscholen hoofdkwartier geluisterd naar de BBC, maar ook naar Radio Moskou. De vorderingen van het Rode Leger aan het oostfront, die na 1943 de fascisten terugdrong, werden met grote opwinding gevolgd. Waar bleven nu de Engelsen?
Het is een roman en behalve strijd is er ook liefde in het spel. Het breekt Hanna volledig als haar vriend, die ze haar liefde heeft bekend, tijdens een actie wordt gepakt en om het leven komt. Zelf weet ze te ontkomen. Lichamelijk en geestelijk gebroken, herstelt ze zich en meldt zich opnieuw voor de strijd.
Een bijzonder goed geschreven boek. De Vries is een meesterlijk verteller, met een rijk taalgebruik schildert hij met fijn penseel de sfeer, de spanning, de dagelijkse zorgen en tegenslagen, het landschap en de natuur. Ook de verwondering dat ondanks de bezetting het gewone leven voor veel mensen doorging alsof er niets aan de hand was. Een enorm spannend boek, dat je moeilijk weg kunt leggen.
Ik ken de omgeving Kennemerland en Zaanstreek, waar het verhaal zich afspeelt, heel goed en herken de landweggetjes en locaties tussen Castricum en Haarlem / Heemstede. Daardoor kan ik het nog beter voor me zien.
De indeling van het boek bestaat uit vijf boeken, die ieder een omslagpunt in het verhaal markeren:
Eerste boek / De vervolgden
Tweede boek / De verdedigers
Derde boek / Het spoor van de gerechtigheid
Vierde boek / Het pantser om het hart
Vijfde boek / Het meisje met het rode haar.
Misschien toch weer tijd voor een herdruk.
»
details
» naar bericht » reageer
Toontje Lager, Een - Simon Carmiggelt (1959)
»
details
Het Wonder van de Negentiende Eeuw: Van Vrije Kerken en Kleine Luyden - H. Algra (1966)
Dit is nu weer zo'n werk dat je nog wel eens kunt tegenkomen op boekenmarkten in de meer christelijke streken van het land. Van dit fraaie gebonden boek heb ik de zesde en enigszins uitgebreide druk in huis uit 1979, dat ik omstreeks 1990 in een kleine boekwinkel op de kop tikte, waarna het voor lange tijd in de boekenkast bleef staan. Ik ga er wat over vertellen.
Schrijver is Hendrik Algra. De man, geboren in het Friese Hardegarijp, was onderwijzer, leraar aan de kweekschool, behaalde middelbare akten geschiedenis en Nederlands en was van 1935 (met onderbreking van de oorlogsjaren waarin hij als gijzelaar geïnterneerd was) tot 1970 politiek hoofdredacteur van het Friesch Dagblad. Van 1946 tot 1969 was hij lid van de Eerste Kamer.
Een echte onderwijzer, die mooi kon vertellen over de vaderlandse geschiedenis. Onderdeel van die geschiedenis is het wel en wee van de christelijk confessionele beweging, die vanaf de Franse tijd, begin negentiende eeuw, in de knel kwam tussen patriotten en modernisten. En, dat was het wonder, hieruit verrees door de oprichting van vrije kerken.
De oude gereformeerde belijdenisgeschriften, zoals de Dordtse Leerregels, waren vergeten en dominees preekten sinds Napoleon op zondag vooral over de deugden van het nieuwe licht. Een rede voor beschaafde burgers, tot eer van het Opperwezen en zijn Voorzienigheid, waarbij de bijbel nog nauwelijks opengeslagen hoefde te worden. Over de Franse tijd heeft Algra weinig goeds te melden. Het standsverschil bleef ondanks de égalité onverminderd groot.
De Gereformeerde Kerk van weleer was sinds de revolutie omgevormd tot de Nederlands Hervormde kerk, onder toezicht van de Koning, en die op plaatselijk niveau geleid werd door regenten en kerkmeesters, die behalve de kerk ook de bezittingen, waaronder landerijen, beheerden. Boeren en landarbeiders werden op die manier afhankelijk gemaakt van de kerkvoogdij die bovendien besliste over de aanstelling van de predikanten.
Maar waar het vooral om ging, was het vrije belijden van het geloof. Algra maakt duidelijk dat mensen er in die tijd uren lopen voor over hadden om elders een goede preek te horen. Daar werd dan de hele verdere dag over nagepraat. Sociale strijd en geloofsstrijd waren met elkaar verbonden. Heel anders dan de socialisten en radicale doopsgezinden, bleven ‘de kleine luyden’ gezagsgetrouw en voelden zich op historische gronden verbonden aan het Oranjehuis. Ze waren anti-revolutionair en sterk voor ‘soevereiniteit in eigen kring’, met name in de kerk en in het onderwijs.
We zien zo een zuil ontstaan, uit de klei getrokken als het ware, die zich met steeds meer zelfvertrouwen ontwikkelde. Aan het einde van de negentiende eeuw kwamen de ‘afgescheidenen’ en ‘dolerenden' tot elkaar in een kerkverband onder leiding van Abraham Kuyper (geboren in Maassluis), een politicus-theoloog die veel invloed verwierf en de aanzet gaf tot het oprichten van een eigen Vrije Universiteit in Amsterdam in 1880. Onafhankelijk maar toch verenigd en sterk verbonden met de gereformeerde kerken.
We lezen de hele geschiedenis in dit boek, waarbij opgemerkt moet worden dat Algra de zaken meer dan eens in het voordeel van de eigen groep, de gereformeerden, laat uitvallen. Duidelijk is dat daar zijn sympathie, of beter: zijn hart, ligt.
In een latere druk heeft de schrijver, inmiddels op hoge leeftijd, een hoofdstuk toegevoegd over de situatie in de twintigste eeuw en met name in de naoorlogse jaren. En hij is bezorgd. Hij ziet in de latere ontwikkeling vooral de zekerheid van het geloof verdwijnen en constateert met verdriet de erosie en verdere afbrokkeling van het kerkelijk leven. Vooral de kerkscheuring in 1944 in eigen kring, de vrijmaking, viel hem zwaar. Reden te meer voor hem om in 1965 dit boek te schrijven, om het collectief geheugen in eigen kring op te frissen, misschien bedoeld als signaal.
Wat ooit als een wonder beleefd werd, de terugkeer van een oude, bijna vergeten geloofsbelijdenis in de negentiende eeuw, en de opkomst van vrije kerken waarin dat vrij beleden kon worden, werd nu in de jaren zestig, vooral als een last ervaren, waarvan men zich wilde bevrijden. Het ‘ruimere geloof’ dat daarvoor in de plaats kwam, hield bij velen geen stand. Maar met evenveel recht kun je spreken van een voortschrijdende emancipatie. Dat de ‘kleine luyden’ zich ook economisch ontwikkeld hebben en vrijwel geen armoede meer kenden, speelt daarbij ongetwijfeld een rol. Men kon zich wat minder solidariteit veroorloven. Eenzelfde ontwikkeling zien we in de andere zuilen: de rooms-katholieke en sociaaldemocratische. Daarover gaat het in dit boek niet.
Een uniek boek, met veel aansprekend historisch materiaal, verhalen en portretten, zoals van Willem Bilderdijk, Hendrik de Cock en Abraham Kuyper, bekend van de straatnamen. Algra schrijft warm en boeiend en hoewel het boek 60 jaar oud is, is het nog zeer leesbaar.
Vooral voor Friezen, zoals ik, een must-read, waarbij ik de enigszins beperkte blikrichting van de schrijver voor lief neem en aanvul met wat ik vanuit andere invalshoeken te weten ben gekomen.
»
details
» naar bericht » reageer
Mogen We Nog een Beetje Leven? - Arnon Grunberg (2026)
In dit essay gaat het over het verlangen naar verlossing. Ook in een geseculariseerde cultuur waarin God niet meer meedoet, of nog wel mee mag doen maar dan alleen in de privésituatie, maakt zich dat verlangen naar verlossing breed, zoals in de politiek of het recht.
Mensen verwachten verlossing van hun problemen, maar is een leven zonder die problemen eigenlijk wel de moeite waard?
Grunberg beseft dat mensen hongeren naar een antwoord op de vraag hoe ze moeten leven:
“De simpele, sturende antwoorden zijn mij een gruwel, een gruwel waarmee boekenwinkels half zijn gevuld, opiniepagina’s, kranten zelf staan er vol mee, praatprogramma’s, we moeten dit of we moeten dat, we moeten x of we moeten y en tussendoor moeten anderen zich altijd schamen om deze of gene reden. Als de antwoorden dreigen tegen te vallen, kun je anderen altijd nog beschamen.
De dooddoener dat een tekst of een boek tot denken aanzet kan mij evenmin bekoren. Ik heb het al eerder gezegd: als de tekst u tot denken aanzet, komt de tekst te laat.” (proloog)
De schrijver maakt duidelijk dat hij met zijn tekst een dialoog aangaat met de lezer. Lezer en schrijver zijn met elkaar in gesprek. Zo leest dit werk inderdaad ook. Niets is pasklaar, je wordt niet bij de hand genomen.
Opmerkelijk is dat dit essay in feite een bespreking is van de Bergrede van Jezus, de Mensenvisser. Omdat Arnon Grunberg ervan uitgaat dat niet iedereen nog met die tekst bekend is, heeft hij de gehele Bergrede uit Mattheüs 5-7 achterin het boekje opgenomen. Zijn commentaar is scherp en verrassend.
Verder gaat de schrijver in gesprek met oude en nieuwe denkers zoals: Kant, Kierkegaard, Nietzsche, Wittgenstein, Oudemans, kinderpsychiater Winnicott en filosoof Boehm. Grunberg is belezen, citeert erop los, maar koketteert daarmee niet. Fraai is zijn vergelijking tussen Jezus en Don Juan.
Om te weten wat Grunberg daar allemaal over te zeggen heeft, moet het essay gelezen worden. Samenvatten lukt me slecht. Ook omdat de zinnen zo geladen zijn, vol van gedachten en vaak moeiteloos als aforismen geciteerd kunnen worden, maar waarbij het verband dan gemist wordt.
“ De Joden zeiden: ‘Hier is de wet, lees hem, bestudeer hem, bediscussieer hem, als je lang genoeg leest, zal God uit het perkament opstijgen.’
De Mensenvisser zei: ‘Jullie willen liefde? Ik zal jullie vijanden geven, opdat jullie nooit om liefde verlegen zitten.’
Wat rest zijn vragen: is de liefde verstandig? Is de wet verstandig? Is leven wel een bezigheid voor verstandigen? Erasmus wist al, zonder Zotheid gebeurt er weinig of niets, wat een dwaasheid te denken dat de Verlichte mens verstandig zou zijn geworden, akelig wijs zou zijn geworden. “ (117).
Een goed gesprek, dit essay.
»
details
» naar bericht » reageer