menu

Hier kun je zien welke berichten Marjon Nooij/Truusje Truffel als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Branduren - Cobi van Baars (2020)

4,0
Een begin, een einde en alles daartussenin

Branduren is de derde roman van Cobi van Baars. Ze belicht hierin een aantal thema's, waarvan een onverwerkt trauma, geboorte en sterven de meest flagrante zijn. Op chronologische wijze ontrolt zich het verhaal van zes personages die samenkomen, maar tevens ver van elkaar verwijderd zijn. Afwisselend komen ze, vanuit het ik-perspectief, aan het woord. De auteur brengt alle gemoederen langzaam in beweging, waardoor reacties en gedragingen gaandeweg duidelijk worden.

Cobi van Baars (1967) studeerde Nederlandse taal en letterkunde en studeerde af op de relatie tussen literatuur en beeldende kunst. Hierna is ze naar de kunstacademie gegaan. Twee studierichtingen dat zich in haar dagelijks leven uit door schilderen en schrijven. Omdat ze over het manuscript van haar eerste boek nog niet tevreden was, is ze in 2017 gedebuteerd met Schipper & Zn. Twee jaar later toch gevolgd door haar eerste werk; Over het krakende ei.

Naomi heeft haar bevalling zo georganiseerd dat niet alleen haar vriend Bient, maar ook hun beider ouders erbij aanwezig zijn. Dit lijkt een wat overdreven wens - bij tijd en wijlen komt het zelfs wat hilarisch over - en niet iedereen voelt zich daar even gemakkelijk onder. Daartussendoor laveert de verloskundige die overduidelijk moeite heeft met de toeschouwers in het vrij krappe, intieme kamertje. Naomi en Bient; tijdens hun eerste afspraak is ze meteen zwanger geraakt. De communicatie tussen hen verloopt niet altijd gemakkelijk, daar hij doof is en zij zich de gebarentaal nog niet voldoende eigen heeft gemaakt. Ook hun beider ouders kennen elkaar nog niet goed.

Wanneer Naomi de naam van haar dochter bekend maakt stort Barbara, haar moeder, letterlijk in. 'Alles wat zojuist nog vloeide, verandert ter plekke in ijs.' Behalve Gerrit, begrijpt niemand in de kleine kamer wat daarvan de oorzaak is. Dit leidt bij de anderen tot onbegrip en voorbarig oordelen. Gerrit weet dat zijn vrouw de gevolgen van een brand, zo'n 26 jaar geleden, herbeleeft. De relatie van de echtelieden heeft zwaar te leiden onder deze traumatiserende ervaring, die ervoor heeft gezorgd dat zij uit schuldgevoel dwangmatig en compulsief controlerend is geworden en voortdurend in angst leeft. Barbara kan het niet meer bolwerken en belandt hierdoor in een existentiële crisis.

'Wanneer ging het mis? Niet op het moment dat het kind geboren werd, maar toen het een naam kreeg. Toen raakte de tijd ontzet. Ineens was het 1990. De hele bevalling had ik de overeenkomst genegeerd, maar op dat moment werd de gelijkenis groter dan het verschil. Naomi loste op in Barbara. In de Barbara van vóór het drama. De Barbara op wie ik verliefd werd. De vrouw die zonder gêne voor mijn ogen beviel. Haar ogen liet vonken en tranen. De vrouw die nog in het leven geloofde, in geluk, in liefde zelfs.'

'Mijn vrouw is ze allang niet meer. Ze is alleen nog mijn muze. Ik gebruik haar. Ik gebruik haar zoals zij mij gebruikt. Als controle. Als controle op de controle van de controle. Volledig afgericht ben ik.'

Lonneke is net als haar vader doof geboren. Naomi en Bient kunnen elkaar niet bereiken in hun ideeën over de toekomst van hun dochter. Hij wil dat ze naar het speciaal onderwijs gaat, zodat ze andere doven ontmoet en zich zo normaal mogelijk kan ontwikkelen en zij wil dat ze een cochleair implantaat krijgt. Hun relatie heeft hier danig onder te leiden.

Zoals Naomi haar bevalling - in het eerste deel (Begin) van het boek - heeft gearrangeerd, zo heeft haar vader Gerrit - in het tweede deel (Einde) - zijn sterfdag tot in de puntjes uitgedacht, de regelzaken afgerond.

'Het stof dat je meezeult, wordt je op een dag teveel.'
'Een half leven samengebald in twaalf woorden.'

Zorgvuldig heeft van Baars de plot opgebouwd. Haar schrijfstijl is ingetogen, puntig, soms rauw, dan weer heeft ze de tekst gelardeerd met prachtige zinnen. De rauwe stijl, vol emotie, is ook terug te vinden in haar schilderijen.
De perspectiefwisselingen geven inzicht in het gevoelsleven van de verschillende, psychologisch solide uitgewerkte personages. Door de verschillende points of view zijn er herhalingen die elkaar overlappen en diepgang geven. Niet altijd is het helder wie er aan het woord is, daar de schrijfstijl niet mee verandert met de perspectiefwisselingen. Hierdoor is het soms nodig om even een paar bladzijden terug te kijken. Vaardig is de spanningsboog opgebouwd, door het gedoseerd vrijgeven van informatie, wat je het verhaal inzuigt. Emoties worden scherp neergezet. Naar het einde toe zijn er een aantal gebeurtenissen die wellicht wat al te toevallig kunnen lijken, hoewel zeker niet onrealistisch.

Een groots, meeslepend verhaal dat met aandachtig lezen meer prijsgeeft dan in eerste instantie lijkt. Broeierig, beklemmend, aangrijpend, doch gespeend van sentimentaliteit.

Cache, La - Christophe Boltanski (2015)

Alternatieve titel: De Schuilplaats

4,0
Een obscure familie vergroeid met de muren van hun herenhuis

Christophe Boltanski (Boulogne-Billancourt, 1962), Frans auteur en journalist, debuteerde in 2015 met zijn autobiografische en wereldwijd vertaalde tragi-komische roman De schuilplaats. Hierin zet hij het Parijse herenhuis van zijn Joodse grootouders - aan de Rue de Grenelle - centraal. Niet alleen beschrijft hij zijn herinneringen en anekdotes uit zijn eigen jeugd - hij trekt op dertienjarige leeftijd bij zijn grootouders in - maar duikt dieper de geschiedenis in van deze symbiotische familie, die uiterst zonderling te noemen is.

'Ik werk de Rue-de-Grenelle door alsof ik Cluedo aan het spelen ben. Door een gelukkig toeval zijn er evenveel pionnen als protagonisten. [...] Ik hoef geen dobbelstenen te gooien. Ik kan eigenlijk maar één kant opgaan en ik verplaats me maar met één hokje tegelijk, eventueel twee als ze dezelfde functie hebben, zoals de keuken en de voormalige eetkamer. De vertrekken, die in elkaars verlengde liggen – hun grootste nadeel trouwens –, maken gangen overbodig en bieden geen zijwaartse ontsnappingsmogelijkheden. Bij elke ronde ontdek ik een nieuwe ruimte. [...] In elke kamer van het huis roep ik een of meerdere personages op, ik trek hun alibi’s na, kom tot een hypothese en raak zo telkens weer een beetje dichter bij de waarheid.'

Het blijkt een behoorlijke zoektocht te worden, waarbij hij - het kleinkind - alleen beschikt over enkele foto's en oude, verstofte boeken; de boeken die zijn grootmoeder onder het pseudoniem Annie Lauran schreef. De puzzel die de auteur op moet lossen is die van de namen en hun afkomst. Allereerst ontdekt hij dat er vele namen zijn voor dezelfde personen en ook over de juiste schrijfwijze van hun achternaam tast hij in het duister. De overlevering vertelt dat de Franse immigratiedienst het cyrillische schrift niet begreep, toen David rond 1895 vanuit Odessa, Rusland naar Frankrijk emigreerde.

Grootvader Étienne Alexandre wordt geboren in 1896 als enige zoon van David en Elena Boltanski, en weet zich op te werken tot vooraanstaand arts, met een geduldig luisterend oor, maar een week hart. Een prater is hij ook thuis niet.
Zijn twaalf jaar jongere, trotse en volhardende vrouw wordt als zevende kind en nakomertje geboren in een conservatief, armlastig gezin uit Bretagne.

´Bij haar doop huilde haar vader, Adrien. Wist hij toen al dat hij geen overgangsrite bijwoonde maar een overdracht? Hij had iemand voor haar gevonden die veel meer was dan een simpele stiefmoeder – een voogdes, een gefortuneerde vriendin die bereid was haar op te voeden en die haar later tot erfgenaam zou benoemen. Met de overdracht aan haar stiefmoeder wachtte hij tot ze de leeftijd had om naar school te gaan, zodat ze, ook al kon ze het niet begrijpen, zich bewust zou zijn van wat er gebeurde. Ze werd weggerukt bij haar familie, uit de kamer die ze met haar zussen deelde, uit haar stad met de granieten muren, weg van alles wat haar vertrouwd was, zelfs van de naam die haar bij de doop was gegeven. Haar adoptief moeder herdoopte haar, zoals je zou doen met een huisdier. Marie-Elise werd Myriam.´

Over haar leeftijd weigert zijn liefdevolle, maar dominante grootmoeder te praten. Als studente viel ze als een blok voor haar docent en is op heel jonge leeftijd met hem in het huwelijksbootje gestapt. Dan wordt ze door polio getroffen, waarna ze zich met krukken moet voortbewegen. Ze kan niet accepteren dat ze haar autonomie kwijt is en doet er alles aan om haar handicap te verbergen. Om zich te verplaatsen heeft ze een aangepaste Fiat 500, waarmee ze haar man naar zijn patiënten brengt en ze met zijn vijven op vakantie gaan. Ze slapen zelfs in de auto en voor Christopher is alleen de kofferbak nog beschikbaar, met de achterklep open voor de frisse lucht.

Grootvader zit tijdens de Duitse bezetting twee jaar ondergedoken in hun eigen huis, maar niet voordat hij - voor de schijn - van zijn vrouw is gescheiden en hij daarna ´verdwijnt´ met zijn koffertje. Deze jaren van gedwongen binnen zitten hebben ertoe geleid dat hij daarna ook liever binnenblijft. De oorlog ligt als een deken van collectief trauma over de familie heen. Dit leidt tot angst voor de buitenwereld en het gezin leeft - nogal onaangepast en teruggetrokken -, met zijn allen in één kamer. De hygiëne en kwaliteit van hun voedsel laat nogal te wensen over en de kinderen krijgen thuisonderwijs, wat hen bepaald geen windeieren heeft gelegd en grote talenten heeft ontwikkeld.

Boltanski heeft met dit journalistieke familieverhaal de geschiedenis gereconstrueerd en een heel rijk, gedetailleerd en visueel boek geschreven, met het huis als protagonist. Stilistisch heeft hij zich duidelijk laten inspireren door het experimentele en plotloze Het leven een gebruiksaanwijzing van Georges Perec, die de lezer labyrintisch, kamer voor kamer, door een flatgebouw leidt en zo steeds meer puzzelstukjes verzamelt. Het eerste citaat hierboven laat duidelijk de Pereciaanse invloed zien. De stijl en thematiek van Patrick Modiano, die zijn bewondering voor Perec niet onder stoelen of banken steekt, is ook terug te vinden. In zijn werk spelen herinneringen en de zoektocht naar het eigen verleden een grote rol.
De schuilplaats is geen boek om met tussenpozen te lezen, omdat de verandering van namen en de uitwaaierende geschiedenis voor verwarring kunnen zorgen. Het bij de hand houden van aantekeningen is hierbij een handig hulpmiddel.

Boltanski is er, met hilarische toetsen, maar zonder vals sentiment, in geslaagd om een boeiende en toegenegen vertelling te schrijven over de dramatiek en de ontwrichtende effecten van de Tweede Wereldoorlog.

Different Drummer, A - William Melvin Kelley (1962)

Alternatieve titel: Uit de Maat

5,0
Woke : het moment van bewustwording

1957
Sutton, een buurtschap in een niet bestaande staat ergens in het diepe zuiden van Amerika.
Meneer Harper houdt vanaf vroeg in de ochtend, in zijn rolstoel, de wacht op de veranda van de plaatselijke kruidenierswinkel. Hij vertelt de andere rondlummelende mannen het - door overlevering misschien niet helemaal meer waarheidsgetrouw - mythische verhaal van een bijna titanische zwarte slaaf die de geschiedenis in is gegaan als 'De Afrikaan' en zo sterk was als de Bijbelse Samson. Gedurende de overtocht zit de Afrikaan - Hij heeft een baby bij zich - vastgeklonken aan de wand van het ruim, tot hij zich ineens met een luid gebrul losbreekt en weet te ontsnappen. Wanneer zijn eigenaar, Generaal Dewey Willson, hem te pakken heeft gekregen vermoordt hij hem, de baby neemt hij mee naar huis.

De Afro-Amerikaanse auteur William Melvin Kelley (1937-2017) is geboren in New York en opgegroeid in The Bronx, een volkswijk waarvan de bevolking voor 10% wit is. Hij studeerde aan Harvard University, in de tijd van de Black Arts Movement, en in 1962, op zijn vierentwintigste, debuteerde hij met A different drummer, nu schitterend vertaald door Arthur Wevers als Uit de maat. Met dit gepassioneerde debuut schreef Kelley een urgente allegorie over de black struggle, de strijd voor burgerrechten en de sociale cohesie tussen de zwarte en blanke bevolkingsgroepen, wat nog altijd dezelfde importantie heeft getuige #blaklivesmatter. Het verschijnen van zijn boek is in dezelfde donkere periode als waarin Martin Luther King en Malcolm X zijn vermoord. Omdat hij zelf het woord 'negro' en 'nigger' heeft gebruikt in dit boek, heeft de vertaler ervoor gekozen om dit n-woord in een letterlijke vertaling te gebruiken en zo de oorspronkelijk schrijfwijze recht te doen. Tien jaar eerder dan Kelley, is ook het eerste werk van de jonge Afro-Amerikaan James Baldwin verschenen en van hem is twaalf jaar later Als Beale Street kon praten als herontdekte klassieker is uitgebracht in het Nederlands en is opgenomen in de Schwob Winteractie van 2018-2019.

Tucker Caliban, een man met een zeer zwarte huid, is een ongeschoolde arbeider en het bloed van 'De Afrikaan' stroomt door zijn aderen. Hij heeft een stem die een aantal octaven te hoog klinkt, is klein van stuk en brildragend, en hiermee zet Kelley direct de toon door hem in een tegenovergestelde gedaante neer te zetten dan zijn grote en sterke voorvader.

Wanneer Tucker een lading grof zout heeft gekocht, strooit hij tot ieders verbazing 'de hagelachtige kristallen' uit over zijn akkers, schiet zijn schamele veestapel af, vermorzelt de klok die ooit met de Afrikaan is meegekomen en verbrandt letterlijk al zijn 'schepen' achter zich. Dan reist hij met zijn gezin de noorderzon tegemoet. De klok is een prachtige metafoor die aangeeft dat Tucker met het stukslaan ervan ook de tijd die achter hem ligt te gronde richt.

Met stomheid geslagen zien de dorpsbewoners deze taferelen aan. Over het waarom van hun vertrek kunnen ze alleen maar gissen. En wat Tucker waarschijnlijk nooit heeft vermoed is dat langzamerhand de ook andere zwarte dorpsbewoners hun spullen bijeen pakken, alsof Tucker hiervoor het startsein heeft gegeven. Ook Harry Leland en zijn zoon zien deze exodus met lede ogen aan. Harry zegt hem dat de negers vrije mensen zijn en het recht hebben om te vertrekken.

'Waar gaan al die nik... negers naartoe, papa?' Hij inspecteerde de appel, probeerde te bedenken waar hij de eerste hap zou nemen..
'Dat weet ik niet, Harold.' Zijn vader beet in de zijne, kauwde, slikte. 'Ik denk dat ze zich STRAGEGISCH TERUGTREKKEN, zoals we dat in het leger noemden. [...] Ik denk dat de negers zich helemaal terugtrekken.'
'Zijn ze dan geen lafaards, papa?'
'Dat denk ik niet. Ik denk dat er nu meer moed voor nodig is om je terug te trekken, jongen'

Vanuit het point of view van enkele witte dorpsbewoners wordt het verhaal van Tucker uit de doeken gedaan. De tijdswisselingen geven een compleet plaatje. Alleen zij krijgen het woord en het is opmerkelijk te noemen dat een auteur van Afro-Amerikaanse literatuur in de huid van witte mensen kruipt. Kelley weet messcherp te verwoorden hoe de witte achterblijvers het vertrek van de zwarte bevolking ondergaan.

Tucker heeft, net als zijn vader en grootvader, altijd bij de familie Willson gewerkt en ook zijn vrouw Bethrah is op een dag bij hen aan de deur verschenen, omdat ze op zoek was naar een betrekking als dienstmeid. Samen bestieren ze een eigen boerenbedrijfje. De gezinsleden van de Willson's hebben warme herinneringen aan Tucker en Bethrah en in de afzonderlijke hoofdstukken komen zij aan het woord. Elk personage vertelt zijn/haar eigen verhaal over de verhouding tot Tucker. Maar onderhuids is de rassenongelijkheid pijnlijk voelbaar, zoals wanneer de jonge Tucker met de riem krijgt als hij een telg van de Willson's leert fietsen en hij daardoor te laat thuis komt voor het eten. Het is subliem hoe Kelley elk persoon een geheel eigen karakter heeft gegeven, door de schrijfstijl en vocabulaire aan te passen. Vooral de kleine Harold (meneer Leland voor Tucker) maakt indruk met zijn kinderlijke vertrouwen en naïviteit.

Maar niet bij iedereen kan deze uittocht op sympathie rekenen en op de veranda wordt er dan ook druk gespeculeerd en de gouverneur komt ook met zijn statement.

'Er is geen enkele reden om ons zorgen te maken. We hebben ze nooit nodig gehad en nooit gewild en redden ons ook wel zonder hen; het Zuiden redt zich wel zonder hen. Onze bevolking is misschien met een derde geslonken, maar het komt allemaal goed. Er zijn nog genoeg goede mannen over.'
Dit wilden ze allemaal graag geloven. Ze leefden nog niet lang genoeg in een wereld zonder zwarte gezichten om ook maar iets zeker te weten, maar ze hoopten dat alles goed zou komen, probeerden zich ervan te overtuigen dat het allemaal voorbij was, maar voelden wel dat het voor hen nog maar net was begonnen.'

Toch blijven de gevolgen van het vertrek van de grote groep zwarte dorpsbewoners niet ongemerkt en de gemoederen keren zich. De komst van Bennett T. Bradshaw, een geaffecteerde, Noorse, zwarte dominee, zet de verhoudingen in het dorp op scherp. Het einde van dit sterke, maar hartverscheurende verhaal blies me uit mijn schoenen. Een kippenvel-verhaal waar nog lang over na te denken valt. Wat heeft Tucker gedreven om uit de maat te lopen?

Titel: Uit de maat
Auteur: William M. Kelley
Vertaling: Arthur Wevers
Pagina's: 272
ISBN: 9789025453480
Uitgeverij Atlas Contact
Verschenen: november 2018

1 Woke, als een politieke term van Afro-Amerikaanse afkomst, door Kelly gelanceerd, verwijst naar een ervaren bewustzijn van kwesties met betrekking tot sociale rechtvaardigheid en raciale rechtvaardigheid. Het is afgeleid van de Afrikaans-Amerikaanse Engelse uitdrukking "blijf wakker", waarvan het grammaticale aspect verwijst naar een voortdurend bewustzijn van deze kwesties. (Bron: Woke) - Wikipedia - en.wikipedia.org

Fainéants dans la Vallée Fertile, Les - Albert Cossery (1948)

Alternatieve titel: De Luiaards in de Vruchtbare Vallei

Het indolente leven van een slapend gezin

Na het lovend ontvangen Grote dieven, kleine dieven heeft Uitgeverij Jurgen Maas hier een vervolg aan gegeven door ook De luiaards in de vruchtbare vallei in een wederom vloeiende vertaling van Mirjam de Veth uit te brengen. Zoals in de meeste van Cossery's boeken, speelt ook deze droefgeestige, soms hilarische, roman zich af in Egypte, Caïro.

Vader Hafiz brengt zijn dagen het liefst zoveel mogelijk slapend door. Zijn zoons Rafiek en Galaal - hij slaapt al zeven jaar - , en de inwonende oom Mustafa zijn tevens behept met deze gave en in principe zijn ze alleen bereid om wakker te worden voor de maaltijden. Ze leven allen op het ritme van de slaap alsof het een verheven kunst is en nemen het met de hygiëne niet zo nauw. De enige vrouw die toegang heeft tot de woning van dit herengezin is de jonge Hoda, die zorg draagt voor het huishouden en zich zo stil mogelijk tussen de slapenden door laveert. Ze heeft inmiddels door ervaring geleerd hoe ze de grijpgrage handen van de heren het beste kan ontwijken. De gruwel om vrouwen toe te laten - stel je voor dat ze hen vermoeit met de wens om actiever te worden -, heeft er voor gezorgd dat een van de zoons zijn huwelijk heeft afgeblazen en er alles aan wil doen om ook het voorgenomen huwelijk van zijn vader te voorkomen.

Niets lijkt belangrijker dan slapen, de louterende staat van inactiviteit en afwezigheid van een wakker bewustzijn. De wereld buitenshuis houdt hen niet bezig, omdat ze eigenlijk niet weten wat daar gaande is. Het ascetisch opgaan in deze lethargie van lanterfanten, luieren en lummelen - waardoor er ook sprake is van onthouding van seksuele activiteiten - is door de auteur flink gechargeerd - een bekend fenomeen in zijn werk -, zodat dit droeve verhaal ook een lichte toets krijgt. Spoortjes van sarcasme zitten verweven tussen de hilarische, maar trieste passages, zoals wanneer Siraag de bewaker van een fabriek - die maar niet wordt afgebouwd - aanspreekt.

"Ben je hier allang?'
'Een paar maanden', zei de man. 'Maar ik zal niet lang meer blijven. Het is zwaar werk. Ik moet de hele tijd die stenen en die hopen oud ijzer bewaken. Er zijn bandieten die hier alles komen stelen. En ik ben er verantwoordelijk voor. Snap je?'
'Het is heel belangrijk werk', zei Siraag.
'Ontzettend belangrijk', zei de man. 'En ik moet het alleen doen. Je zou minstens veertig man moeten hebben om alles hier te bewaken.'

De jongste telg, Siraag, is de meest 'actieve' van het stel. Bij tijd en wijle gaat hij de straat op, hoewel hem dat bovenmatig vermoeit. Hij beseft dat zijn slapende bestaan hem eenzaamheid heeft gebracht, een gevoel van ontevredenheid en iets willen betekenen. Zo nu en dan bezoekt hij de oude pindaverkoper. Het is heel treffend zoals de auteur het personage van Siraag heeft uitgewerkt. Wanneer hij op straat is en ziet dat een ander wel ergens mee bezig kan zijn, bekruipt hem het gevoel van het er alleen voor staan. Hij wil ontsnappen aan het beeld van die andere jongen, maar ook aan het lege bestaan van zijn slapende familie.

'Siraag had horen zeggen dat de mensen werkten, maar dat waren alleen maar verhaaltjes die verteld werden. Hij kon het niet echt geloven. Zelf had hij nog nooit iemand zien werken. [...] Toch was het een langgekoesterd verlangen van hem om eens een van die mensen te zien die met hun handen werkten en die getekend waren door afmattend zwaar werk.'

Hij romantiseert het idee van hard werken en heeft zijn zinnen gezet op een fabriek in de buurt. Zijn familie echter verklaart hem voor gek en ze draaien zich op hun andere zij en slapen verder. Hafiz is in goeden doen, dus hoeven ze niet te werken voor hun onderhoud en zich geen zorgen te maken om een slapend bestaan te leiden. Siraag bedenkt een plannetje om wat geld te verdienen, zodat hij zijn eigen plan kan trekken.

Albert Cossery (1913 - 2008) is geboren in Egypte, maar na de Tweede Wereldoorlog vestigde hij zich in Frankrijk, waar hij tot zijn overlijden heeft gewoond in een kamer van Hotel La Louisiane in de Rue de la Seine, Saint-Germain-des-Prés, een wijk in het arrondissement Parijs, waar na de oorlog veel culturele evenementen plaatsvonden en een verzamelpunt was van veel kunstenaars. Cossery heeft hier veel contacten met andere auteurs gehad. In 1948 bracht hij Les Fainéants dans la vallée fertile uit, een van de acht boeken die hij in zestig jaar heeft geschreven, vaak maar een paar zinnen per week. Ledigheid was ook hem niet vreemd en hij heeft dan ook niet meer gewerkt sinds hij zijn hotelkamer betrok. Wel is bekend dat hij zich uitstekend vermaakte in het bruisende nachtleven. De laatste jaren van zijn leven is hij zijn spraakvermogen verloren in verband met inactieve stembanden door keelkanker. Het meest actieve dat hij tot kort voor zijn dood is blijven doen, is zijn dagelijkse bezoeken aan zijn stamkroegjes.

Volharden in slapen en luiheid is absoluut het overkoepelende thema waar Cossery graag over schreef. Cossery's pen is helder en licht, hij beschrijft het leven in de woning van Hafiz, maar ook het leven daarbuiten met trefzekere bewoordingen en bedient zich graag van galgenhumor, maar weet ook te ontroeren. De naïviteit van de arme Hoda, die helemaal opgaat in Siraag, de tomeloze wens van Siraag om iets te kunnen betekenen, te gaan werken zoals anderen en de primitieve omstandigheden in het leven van de jongen die hij ontmoet en... die hij stiekem wel bewondert. De verhaallijnen van de andere personages zijn magnifiek met elkaar verweven en elk van hen heeft zijn eigen droom en problematiek.

In het uitgebreide nawoord van Mirjam de Veth wordt er veel verduidelijkende aandacht besteed aan de auteur, zijn leven, gewoonten, eigenaardigheden, principes en manier van denken. Hij was wars van bureaucratie en het bewind, maar een groot liefhebber van stekelig sarcasme en galgenhumor.

'[...] school is volgens Cossery alleen goed om te leren lezen; vanaf dat moment heb je toegang tot alle boeken en daarin vind je alles wat je nodig hebt in het leven.'

Wederom is deze 'Cossery' weer een juweeltje. Een beklijvend verhaal met diepgang en veel meer te ontdekken dan in eerste instantie misschien lijkt.
Het wachten is nu op het verschijnen van de volgende vertaling van deze meesterlijke verteller.

Frau Erlebt die Polarnacht, Eine - Christiane Ritter (1938)

Alternatieve titel: Een Vrouw in de Poolnacht

Recensie door Truusje
Uitgeverij Querido Fosfor

Alles draait hier om het naakte bestaan

Wanneer de Oostenrijkse Christiane Ritter in de zomer van 1934 een telegram ontvangt van haar man Hermann met de woorden 'Laat de boel de boel en kom ook naar de Noordpool', heeft ze even haar bedenkingen. Haar man kon niet loskomen van Spitsbergen en is er gebleven na een wetenschappelijke expeditie. In de zomer gaat hij er met de boot op uit om te vissen en tijdens de winter jaagt hij op pelsdieren. Het idee om daar de eenzaamheid op te zoeken (Ach eenzaam? De buurman woont maar 90 km verderop!) en kou te lijden trekken haar niet meteen, maar de berichten van haar man die haar bereiken, wekken toch haar belangstelling, dus... haar nieuwsgierigheid wint.

'Ik zag de kleine winterhut in een steeds vriendelijker licht. Als huisvrouw hoefde je de gevaarlijke tochten ’s winters tenslotte niet mee te maken. Je kon in de hut bij de warme kachel blijven zitten, sokken breien, vanachter de ramen het landschap schilderen, ver van het werelds gewoel dikke boeken lezen en niet in de laatste plaats uitslapen zo lang je wilde.'

Per schip - met meer bagage dan haar man haar had aangeraden mee te nemen - bereikt ze Spitsbergen en wordt ze in de Kongsfjord aan land gezet, waar haar man - Hermann, hoewel ze hem nergens bij naam noemt - op haar wacht. Samen trekken ze verder naar het noorden, waar Hermann een hut heeft gehuurd in Gråhuken, tussen de Woodfjorden en Wijdefjorden. Een heel jaar zullen ze er verblijven, samen met Karl waar haar man mee bevriend is geraakt.

[...] 'een brave, fatsoenlijke kerel. Hij komt uit Tromsø en is eigenlijk ijszeeschipper, harpoenier van beroep. Hij stond al op het punt om naar huis te gaan toen ik hem van de zomer vroeg of hij nog een jaar in het Noorden wilde blijven. Hij aarzelde geen moment en zei ja. Karl is een Spitsbergenfanaat.’

Eenmaal in de hut - met zwarte wanden door kachelrook - aangekomen zorgt ze er voor alles netjes en schoon te krijgen. Vers brood wordt gebakken en er komen creatieve maaltijden op tafel die onder andere bestaan uit vis, zeehonden-, sneeuwhoender- of berenvlees. Haar grootste zorg is dat er weinig vitaminerijke groenten zijn, omdat scheurbuik op de loer ligt.

Via deze link is een virtuele tour te maken door de Ritterhut in Gråhuken.

In haar dagboek schrijft Ritter over haar zorgen en angsten, maar die maken steeds gemakkelijker plaats voor verwondering over de idyllische schoonheid van de natuur, de zomer in het licht en de eindeloos lijkende donkerte van de winter. Hoe moeilijk ze het ook vindt om zich over te geven aan de gedachte dat er vallen worden gezet om aan hun vlees te komen, toch verandert ze na verloop van tijd haar houding ten opzichte van de omstandigheden en kan ze zich steeds beter conformeren met het Arctische bestaan en probeert uiteindelijk zelf ook te gaan jagen. Ze beseft ze dat kleinzieligheid er zijn niet op zijn plaats is.

'Ik bekijk het leven nu ook met andere ogen. Vergeten zijn alle uiterlijkheden, hier draait alles om het naakte bestaan. De hut is een hol dat beschutting biedt, zonder hut zouden we buiten doodvriezen, het primitieve voedsel moet ons wel smaken, want het houdt ons in leven. En spelen kun je ook met zwarte kaarten, zelfs als harten en ruiten even zwart zijn als schoppen. Ze helpen ons de zwarte tijd te verdrijven, dat is hun betekenis.'

In de donkere winter daalt de temperatuur gemakkelijk tot een graad of 50 onder nul. Storm en hagel teisteren de hut en drinkwater is niet voorhanden, dus moet er ijs gesmolten worden. Zelfs ín de hut komt er een laag ijs op de wanden en de bevroren aardappels moeten begraven worden om ze te behoeden voor ontdooien. Ze is er slechts zelden op te betrappen dat ze het hoofd hangen en het is uiterst fascinerend om te lezen hoe ze zich herpakt en met een grote mate van positiviteit, flexibiliteit, verwondering, luchtigheid en lichte (zelf-)spot haar dagen beschrijft. Ook als ze voor langere perioden alleen achterblijft wanneer de mannen op expeditie zijn, is ze onverzettelijk om er het beste van te maken.

De extatische beschrijvingen van de natuur zijn zo beeldend beschreven, dat de kou je bijna letterlijk in de kleren gaat zitten, maar hartverwarmend zijn de beschrijvingen van de geluidloosheid en intense rust, de sneeuwvelden door de zon beschenen, de sneeuwwitte vossen en sneeuwhoenders, de betovering van het ijs, de kleuren van het licht en het knusse van hun hut. Vanzelfsprekend zijn er legio ontberingen, maar de spirit die haar woorden uitstralen zijn bewonderenswaardig en getuigen van een krachtige geest.

'Vreemd zijn die heldere nachten. Ze hebben iets bijzonder plechtigs. Het is alsof de golven zachter slaan en de vogels langzamer vliegen – de nacht is als de droom van de dag.'

'Vandaag straalt de hemel in het blauwe licht van de verdwenen dag. In het noorden hangt een roodgele maan voor de nevel. Als de weerspiegeling van een verre vuurzee zweeft in het roodachtige schijnsel het steeds duidelijker wordende poollicht langs de hemel. Het maan- en het poollicht zijn nu het warme gloeiende licht dat contrasteert met het kille blauw van de lucht.'

Wanneer de tijd is gekomen om Spitsbergen weer te verlaten, beseft ze dat ze niet weg kan gaan. Net als haar man is ze verslingerd geraakt aan het leven in de Arctische contreien. Ze besluit bij haar man te blijven tot de herfst.

Deze indrukwekkende getuigenis van de eerste vrouw op de Noordpool is een wonderschoon literair verslag uit de twintigste eeuw dat terecht is opgenomen in de Schwoblijst. Een non-fictieklassieker om van te smullen en die je met een melancholisch gevoel achterlaat.

Help, de Psycholoog Verzuipt! - Frits Bosch (2019)

5,0
Recensie door Truusje
Stichting Beroepseer*

'We moeten ons transformeren van een beweging
van verzet naar een beweging van opbouw.'
- Nelson Mandela

It's all about the money?

Frits Bosch is eerstelijnspsycholoog en in die functie werkzaam geweest van 1980 tot 2017. Het overgrote deel van zijn werkzame leven heeft hij een eigen praktijk gevoerd. Het is een periode geweest van aanzienlijke veranderingen in alle facetten van de zorg en veel veranderingen brachten onrust, onduidelijkheid en uiteindelijk ook onvrede met zich mee. Om nog maar te zwijgen over gevoelens van onthutsing over genomen besluiten vanuit het ministerie van VWS. Niet alleen binnen de vakgroepen, maar zeker ook bij de cliënten. De gevolgen van de marktwerking en de bezuinigingen in de zorg zijn nijpend en komen de cliënten op verschillende punten niet ten goede.

'Het [boek tt] illustreert welk verwoestend spoor de marktwerking in de GGZ heeft achtergelaten, en daarnaast is het een persoonlijk verslag van een psycholoog die vecht voor zijn beroepseer.'

Bosch is een zeer bevlogen man, die vele zaken met lede ogen heeft aangezien, maar zich ook strijdbaar heeft opgesteld. Lezingen, presentaties, brieven etcetera heeft hij aangegrepen om stelling te nemen tegen besluiten vanuit Den Haag.

In zijn boek 'Help, de psycholoog verzuipt!' beschrijft Bosch deze veranderingen en geeft hij praktijkvoorbeelden uit eigen ervaringen ter verduidelijking. Hoe is dit boek er gekomen?
Nadat zijn laatste werkdag als psycholoog gewerkt was en er een dossierkast met verzamelde paperassen, beleidsnotities, dossiers, brieven en krantenknipsels getuigden van zoveel jaren arbeid, kwam het idee om een boek te schrijven over zijn ervaringen in de praktijk en allerhande cliëntcontacten. Al schrijvend en de jaren overdenkend is het uitgegroeid tot een algehele beschrijving van wat de reorganisatie binnen de Geestelijke Gezondheidszorg teweeg heeft gebracht.

Het lezen van dit boek heeft me bijzonder aangegrepen, onthutst en - plaatsvervangend? - boos gemaakt, omdat ik door mijn werkzaamheden veel affiniteit heb met deze beroepsgroep. De vele lees-aantekeningen zouden al een boek an sich opleveren, evenals de emoticons.

Aan het begin van de jaren '80 (van de vorige eeuw moet ik zeggen) zette Bosch een groepspraktijk op, die met veel enthousiasme werd ontvangen door zowel cliënten als huisartsen. Vanuit het regionale ziekenfonds werd hem een experimentele vergoeding verleend en al snel werd het duidelijk dat hun klanten veel vlotter en bovendien meer naar tevredenheid behandeld werden. Zelfs vanuit het ministerie kwamen positieve geluiden op de resultaten van dit initiatief, zodat Bosch zich er hard voor heeft gemaakt om een samen met collega's een landelijke organisatie op te zetten van eerstelijnspsychologen.

Het meest onvoorstelbare gebeurde; vanuit de GGZ kwam de concurrentie op stoom. De POH-GGZ (Praktijkondersteuner huisartsen, vanuit de GGZ gedetacheerd) - lees; minder opgeleide - werd in het leven geroepen en de zorgverzekeraar en politiek maakten het de vrijgevestigde psychologen moeilijk in hun voortbestaan. Met name tijdens de regeringsperiode van minister Edith Schippers zijn er vanaf 2012 drastische maatregelen genomen en leek er belangenverstrengeling te zijn ontstaan door dubieuze werkzaamheden van haar partner. Van haar beloofde transparantie bleef niet veel meer heel. Follow the Money heeft zich in dit onderzoek vastgebeten en kwam met verbijsterende conclusies.

Wat in mijn ogen nog het meest misplaatst is, is dat de concurrentie vanuit de GGZ zich op de commerciële toer is gaan profileren, om toch maar te kunnen zorgen voor de opgelegde positieve omzetcijfers. Zo werden er VVV-bonnen beloofd aan cliënten die alsnog verleid konden worden om een vragenlijst in te vullen en gratis eerste consulten. De grote vraag die in de lucht blijft hangen is of de productiedrang en de ijver om de omzet te vergroten, de cliëntenzorg wel ten goede komt.

De zeer verschillende casussen die door het boek zijn verweven geven een helder beeld van de werkzaamheden van de psycholoog. De dialoog in die gesprekken is helder en realistisch beschreven. Zeer lezenswaardige voorbeelden van wat de juiste insteek voor iemand kan doen die te kampen heeft met psychische problemen.
Het is noodzakelijk om een vuist te maken omdat de cliënt zorg op maat verdient, persoonlijke aandacht en geen oponthoud ondervindt van een overmatig lange wachtlijst.

'Help, de psycholoog verzuipt!' biedt een heel compleet beeld aan de lezer die belangstelling heeft voor de werkzaamheden van de psycholoog, maar bovenal maakt het duidelijk wat de desastreuze gevolgen zijn van de marktwerking.
Laat het duidelijk worden dat het centraal stellen van de mens bóven de commercie en winstbejag behoort te staan!!! Een absolute aanrader!

Achterin het boek is een literatuurlijst, een lijst met afkortingen van GGZ- organisaties en een uitgebreid notenapparaat opgenomen.

*Stichting Beroepseer is een non-profitorganisatie die zich inzet voor Goed Werk. Onder Goed Werk verstaan we bekwaam, betrouwbaar en betrokken werk. Dat houdt in dat het deels gaat over excelleren, je vak zo goed mogelijk willen uitvoeren. Maar ook over betrokkenheid; voor je vak gaan staan en je hard maken voor de kwaliteit van je vak en je vakmanschap. Bovendien gaat Goed Werk over ethiek; werken met een motief en een moraal. De stichting beheert tevens een eigen uitgeverij.

Stichting Beroepseer komt op voor het belang van professionaliteit. Wij geloven dat professionals die de kracht van Beroepstrots bezitten optimaal bijdragen aan goede dienstverlening. In dertien jaar tijd is Stichting Beroepseer uitgegroeid tot een brede beweging van uitvoerende professionals, leiders, managers, bestuurders, wetenschappers en andere geïnteresseerden.

De stichting wil beroepsbeoefenaren op de werkvloer concreet en praktisch behulpzaam zijn om in hun eigen werksituatie Goed Werk en Beroepstrots te versterken. Daarbij zetten wij in op de kracht en niet op de klacht.

Herinnerde Soldaat, De - Anjet Daanje (2019)

5,0
Wie was ik, wie ben ik, wie wil ik zijn?

Op de Beurs van Bijzondere Uitgevers werd dit boek door de Groningse uitgever Anton Scheepstra himself, aangeprezen als een indrukwekkende, historische roman met een absoluut literair gehalte. Wij van WC-eend..? Hij bleek de plank echter niet misgeslagen te hebben. Voortdurend herhalende patronen, personages die bijna eindeloos om elkaar heen blijven draaien en een verhaal dat in lange zinnen met cyclische bewegingen meandert, waardoor je een gestaag repeterende beweging gewaarwordt. En dat in een vuistdikke roman van 536 pagina's. Oersaai? Absoluut niet! FENOMENAAL!

Anjet Daanje (Wijster, 1965) heeft acht romans op haar naam staan en is, tot ongenoegen van Kees 't Hart, nooit echt doorgebroken bij het grote publiek. Tót het verschijnen van haar laatste roman, De herinnerde soldaat, die op 22 mei jl. is het beloond met de titel Beste Groninger Boek 2020 en is opgenomen in de Longlist Libris Literatuurprijs 2020.
Al tijdens haar middelbare schooltijd maakt ze - samen met haar broer - twee speelfilms en zeven scenario's voor hoorspelen. Na haar studie wiskunde verschijnt in 1993 haar eerste roman en legt ze zich succesvol toe op het schrijven van filmscenario's en een televisieserie.

Het verhaal speelt zich af in Kortrijk - België, in de jaren na de Eerste Wereldoorlog. Noen Merckem slijt al vier jaar zijn dagen in een gesticht. Hij is als soldaat gevonden achter het Belgische front, niet gewond, maar verward, niet aanspreekbaar en verstoken van enige herinnering van het leven dat hij daarvoor heeft geleid. Zijn naam dankt hij aan de plaats waar ze hem hebben gevonden. Hij is er tevreden, heeft zijn werk in de moestuin, belijdt zijn geloof en vindt houvast bij de voorspelbaarheid van de dagelijkse dingen.

Dan verschijnt er een vrouw die in hem haar echtgenoot herkent: Amand Coppens, 35 jaar oud en eind 1917 vermist geraakt. Alles klopt en acht jaar nadat ze haar man ten strijde heeft zien vertrekken, kan Julienne hem eindelijk weer mee naar huis nemen.

Onwennig maakt hij kennis met het huis, de twee kinderen en het leven met Julienne. In eerste instantie zijn de kinderen afhoudend en brengt hij zijn nachten door op de bank, maar langzamerhand wennen ze aan het leven met elkaar.

'En ineens staat zij in haar nachtpon in de deuropening, en hij weet niet zeker of ze er wel echt is, of hij toch niet ongemerkt in slaap is gevallen, en zij had er niet op gerekend dat hij wakker zou zijn, ze mompelt betrapt dat ze naar de koer moet, en hij is haar zo dankbaar dat ze hem van deze nacht komt verlossen, ze steekt haar hand naar hem uit, en hij weet dat hij het niet moet doen, maar hij loopt naar haar toe en hij pakt haar warme vingers beet en laat zich door haar meevoeren de trappen op naar hun slaapkamer, naar hun bed, waar hij veilig naast haar kan liggen.'

Amand en Julienne vinden elkaar in de liefde, maken plezier en het gezin vindt zijn draai met elkaar. Ze vertelt hem hoe ze elkaar hebben leren kennen, dat ze uit een totaal verschillend milieu komen, waar ze de eerste keer hebben gevrijd en dat hij haar en hun tweejarige zoon verliet om mee te strijden in de loopgraven. Voor de oorlog was hij fotograaf en zij heeft hun zaak al die jaren draaiende gehouden. Geduldig leert ze hem de kneepjes van het vak weer en samen runnen ze de winkel: zij fotografeert en hij doet het werk in de donkere kamer. Heel lucratief is haar idee om oorlogsweduwen te fotograferen, met Amand in soldatenuniform achter hen. Julienne retoucheert de foto's en met verbazing ziet hij dat ze zijn gezicht iedere keer weer een andere uitstraling weet te geven, passend bij de overledene wiens plaats hij op de foto inneemt. Zoals ze de foto's retoucheert, retoucheert ze ook hun leven. Een prachtige metafoor!

Ondanks haar geduldige verhalen, is Amand regelmatig wat achterdochtig en vraagt haar dan uit. Hoe het zit met de waarheid? Dat is niet alleen iets wat hém bezighoudt, maar ook de lezer heeft het gevoel op het verkeerde been gezet te worden door zijn vrouw.

In de gehele roman blijft het perspectief bij de protagonist, Amand, waardoor de lezer, dieper dan diep, onder zijn huid kan kruipen en zich in kan leven in zijn gedachten- en ervaringswereld. De auteur heeft hier echter niet gekozen voor het ik-perspectief, maar voor de derde persoon enkelvoud. Opvallend is dat het verhaal volledig in de tegenwoordige tijd is geschreven, zodat het chronologisch is opgebouwd en de lezer zich probleemloos kan verplaatsen in de eerste jaren na de Eerste Wereldoorlog. Het tijdsbeeld en de toen geldende mores zijn, tot in de allerkleinste details, levensecht en realistisch neergezet.

Amand krijgt steeds vaker te maken met nachtmerries en ontdekt dat hij van zijn wandaden lijkt te hebben genoten. Dit is zo angstaanjagend dat hij bang is om in slaap te vallen. Julienne neemt het op zich om over hem te waken en wekt hem wanneer hij angstig droomt.

Maar dan komen ook overdag de demonen los in Amand. Hij zakt weg in korte perioden van vergetelheid, lijkt hiermee zijn eigen flashbacks te creëren en kan zich er later niets meer van herinneren, ook niet als blijkt dat hij Julienne tijdens zo'n toeval fiks heeft toegetakeld. De sfeer wordt door dit gegeven steeds grimmiger en langzaam maar zeker lijken er toch herinneringen uit zijn verleden op te poppen. Herinneringen die hij maar wat graag wil verifiëren...

Door de herhalingen - ook die van de dagelijkse rituelen - krijgt het verhaal een consequente vertelstructuur. In een bijna flegmatische cadans kabbelt het indrukwekkend voort, geeft steeds iets meer prijs, zoals bij een ui waar iedere keer de buitenste rok af wordt gepeld en langzaam de kern wordt blootgelegd.

Ook al is het verhaal in de derde persoon enkelvoud geschreven, door de lange, voortdurend kronkelende zinnen lijkt het toch verdacht veel op een stream of consiousness, omdat je uitsluitend met Armand in zijn hoofd ronddwaalt. Dit gevoel wordt versterkt door de gewaagde, spannende schrijfstijl - die in het begin heel vreemd aandoet - door de lange, samengestelde zinnen en het veelvuldige gebruik van het woordje 'en'. Daanje begint zelfs de meeste alinea's hiermee. Toch heeft dit een duidelijk effect; je voelt wat hij voelt, wat hij denkt en wat zijn demonen zijn, en hij wordt daardoor psychologisch zeer realistisch uitgediept.

Zoals al vermeld; Fenomenaal! Een boek om te her-, her-, herlezen. Jammer dat het niet in hardcover is uitgevoerd.

Meeslepend en intens. Beeldschoon proza. Een nieuwe klassieker van de toekomst.

Hordubal - Karel Čapek (1933)

4,0
Recensie door Philipp van Ekeren

Ieder zijn eigen waarheid

Mijn eerste kennismaking met de Tsjechische schrijver Karel Čapek was de roman ’Een doorgewoon leven’. Een verhaal over het leven van een doodgewone spoorwegbeambte. Een terugblik op zijn leven als een passerende trein, met alle mogelijkheden, (gemiste) kansen, beslissingen, fouten, inschattingen en het lot. Mooi, helder en krachtig geschreven.

Hordubal is ook een eenvoudig verhaal van een man, Juraj Hordubal, die na 8 jaar zich te hebben afgebeuld in Amerika onaangekondigd terugkomt naar zijn boerderij op het Tsjechische platteland. Daar heeft hij zijn vrouw Polana en dochtertje Hafia achtergelaten. Karel Čapek schotelt ons, in eerste instantie, een vrij naïeve hoofdpersoon voor. Of wil hij de verandering niet zien?

Want de tijd heeft in zijn afwezigheid niet stilgestaan. Zijn vrouw ontvangt hem niet met open armen. En de knecht Stepan heeft in zijn afwezigheid het roer op de boerderij omgegooid. Landbouwgrond is verkocht en Stepan heeft zich toegelegd in de handel van paarden. Voor het dochtertje is de knecht inmiddels een vaderfiguur geworden. Ze moet niks weten van haar vader. Even later blijkt dat zijn Polana ook nog zwanger is. De opmaat voor rampspoed. Juraj, die toch een flink bedrag bij elkaar heeft gespaard, heeft grote moeite om te wennen en legt uiteindelijk het loodje. De politie en de rechtelijke macht worden ingeschakeld.

De grote vraag is of hij is vermoord. Of is hij de pijp uitgegaan door het extreem zware en vieze werk in de mijnen? Wat is de überhaupt de waarheid? Want de dorpsbewoners, de politieagenten en ook de rechter hebben ieder een andere kijk op de zaak. Een eigen waarheid, gebaseerd op veronderstellingen, aannames, meningen, tegenstrijdigheden en vooringenomenheid.

Het mooie is dat Capek de lezer zijn eigen visie op het verhaal tegen het licht houdt. Twijfel slaat toe. Zowel bij de hoofdpersoon als bij de lezer. Misschien is de knecht wel ter goeder trouw en heeft echt zijn best gedaan om de boerderij zo goed mogelijk te runnen in afwezigheid van de baas. Was Hordubal al dood op het moment dat de kwade knecht hem (misschien) probeerde te vermoorden? Een moord in opdracht van zijn vrouw? Of had zij er niets mee te maken? En wie zijn wij om een echtgenote te veroordelen om haar zwangerschap als die er acht jaar alleen voor stond? Een slippertje met de hardwerkende knecht of is er toch sprake van een liefdesrelatie? Is haar reactie begrijpelijk als haar man plots weer voor haar staat? Zelfs de dorpsbewoners zijn niet echt blij met zijn terugkeer.

De roman is verdeeld over drie hoofdstukken. In het eerste deel leven we mee met de terugkomst van Juraj Hordubal. In het tweede boek volgen we de ijverige politie. Het derde boek kijken we mee over de schouder van de rechter omdat de echtgenote en de knecht worden aangeklaagd voor moord en medeplichtigheid.

Het leven is niet zwart-wit. Honderd jaar geleden of vandaag de dag maakt geen verschil. Alles is genuanceerd. De zuivere waarheid bestaat niet. Door deze roman word je bewust van het feit dat iedereen zijn eigen versie van de waarheid heeft. Hordubal is een ouderwets mooie roman.

Katze und der General, Die - Nino Haratischwili (2018)

Alternatieve titel: De Kat en de Generaal

Een openstaande oorlogsschuld

Na het overweldigende succes van de fenomenale, vuistdikke kroniek 'Het achtste leven (voor Brilka)' - haar derde roman, maar het eerste werk van Haratischwili dat in een Nederlandse vertaling uitkwam - waren de verwachtingen van haar tweede vertaalde tweede roman hooggespannen. Zullen de lezers ook dit verhaal in hun hart sluiten?

Het is 1995 en in de Tsjetsjeense Republiek Itsjkerië woedt de Eerste Tsjetsjeense oorlog die het Russische leger naar het dorp heeft getrokken waar de zeventienjarige Noera Gelajeva woont. Noera droomt van een beter leven, zonder oorlog en ziet zichzelf het liefst verhuizen naar rustiger oorden.

'In Grozny had je geen lucht om adem te halen, geen tijd om te dromen, geen slaap en geen gedachten. In Grozny woedde de oorlog, er waren schoten, explosies en pure overlevingsdrang, de wens om levend van a naar b te komen. De haat was overal voelbaar, de vluchtende mensen, de avondklok en de kou werkten op je zenuwen, de doden in de papperige sneeuw waren soms zo verminkt dat ze niet eens meer op doden leken, alsof deze oorlog een nieuwe categorie uitvond, een afwijkende variant van de mens.'

In Moskou duikt de zachtaardige Malysj het liefst met zijn neus in de boeken, ziet er geen brood in om het leger in te gaan, zoals zijn dode vader hem was voorgegaan, maar zijn moeder heeft een andere visie en doet erg haar best om hem op andere gedachten te brengen. Veelvuldig vertelt ze haar zoon over de heldendaden van zijn vader, die in Afghanistan zijn missie uitdroeg om de mensheid te redden. Wat ze hiermee bereikt is dat Malysj's beeld van zijn vader met elk verheerlijkend verhaal daalt, maar vaders spullen worden uit het stof gehaald en Malysj kan niet anders dan het te zien als een fait accompli. Met een zwaarmoedig hart vertrekt hij om dienst te doen.
Hier schetst de auteur een indringend beeld van een jonge man die in zijn leven noodgedwongen een heel ander pad zal moeten bewandelen dan hij voor zichzelf voor ogen had.

'Hij had niets van de plunjezak gezegd en ook zijn moeder had gezwegen, woorden zouden op dat moment zinloos zijn geweest. Natuurlijk wilde ze er een signaal mee afgeven. Hij voelde gewoon welke eisen en verwachtingen er op de bodem van die zak lagen en hem kilo’s zwaarder maakten.'

Zijn compagnie wordt gelegerd in de buurt van het dorp van Noera, waar ze even de tijd krijgen om tot rust te komen. Malysj en zijn kornuiten gaan op zoek naar ander etenswaar dan het eeuwige voer van het leger. Dan komen ze in contact met Noera. Met het stellige voornemen om flink te sparen voor een betere toekomst wil ze hen voor een flink geldbedrag regelmatig eieren en kippen leveren, maar ze heeft nóg een wens; ze vraagt de jongens om iets belangrijks voor haar uit de voorraadkamer te halen en de volgende keer mee te nemen.

Historische gebeurtenissen nemen een belangrijke plaats in, zowel in 'Het achtste leven (voor Brilka)' als in 'De Kat en de Generaal' en in beide boeken heeft ze een motief verwerkt. Deze keer gebruikt ze Rubik's kubus als een opvallend en terugkerend element. Het overkoepelende thema van dit boek is, buiten kijf, schuld en boete.

Het gelaagde verhaal kent meerdere plots - zowel qua personage, als qua tijd - en vier protagonisten. Hierdoor verspringt ook het perspectief en wisselt de auteur tussen het ik- en hij-perspectief. Ook deze keer spelen de oorlog en onverwerkte gebeurtenissen een grote rol. In een interview dat ik bijwoonde, vertelde Haratischwili over de research die ze heeft gedaan in het hedendaagse Tsjetsjenië, over de angst die overal voelbaar is; een geïsoleerd land dat officieel nog steeds een deel van Rusland is en een dictatoriaal bewind heeft. Nog altijd is de bevolking niet vrij om openlijk te praten en de beeltenis van Poetin hangt op elke straathoek in het opnieuw opgebouwde land dat qua uiterlijk nu het gevoel geeft of je je in Dubai bevindt.

De invloed die de oorlog en de daarmee verbonden geschiedenis heeft op het mens-zijn, wordt pijnlijk duidelijk en mondt uit in gruwelijkheden. Wanneer de soldaten door hun meerdere worden gesnapt tijdens een van de voedseltransacties, wordt Noera als represaille gevangen genomen en in het bijzijn van de vier jonge soldaten gemarteld, maar ze houdt zich ijzersterk wat alleen maar meer woede opwekt. Het gebeuren en vooral het ijzingwekkende einde zal Malysj zijn verdere leven niet meer van zijn netvlies kunnen wissen en doet hem verharden tot een meedogenloos man.

Het verhaal maakt een sprong naar het Berlijn van 2016. De Georgische actrice Sesili - die zichzelf Kat noemt - heeft daar een optreden en wordt aangesproken door een journalist, De Kraai, die haar vraagt voor een klusje als look-a-like. Na ampel beraad stemt ze in en komt ze in contact met De Generaal, een zeer welgestelde projectontwikkelaar die zich na de oorlog heeft kunnen verrijken door het lucratief opkopen van gedevalueerde aandelen en obligaties. Zijn grote verdriet is het verlies van zijn dochter Ada, zijn oogappel en grootste geluk, die hij overal mee naartoe nam en zoveel heeft geleerd over kunst. Het drukkende gevoel dat haar vader niet oprecht is over zijn verleden, deed haar adoratie dalen en als ze uit een andere hoek iets over zijn verleden te horen krijgt, heeft hij bijna volledig bij haar afgedaan. Dit triggert De Generaal en grijpt hem aan zijn lurven terug in zijn verleden. Zijn niet aflatende schuldgevoel en het voor hem onverteerbare feit dat er nooit recht is gesproken, doen hem besluiten om het heft in eigen hand te nemen.

Door het gebruik maken van prachtige beeldspraak, als-vergelijkingen en wonderschoon beeldend proza weet Haratischwili je bijna willoos mee te slepen in haar verhaal en de levens van haar personages. Ze verweeft ook een aantal klassiek-Russische literaire werken in het verhaal, zoals Nabokov's 'Ada' en Michail Lermontov die met 'De held van onze tijd' ook het leven van een soldaat in de Kaukasus beschrijft. Sophocles' Antigone, waarin Kat haar rol speelt, geeft het verhaal ook een passend thema mee. Deze klassieke tragedie over de Griekse mythologie heeft als motto dat je verstandig moet zijn om geluk te vinden en de goden niet moet provoceren. 'Het centrale thema van het stuk: Het individuele geweten versus de staatswetten; de morele of goddelijke wetten versus de menselijke wetten.'

Haratischwili heeft ook deze keer weer bewezen een rasverteller te zijn en weet te raken, hard te raken. Een diepe buiging voor de auteur die het niet schuwt om ook de politieke omstandigheden in een dictatuur aan de kaak te stellen.
De vele personages die ze ten tonele voert maken het voor sommigen misschien een complex boek, maar allemachtig... wat is dit weer smullen.

'De klok in de andere kamer stond op vijf voor twaalf. Dadelijk zou hij het spel openen.'

Keizerlijke Vluchtelinge. Het Leven van Vorstin Marina Petrovna Romanova 1892-1981, Een - Martine Artz (2014)

4,0
De nalatenschap van een Russische vorstin

De Russische tsarenfamilie, die is ontstaan uit het huwelijk tussen Tsaar Peter en Catharina de Grote, spreekt velen nog altijd tot de verbeelding. Gedurende drie eeuwen heeft deze familie geheerst over Rusland, tot het moment dat het gezin van Tsaar Nicolaas II in de zomer van 1918 van het leven werd beroofd.

Marina Petrovna Romanova (1892-1981) - de oudste dochter van Pjotr Nikolajevitsj Romanov en Militsa van Montenegro, en nicht van Nicolaas II - groeide op aan het Russische hof. Ze was levendig en artistiek, schreef gedichten in het Frans en Russisch, hield van de meeste kunsten en tekende zelf heel graag. Later ging ze ook schilderen en beeldhouwen. Haar talent had ze van haar geliefde vader, die als architect paleis Djoelber op de Krim heeft ontworpen, het riante buitenverblijf in romantische Moorse stijl gebouwd, waar de familie de helft van het jaar woonde.

Bijzonder is dat Marina's nalatenschap na haar dood door toeval in Nederland belandt. In 1949 reed Agnies Beelaerts van Blokland met haar zusje naar Italië voor een vakantie en de opdracht om een goede vriendin van een Russische prinses een dienst te bewijzen door iconen, zilverwerk en kostuums naar de oude wijnboerderij 'Bastide Galitzine' in Zuid-Frankrijk te brengen, waar prinses Marina en haar man in eenzaamheid woonden onder sobere, haast armoedige omstandigheden. De zusjes werden allerhartelijkst ontvangen en konden een aantal dagen blijven logeren. Een saillant detail uit hun gesprekken is dat ze mild en positief sprak over Raspoetin.
Toen Agnies in 1983 weer in de Provence was, besloot ze om nog eens langs te gaan, maar wat ze aantrof was een vervallen en geplunderde Bastide. In de ravage trof ze brieven, foto's, schetsen, krantenknipsels en aantekeningen aan. Dit alles heeft ze meegenomen naar Nederland.

Auteur Martine Artz (1957) heeft Russische literatuur en geschiedenis gestudeerd en zich verdiept in het leven van Marina. Hiervoor kreeg ze inzage in onder andere de nalatenschap, de memoires van Marina's broer Roman, twee neven en een nicht. Ze heeft zich laten informeren door de zoon van Marina's oogarts en anderen die haar goed hebben gekend in haar Franse jaren. Artz geeft aan dat dit boek geen volledige biografie is, maar dient te worden gezien als een biografische schets. Ze is er dan ook heel goed in geslaagd om zowel Marina's fascinerende leven, als de mens achter de keizerlijke titel te portretteren. De schrijfstijl die ze hanteert leest soepel, is intrigerend en bijzonder informatief. Dit interessante boek is voorzien van een zeer uitgebreid notenapparaat en twee katernen met foto's.

Marina groeide op in weelde, maar ontbeerde wel de aandacht van haar ouders. Met name haar moeder was veelal afwezig, met haar vader had ze een inniger band. Voor de kinderen gold dat ze gedisciplineerd opgevoed werden, omdat er altijd op ze werd gelet.

'Zij moesten leren om zich in alle omstandigheden, zowel in het openbaar als privé, onberispelijk te gedragen - wat toen betekende: afstandelijk en beheerst. Dit viel niet mee voor een druk en impulsief kind als Marina dat al jong graag haar eigen gang ging.'

Tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte Marina haar lang gekoesterde wens waar door een spoedcursus verpleging te volgen, bood haar diensten aan bij het Rode Kruis en ging aan het werk in het ziekenhuis en later aan het front.

Na de Russische revolutie en de moord op de tsaar en zijn gezin, wist de rest van de Romanovs het land te ontvluchten, probeerden hun stand op te houden en leefden, in ballingschap, van wat ze mee hadden kunnen nemen en konden verkopen. Marina vestigde zich in eerste instantie in Parijs waar ze zich wilde wijden aan haar artistieke talent. Nadat ze een hartstochtelijke briefwisseling met Nikolaj (Kolja) Volonski had onderhouden, trouwde de eigenzinnige keizerin pas op haar 35e - geen gearrangeerd huwelijk - met prins Alexander Golitsyn. Met hem blijft ze tot zijn dood op de Bastide wonen. Én met haar njanja Nioussi, die haar keizerin haar hele leven trouw is gebleven.

'Gisteren vernamen wij dat prinses Marina Petrovna Galitzine in haar woonplaats in Le Brusc op 89-jarige leeftijd is overleden [...] Zij was een telg uit een van Europa's meest illustere geslachten. [...] samen met haar echtgenoot wijdde zij zich aan de kunsten, vooral aan tekenen, schilderen en portretkunst. Zij maakte illustraties voor boeken die zij zelf schreef.'

Marina, geboren in Nice, ligt door ook begraven, op de Russisch-orthodoxe begraafplaats de Caucade, bij haar geliefde Alexander en haar immer trouwe njanja.

Voor wie geïnteresseerd is in de geschiedenis van de Romanovs, geeft dit boek een uitgebreid en boeiend tijdsbeeld. Buiten de geschiedenis van Marina Petrovna wordt er tevens ingegaan op de rest van de omvangrijke tsarenfamilie. Aanrader!

Kentōshi - Yōko Tawada (2014)

Alternatieve titel: De Laatste Kinderen van Tokyo

3,0
Recensie door Roosje

Yoshiro is de overgrootvader van de jongen Mumei, voor wie hij zorgt met een toewijding die zijn weerga niet kent. Maar er is iets vreemds aan de hand tussen deze twee Japanse mannen, die in Tokyo wonen. De oude man is dik over de honderd jaar en lijkt in een veel betere fysieke conditie te zijn dan zijn nazaat. Mumei heeft een zwak gestel, hij heeft vrijwel altijd koorts, zijn tanden vallen uit en zijn bros, eten en drinken gaan moeilijk, zich voortbewegen gaat moeizaam, maar zijn verstand is helder en geest opmerkzaam.

‘De schuifdeur begon te ratelen als een goederentrein en Mumei deed zijn ogen open, waarop het zonlicht kwam binnengestroomd, geel als gesmolten paardenbloemen.’ (ib.: 5).

Met die paardenbloemen is iets ongewoons aan de hand, de bloemen zijn inmiddels groter dan die van chrysanten, de keizerlijke bloem. Er woedt een discussie of paardenbloemen gelijkgesteld mogen worden met de keizerlijke bloem.

Langzaam ontrolt zich een samenleving - en het verslag van die samenleving - die in weinig aspecten nog op de onze lijkt. Wat nog wel hetzelfde lijkt is de liefde van een ouder voor een kwetsbaar kind, de liefde tussen kwetsbare mensen en de hoop op een beter leven. Gebeurtenissen worden van de hak op de tak verteld, zo lijkt het: Yoshiro, Mumei - hardlopen met huurhonden - de veranderde en veranderende taal - de bakker met zijn kaars en verschillende soorten broden - de tandarts voor de jongen, de kinderarts, de oncoloog - dieren, prehistorische dieren - vervuilde grond - Duitsland, Hildegard - reizen - Shinjuku - treinen - luchthaven - spinnen zo groot als handpalmen - steeds nieuwe feestdagen - staatsgeheimen - dode katten - in het geheim gefokte konijnen, kuikens, pieren - kranten en krantenpapier - gezondheid van de kinderen - elkaar tegensprekende berichten in de kranten - de messenverkoper, met ook een kaars - sinaasappels, ander fruit, vaste verkoopprijs voor de sinaasappel - voedseltekort? - isolationisme etc.

Wie is toch de verteller van al de ontwikkelingen en veranderingen van de laatste jaren? Dat begon ik me op een gegeven moment wel af te vragen? Dat moet welhaast Yoshiro zijn; en het is Yoshiro die aan een kroniek schrijft; zijn roman is ooit geflopt, hij is schrijver, en nu schrijft hij aan een kroniek van het veranderde Japan, van Tokyo, van de wijk in Tokyo waar hij en Mumei wonen. En een kroniek is het, Yoshiro heeft de roman de das omgedaan; misschien is een roman ook niet meer toegestaan in het isolationistische Japan waarin de oude man en de jongen wonen. Een kroniek is een verslag van de feiten, de gebeurtenissen, eventueel heel voorzichtig de gevoelens van hemzelf en Mumei. In een roman zijn andere verhaalaspecten toegestaan: spanning, flashbacks en vooruitzichten, uitweidingen, uitgebreide karaktertrekken, ontwikkeling van personen, een catharsis misschien ook wel.
Hoe poëtisch Yoshiro’s verslaglegging ook is en secuur, vooral daar waar het de taalverandering betreft, heel erg spannend is het niet. Poëzie lijkt nog steeds toegestaan. Is de poëzie ongevaarlijk? Over de taal om ik nog te spreken; dat aspect doet enigszins denken aan Orwells 1984, de ‘newspeak’.

Het wordt al vrij snel duidelijk dat Japan zich bevindt in een neerwaartse spiraal: de bodem is vervuild, er is geen contact meer met de rest van de wereld, Japan zelf is verdeeld in aparte regio’s waartussen geen vrijheid van beweging bestaat. Het wordt niet duidelijk of dat gebeurt door een autoritaire staatsvorm, alles gebeurt onder het mom van ‘democratie’, dus dan is die vermoedelijk niet aanwezig. Net als in 1984 spreken de officiële berichten elkaar tegen maar er wordt in dit geïsoleerde Japan geen werk van gemaakt de geschiedenis te herschrijven - zoals in 1984.
Dat is ook helemaal niet nodig want de samenleving lijkt zijn laatste stadium bereikt te hebben: vernietiging. De bejaarden zijn gezond en gaan niet dood, de kinderen zijn zeer ziekelijk, al worden ze vertroeteld en staan ze onder voortdurend medisch toezicht, en ze sterven jong. Wat is er nu eigenlijk aan de hand? Yoshiro probeert met behulp van zijn kroniek duidelijkheid te scheppen in de chaos van de dingen en de processen: wat is er nu werkelijk aan de hand? Hij raakt meer en meer verstrikt in zijn verdriet en zorg om Mumei.
Het zou zelfs denkbaar zijn dat er alleen nog maar een deel van Tokyo bestaat en dat de rest van de wereld al verloren is. Eigenlijk doet dat er niet toe, het verregaande isolationisme zorgt ervoor dat mensen van elkaar af raken, dat contacten verloren gaan.

De taal en de verandering daarvan is een van de hoofdthema’s van deze roman. Op een bepaald niveau is dat goed te volgen: alle buitenlandse termen, met name de Engelse, verdwijnen, moeten veranderen. Dat is nog te volgen, maar hoe het Japans als taal daarmee omgaat is lastiger te begrijpen. Het Japans is een taal die geschreven wordt in en met karakters; heel anders dan bij ons; wij schrijven in en met een beperkt aantal fonetische lettertekens.
De Japanse karakters hebben verschillende betekenissen en verschillende uitspraakmogelijkheden. Daardoor gaat een deel van de subtiele en intelligente uiteenzettingen van Yoshiro/Tawada (de auteur) voor ons verloren.
Dat is in onze taal toch heel anders. Wel is het bij ons zo dat letterlijke betekenissen een overdrachtelijke betekenis kunnen krijgen; en ook zijn er woorden die je hetzelfde uitspreekt maar die iets anders betekenen, bijvoorbeeld ‘beer’: een steunbeer van een gebouw; een mannetjesvarken; een groot harig zoogdier (er zijn er nog meer, denk ik).

‘Ook al werden de leenwoorden dan niet langer gebruikt, bij de hondenverhuurder waren de fonetische tekens waarin de namen van de buitenlandse rassen werden geschreven nog overvloedig aanwezig.’ (ib.: 6) ‘Op die manier zomaar zonder reden hardlopen op de weg noemden de mensen vroeger ‘joggen’ maar met het verdwijnen van de leenwoorden werd het vanaf een bepaald moment ‘weglopen’ genoemd. Eerst was het een modewoord dat voor de grap werd gebruikt, in de zin van: ‘Als je hard loopt, gaat je hoge bloeddruk weg’, maar na een poosje was het ingeburgerd.’ (ib.: 6)

Een dystopie is deze roman, een tamelijk zwarte onheilsroman, alles lijkt naar de gallemiezen te gaan, al is er misschien een mogelijkheid tot een spoortje hoop maar het ontbreken van gezonde jonge mensen lijkt de hoop teniet te doen. Voorzichtiger kan ik het niet zeggen.
In onze tijd, waarin milieuproblematiek, wereldmigratie en oorlogen overal ons ook niet vrolijk stemmen, lijkt de dystopische roman voortdurend te kunnen rekenen op een groot lezerspubliek.

Lichter dan Ik - Dido Michielsen (2019)

4,0
Als de was wordt verwijderd van de batik

Lichter dan ik is een raamvertelling waarin Isah terugkijkt op de zestig jaren die achter haar liggen. Ze vertelt haar bewogen en hartverscheurende geschiedenis aan haar vriendin Tjanting die alles voor haar vastlegt. Vanuit het ik-perspectief lezen we Isah's verhaal.

Dido Michielsen (1957) is behalve auteur ook journalist. Haar moeder vertelde haar het verhaal over haar betovergrootmoeder, bijvrouw van een Hollandse militair, aan de hand van een album met foto's en geschriften. Dit leidde tot acht jaar onderzoek en inspireerde haar tot het schrijven van haar eerste roman, Lichter dan ik, welke is beloond met de Boekhandelsprijs 2020 en haalde een plekje in de Libris Literatuurprijs. Met deze roman zet Michielsen de schijnwerper op de Javaanse vrouw.

1850, Java.
Isah is met de naam Piranti ter wereld gekomen in de kraton te Djokja, - 'de ommuurde paleisstad die voor ons Javanen de kosmos op aarde vertegenwoordigt' - als buitenechtelijke dochter van een Indische bijvrouw, njai, en een Javaanse prins. Met haar moeder woont ze beschermd en tevreden in een eigen huisje. Piranti leidt een zorgeloos bestaan, maar haar geluk wordt drastisch door elkaar geschud wanneer het aapje dat ze van haar oom heeft gekregen haar wordt afgenomen. Op dat moment ontdekt ze dat haar vriendin een prinses is.

'Omdat zij heeft gezegd dat ze Soeko wil hebben. En als een poetri iets wenst, dan moeten wij daaraan gehoorzamen. Ook jij, kleine anak kampong. [...] Je moet dit accepteren. Als je Soeko in het paleis ziet, mag je hem niet roepen of aanraken. Vergeet hem. Roep nooit de wrok van Karsinah en Djatmie over jezelf af, want zij hebben macht over jou.'

Vanaf die dag verandert het leven en voor Isah staat het vast dat ze niets zal laten merken, ze zal haar leven vanaf die dag acteren, totdat ze weet hoe ze Karsimah zal laten boeten voor het verdriet dat ze haar aan heeft gedaan.

Wanneer Isah zestien wordt lijkt de tijd gekomen om haar uit te huwelijken, maar ze is vastbesloten om geen gedwongen huwelijk aan te gaan en trekt, als huishoudster en bedpartner, in bij een Hollandse KNIL-militair. Ze krijgen twee dochters en Isah lijdt een heel gelukkig leven, in de veronderstelling dat ze een onwrikbaar gezinnetje vormen. Totdat hij haar vertelt naar Nederland terug te gaan en hun kinderen bij een ander gezin onder te zullen brengen. Wat volgt zijn bittere jaren voor Isah.

'Eenmaal terug keek ik opnieuw in de spiegel. Mijn evenbeeld was totaal veranderd, alsof iemand met een poetslap hard over de verschijning van een paar uur terug had gewreven. De ondeugende glimlach was verslapt tot een droevig hangende mond, de trotse blik in mijn ogen verdwenen.

Michielsen heeft met dit aangrijpende verhaal de personages levensecht neergezet en het tijdbeeld fantastisch uitgewerkt. Het is onbetwistbaar dat er veel onderzoek aan deze roman vooraf is gegaan. Het leven van een bijvrouw was bitterhard en er bleek weinig compassie met hen te zijn. De Hollanders overheersten de Javanen en de mores in die tijd. Javaanse vrouwen werden gebruikt om het gemis van een vrouw te verzachten en maar slechts af en toe leidde deze liefde ook daadwerkelijk tot een huwelijk. Het bleek simpel te zijn om deze vrouwen gewoonweg af te poeieren. Vele njai's zijn nooit geregistreerd en zodoende nooit meer getraceerd. 'De naamloze moeders van duizenden Indo-Europeanen en hun nageslacht, dat lichter gekleurd is dan zij.'
Vanwege het gebruik van veel Indische woorden is er een uitgebreide woordenlijst in het boek opgenomen.

Een even enerverend als fascinerend verhaal over het inheemse en koloniale Hollandse leven dat je niet onberoerd achter laat.

Nada - Carmen Laforet (1944)

4,0
De leegheid van het 'niets'

Carmen Laforet (1921-2004) heeft haar jeugd doorgebracht op Las Palmas en kwam in 1939, na de Spaanse burgeroorlog, naar Barcelona om filosofie en rechten te studeren. Ze debuteerde op 23-jarige leeftijd met de semi-autobiografische roman Nada, een klassieker die op de 30ste plaats is opgenomen in de Spaanse literaire canon. Laforet heeft diverse novellen, romans en verhalenbundels op haar naam staan. Het verschijnen in 1944 van het realistische Nada, heeft Laforet te danken aan het winnen van de Nadal-prijs. Nada werd in Spanje gezien als vernieuwende existentiële literatuur.

Het is begin jaren '40 wanneer de 18-jarige, verweesde Andrea, na een flinke vertraging, om middernacht arriveert in het troosteloze, naoorlogse Barcelona van generalísimo Francisco Franco. Vanwege haar plannen om te gaan studeren, zal ze intrekken bij haar familie aan de Calle de Ariban. Het onthaal door de onbekende familieleden is als een droefgeestig welkomstcomité, zoals van de Adams family avant la lettre: spookachtige vrouwen, haar grofgebekte oom Juan, een dienstbode met een groenachtig gebit en een verwelkte en sukkelende grootmoeder. Het huis is verwaarloosd en ronduit smerig met een verstikkende atmosfeer. Beklemmend, benauwend, onheilspellend. Vanuit het ik-perspectief leidt ze de lezer door een jaar van bevreemding.

'Vanaf dat moment leek alles me een nachtmerrie. […] Ik weet niet meer hoe ik die nacht in slaap heb kunnen vallen. […] Midden in deze ruimte, als een lijkbaar omringd door rouwende zielen - Die dubbele rij stoelen met uitpuilende zittingen - stond een divanbed met een zwarte deken, waarin ik moest slapen.'

Haar hartstochtelijk godvrezende, maar hartvochtige en dominante tante Angustias brengt haar op de hoogte van de regels en probeert haar te waarschuwen en beschermen voor de dreigingen in de stad. Haar vriendelijke momenten komen bij Andrea niet geloofwaardig over en wanneer Angustias besluit om het klooster in te gaan, valt er een groot gat in het budget van de andere bewoners. Haar oom Juan is een zwakkeling en onbeduidend schilder. Hij heeft ongetwijfeld zwaar geleden in de oorlog en molesteert zijn liefhebbende vrouw Gloria, die - zonder dat Juan het weet - wat geld voor het gezin en 'het kind' probeert te verdienen met kaartspelen bij haar zuster. Ondertussen ontdekt Andrea dat haar knappe, maar naargeestige oom Román haar weet te verleiden tot contact door zijn viool- en pianospel. De getormenteerde en gemartelde man snuffelt in andermans spullen, maar weet dat vrouwen snel door hem gebiologeerd zijn. Haar oude grootmoeder is emotioneel niet meer zo sterk en laveert om de gemoederen van de andere bewoners.

'Vaak verwonderde ik me erover, te midden van die mensen in de Calle de Aribau, hoe ze van de meest onbeduidende voorvallen een drama wisten te maken, hoewel ze allemaal een last met zich meezeulden, een ware obsessie in hun binnenste, waar ze maar zelden direct op zinspeelden.'

De aftakeling en onderlinge nijdigheid van de familieleden lijken model te staan voor hoe het Spanje na de oorlog vergaat, tijdens het Franco-regime. Laforet beschrijft dit niet met zoveel woorden, maar weet feilloos de suggestie te wekken. Huiselijk geweld en het seksueel gefrustreerde gedrag zijn schering en inslag in deze roman met duidelijke gothic novel-trekjes. Regelmatig ontvlucht de verantwoordelijke Andrea het huis en sluit vriendschappen in het kunstenaarsmilieu en met haar collegegenootje Ena, die in een gegoed milieu opgroeide, waarbij Andrea warmte en gelijkwaardigheid ervaart.

'Voor de eerste keer voelde ik een werkelijk verlangen naar menselijk gezelschap. Voor de eerste keer voelde ik in de palm van mijn handen het verlangen naar een andere hand die me gerust zou stellen…'

Laforet's schrijfstijl is helder en ze weet op formidabele manier emoties te vangen, zoals het kille gedrag van Juan, het opportunistische van Román en de weifelende, lieve grootmoeder. De angsten en onzekerheden van de toch zo vastberaden protagonist, die uiteindelijk de vertrouwelinge wordt van enkele andere personages die hun verhaal bij haar uit de doeken doen, zodat de lezer ineens veel informatie krijgt en ook Andrea een aantal zaken een plekje weet te geven.

Ruim 75 jaar na dato leest het bijzonder gelaagde verhaal nog steeds heel fris. De dialogen zijn heel realistische en ontroeren. De politieke omstandigheden worden niet met name genoemd, maar resoneren heel duidelijk in het verhaal.

In 2021 zal bij Uitgeverij Orlando Laforet's tweede roman La isla y los demonios verschijnen die Laforet zeven jaar later heeft uitgebracht. De reeks klassiekers die Orlando uitgeeft zijn stuk voor stuk oogstrelende hardcovers, met in het geval van Nada de afbeelding van een schilderij van Maurice Fromkes (1872-1931) Spanish Woman with a Green Bead Necklace, uit ca 1930.

Name of the World, The - Denis Johnson (2001)

Alternatieve titel: De Naam van de Wereld

5,0
Een dolende ziel

Sinds zijn vrouw en dochter vier jaar eerder zijn omgekomen bij een auto-ongeval, is de vijftiger Michael Reed een dolende ziel. Hij sleept zichzelf zieltogend door het leven dat nog altijd in het teken staat van de nevelen van de rouw en zijn woede op Onze Lieve Heer. Zijn leven, verdriet en gedachten heeft hij nog altijd niet op regel en hij lijkt zich te bewegen in de desolate toestand van een naargeestige droom. Verdoofd door zijn verdriet, stoned door het verlies, geamputeerd van het beste deel van zichzelf en achterblijvend met een vernietigend schuldgevoel.

'Op de dag van het ongeluk pikte onze buurman Anne en Elsie, mijn vrouw en dochter, op voor ons huis [...] Ik wuifde dat ze moesten stoppen en boog me naar het bestuurdersraampje. Het had de afgelopen nacht geijzeld. De straten waren gevaarlijk.'

Als universitair docent Geschiedenis zit hij een aantal jaar gebakken, maar hij raakt zijn aanstelling kwijt wanneer hij te horen krijgt dat er geen verlenging van zijn contract meer inzit. Wanneer hij de jongere en roodharige celliste Flower Cannon ontmoet, raakt hij geïntrigeerd door haar verschijning en op verrassende - magische? - wijze komt hij haar vervolgens in allerlei gelegenheden tegen. Eens is ze serveerster bij een diner, dan ziet hij haar zichzelf - en plein publique en zonder enige gêne - ontdoen van haar schaamhaar en op een ander moment werkt ze in een casino als stripper. Gebiologeerd gaat hij graag in op haar vriendschap en lijkt haar te overal volgen, zoals naar een kerkdienst, waar hij tot het besef komt dat zijn boosheid jegens God eigenlijk ongegrond is.

'Terwijl het gezang om me heen wuifde als tarwe in de wind betrapte ik mezelf erop dat ik de aanwezigen telde. [...]. Ik vroeg me af hoe het zou klinken op de lege groene velden onder de onbewolkte hemel, hoe hartverscheurend klein zelfs zo'n menigte stemmen zou klinken als die opsteeg naar de oneindige onverschilligheid van de ruimte. Ik voelde me eenzaam voor ons allemaal, en opeens wist ik dat er geen god was.'

Het perspectief ligt bij Reed, in de eerste persoon enkelvoud, waardoor je hem het dichtst op de huid zou moeten zitten - de lezer is deelgenoot van elke stap die hij zet en van zijn gedachten -, maar toch blijft hij ongrijpbaar, want het is duidelijk dat hij niet goed weet wat hij met zichzelf aan moet.
Het doorlopende verhaal volgt een meanderende route, waarbij je Reed bijna met je ogen dicht volgt, om dan te ontdekken dat je je ineens in een heel ander decor bevindt. Zijn herinneringen rijgen zich naadloos aaneen en hij is zich ervan bewust dat hij het niet allemaal even helder beschrijft.

'En nu denk ik dat dit verhaal coherent kan worden als ik je vraag er dit visioen mee te verbinden: lichtgevende beelden, opgeroepen en afgevoerd in een vloeiende vaagheid. Met dat verschil dat ik Flower niet voor een boodschap hield, maar voor een geest, de geest van mijn dochter - ja, en ze kwam en ging enige tijd in de stroom van gebeurtenissen zoals mijn Elsie in de stille waterval van de herinnering.'

The name of the world is al verschenen in 2000 en nu, twintig jaar later, door Uitgeverij Koppernik postuum uitgegeven als De naam van de wereld in een vloeiende vertaling van Peter Bergsma.
Denis Johnson (München, 1949) had een aversie tegen praten over zichzelf, hij schreef zijn boeken, maar was wars van de merchandise er omheen. In verband met de politieke loopbaan van zijn vader zat hij wereldwijd op internationale scholen en heeft hij les gehad van Raymond Carver, die invloed op het werk van Johnson heeft gehad. Alcoholverslaving en leverkanker werden Johnson in 2017 fataal.

Het kostte me extra tijd en moeite om de draad te volgen. De eerste helft van het verhaal komt het wat wonderlijk op gang en het ontrolt zich op een bevreemdende manier, alsof er eigenlijk maar weinig gebeurt, maar het bouwt zich langzaam op en dwingt je tot bewust lezen en zelfs passages herlezen om ten volle de strekking te pakken te krijgen. Dergelijke korte novellen zijn een feest om, zodra de laatste bladzijde is gelezen, meteen weer overnieuw te beginnen, om het maximale te absorberen van wat het proza heeft te bieden; proza dat niet gespeend is van humor en cynisme en waarbij het bij tijd en wijlen een poosje heerlijk kauwen is op de ontwikkeling van de protagonist. Deze sleurt zichzelf op het apathische af verder, met een intense en vastgegroeide treurigheid, doelloos en geleid door sociale verplichtingen die zijn leven nog een beetje sturing geven. Toch is het een rijk verhaal om langzaam te genieten van de vele prachtige zinnen en taalbommetjes die Johnson met grote precisie tussen de zinnen laat doorschemeren. Niet door het uit te schrijven, maar door de beelden en gevoelens op te roepen met zijn lyrische, maar vederlichte, lucide proza.

'Dit eiland is een grote dorre eenzame rots die smeekt om de komst van een beeldhouwer.'

Een magnifieke, verstilde, soms ondoorgrondelijke, maar beklijvende novelle voor wie meer wil lezen dan alleen woorden.

No Friend But the Mountains: Writing from Manus Prison - Behrouz Boochani (2018)

Alternatieve titel: Alleen de Bergen Zijn Mijn Vrienden: Verslag vanuit de Manus-gevangenis

5,0
Odyssee van een vluchteling

Behrouz Boochani (1983), Iraans-Koerdisch dichter, auteur, politicoloog en journalist, besluit in 2013 om zijn land te ontvluchten. Na zich drie maanden verborgen gehouden te hebben in Kalibata, Indonesië - getergd door honger, stress en angst - rijden mensensmokkelaars hem en andere ontheemde vluchtelingen met vrachtwagens naar de oceaan, waar ze worden opgepikt door een boot. Zes uur lang denderen ze door de jungle. De voortzetting per boot verloopt desastreus. Uitgeput als iedereen is, wordt er gevochten en geschreeuwd om een plekje te bemachtigen. Tot overmaat van ramp loopt de boot averij op en worden ze opgepikt door een Brits vrachtschip. Maar... ze zijn onderweg naar Australië.

'Ik ben als een soldaat die een mijnenveld moet oversteken, of anders zal eindigen als krijgsgevangene. Je moet kiezen. Er is geen weg terug; ik kan niet meer omkeren.'

Op Kersteiland worden ze opgesloten, in afwachting op het vliegtuig naar Manus, een eiland ver van de bewoonde wereld. Wat ze niet weten is dat ze daar - zonder aanklacht of veroordeling - in gevangenschap gehouden zullen worden in het Manus Island Regional Offshore Processing Centre, want de grens van Australië zit sinds kort potdicht en de overheid hanteert een genadeloos asielbeleid; geen vluchteling wordt meer toegelaten.

'Er is een eiland, verafgelegen in de stille oceaan waar mensen opgesloten zitten. Die mensen krijgen niets van de wereld buiten dit eiland mee. Ze zien niets van de gemeenschap die buiten de gevangenis leeft, en weten al helemaal niets van wat er in andere delen van de wereld gebeurt. Ze zien alleen elkaar en horen alleen de verhalen die ze elkaar vertellen. Dit is hun werkelijkheid: ze zijn gefrustreerd door hun isolement en opsluiting, maar ze hebben ook geleerd hun lot te aanvaarden.'

Beroofd van hun schamele spullen en eigennaam - ze kregen een nummer -, gefouilleerd en gevisiteerd, zitten vierhonderd mannen jarenlang in een kooi opgesloten. Zestienhonderd man verdeeld over vier gevangenissen worden er successievelijk getreiterd, murw gemaakt. Gedwongen moeten ze uren, onder een brandende zon, in een strakke rij staan om aan eten te komen. Wie achter in de rij staat kan de hond in de pot vinden, er is nooit voldoende voor iedereen. Het is ook niet te voorspellen wannéér ze aan moeten treden, vandaag kan het een heel andere tijd zijn dan gisteren of morgen. ´[...] op Manus worden alleen martelingen stipt volgens planning uitgevoerd.' Sommigen staan al uren tevoren op wacht, in de hoop dat ze de eersten zullen zijn. Uitgehongerd, onderdrukt, constant geobserveerd door het bewakingssysteem en systematisch gefolterd. Zelfs een bezoek aan het toilet geeft het gevoel dat de bewakers door de wanden heen kunnen kijken. Normen en waarden vervagen door de deplorabele omstandigheden. Spelletjes spelen is ten strengste verboden. Het enige wat ze hebben is een stinkend bed en een plastic stoel.

Het Kyriarchale systeem en hiërachische machtsstructuur staan garant voor totale onderdrukking van de vluchtelingen en sommige gevangenen zien geen andere uitweg dan de hand aan zichzelf te slaan.

Boochani overziet alles, distantieert zich veelal en weet met een clandestiene telefoon duizenden berichten te versturen. Vanuit zijn netwerk buiten de gevangenis ontstaat een heel team, ieder met een eigen specialisme, dat ervoor zorgt dat zijn getuigenissen worden vertaald en op schrift worden gesteld om uiteindelijk uitgegeven en verspreid te worden over vele landen. De manier om een aanklacht vorm te geven is door het enige in te zetten dat hem niet kan worden ontnomen; zijn gedachten, zijn hoop, zijn woorden.

Vanuit deze gevangenis nam hij de kans om de wereld op de hoogte te stellen van de misstanden die hij dagelijks, wekelijks en zelfs jarenlang om zich heen en aan den lijve heeft meegemaakt. De combinatie van vele literaire vormen en de gedichten die tussen de tekst zijn geplaatst, maken dit een onvergetelijke leeservaring en geeft stof tot nadenken.

Uiteindelijk weten de gevangen een opstand te forceren. Represaillemaatregelen, zoals een stroomonderbreking waardoor de ventilatoren uitvallen en op de gevangen inhakken met stokken voorzien van spijkers, zorgen ervoor de het eindigt in een bloedige afloop.

'Elke nacht waait de geur van verhongering van de ene kant van de gevangenis naar de andere en weer terug. En met de geur van verhongering bedoel ik precies wat ik zeg. Ik ben ervan overtuigd dat verhongering een geur heeft. Een geur die we in ons instinct met ons meedragen. Mensen gaan zich gedragen als wolven in het wild. Wanneer ze bijna verhongeren zijn ze in staat om hun paardentanden in de buik van een medemens te zetten en heftig te gaan schrokken, als een dier.'

Omid Tofighian, de vertaler van de oorspronkelijke versie die Boochani hem aanleverde, heeft een indrukwekkend nawoord geschreven over hoe dit boek tot stand is gekomen en wie eraan mee hebben gewerkt om dit te realiseren. Heel verhelderend is het gedeelte waarin hij uitleg geeft over de literaire technieken die Boochani heeft gebruikt.

'Vertalen is voor mij [...] een plicht jegens de geschiedenis, en een strategie om de kwestie van de oneindige gevangenschap van vluchtelingen diep in het collectieve geheugen van Australië te verankeren.'

De laatste bladzijde is gelezen, het uiterst beklemmende en schokkende boek nu dichtgeslagen. Ik blijf volkomen onthutst achter. Volledig van mijn sokken geblazen, aangeslagen en beduusd, met voortdurend dezelfde vragen in gedachten; hoe kan een mens in dergelijk erbarmelijke omstandigheden de kracht vinden om op zo'n prachtige en filosofische manier te verwoorden hoe hij het daar al die jaren heeft doorstaan? Hoe kan een boek over zo'n mensonterende situatie zo mooi zijn? Wie zal de onderdrukker - lees; de Australische overheid - ter verantwoording roepen?

Papoea-Nieuw-Guinea verklaarde de Manus-gevangenis illegaal in 2016. Boochani heeft echter gevangen gezeten tot eind 2017, waarna hij overgebracht werd naar Port Moresby. In december 2019 werd hem een visum verleend om naar Nieuw Zeeland te gaan.
Is het ironisch of kunnen we het zien als een overwinning voor de auteur, dat hij verschillende belangrijke Australische prijzen heeft gekregen met het boek dat een aanklacht is tegen het onmenselijke vreemdelingenbeleid van datzelfde land?

Ölmeye Yatmak - Adalet Ağaoğlu (1973)

Alternatieve titel: Gaan Liggen om te Sterven

4,0
Het nieuwe Turkse ideaal

Eind 2019 verscheen bij Uitgeverij Jurgen Maas de roman Gaan liggen om te sterven, het existentialistische romandebuut van de Turkse auteur Adalet Ağaoğlu (1929) welke In Turkije verscheen in 1973. Deze klassieke roman behelst de periode 1938-1968 en Turkije worstelt met de ideologie van de recent overleden president Atatürk, met het verleden ten tijde van het Ottomaanse Rijk nog geworteld in de genen. Ağaoğlu, die wordt gezien als een van de meest belangrijke romanschrijvers van de 20e eeuwse Turkse literatuur, schreef ook toneel, essays, korte verhalen en memoires. Terecht heeft Schwob heeft deze titel opgenomen in de winteractie 2019-2020.

Ankara, 1968
Aysel, een getrouwde en geëmancipeerde vrouw, gaat een hotel binnen, kleedt zich uit en gaat op bed liggen met als doel te sterven. Een raadselachtige binnenkomer, vooral omdat ze aangeeft een lachbui te voelen opborrelen. Ze vertelt werkzaam te zijn als docent op de universiteit en het bed gedeeld te hebben met een van haar studenten. De onzekerheid of ze nu zwanger is houdt haar bezig.

Mustafa Kemal Atatürk (1881-1938), de eerste president van Turkije heeft zijn stempel gedrukt op de gemoederen van de bevolking door de vergaande progressieve hervormingen met als doel de republiek Turkije te moderniseerden tot een wereldlijke, niet aan geloof gebonden, industriële natie. Het oudere en conservatieve deel van de bevolking had grote moeite om in de modernere maatschappij te gedijen en had de nodige kritiek op de Kemalitische ideologie van de toch wel autoritaire Atatürk, vanwege het paradoxale gevoel dat dit opriep ten opzichte van het islamitische geloof. Van hem is de gevleugelde uitspraak:

'Alles wat we op deze wereld hebben, is het werk van vrouwen.'

1938
Onderwijzer Dündar heeft de hervormingen omarmd en implementeert het zeer gedreven in zijn lessen, waarbij hij erg zijn best doet - wellicht ter eigen eer en glorie - , maar zich toch niet voldoende kan inleven in zijn klas. Tijdens een uitvoering waar ook de ouders van de kinderen bij aanwezig mogen zijn, lopen de gemoederen op. Met de tenen krom aanschouwen ze gruwelend het progressief aandoende spel van de klas. Heel voelbaar is verscheurdheid die de kinderen uitstralen, tussen hun conservatieve ouders en de veel modernere onderwijzer. Tijdens het dansen van de polka moeten ze elkaar aanraken, maar in de cultuur is dit niet toegestaan en gevoelsmatig hinken de kinderen op twee benen.
Dit is de scene die de sleutelrol heeft in het hele verhaal.

Thuis, in het middenstandsgezin, hebben de ouders van Aysel vaak onenigheid over de gevolgen van de culturele omwenteling, zoals de modernere kleding die ze van haar moeder mag dragen. 'Mijn moeder heeft haar haren laten onduleren. Maar mijn vader vindt het niet eens goed dat ze haar hoofddoek afdoet'.
Het 'moeten' moderniseren heeft zijn tijd nodig, maar de bevolking krijgt niet de tijd om te wennen aan de gedwongen omwenteling, die niet binnen de duur van één generatie gerealiseerd kan worden. Dit levert veel consternatie op, de gevoelens schuren, soms letterlijk tot bloedens toe.

'Als ik erin slaag Hem (Atatürk tt) ieder jaar op 10 november te herdenken en een Turks meisje word zoals Hem dat voor ogen stond, dan ben ik ervan overtuigd dat onze Onsterfelijke Vader in het Etnografisch Museum, waar hij ligt, vredig zal slapen.'

Soms met zichzelf in de knoop, willen de zoekende jongeren luisteren naar Westerse muziek en gaan studeren, waarbij ze heel gedreven zijn om die kans te baat te nemen. Ook Aysel, die naar Istanbul vertrekt, waar ze zich heel eenzaam voelt. Ze doet er alles aan om te kunnen opklimmen op de maatschappelijke ladder, maar ondanks - of juist dankzij? - haar geëmancipeerde leven, wordt ze genaaid door de ander.

'En op die plek waar ik mezelf terugvond, trof ik ook mijn overbodigheid aan.'

De caleidoscopische en beeldende roman meandert als een mozaïek door de tijd en tussen de personages, waardoor het veel verdiepende verhaallijnen heeft. De verschillende hoofdstukken geven een podium aan onder andere een aantal klasgenootjes van Aysel, haar onderwijzer en haar zusje. Voor de opbouw van de roman heeft Ağaoğlu gekozen voor verschillende stijlen, zoals verschillende vertelperspectieven, dagboekvorm, krantenartikelen en briefwisselingen. Romantisering van Frankrijk is ook de Turkse jeugd niet vreemd. Regelmatig verschijnt in de roman het motief 'sering' welke symbool staat voor nostalgie, onschuld en herinnering.

Een intrigerende roman - in een voortreffelijke vertaling van de hand van Hanneke van der Heijden - die een prachtig tijdbeeld geeft van de geschiedenis van het land en een kritisch inzicht biedt in de cultuur van met name de jeugd. Van het lange haar van de meisjes dat werd gekoesterd en het uithuwelijken, tot de voorzichtige schreden naar emancipatie en feminisme. Uitspraken als 'De heiligste plicht van de vrouw is het moederschap. Punt uit!' en 'Wie naar school gaat, loopt weg voor werk', worden moeizaam door de jeugd met voeten getreden, ook de meisjes willen kansen grijpen en wereldwijzer worden. Heel voorzichtig kunnen enkelen van hun ouders daarin meegaan. Aangelegenheden die heden ten dage nog steeds significant zijn.

One Inside, The - Sam Shepard (2017)

Alternatieve titel: Die Vanbinnen

4,0
Waarom neemt niemand je even apart
Om je te vertellen wat er staat te gebeuren?
- David Foster Wallace

Selectieve en suggestieve herinneringen

Op een ochtend, na een carrière van zo'n veertig jaar, ontwaakt het naamloze hoofdpersonage. Buiten raast de wind rond zijn huis, hij voelt zich onrustig. In de spiegel kijkt een jongere versie van zichzelf hem aan en in gedachten duikt hij terug in zijn leven en beseft dat hij nu een jaar ouder is dan zijn vader is geworden. Zijn herinneringen aan hoe zijn relatie met zijn vader was, zijn selectief. Wat hem echter duidelijk voor de geest staat was dat zijn vader een seksuele relatie had met de veertienjarige Felicity. Terecht haalt hij Lolita aan van Nabokov.

'Ik ging naar binnen en daar was ze. Mijn vaders vriendin zat kaarsrecht op - bijna naakt - alsof ze achterstevoren op een pony reed. Geen van beiden merkte me op. Ze draaiden zich geen moment naar me om. Ze bleef hem maar berijden en onbesuisd schreeuwen, terwijl ze uitzinnig op en neer bleef gaan. Hij lag op zijn rug op een tafel, starend naar het plafond met zijn armen onder zijn hoofd, alsof hij een middagdutje aan het doek was of naar de radio luisterde.'

Hijzelf is op dat moment dertien, ziet ze bezig en weet niet goed of hij ervan walgt of dat het hem biologeert en hij ontvlucht het huis, maar tegelijkertijd ziet hij dat hij zijn vader nooit zal kunnen ontvluchten. Bij terugkomst ziet hij zijn vader afgevoerd worden door de politie. Wanneer Felicity ook hem verleidt tot het hebben van een - zijn eerste - seksuele ervaring, verwart het hem. Ze blijft hen thuis opzoeken en wacht op zijn vader, maar op zeker moment kiest ze ervoor om letterlijk te verdwijnen.

De Amerikaanse Sam Shepard (1943 - 2017) was een veelzijdige duizendpoot. Al op jonge leeftijd hield hij zich bezig met toneel en werkte succesvol als toneelschrijver, acteur, regisseur en scenarist, waarvoor hij meermaals in de prijzen is gevallen. Zijn teksten bevatten vaak surrealistische, hallucinante en absurdistische kenmerken. Deze zijn ook terug te vinden in zijn prozawerk en geven tevens glans aan deze bevreemdende roman die hij kort voor zijn overlijden nog dicteerde; The One Inside | Die Vanbinnen, waar hij autobiografische aspecten in verwerkte, meesterlijk vertaald door Gerrit Brand. Shepard's ex-geliefde en vriendin Patti Smith redigeerde de tekst en voorzag het van een voorwoord. Hierin schrijft ze hoe Shepard het 'veranderen' heeft willen beschrijven, de jongen die hij was en de man die hij is geworden, de man die zijn leven op de rit had en besefte dat hij langzaam de regie aan het verliezen was. Dit voorwoord echter lijkt als los zand aan elkaar te hangen en geen duidelijkheid te scheppen. Wie dit naderhand nog eens leest, zal ontdekken dat het evenwel verduidelijking geeft. Op 73-jarige leeftijd viel Shepard's zwaard van Damocles en stierf hij ten gevolge van de ziekte ALS.

Door de korte en ultrakorte gefragmenteerde hoofdstukken heeft The one onside | Die Vanbinnen een experimentele structuur. Het abrupte verspringen van de tijd, het denderen van verleden naar heden en dan weer terug, vraagt om aandachtig lezen, want op het moment dat je de draad dreigt los te laten lijkt deze onherroepelijk in de war te geraken, waardoor het aanvoelt als drijven op een stuurloos schip. De hallucinante passages zijn als delirische dromen, die de slaap verstoren en waarbij droombeelden en demonen ook bij het ontwaken blijven voortbestaan, dreigend, onheilspellend en obscuur. De herinneringen en dromen zijn niet messcherp ingekaderd en geven het geheel een suggestief karakter. Verbeelding en werkelijkheid lopen ogenschijnlijk in elkaar over. In hoeverre is het hoofdpersonage onder invloed? Wat is droom en wat is werkelijkheid? Surrealistische dromen en drogbeelden van zijn vader, in de hoedanigheid van een geminimaliseerde dode, een mummie verpakt in plastic folie, zijn een terugkerend thema. Dan maakt hij het hoofd van zijn vader vrij van het plastic. In een poging de dode lucht te geven of juist om zijn eigen demonen vrij te maken?

'Waarom en hoe hij was gekrompen in die verschillende dromen en verschijningen is me niet duidelijk. Of het voor of na zijn dood op deze aarde gebeurde, was een andere vraag die ik had. […] Het kan ook zijn dat ik me hem zo droom - piepklein - omdat het een manier is om afstand te nemen […] Maar miniaturisering dwingt je wel tot nadere beschouwing.'

Op de filmset raakt de verteller gebiologeerd door een - op een teenring na - naakte twintiger. De volgende ochtend worden ze met Argusogen bekeken. Wat hebben een man van om en nabij de zeventig en een twintigjarige vrouw met elkaar? Ze chanteert hem niettemin door te opperen hun pikante telefoongesprekken openbaar te maken. Dit levert haar de naam Chantage meisje op en de machtsstrijd tussen hen werkt ontwrichtend. Ook zij zal echter niet lang in zijn leven blijven.

´Ze liep gewoon bij me weg, deze laatste - niet Felicity - […] Niet de ´vrouw´ of ´vrouwen´, als het ware, maar een ander iemand, extreem jong, dat wil zeggen, voor mijn leeftijd. Iets in mij kan het nog steeds niet geloven. Hoe dan ook, op een zonnige ochtend stond ze daar, als een geestverschijning uit de jaren veertig, in de houding met haar rode kunstleren koffer, klaar om weg te hollen. Zonder omwegen.'

Het thema van een ongemakkelijke en verstoorde vader-zoonrelatie gebruikte Shepard vaak in zijn toneelstukken en is ook in deze bundel een rode draad, vervlochten met de losse draden van zijn relaties. De meisjes, maar ook zijn ex-vrouw en vader, verdwijnen op zeker moment, ieder met zijn eigen beweegredenen, plotsklaps uit zijn leven, alsof hij een metafoor heeft gevonden voor het onbarmhartige moment dat ook hij zou verdwijnen.

Het resultaat is een keur aan caleidoscopische beschrijvingen, als de facetten van een geslepen diamant, steeds met een andere lichtinval. Onthutsend en blijmoedig. Door middel van de wisselingen in het vertelperspectief, kijkt de verteller afwisselend van buiten naar binnen en van binnen naar buiten, wat de titel van het boek verklaart. Introspectie is de leidende thematiek; gevoelens, gedachten en herinneringen leiden tot zelfreflectie van de verteller en het ontraadselen van wat hem onbewust of bewust bezighield. Alsof hij in het reine wilde komen met wat hij met zich meedroeg en hem zolang heeft beziggehouden, of een manier om het gecompliceerde gevoel wat er binnen in hem huisde te willen kaderen.

Opvallend is het veelvuldige gebruik van de kleur blauw wat vertrouwen, loyaliteit, wijsheid, zelfverzekerdheid, intelligentie, geloof, waarheid, vrede, rust en de hemel symboliseert en welke terug te voeren is naar de autobiografische elementen.

Laat je leiden door deze ogenschijnlijk incoherente bundeling van memorie, om aan het einde te beseffen dat er wel degelijk sprake is van een samenhang tussen de hoofdstukken van de nalatenschap van deze briljante alleskunner.

Om te lezen en te herlezen. Om nog lang op te kauwen en te herkauwen.

Opsomming van Tekortkomingen, Een - Ine Boermans (2021)

4,0
Erfenis van een verscheurde jeugd

Een opsomming van tekortkomingen trapt af met een scène waarin Lot een afspraak heeft bij de psycholoog. Ze heeft last van paniekaanvallen en associeert de basale dingen in haar leven met gruwelijkheden als Duitse concentratiekampen, vastgevroren sledehonden, beren met verbrande voetzolen of varkens die worden doodgeknuppeld.

'Waar zou het volgens jou vandaan kunnen komen?' vraagt hij.
'Ligt het niet altijd aan je jeugd?' antwoord ik.

Regelmatig krijgt Lot beelden op haar netvlies, gruwelijke beelden, waarbij ze in één oogopslag weet wat er speelt. Dit is precies wat Boermans ook met de lezer doet. Zonder iets letterlijk te benoemen, schetst ze de situatie waarin ze verkeert. Haar manier van schrijven zet je er meteen toe aan te visualiseren, ze zet de beelden als het ware rechtstreeks over op het netvlies van de lezer.

De 'psych' denkt dat ze te empathisch is, 'maar ook weer niet dat je denkt: wow dat is veel'. Een eigenschap die ze overduidelijk niet van haar vader heeft geërfd.

In korte, soms ultra korte fragmenten springt het verhaal heen en weer tussen heden, verleden en de gesprekken bij de psych. Daartussen staan cursiefjes aan haar moeder, waarin Lot aangeeft dat ze haar mist, vertelt over dagelijkse beslommeringen en haar hart lucht over haar vader. Al deze lagen maken het verhaal van Lot steeds completer. Geen idee of de auteur deze naam bewust heeft gekozen, maar het zou zo maar eens als speaking name bedoeld kunnen zijn. Boermans grijpt je met haar lucide schrijfstijl en bondige, scherp geformuleerde zinnen bij je lurven, raakt je in je ziel, maar weet de treurige situaties met luchtigheid en een flinke portie sardonische (galgen-)humor te larderen. Zo grappig, maar tegelijkertijd zo schrijnend dat het haast gênant voelt om te lachen om haar geestige ondertoon.

Als Lot vier jaar oud is scheiden haar ouders. Met haar moeder trekt ze 'van kutdorp naar kutdorp met een uitstapje naar haar eigen (niet zo erg kut-) dorp en een kleine kutstad', en op de dorpse scholen wordt ze gepest, omdat ze een vreemde eend in de bijt is. Haar overheersende, zelfingenomen vader is continu bezig een wig te drijven tussen haar en haar moeder. Hij prent haar in dat ze bij hem beter af is en dat ze op haar twaalfde voor hem zal kiezen. Alles wat er misgaat, plaatst hij buiten zichzelf, buiten zijn eigen schuld en projecteert het steevast op zijn dochter. Zijn explosieve boosheid en even onvoorspelbare toegeeflijkheid daarna verwarren haar. Zijn houding jegens zijn dochter is er een van aantrekken en afstoten.

Tegen de tijd dat haar twaalfde verjaardag nadert, plast ze ineens vaak in bed. Moeder maakt zich zorgen, vader kleineert haar. Toch krijgt hij het voor elkaar dat ze bij hem en haar stiefmoeder komt wonen.

'Bij mijn vader ging het ondertussen niet erg goed. Opvoeden was een stuk minder gemakkelijk dan hij had gedacht. Daarbij viel ik nogal tegen.'

De fouten die haar moeder heeft gemaakt kan Lot haar vergeven - ze spiegelt zich aan haar moeder -, het eisende gedrag van haar vader verwart haar steeds meer. Hij blijft haar tergen tot op het bot en weet haar steeds meer tekortkomingen toe te dichten. Voor Lot is het niet meer te doen om haar huidige leven los te zien van de verscheurde jeugd die niet direct overliep van veel vaderlijke liefde.

''Ik ben toch wel blij dat je toegeeft dat ik gelijk had wat betreft het goed gebruiken van de kaasschaaf', zei mijn vader als ik mocht komen eten. 'Dat je inziet dat je dat altijd fout hebt gedaan en begrijpt waarom ik er zo boos over werd.'
Zelf had ik geen herinnering aan het wel of niet goed gebruiken van de kaasschaaf. Toch knikte ik schuld bewust."

Zo blijft het kind, ondanks alles, trouwhartig aan beide ouders. Totdat de laatste druppel de emmer doet overlopen, wanneer ze zelf een gezin heeft.

Rauw, schurend en pijnlijk, vol intens verdrietige humor. Een overtuigende debuutroman.
--
Eerder verschenen op Tzum en Met de neus in de boeken

Pilgrim at Tinker Creek - Annie Dillard (1974)

Alternatieve titel: Pelgrim langs Tinker Creek

5,0
Ontroerend mooie, verstilde overpeinzingen

Annie Dillard (1945) is zesentwintig wanneer ze een jaar lang in het Amerikaanse Virginia woont, in een vallei waar de Tinker Creek doorheen stroomt. Een schat aan natuurboeken en wetenschappelijke naslagwerken is voor haar een bron van inspiratie. Haar dagboeken waren de aanzet voor het schrijven van Pelgrim langs Tinker Creek, welke verscheen in 1974 en een jaar later beloond werd met de Pulitzer Price. Dit boek is als het ware een reisjournaal over een jaarlang slenteren langs de oevers van de kreek. Gedurende haar pelgrimage heeft ze alle zintuigen op scherp staan en door haar verhaal te lezen maakt ze de lezer deelgenoot van alles wat ze ziet, hoort, ruikt, voelt en proeft, wanneer ze alle vier de seizoenen letterlijk doorloopt.

'We beleven nu de weelde van augustus; het groen van wat groeit en gegroeid is verhult. Ik kan tien minuten achtereen naar een etende muskusrat kijken; hij oogst plukken gras die in sprieten uit zijn bek hangen, en als hij weer weg is, zie ik geen kale plek in het gras. Als ik het gras met mijn handen platduw en heel goed kijk, zie ik bijna geen schade, zelfs niet als er intensief gegraasd is. Het gras oogt niet eens platgetrapt. Heeft alles zo'n lichte tred behalve ik?'

Dillard vertelt dat ze religieus is opgevoed en vertelt over haar zoeken naar de Schepper en hoewel ze het er niet te dik bovenop legt, geeft ze hierdoor wel meer diepte aan wat ze schrijft, omdat ze haar eigen ideeën blootgeeft. Niet om de lezer te zien als parochie om voor te preken, maar contemplatief en op zekere manier ook meditatief. Haar kennis van de Koran, literatuur, het leven van de Eskimo's en diverse citaten verrijken haar teksten. Ze stelt zichzelf voortdurend filosofische vragen en is op zoek naar antwoorden over de natuur, het universum en het sterrenstelsel op micro-, meso-, en macroniveau.

'Helaas is de natuur in hoge mate een kwestie van kiekeboe spelen. Een vis flitst, om voor mijn ogen als zout in het water op te lossen. Herten worden, lijkt het wel, met huid en haar ten hemel opgenomen; de bontste wielewaal valt weg tegen het lover. Zulke plotse verdwijningen dwingen me tot zwijgen en concentreren. [...] Want de natuur verhult én onthult: kiekeboe, zo ben ik er nog, zo ben ik verdwenen.'

Tijdens haar wandelingen langs de kreek is ze bijzonder opmerkzaam en met een natuurlijke nieuwsgierigheid neemt ruim de tijd om alles wat ze ziet in zich op te nemen en te mijmeren. Ze beschrijft hoe ze, haast oneindig geduldig, een muskusrat bestudeert die zich manifesteert in zijn natuurlijke habitat. Consciëntieus en met veel eruditie beschrijft ze hoe ze de mysteries van wat leeft en beweegt aan het determineren is, waarbij ze regelmatig verwijst naar de literatuur en wetenschap. Zo haalt ze het beroemde gedicht The Waste Land aan dat cultuurfilosoof en dichter T.S. Eliot schreef in 1922. Ook Henry David Thoreau, die leefde in het begin van de negentiende eeuw en onder andere filosoof en natuuronderzoeker was, komt in haar verhalen aan de orde. Deze heeft twee jaar in een hut gebivakkeerd bij Walden Pond, waarover hij zijn boek Walden schreef.

Haar schrijfstijl wisselt voortdurend tussen poëtisch, lyrisch, romantisch en wetenschappelijk, met een invoelbare en inspirerende passie. Toch is niet alles wat ze schrijft alleen maar mooi, want ook de onbarmhartige grillen, de afgrijselijke, smerige, wrede, parasitaire trekjes van moeder natuur komen aan bod. Steeds verlegt ze haar blikveld en richt ze zich op iets anders. Sommige insecten planten zich voort door de huid van een rups te doorboren en hun eitjes in dat lichaam achter te laten. Wanneer de eitjes uitkomen peuzelen de nieuwgeboren larven hun gastheer van binnenuit op. Een ander fenomeen is de reuzenwaterwants die zich stort op een kikker, een gifstof inspuit waardoor de kikker vanbinnen transformeert tot een vloeibare substantie, waarop de wants zijn prooi leeg slurpt en het lege kikkeromhulsel wegdrijft met de stroom. Of de bijzondere gewoonte van de bladluis, die een spoor aan eitjes legt, maar wanneer ze tijdens dit klusje honger krijgt, draait ze zich resoluut om en eet haar eitjes op. Ach... ze kan nog zoveel nieuwe eitjes leggen. Parasieten als paardehaarwormen boren zich in de hersenen van krekels en sprinkhanen, en richten daar dodelijke schade aan. Kannibalisme in het dierenrijk is een voorkomend verschijnsel. Zo eten chimpanchees soms hun soortgenoten en verorbert de vrouwelijke bidsprinkhaan het mannetje na de paring.

Gelukkig weet ze ook vele prachtige wonderen van de natuur te beschrijven, zoals de kleurrijke monarchvlinder die een heerlijk zoete geur verspreidt wanneer het met de vleugels wappert. Ook besteedt ze aandacht aan het fascinerende verschijnsel mimicry, wat inhoudt dat er dieren zijn die hun natuurlijke vijand misleiden door zich camoufleren met het uiterlijk van een planten of andere dierensoorten. Denk hierbij aan de wandelende tak, rupsen die op takjes lijken, of een ongevaarlijke soort die een gevaarlijk of giftig neefje nabootst en er op die manier voor zorgt om geen gemakkelijke prooi te zijn.

Interessant is haar verhandeling over hoe een mens de wereld ervaart wanneer hij altijd blind is geweest en door een operatie ineens kan zien.

'Algemeen gesproken zien mensen die net het gezichtsvermogen hebben gekregen de wereld als een lappendeken van kleurige vlekken. Kleuren ervaren ze als fijn, en ze leren ook al snel de verschillende kleuren te benoemen, maar verder blijft zien voor hen een buitengewoon moeizame onderneming.'

Over dit boek kun je onmogelijk uitgepraat raken. Het is zo´n rijk boek over zoveel rijkdom die de natuur te bieden heeft aan wie zich bewust is van al wat ons omringt. Dillards weet te ontroeren met haar woorden, haar gedetailleerde beschrijvingen lieten me niet los en in sommige passages zijn ze bedwelmend en louterend. Vanzelfsprekend zullen niet alle 304 bladzijden even levendig zijn voor iedere lezer, doordat de auteur af en toe veel feitenkennis aan het spuien is, maar het maakt duidelijk dat de mens zich nederig zou moeten voelen over het feit dat hij deel mag uitmaken van wat hem voedt, ook op geestelijk niveau.

Pas bijna vijfentwintig jaar later, in 1999, heeft Dillard een nawoord geschreven waarin ze beschrijft hoe dit boek is ontstaan, haar schroom om als vrouwelijk auteur een boek op de markt te brengen, omdat ze de hoop had om gewaardeerd te worden om de inhoud van haar boek en niet vanwege haar sekse.

Laat je meevoeren en verrassen door het mysterie van de kosmos met dit ontroerend mooie en beeldschone boek.

Titel: Pelgrim langs Tinker Creek
Auteur: Annie Dillard
Vertaling: Henny Corver
Pagina's: 304
ISBN: 9789045037509
Uitgeverij Atlas Contact
Verschenen: januari 2019

Rasskaz o Semi Povesjennich - Leonid Andrejev (1908)

Alternatieve titel: De Zeven Gehangenen

In het aangezicht van de dood

De Russische Leonid Andrejev, geboren in 1871 en, na veel omzwervingen, overleden door suïcide in Finland in 1919, was een expressionistisch auteur. Hij schreef toneelstukken en korte verhalen. De zeven gehangenen kwam uit in 1908 en verscheen in 1909 in een Nederlandse krant als feuilleton, zoals toentertijd gebruikelijk was.
Honderd jaar na zijn dood is de novelle hertaald door Jan Robert Braat en opnieuw uitgegeven door Uitgeverij Thomas Rap. Het is tevens opgenomen in de Schwob-herfstactie van 2019.

Het expressionisme in de eerste decennia van de twintigste eeuw uitte zich in de literatuur door het schrijven over het innerlijke en emotionele van de mens, zoals: gevoelens van angst, isolatie, hulpeloosheid en de dood. Deze kenmerken, samen met realisme en enige kenmerken uit het dadaïsme, zoals maatschappijkritiek, zijn duidelijk van toepassing op de thematiek in Andrejevs werk De zeven gehangenen.

Het eerste hoofdstuk zet een minister in het tsaristische Rusland centraal, over zijn naam of zijn politieke verantwoordelijkheden blijft de lezer in het ongewisse. Van het hoofd van zijn lijfwachten krijgt hij het alarmerende bericht dat er 'om één uur 's middags' een aanslag op zijn leven is beraamd door een groepje terroristische bommengooiers en hij krijgt het advies om met zijn gezin elders onder te duiken. Het zijn echter niet de bommen die hem zullen vellen, maar zijn angsten en nervositeit die zijn slechte gezondheid ondermijnen.

Vijf terroristen - drie mannen, twee vrouwen - worden opgepakt, voorgeleid en veroordeeld tot de doodstraf, die voltrokken zal worden door ophanging. Deze veroordeling horen ze ernstig, maar kalm en gelaten aan - met duidelijke minachting voor de arm der wet -, hoewel ze niet allemaal gevrijwaard zijn van doodsangst.
In ongeveer hetzelfde tijdsbestek krijgen een naïeve, ongeletterde gelegenheidsmoordenaar en een zelfingenomen beroepsmoordenaar/-dief ook de doodstraf door ophanging opgelegd.

De laatste dagen van hun leven brengen alle gedetineerden door in afzondering, elk in een aparte en mistroostige cel. Slechts twee van hen krijgen de gelegenheid aangeboden om bezoek te ontvangen om afscheid van te nemen. Maar waar de een afscheid neemt van liefdevolle ouders, krijgt de ander slechts bezoek van een droeve moeder vol verwijten, 'zijn vader [...] had geen zin gehad'.

Alle zeven gedetineerden krijgen van Andrejev in de kleine hoofdstukken een podium en beschrijft hij hoe ze individueel omgaan met de vaste wetenschap dat hun leven snel zal eindigen. Ieder van hen vecht op zijn eigen manier een strijd met zichzelf uit, ieder overgeleverd aan eigen hersenspinsels: vergoelijken om als betekenisloos mens een mooie martelaarsdood tegemoet te mogen gaan in de vaste veronderstelling onsterfelijk te zijn, ongeloof, primair reagerend, schaamte, bezinning, angst voor dat wat gaat komen, serene rust en doodsangst, om uiteindelijk tot het besef te komen van het onomkeerbare lot.
Inderdaad, ze wachten op dezelfde onvermijdelijke strop, maar beleven het op zeer individuele manier.

De novelle leest als een hedendaags verhaal en zou zo ook op kunnen gaan voor de hedendaagse gevangenen die in een dodencel wachten op... de dood. De wetenschap op welk moment je zult overlijden, is beklemmender dan de wetenschap dat je ooit zult overlijden. Of je nu een hoge functie bekleed, of als misdadiger in de kerker zit.

Hoe paradoxaal het ook is, de invoelende, beeldende en poëtische, haast barokke manier van schrijven, voorzien van krachtige metaforen en antoniemen, staat haaks op de inhoud van de beklemmende en zwaarmoedige strekking van het verhaal. Het gebruik van herhalingen maken de boodschap van de auteur nog sterker.

Het door Bert Natter geschreven nawoord geeft een fantastisch inkijkje in het leven, doen en laten van Andrejev.
Een briljant, adembenemend juweeltje van een klassieker!

Watashi ga Suteta Onna - Shūsaku Endō (1963)

Alternatieve titel: Het Meisje Dat Ik Achterliet

5,0
Waarom moet je lijden als je niks kwaads hebt gedaan?

Tokio, kort na de Tweede Wereldoorlog. Tsutomu Yoshioka, een ongeïnspireerde student en volkomen gespeend van empathie, neemt het in het leven niet zo nauw. . Zijn mistroostige appartement is een stinkend en bevuild hol, zijn kleding smerig, maar hij heeft een grote drang om ruimer in zijn slappe was te zitten en zijn ontluikende seksualiteit in praktijk te brengen. 'Ik moet poen hebben. Ik wil een meid versieren.'

Via een berichtje in de krant komt hij in contact komt met Mitsu Morita, een argeloos, nog onschuldig, serieus, spaarzaam, maar zeer vrijgevig meisje uit de provincie, en hij weet haar te overreden om het bed met hem te delen door haar medelijden te wekken wanneer hij vertelt dat hij in zijn jeugd polio heeft gehad. Bij Mitsu ontdekt hij een muntgrote rode vlek op haar arm, waarvan ze zegt dat ze er geen last van ondervindt. De lol van zijn gescharrel is er echter snel af en hij laat haar vallen als een baksteen. Dit vergoelijkt hij direct met de gedachte dat alle andere mannen hetzelfde gehandeld zouden hebben. 'Ik ben echt niet de enige.’ Mitsu echter kan de gedachten aan Yoshioka niet loslaten.

Shūsaku Endō (Tokio, 1923-1996) was een van Japans grootste naoorlogse auteurs. Hij behoorde tot de amper 1% van de Japanse bevolking die het katholicisme aanhangt en dit geloof speelt in zijn romans dan ook een grote rol, evenals de ervaringen uit zijn jeugd en dat hij leed aan tuberculose. Andere belangrijke onderwerpen in zijn werk zijn tragiek, ethische dilemma's, keuzes, normen en waarden. Zijn magnum opus Stilte is in 2016 verfilmd.

Vanaf 1955 heeft hij ettelijke boeken geschreven waarvan er een aantal in het Nederlands zijn vertaald. Het meisje dat ik achterliet verscheen in Japan in 1963 en eind 2018 bracht Uitgeverij Van Oorschot dit schrijnende verhaal eindelijk uit in een prachtige Nederlandse vertaling van Maria Smolders.

Voor Yoshioka gaat het leven verder. Hij vindt werk en laat zijn gretige oog vallen op het nichtje van de president van het bedrijf, Mariko Miura genaamd.

'Hoe dan ook, hoe meer ik aan Mariko dacht, hoe meer het leven van Mitsu Morita, met wie ik slechts een kortstondige relatie had gehad, me voorkwam als een ver en leeg bestaan. Het was bijna alsof ze niet bestaan had. Maar ik had niet door dat de dingen die we tijdens ons leven voor iemand doen en laten niet zomaar verdwijnen als sneeuw voor de zon. Ik wist niet dat onze handelingen, zelfs als we afstand nemen van een persoon en nooit meer aan hem of haar terugdenken, niet verdwijnen zonder een spoor achter te laten in het diepst van ons hart.'

In twee verhaallijnen worden Yoshioka en Mitsu gevolgd. Vanuit het ik-perspectief volgt de lezer de handel en wandel van de opportunistische Yoshioka en daarmee zit de lezer hem dicht op de huid. Zo nu en dan flitst het beeld van Mitsu aan hem voorbij en voelt hij een innerlijk conflict over de manier waarop hij van haar heeft geprofiteerd en zich daarna gedistantieerd.

‘Als Mitsu me íets had geleerd, was het dan niet dat mensen die tijdens ons leven onze wegen kruisen onuitwisbare sporen nalaten? Kwam dit eenzame gevoel misschien daardoor?’

De verhaallijn van de bescheiden Mitsu wordt verteld vanuit de derde persoon en langzaam maar zeker wordt duidelijk hoe ze haar jeugd heeft beleefd en hoe haar leven een aangrijpende wending krijgt, waarbij de rode vlek een belangrijke rol speelt en ze uiteindelijk in een leprosarium belandt bij de nonnen. Na de eerste overweldigende indrukken en een groot gevoel van eenzaamheid, gaat het toch steeds meer als haar thuis voelen en identificeert ze zich met de nonnen.

'Het zwaarst te verduren is niet wat er gebeurt met je lichaam. Dat heb ik na twee jaar eindelijk begrepen. Het allermoeilijkste is het om te verdragen dat er niemand van je houdt.'

Wanneer Yoshioka ontdekt waar Mitsu verblijft, stuurt hij haar in een opwelling een nieuwjaarskaart waarop hij pas een jaar later antwoord zal krijgen.

De thema's - zoals onder andere het katholieke geloof, worsteling, wroeging, eenzaamheid en verbinding - die Endō in zijn romans verwerkt, komen ook in deze roman ruim aan bod. Het ongecompliceerde proza is fris en laat zich vlot lezen, maar de indringende thematiek grijpt je bij de strot en levert een beklijvende leesbeleving op. Triest..., maar prachtig, hoe paradoxaal dat ook klinkt.

West - Carys Davies (2018)

4,0
Zoektocht naar het onbekende

West is het meeslepende prozadebuut van de Britse Carys Davies, die eerder twee goed ontvangen verhalenbundels schreef - Some New Ambush en The Redemption of Galen Pike - waarvoor ze diverse malen genomineerd werd en mooie prijzen won. Ze is geboren in Wales, maar groeide op in het centrale deel van Engeland; de Midlands. Momenteel woont ze in Edinburgh, nadat ze vanwege haar werk twaalf jaar in New York en Chicago heeft gewoond. Wellicht hebben haar Amerikaanse jaren haar geïnspireerd om West te schrijven. De roman heeft het typisch Amerikaanse karakter van boeken als Het purperen land van Edna Ferber en Het bloeien van de avondwinde van Jetta Carlton, die zich ook afspelen op het Amerikaanse buitenstedelijke gebied van pioniers en kolonisten.

Terwijl de vijfendertigjarige, roodharige weduwenaar John Cyrus Bellman (Cy) zijn biezen aan het pakken is, vraagt zijn tienjarige dochter Bess hem hoe lang hij van plan is weg te blijven. Hij moet haar een exact antwoord schuldig blijven, maar denkt dat zijn zoektocht een jaar of twee in beslag zal nemen.

'In haar ogen was hij allesbehalve een dwaas.
In haar ogen was hij groots, vastberaden en avontuurlijk. Voor haar was hij een man met een missie, waarmee hij zich onderscheidde van anderen, en zo lang hij weg was zou ze dat beeld vasthouden: haar vader op zijn paard, met zijn tassen en zijn bundels en zijn wapens - hoog in het zadel, met zijn lange jas en met zijn cilinderhoed, haar vader die westwaarts trok.'

Zijn interesse is gewekt door een artikel in de krant dat er 'reusachtige beenderen en wonderbaarlijke slagtanden' zijn opgegraven, 'verzonken in de zilte modder van Kentucky: tanden zo groot als pompoenen, schouderbladen van bijna een meter, kaken die erop duiden dat de kop de afmetingen had gehad van een flinke man.' Aan de hand van het logboek van kapitein Lewis en kapitein Clark, die in 1804 op expeditie waren geweest naar de Grote Oceaan in het westen, zal hij zich laten leiden van Pennsylvania, langs rivieren en over het Rotsgebergte.

Nadat hij beloofd heeft haar vaak brieven te schrijven verlaat hij zijn muildierenfokkerij. Bess blijft achter onder de hoede van zijn humeurige zus Julie die, met de hulp van buurman Elmer Jackson, zorg zal dragen voor zijn huis en fokkerij.
Een jonge Shawnee-jongen, met de naam Oude Vrouw In De Verte, sluit zich onderweg bij hem aan op zijn tocht door de wrede wildernis. Blootgesteld aan de elementen en de krachten van de natuur trekken ze samen richting het westen. De trefzekere beschrijvingen van de natuur zijn beeldend, maar ook behoorlijk onheilspellend.

Ondertussen wacht Bess met smart op een brief van haar vader en leest ze in de bibliotheek boeken die haar meer kunnen vertellen over zijn reis. Dat Elmer Jackson steeds regelmatiger op de boerderij is te vinden krijgt een verwerpelijke, hartverscheurende wending.

'Er had vandaag een kraai in de tuin gezeten, wat wilde zeggen dat haar vader de grote dieren had gevonden en aan de weg terug naar huis was begonnen. Als ze morgen zonder een druppel te morsen de emmers van de pomp naar het huis wist te dragen, verkeerde hij in goede gezondheid. Als de witte meidoorn ging bloeien vóór de eerste mei, wilde dat ook zeggen dat hij in goede gezondheid verkeerde. [...] Ze deed dit tegenwoordig steeds vaker - elke dag, soms zelfs elk uur, en in ieder geval altijd voor het slapengaan: de tijd markeren door gunstige voortekenen te zoeken die te maken hadden met haar vader.'

In korte hoofdstukken wisselt Davies moeiteloos van perspectief tussen de diverse personages. Ze maakt gebruik van flashbacks en springt bijna ongemerkt ineens van verleden tijd naar tegenwoordige tijd en weer terug, haar manier van schrijven spannend maakt. De wijde wereld die Cy intrekt staat haaks op de saaie en rustige nederzetting waar Bess achterblijft.
Een klein zinnetje in het allerlaatste deel maakt een duister stuk van de geschiedenis duidelijk.

Helder, krachtig en intelligent. Met ijzingwekkende passages, maar tevens geschreven in poëtische proza. Een compacte roman, maar een groots verhaal.

Haar tweede roman The Mission House verschijnt in augustus 2020. Hopelijk zal de Nederlandse vertaling niet al te lang op zich laten wachten.

Winter-IJsland - Laura Broekhuysen (2016)

4,0
Buigen of barsten in oogverblindend proza

IJsland, een land en eiland dat steeds tot de verbeelding blijft spreken en hierin ben ik zeker niet de enige. Als dit land je eenmaal in zijn greep heeft, is het niet gemakkelijk om je eraan te ontworstelen. Er een vakantie doorbrengen is een volledig eigen keuze en de liefhebber is elke dag druk doende met het zoeken naar en bewonderen van de vele fascinerende dingen die deze wonderschone natuur in petto heeft. De ervaringen die men opdoet tijdens vakanties zijn echter wel een hemelsbreed verschil met de ervaring die het wonen met zich meebrengt. In dit boek - met de ondertitel 'Mijn eerste jaar in een verlaten fjord' - laat de auteur de lezer beleven hoe het voelt om je aan te passen aan de cultuur en mores van de IJslanders, de strenge, donkere winter met een allesoverheersende koude en een diep verlangen naar het voorjaar met zijn licht en zon.

Tijdens haar studietijd ontmoet Broekhuysen haar IJslandse man, ze krijgen een dochter en besluiten naar zijn geboortegrond terug te gaan.
Dat de emigratie toch ook zijn rafelrandjes heeft - als de eerste euforie getemperd is - wordt pijnlijk duidelijk in haar oprechte verhalen, waarin ook soms haar eigen ongeloof doorklinkt. Het gras lijkt elders altijd groener, maar tijdens de lange winter is er van dat gras niet veel te ontdekken.

Het is in de herfsttijd dat ze met hun dan bijna tweejarige dochter Esther vertrekken ze naar een houten huis aan het zwarte strand van Hvalfjörður. Het huis hebben ze tevoren niet gezien. Het is een verwarrende gewaarwording voor haar om het huis binnen te stappen. Nu is het écht, de emigratie een voldongen feit, de rauwe winter in aantocht en ze kunnen niet anders dan zich aanpassen aan de elementen, die hun wereldje steeds kleiner lijken te maken.

'Helling opwaarts, dicht bij de weg, staat onze brievenbus. Als de postbode is geweest, steekt hij naast de bus een ijzeren vlaggetje omhoog, dat lam is, en op half zeven wordt gezwiept. We zien het alleen door onze verrekijker. Het is een klim, we wandelen erheen op windstille dagen. We binden ijzeren tanden met rubberbandjes onder onze laarzen voor grip. We smeren paardenzalf op onze lippen. We geven elkaar een hand en glibberen over bobbelig ijs, ingeklonken, verregende en opnieuw bevroren sneeuw. Het is een spannende tocht. Soms ligt er een pakje in de bus, soms niet. De postbode is onze Sinterklaas.'

IJslanders lijken soms wat afstandelijk en verlegen te zijn. Dat ondervindt ze ook bij haar schoonouders. Zelfs na meerdere bezoeken lukt het haar niet om meer vertrouwelijke gesprekken met hen te voeren. 'Elke ontmoeting is een herhaling van de eerste'. [...] 'Als draagmoeder van het nageslacht ben ik in waarde gestegen, toch wordt het nooit persoonlijk.' Wanneer ze haar man vraagt hoe ze bepaalde dingen in het IJslands zegt is zijn antwoord steevast dat niemand dat hier ooit zegt.

'De zon. Een half oog dat na maanden boven de bergrand sluipt, laat het stof op de ruiten schitteren. We vinden onszelf terug als reptielen, doodstil verspreid over de vensterbanken op het zuiden. Onze oren gloeien. We bewegen alleen onze oogbollen. Ook de paarden staan versteend in de wei om hun bloed op te warmen. De vachten dampen. We zien het oranje van een scholeksterbekken. Het helle blauw van lucht. De kleuren zijn terug.'

De vroegwijze Esther, die drietalig wordt opgevoed, weet niet beter dan dat het leven bestaat uit koude, sneeuw, zonder zon en wanneer die eindelijk in het voorjaar boven de einder en de bergen verschijnt, vindt ze het maar een raar fenomeen. Het boezemt haar zelfs wat angst in.
Broekhuysen beschrijft dat het voorjaar hen weer meer ruimte geeft, omdat de deuren en ramen weer opengaan. De frisse lucht en het hernieuwde licht maken echter duidelijk dat een voorjaarsschoonmaak onontbeerlijk is. De winter heeft nadrukkelijk zijn stof in huis achtergelaten en vieze vingers hun afdrukken op ruiten en spiegels.

'We bakken zonnepannenkoeken, volgens Ama's recept. Flensen waar je doorheen kunt kijken, die nauwelijks schaduwen werpen, even zacht en doorzichtig als de roze oorschelpen van een tweejarige. We zitten aan de keukentafel naar elkaar te grijnzen, onze tanden blinken. Het fjord wordt met gesnater gevuld. De baai fonkelt. Ons kind zingt 'Maar het meel is zo duur, maar het meel is zo duur'. Ze rent, met in elke hand een opgerolde pannenkoek, achter haar schaduw aan, voor hem uit. Haar nieuwe vriendje dat haar op de hielen volgt.'

Met een flinke dosis zelfreflectie geeft ze haar bewuste en onbewuste gedachtestroom weer door middel van prachtige zinnen en fijnmazig proza.
Broekhuysen schrijft niet alleen in letters en woorden, ze weet ook in beelden te schrijven en haar zinnen zo op je netvlies te laten transformeren, dat je precies voor je ziet wat ze duidelijk wil maken. Tussen de zinnen door gloort er soms ook een beetje wanhoop en onzekerheid over wat de toekomst hen zal brengen, dat het noodzakelijk is om je te voegen naar de elementen. Het is buigen of barsten.

Niet alleen het zintuig 'zien' spreekt ze aan. Ook het horen van de stilte dat weldadig aanvoelt, maar in de donkere winterperiode ook een gevoel van isolement kan oproepen. Wanneer ze een beroep op je zintuig 'voelen' doet en de elementen van de winter benoemt, is het een hele kunst om de koude rillingen niet over je rug te voelen griebelen. De rit naar het ziekenhuis, wanneer de weeën zich aandienen, beschrijft ze deels met nuchterheid, deels met gedachten in het hoofd die aanstaande moeders maar al te goed herkennen. Een nieuwe spruit komt ter wereld. Ondanks de beschrijvingen van de moeilijke perioden, die gepaard gaan met toch wel wat vertwijfeling, is het geen zwaar boek. Absoluut een heel zintuiglijk, oprecht en invoelbaar werk.

Dit boek heb ik - na het gelezen te hebben - ook nog eens geluisterd, op IJsland tijdens een paar uur in de ijzige wind om het Noorderlicht te spotten. Toepasselijker kan natuurlijk niet.

Titel: Winter-IJsland. Mijn eerste jaar in een verlaten fjord
Auteur: Laura Broekhuysen
Pagina's: 136
ISBN: 9789021402178
Uitgeverij Querido
Verschenen: april 2016

Wittgenstein's Mistress - David Markson (1988)

Alternatieve titel: Wittgensteins Minnares

5,0
Waan, waanzin of werkelijkheid

David Markson (1927-2010) voltooide in de tachtiger jaren van de vorige eeuw zijn volstrekt unieke boek Wittgenstein's mistress, maar geen enkele uitgever durfde zijn vingers eraan te branden, zodat hij er vierenvijftig langs is geweest in een poging om zijn boek op de markt te krijgen, voordat hij uiteindelijk in 1988 zijn zoektocht eindigde bij Dalkey Archive Press die hij bereid vond om zijn postmodernistische werk uit te geven.

Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat dit boek geschreven is door het enige personage dat de auteur ten tonele brengt. Kate - zo is op de achterflap te lezen, want de oplettende lezer zal maar éénmaal haar naam ontdekken - bevindt zich in een desolate wereld en naar het schijnt is ze het enig overgebleven, levende wezen op aarde. Of de setting een post-apocalyptische, dystopische of sience fiction is, wordt niet meteen duidelijk, maar mysterieus doet het zeker aan. Is er iets met haar aan de hand? Zelf zegt ze; 'Al was ik een groot deel van de tijd behoorlijk geschift natuurlijk.' Ook rijst de vraag hoe betrouwbaar de woorden en beweringen van deze ik-verteller zijn. Aangezien ze een monoloog houdt en helemaal alleen is, is er ook niemand die zegt aan haar woorden te twijfelen. Wat we lezen is dus geheel en al de waarheid van Kate.

Ze heeft een huisje aan het strand gevonden en, omdat niemand haar kan waarnemen, leeft ze geheel zoals ze dat wil. Overal zijn er auto's - met het stuur aan de rechterkant - te vinden waarmee ze de wereld rond is gereden en voornamelijk in musea heeft gewoond, zoals het Louvre, National Gallery, Hermitage, Galleria Borghese, waarbij ze onderweg ook Troje heeft aangedaan. De richting waar de neus van de volgende auto naartoe wees, was leidend voor de richting die ze ging. Ze geeft de indruk gedesoriënteerd te zijn in tijd, aangezien ze zeventien horloges om de beurt af laat gaan en niet precies weet hoelang het geleden is dat ze helemaal alleen over is gebleven. Sp vertelt ze iets over haar leven voor dit leven: ze is gescheiden en heeft een vroeg gestorven zoontje wiens graf ze graag wil bezoeken.

'De zonsondergang van gisteren was een Vincent van Gogh, met wat angst erin.'

Op een typemachine is ze haar gedachten aan het documenteren en ordenen. Lustig strooit ze met feitenkennis over onder andere Homerus' Odyssee, mythologische figuren, kunstenaars, klassieke auteurs en dito muziek en oudheidkundige gebeurtenissen, maar dat klinkt niet altijd even coherent. Ze filosofeert er lustig op los en schrikt er niet voor terug om haar beweringen ook weer te ontkrachten, soms pas na een aantal bladzijden en roept zichzelf direct tot de orde wanneer ze aan het generaliseren is.

Is ze werkelijk alleen of zit ze gevangen in haar eigen hoofd?
Ze schrijft dat ze te maken heeft gehad met depressies en gek was. Is haar wereld letterlijk leeg of zit Kate opgesloten in haar eigen hoofd? Heeft ze misschien last van psychiatrische problematieken? Ze geeft de schijn intelligent te zijn en is universitair geschoold.

'Er is een ruimte. Veel planken hierboven zijn half leeg. Hoewel ik ongetwijfeld, als ik zeg dat ze half leeg zijn, moet zeggen dat ze half vol zijn, aangezien ze vermoedelijk helemaal leeg waren voordat iemand ze voor de helft vulde. Aan de andere kant is het niet onmogelijk dat ze ooit helemaal vol waren en alleen maal half leeg werden toen iemand de helft van de boeken naar de kelder verhuisde. Ik vind de tweede mogelijkheid minder waarschijnlijk dan de eerste, hoewel je haar niet helemaal buiten beschouwing moet laten.'

Volstrekt uniek is Markson's werk zeker te noemen. Het lijkt eerst heel verwarrend en het heeft even tijd nodig om aan de schrijfstijl te wennen, om vervolgens tot de conclusie te komen dat je het begin de door Wittgensteins taalfilosofie geïnspireerde schrijfstijl niet goed hebt opgenomen en begrepen. Het werk is verstoken van hoofdstukken en witregels, en bestaat uit een doorlopende tekst, waarbij elke alinea bestaat uit één zin, of elke zin vertegenwoordigd één alinea. Kate's relaas is een onafgebroken stream of conciousness, waarin ze vloeiend van de ene bewering in de andere glijdt, voortborduurt en filosofeert.

Wittgensteins minnares, voorzien van een uitgebreid nawoord door Lieke Marsman, is een heel rijk boek, vol verwijzingen die ontegenzeglijk niet allemaal opvallen bij een eerste lezing. Daarom is het ook een boek om zeker een tweede kans te geven. Het is geen gemakkelijk werk en het eist behoorlijk de aandacht door het filosofische experimenteren. Slow reading lijkt in dezen het toverwoord, want op de meeste zinnen is het heerlijk kauwen. Kate's gefilosofeer is soms ontroerend en regelmatig heel geestig te noemen. De manier van schrijven maakt het een spannende leeservaring. Wat het zo uniek maakt is dat het in feite een boek is zonder plot: verrassend, bedwelmend, geestig, ontroerend, bijzonder intrigerend, pakkend en vreselijk goed.

Opgenomen in de lenteactie 2020 van Schwob en terecht een moderne klassieker!

David Foster Wallace (1962-2008), hoogleraar Engelse literatuur en filosoof, was idolaat van het werk van Markson en in het bijzonder van Wittgensteins minnares, welke hij tot op de draad heeft ontleed en er een essay over heeft geschreven.

Wonderboom - Lien Botha (2015)

4,0
Zwak van stem, uit
de diepte geschonden:
geen woord, geen ding,
en hun beider enige naam,

valbekwaam in je,
vliegbekwaam in je,
gewonde winst
van de wereld.

- Paul Celan

Het Grote Vergeten

Wonderboom is het debuut van de Zuid-Afrikaanse Lien Botha, dat ze een gedurfde stijl heeft meegegeven. Uitgeverij Zirimiri Press heeft hiermee een juweeltje binnengehaald. Het verhaalt over de road trip door Zuid-Afrika van de vijftigjarige violiste Margriet Vos.

Na een fiks onheil is de bevolking in Vergelegen geminimaliseerd. Er zijn vele doden te betreuren en tevens zijn er veel mensen vertrokken, waardoor Margriet bijna volledig op zichzelf is teruggeworpen. Er wordt nergens expliciet genoemd welk onheil er heeft huisgehouden, maar ze kan weinig te eten vinden en middelen om ze te kopen zijn er ook niet voorhanden.

'Al die jaren van verslaafdheid aan stilte keren nu als een boemerang bij haar terug. Dat ze hier heeft rondgelopen en alles wat ademde en bewoog verwenste, omdat ze naar eigen zeggen zo gesteld was op de stilte. Nu heeft ze alle stilte van de wereld.'

Ze besluit te kiezen voor haar eigen veiligheid en in het geheim Kaapstad te ontvluchten om aan de dictatuur van Albino X te ontkomen. Als violiste speelt ze voor deze pigmentloze heerser, maar begint ze langzaam tot het besef is gekomen dat haar geheugen haar in de steek lijkt te raken. Ze merkt dat ze de noten op de bladmuziek niet meer goed kan interpreteren en dat het ten koste gaat van de fijngevoelige manier van spelen die de muziek vereist. De potentaat heeft een voorliefde voor taxidermie, waardoor ze vreest voor haar leven en bang is ook te eindigen als een opgezet lichaam, wanneer hij haar vergeetachtigheid zal ontdekken.

Wat ze wil is terug naar waar haar leven is begonnen, haar familie in Wonderboom, een dorp aan de voet van de Magaliesberg. Haar vioolkist met wat bezittingen - zoals behalve haar viool ook een dagboek, wat foto's en het boek De expeditie naar de baobab van Wilma Stockenström - koestert ze, omdat die haar als geheugensteuntje vergezelt

'De genade van het Grote Vergeten. Geheugenverlies stelt je in staat een andere identiteit aan te nemen en gaandeweg vergeet je wie je bent en waar je vandaan komt.'

Al lezende reis je met de hoofdpersoon mee naar haar geboortegrond - zo´n 1500 kilometer naar het noorden - maar tevens is het een reis naar de toekomst en terug naar het verleden, een reis door het leven van Margriet én door de geschiedenis van Zuid-Afrika.
Door te liften weet ze zich te verplaatsen en krijgt ze met allerhande mensen te maken. Soms is het een leuke ervaring, maar ze krijgt ook te maken met een aanranding en overval.

De reis en de gedachten van Margriet dienen als kapstok om gebeurtenissen uit de bestaansgeschiedenis van Zuid-Afrika en het verloop van haar leven aan op te hangen. Door de ruime hoeveelheid voetnoten worden veel historische feiten, personen en gebruiken die door de tekst verweven zijn verduidelijkt. Ook de gedachten van Margriet zijn verweven in het verhaal. Wanneer ze iets ziet of meemaakt, lijkt het haar geheugen te triggeren. Ze herinnert zich algemene zaken, maar ook haar leven met Wim, haar grote steun en toeverlaat, die door verdrinking om het leven is gekomen.

Om het verlies van geheugen te illustreren is er vóór elk hoofdstuk een foto van een moodboard opgenomen. Met het verstrijken van de tijd verdwijnen daarvan plaatjes, foto's, souvenirs, tot er uiteindelijk niets meer over is.
De hoofdstukken hebben alle een bomennaam die de strekking van dat deel omvatten.

Kijk ook eens goed naar het boek. Een lange weg naar Wonderboom aan de voet van de berg, door een verlaten en dor landschap en de weg lijkt vlak voor de aankomst op plaats van bestemming te stoppen. Een prachtige, passende cover.

Het boek dwingt je bijna tot langzaam lezen door de schijnbaar incoherente verbanden. Doordat de gedachten van Margriet heel leidend zijn springen de verhaallijnen door elkaar, zowel qua tijd als qua onderwerp, omdat de caleidoscopische flarden van haar verwarrende gedachten ook steeds meer van de hak op de tak springen. Het komt heel amorf en bevreemdend over en naarmate het verhaal vordert wordt het steeds minder coherent. Margriet's geheugen laat het steeds meer afweten en ze schrijft nog een laatste keer in haar dagboek.

'Jij bent Margriet Vos - violist. Je man was Wim Fourie. Je woonde in Bettysbaai. Daar veranderde het land in zee. Je hart is daar voor een deel achtergebleven tussen dode dieren en oud fynveld. Je bent bezig je verstand kwijt te raken, want de vergeetziekte is een kwaal van moederskant. Houd koers. De heerser, Albino X laat je opzetten, als hij erachter komt dat je bezig bent gek te worden. Je hebt regelmatig voor hem opgetreden op Vergeleden. Hij is erg, in de hoogste mate. Nu ben je bezig naar je familie in het noorden te vluchten [...]'

Dit verhaal eist wat van de lezer. Het is niet zozeer dat het lastig te lezen is, alswel dat je steeds bezig bent om de draadjes te volgen tussen de heldere momenten en die van de verwarring.
Wat ik een klein beetje mistte zijn de beschrijvingen van het landschap, omdat het veel voor mij zou toevoegen. Maar dat zou eerlijk gezegd voor het verhaal zoals het is bedoeld, geen essentiële toevoeging zijn.
De auteur heeft het aangedurfd haar debuut in deze vorm te gieten en het resultaat mag er zijn. Een prachtig en verstild kunstwerk dat me erg nieuwsgierig maakt naar een tweede werk van haar hand.