Quatertemperdagen zijn voor de Rooms-Katholieken onthoudingsdagen, bezinningsdagen die aan het begin van de vier seizoenen plaatsvinden. De personen, die in dit boek voorkomen, hebben geen gemakkelijke levens. Op een gegeven moment vraagt de ik-persoon (Erik Vlaminck, toen nog op jonge leeftijd) uit deze roman aan zijn moeder, wat deze quatertemperdagen eigenlijk zijn. Op haar antwoord, dat het dagen van boetedoening zijn, is zijn wedervraag: "En wanneer is dat?". Zijn grootmoeder Fien van Riel komt tussen met: "Dat is hier alle dagen".
Dit boek is gebaseerd op feiten, herinneringen, dagdromen, fantasie.
Op één van de beginpagina's, voor de eigenlijke roman, staat het citaat:
Ik zal de auteur ontslaan van de verplichting de feiten waarheidsgetrouw te registreren. De werkelijkheid is onbeschrijflijk en het onthullen van privé-geheimen heeft een kwalijk luchtje. Het zou geen pas geven familieleden, die geen schrijver zijn, op papier te koeioneren.
Dat citaat is afkomstig van
György Konrád.
Veel informatie heeft Erik Vlaminck gehaald uit gesprekken met Leon Van Riel, broer van de grootmoeder van Erik. Leon was vroeger Wattman, trambestuurder. Eén van zijn verhalen wordt kort aangestipt in één van de twintig korte hoofdstukken van dit boek, komt uitgebreid terug in
De Wattman: Een Vertelling - Erik Vlaminck (2016).
Het boek is chronologisch van opbouw, begint op 10 augustus 1912 met een drama rond een waterput. Daarbij worden al een aantal personen uit de familie (grootouders en verwanten) van Erik Vlaminck geïntroduceerd. Met name zijn grootouders Fien Van Riel en Eduard Rombouts komen uitgebreid aan bod. Voor de tuba van Eduard is in een aantal situaties uit verschillende hoofdstukken ook een duidelijke rol weggelegd. Het verhaal loopt uiteindelijk door via George Vlaminck en Anna Rombouts, de ouders van Erik, naar de jeugd van Erik zelf.
Bekende elementen uit zijn werk, zoals de fraaie Vlaamse taal en humor, keren ook hier terug.
Zwarte humor ontbreekt ook niet, zoals in een paar opmerkingen in de scenes rond de waterput, in het verhaal over de schildklieroperatie van zijn grootmoeder, de toespelingen die zijn grootvader maakt op Jaak, de manier waarop Leon over zijn eigen handicap spreekt.
Door alle ellende, die de hoofdpersonen meemaken, komt het verhaal indrukwekkend over.
De slotconclusie van Erik uit de epiloog is direct invoelbaar en sluit feilloos bij dat indrukwekkende aan:
Ik bewaar een gedeukte tuba, twee teerlingen, een oorbel en een brief.
En onbeschrijflijk veel weemoed.