menu

Hier kun je zien welke berichten Sol1 als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Gekke Mustafa en Andere Verhalen - Halil Gür (1984)

Alternatieve titel: Gekke Mustafa

poster
4,0
Sol1 (moderator)
Het boek bevat sterke situatieschetsen van de nogal deprimerende omstandigheden, waarin (al dan niet illegale) Turkse gastarbeiders komen te zitten. Door de meeslepende vertelwijze van Halil Gür blijft het boek ondanks dat gebrek aan vrolijkheid boeien en nopen tot doorlezen.

De Turkse arbeiders uit de verhalenbundel blijken niet alleen in Duitsland en Nederland in de knoop te komen met de rare gewoonten en afwijkende mentaliteit van Westerlingen, maar botsen in hun eigen land ook op tegen vooroordelen; in dat laatste geval: met name tegen roddel, laster en achterklap. Waar het in Nederland en Duitsland nogal eens gaat om uitbuiting en discriminatie door blanken, draait het in Turkije zelf om diverse varianten van jaloezie, met verbale en/of fysieke vormen van geweld. Roddels over wat de eigen Turkse medemensen in het buitenland achter de ruggen van hun achtergebleven familie en partners uitspoken, combineren in de verhalen met de hooghartigheid waarmee stadsmensen in Turkije hun landgenoten van het platteland behandelen. Dat loopt vaak verkeerd af voor de betrokkenen.

De verlangens van de Turkse arbeiders zijn niet eens veelomvattend; het gaat meestal om een fatsoenlijke behandeling en een redelijk werk, huisvesting en inkomen. Frappant is de verwachting van één van de arbeiders in zijn nieuwe werkland aan een cafétafel bier te kunnen drinken en grappen te kunnen maken met mensen van de oorspronkelijke bevolking.

Teleurstelling is echter helaas nooit ver weg in de verhalen, net zo min als de bezorgdheid of angst voor wat er allemaal mis gaat of kan gaan.

De verhalen zijn herkenbaar en roepen de vraag op wat er inmiddels verbeterd is sinds de eerste publicatie van het boek.

In de vijfde editie uit 2024, wellicht in eerdere ook, is de tekst van de rede opgenomen die in 1986 werd uitgesproken bij de toekenning van de E. du Perron-prijs aan ‘Gekke Mustafa en Andere Verhalen’.

Eén van de juiste constateringen uit die rede is dat Halil Gür géén naar objectieve kennis strevende socioloog is, die verschijnselen ordent en analyseert ‘teneinde tot eenduidige conclusies te komen’. Hij is voor alles verteller (het woord ‘geboren’ mist hier nog…) die de distantie tussen hemzelf en zijn onderwerp overbrugt, door zich met zijn personages en hun lot te vereenzelvigen.

Een goed geschreven bundel, door de beperkte omvang ook een aanbeveling voor mensen die met het werk van deze verteller willen kennis maken.

Gelabelde: Pleidooi voor een Genuanceerde Wereldbeschouwing, De - Dilara Bilgiç (2022)

poster
4,0
Sol1 (moderator)
De ondertitel van het boek ‘Pleidooi voor een Genuanceerde Wereldbeschouwing’ doet eerst vermoeden dat Dilara Bilgiç de (inter)nationale of politieke richting op wil gaan. In haar boek gaat ze echter uit van de microkosmos van haar eigen directe familie en haarzelf om te beschrijven wat er mis is met het labelen van anderen. De lezer(es) kan zelf de sprong wel maken naar een groter geheel.

Doorheen haar boek werkt Dilara met doorhalingen, zoals op de voorkant van het boek, van gemakkelijke benamingen die eigenlijk wat meer overweging verdienen voordat ze als etiket op een ander zouden mogen worden geplakt en gebruikt. Gelukkig is dat typografische effect niet overdadig gebruikt en werkt het niet storend; het vestigt terecht de aandacht. Het keert onder andere terug in de titels van alle hoofdstukken.

Er valt daarbij op dat ze haarzelf en haar achtergrond evenmin spaart: waar dat van toepassing is, komen ook de eigen vooroordelen of die uit de directe omgeving naar voren.

Verder is ze nogal openhartig over de relatie met haar moeder en over bijvoorbeeld haar vroegere problematische relatie met voedsel of de vroegere financiële situatie van het gezin.

Voor een buitenstaander doen sommige ‘botsingen’ met haar moeder weleens komisch aan; ook al zal Dilara dat zelf op dat moment niet zo ervaren hebben en haar moeder nog minder.

Op een feest valt de vijftienjarige Dilara door de mand met haar ‘ontzielde ziel’ als ze langs de kant blijft zitten. Als haar moeder haar vraagt waarom ze niet gezellig mee doet en waarom ze haar vrienden in de steek laat, reageert ze met de opmerking: ‘Hoezo, ik ben er toch?’. Haar moeder: ‘Je mag er dan wel fysiek bij zijn, het is net alsof ik naast een kamerplant zit. Ervaar je dan geen geluk?’ Als haar gekrenkte moeder iets later stelt dat Dilara zich toch iets hartelijker kan gedragen en Dilara sarcastisch stelt: ‘Uitbundiger dan dit kan ik het niet maken. Acteren heeft ook zo zijn grenzen’ krijgt ze een vermanend ‘Dilara!’ van haar moeder te horen; ten teken dat Dilara ‘door rood reed’.

In de doorgehaalde titel van dat hoofdstuk omschrijft Dilara zichzelf als ‘Dé Gönülloze’. Het Turkse woord ‘Gönül’ is niet goed vertaalbaar naar het Nederlands. In een ander hoofdstuk is het volgens de schrijfster een symbolische entiteit waarbinnen verlangens, geestdriften en gevoelens huizen, de bron van geestelijke spartelingen, de drager van innerlijke inspanningen. Even later stelt zij daar: ‘Mijn gönül is als een immaterieel hart’. Eerder stelde zij in het geval van vertaling al dat sommige Turkse bewoordingen die intimiteit of liefde impliceren bij de oversteek naar het Nederlands verdampen. Een vermaning aan haar niet luisterende broertje in het Turks krijgt bijvoorbeeld minder opvolging dan de letterlijk vertaalde vermaning in het Nederlands, dat kennelijk serieuzer, harder en afstandelijker klinkt.

Het is voor een buitenstaander interessant om dergelijke cultuurverschillen of cultuuruitingen te volgen als ze hun beloop krijgen in de gewone, dagelijkse omgeving van een gezin. Net zo goed als in het boek minder bekende Turkse gewoonten naar voren komen op het gebied van maaltijden, snoep, feesten of omgang met familie en dergelijke. De prettige leesbaarheid van het boek maakt het des te beter.

Alle hoofdstukken worden voorafgegaan door een relevant citaat van een auteur uit binnen- of buitenland.

Daarbij valt vooral een nogal lang poëtisch citaat van Azra Akilah Kohen bij het hoofdstuk ‘Dé Sensibele’ op. Het werk van de schrijfster en psychologe Kohen is echter helaas wel in het originele Turks en vertaald in het Italiaans verschenen, maar nog niet in bijvoorbeeld Nederlands of Engels.

4* à 4,5*

Ghost Stories of an Antiquary - M.R. James (1904)

poster
5,0
Sol1 (moderator)
Goed doordachte en dito uitgewerkte verzameling griezelverhalen.
De acht verhalen zijn:
'Canon Alberic's Scrap-Book'
'Lost Hearts'
'The Mezzotint'
'The Ash-Tree'
'Number 13'
'Count Magnus'
'Oh, Whistle and I'll Come to You, My Lad'
'The Treasure of Abbot Thomas'.

Deze verhalen kunnen, zonder verdere kennis van achtergronden, prima worden gelezen ... en gewaardeerd.

Wie echter op de hoogte is van de persoon van de schrijver, ziet hoeveel hij van zichzelf in zijn verhalen heeft gelegd. Montague Rhodes James was schrijver, provoost van twee Engelse colleges, geleerde op het gebied van bijbelse teksten, middeleeuwse handschriften, kunst en architectuur.

Hij treedt vaak op als een auctoriële verteller. Doordat hij zijn wetenschappelijke kennis mixt met de feiten (althans, die volgens zijn verhalen) en via één of twee tussenpersonen indirect betrokken lijkt bij de hoofdpersonen en gebeurtenissen uit zijn verhalen, krijgen die verhalen realistische tinten. Ervaringen van zijn persoonlijke wetenschappelijke reizen (zoals voor deze bundel die in Denemarken en Duitsland), verwerkt hij eveneens in zijn werk.
Verder zitten zijn griezelverhalen vol met referenties naar bestaande plaatsen, personen, boeken, universiteiten; daarnaast persifleert hij zowel die zaken en personen, als hun namen met enige regelmaat.
Dat maakt het interessant, die achtergronden na te gaan voor een herlezing.

Het eerste verhaal over ‘Canon Alberic’ speelt in op de levendigheid van sommige zaken, in dit geval een afbeelding. Op een iets andere wijze komt diezelfde gedachte terug in ‘The Mezzotint’. Nog later, in het verhaal 'The Haunted Dolls' House (dat geen onderdeel uitmaakt van deze bundel), zal James dit idee op weer een andere manier uitwerken. Ondanks eenzelfde basisidee, zitten die verhalen elkaar niet in de weg.

‘Lost Hearts’ vertelt over een weldoener, die wezen (waaronder zijn eigen jonge neef) helpt, maar bij dat helpen zowel ongebruikelijke als verborgen motieven heeft. Dat heeft voor die weldoener onverwachte gevolgen.

‘The Ash-Tree’ combineert op ingenieuze wijze een paar zaken uit de rijken van zowel levenden als doden. Zaken, die elk afzonderlijk al sommige stervelingen de stuipen op het lijf zouden kunnen jagen.

‘Number 13’ en ‘Count Magnus’ hebben elk een Deense achtergrond. Het eerste verhaal gaat min of meer over de angst voor, en het vermijden van het gebruik van, nummer 13. Het tweede verhaal betreft een historisch onderzoek naar Count Magnus de La Gardie; een onderzoek dat plaatsvindt in het familiearchief, rond zijn mausoleum ... ... en verder. De exacte interpretatie van de duistere Count en diens eveneens duistere helper, wordt aan de lezer overgelaten. De mogelijkheid van eigen interpretatie is een prettige bijkomstigheid van de schrijfwijze van M.R. James. H.P. Lovecraft zou dit tweede verhaal hebben gebruikt als één van de inspiratiebronnen voor zijn eigen The Case of Charles Dexter Ward - H.P. Lovecraft (1941)

‘Oh, Whistle and I'll Come to You, My Lad' is niet alleen de titel van dat verhaal, maar ook de openingsregel (akkoord, in Schotse spelling dan) van een gedicht uit 1793 van de Schotse dichter Robert Burns. De niet bepaald vriendelijke entiteit uit dit verhaal, is vermoedelijk gebaseerd op een wezen uit een eigen droom van M.R. James. De verschijningen in zijn verhalen zijn meestal niet echt stervelingvriendelijk te noemen, om het subtiel weer te geven.

‘The Treasure of Abbot Thomas’ volgt de heer Somerton met zijn knecht Brown. Beiden zijn in Duitsland op zoek naar een mogelijke schat, daarbij aanwijzingen volgend uit inscripties die de middeleeuwse abt Thomas her en der heeft achterlaten. Hun in Engeland achtergebleven vriend Gregory komt hen op schriftelijk verzoek na enige tijd te hulp. De ontcijfering van de inscripties, doet denken aan de manier waarop het geheimschrift in The Gold Bug - Edgar Allan Poe (1843) wordt ontrafeld; voor de rest ontlopen beide verhalen elkaar.

Gobal - Bandi (2014)

Alternatieve titel: De Aanklacht

poster
5,0
Sol1 (moderator)
Het is in dit soort situaties altijd vrij lastig de schrijver los te zien van wat zijzelf/hijzelf en zijn omgeving ondergaan; je bent al snel geneigd automatisch een ruim cijfer te geven door de loutere ervaringen van de auteur. Door de manier, waarop deze ervaringen hier zijn beschreven, wordt je er echter gelijk in meegezogen. Bandi ('Vuurvlieg') heeft zeer duidelijke schrijverscapaciteiten. In eerste instantie heeft zij/hij die binnen de door het Noord-Koreaanse regiem gestelde grenzen gebruikt. Toen haar/hem duidelijker werd hoe dat regiem in elkaar steekt, zijn door Bandi in het geheim verhalen opgesteld, waarin dat regiem steeds verder aan de kaak wordt gesteld. Het was daarbij voor Bandi gelijk al te overzien, dat die verhalen slechts buiten Noord-Korea konden worden gepubliceerd.

Deze bundel bestaat uit de volgende zeven verhalen, met daarbij de manuscript-datum:
- Verslag van een deserteur, 12 december 1989;
- Stad der Spoken, april 1993;
- Het Leven van een Strijdros, 29 december 1993;
- Zo Dichtbij, Maar Toch Zo Ver Weg, 7 februari 1993;
- Pandemonium, 30 december 1995;
- Op het Toneel, 29 januari 1995;
- De Rode Paddenstoel; 3 juli 1993.

De verhalen zijn vrij direct van karakter, soms zeer indringend en lijken op sommige momenten ook een autobiografisch karakter te dragen. Het is heel kort wennen aan de Noord-Koreaanse namen, maar de kracht van de verhalen houdt de aandacht al snel gevangen. Behalve de fouten van het regiem, valt de veerkracht van de bevolking op; voor zover de verhalen van Bandi tenminste representatief zijn voor de Noord-Koreaanse bevolking als geheel.

De stem van Bandi zou uniek moeten zijn, omdat er sprake is van een auteur die nog steeds leeft onder het regiem (er zijn diverse Noord-Koreaanse auteurs bekend, die hun land ontvlucht zijn).

De originele manuscripten van het werk van Bandi, zijn uit Noord-Korea gesmokkeld. De Nederlandse vertaling van het werk (Ambo Anthos 2017), geeft in appendices gedetailleerd aan hoe dat in zijn werk is gegaan. De oorspronkelijke manuscripten bestaan uit zevenhonderdvijftig vellen met elk (circa) tweehonderd lettertekens.
Die Nederlandse vertaling heeft door Linda Broeder overigens uit het Engels plaatsgevonden, dus niet rechtstreeks uit het Koreaans.

In de Nederlandse editie, zijn daar twee gedichten van Bandi aan toegevoegd: eentje als voorwoord, eentje als dankwoord achteraf. Die twee gedichten zaten bij de gesmokkelde stapel manuscripten.
In het eerste gedicht schrijft Bandi over zichzelf: "... ...Gedoemd om slechts te stralen in een wereld van duisternis, ... ...", wat een verklaring vormt voor haar/zijn pseudoniem.
In het tweede gedicht, schrijft Bandi onder andere:
"Ook al zijn ze zo droog als de woestijn
En zo ruig als het grasland
Zo armoedig als een invalide
En zo primitief als stenen werktuigen
Lezer!
Ik smeek u mijn woorden te lezen."

Hoewel dat door bepaalde details niet altijd even aangenaam is, is de oproep van Bandi in meerdere opzichten terecht. Geen genoeglijk leeswerk dit boek, maar wel zeer interessant.

Gods Wegen: Een Wandeling - Marijke Schermer (2021)

Alternatieve titel: Terloops #7

poster
2,5
Sol1 (moderator)
Een goed geschreven boekje, dat echter wat veel ideeën kwijt wil binnen een beperkt aantal pagina’s. Aan het einde van het boekje geeft Marijke Schermer zelf al aan dat ze een paar personen uit haar verhaal heeft ‘aangelengd’: het zijn composities van meerdere personen, die ze heeft ontmoet en als combinatie van een andere naam voorzien. Van de pelgrims Linda en Belinda doet met name de laatste wel wat karikaturaal aan; je zou daarbij verwachten dat er wat meer variatie zit in de personages die Marijke Schermer tijdens haar wandelingen en in kloosters (waar ik zelf in het verleden ook geweest ben) aantreft. In een gesprek met haar moeder blijkt dat die laatste niet geschikt is als ‘personage’ in een boek: bij haar moeder vindt geen ‘aanlenging’ van het karakter plaats. Of die moeder dat als iets positiefs moet zien, is een tweede en onderdeel van het gesprek tussen hen. Over hun gezin komt in de loop van het boekje ook het één en ander naar voren.

Vooralsnog: 2,5-3*

Marijke Schermer merkt op dat de wandelingen, van elk meer dan twintig kilometer, die zij maakte te lang zijn om daar de lezer in praktisch opzicht ook nog doorheen te gidsen. Haar etappes zijn onderdeel van een groter geheel van in totaal 330 kilometer lang onder de naam ‘Ons Kloosterpad’.

Zij verwijst de geïnteresseerde lezer daarom naar de volgende website:
Ons Kloosterpad - Kloosterleven - brabantskloosterleven.nl
De meeste Brabantse kloosters waarin broeders en zusters aanwezig zijn, liggen in het oosten van de provincie. Speciaal voor het Kloosterjaar is een 330 kilometer lang wandelpad samengesteld. Het pad wordt op 30 april 2021 geopend en is vanaf 1 mei is te bewandelen.
Ons Kloosterpad is een wandelpad van 330 kilometer langs een vijftigtal (voormalige) kloosters en abdijen in midden en oost Brabant. Ons Kloosterpad is opgedeeld in 15 etappes, variërend van 16,5 tot 28 kilometer. De tocht kan worden gelopen in vijftien etappes, van klooster naar klooster.

Gorja Bojat'sja - Stsjast'ja Nje Vidat - Samoeïl Marsjak (1957)

Alternatieve titel: Горя Бояться - Счастья Не Видать

poster
3,5
Sol1 (moderator)
Samuil Marshak staat bekend als de grondlegger van de jeugdliteratuur in de Sovjet-Unie (en had daarnaast een hele reeks andere kwaliteiten op literair gebied, maar dat even terzijde).
Ondanks zijn kwaliteiten, is hij pas laat in het Westen bekend geworden en dan nog in beperkte mate. Werk van hem is in het Westen met name in Engels en Frans verkrijgbaar, zij het soms met enig zoekwerk.


'Goria Boiatsia - Schastia Ne Vidat' is de weergave in boekvorm van een eigen toneelstuk van Marshak. Daarnaast is hetzelfde toneelstuk in het Russisch verfilmd.
De Russische titel komt er ongeveer op neer dat, wie bang is van ellende, het geluk niet zal zien.
De Fransen hebben gekozen voor de rijmende titel 'Qui Craint la Misère, Jamais Ne Prospère'; dat geeft opnieuw een indicatie van wat te verwachten hier.
Een typisch sprookje, gericht tot de kinderen op de voorgrond, met een beruchte en welgemeende knipoog naar de volwassenen op de achtergrond. Dat laatste wordt gegarandeerd doordat Marshak ook zijn sporen heeft verdiend als filosoof en satiricus en daarmee onder meer dit soort sprookjesverhalen extra kan kruiden.