menu

Hier kun je zien welke berichten Ted Kerkjes als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Zapiski Soemassjedsjego - Nikolaj Gogol (1835)

Alternatieve titel: Dagboek van een Gek

3,5
Ted Kerkjes (moderator)
Propritsjin vanuit de Mad Studies binnen de Russische Rangorde bezien

Het (als ik dit schrijf) nieuwste nummer van het literair-wetenschappelijke tijdschrift Vooys had als thema ‘Waanzin’. In dit nummer stond een artikel van cultuurwetenschapper Charlotte van der Veen waarin ze pleit voor een “relationele conceptualisering van pijn en waanzin”. Aan de hand van de performance ‘Mental’ van activist en performancekunstenaar James Leadbitter laat Van der Veen zien hoe waanzinnigheid en pijn voorbij de individuele ervaring kunnen worden bezien.
Mijn streven met het conceptualiseren van pijn buiten het medisch model is om de materialiteit van pijn serieus te nemen (...), zonder pijn uitsluitend als een negatieve ervaring te definiëren. Wanneer pijn wordt neergezet als louter negatieve ervaring volgt een gedwongen streven naar genezing, waarin die genezing de verantwoordelijkheid van het individu is.
Hierbij beweegt Van der Veen zich binnen het (relatief jonge) onderzoeksveld Mad Studies. Binnen Mad Studies wordt waanzin geherinterpreteerd als het resultaat van structurele ongelijkheid en worden negatieve emoties gedepathologiseerd, waardoor een groot aantal ervaringen niet langer uitsluitend wordt gelezen in het medisch discours van symptomen en diagnoses. Aan dit artikel deed deze novelle van Gogol mij erg denken.

De protagonist Propritsjin is werkzaam als ambtenaar. Vanaf de eerste bladzijde is het al duidelijk hoe onzeker hij is en hoe zeer hij bezig is met rangen en standen.
Al een tijd lang zegt hij [=de afdelingschef] tegen me: ‘Wat heb jij toch voor warboel in je hoofd, beste man? Soms ga je te keer als een bezetene en lever je zulk verward werk af, dat zelfs de duivel er niet uit wijs zou kunnen worden, titels schrijf je met kleine letter en je zet de datum noch nummer erboven.’ De vervloekte reiger! Hij is natuurlijk jaloers dat ik in de kamer van de directeur zit en voor Zijne Excellentie de pennen slijp.
Naast een knap staaltje foreshadowing met betrekking tot de verwarring et cetera laat dit fragment ook zien hoezeer Propritsjin bezig is met zijn positie in de hiërarchie.

En dat is niet zo vreemd als je bedenkt dat dit boek in 1835 verscheen, toen in het keizerlijke Rusland nog sprake was van de zogenaamde “Rangentabel”, een hiërarchisch systeem dat Peter de Grote in 1722 invoerde. De rangorde bestond uit veertien niveaus en moest de verschillende functies binnen het leger, de rechtbank en de overheid rangschikken. In theorie begonnen alle edelen onderaan bij niveau veertien, en konden ze stijgen naarmate ze belangrijkere functies bekleedden voor de tsaar. Elke promotie vereiste uiteraard de benodigde kwalificatie en bij promotie binnen de vijf hoogste rangen moest de tsaar himself zelfs goedkeuring verlenen. Pas onder het Bolsjewistisch beleid in de Russische Revolutie van 1917 werd de Rangentabel formeel afgeschaft. Propritsjin is zogenaamd titulairraad, en daarmee zit hij op de negende rang van de tabel.

Propritsjin is verliefd op Sophie, de dochter van de directeur. Vanaf het moment dat Propritsjin verliefd is, sijpelt er steeds meer gekte zijn verhalen binnen. Zodra hij ontdekt dat het hondje van Sophie, Madgie genaamd, een briefwisseling houdt met een ander hondje, is Propritsjin vastbesloten om die brieven te onderscheppen, in de hoop dat Madgie af en toe ook over haar baasje Sophie schrijft, om zo meer over haar te weten te komen. Als Propritsjin inderdaad erin slaagt om wat brieven te bemachtigen (die tot zijn grote verbazing best onderhoudend zijn. “De brief is heel goed geschreven. Punten en komma’s, alles op de juiste plaats. Ja, zo schrijft onze afdelingschef niet, al zegt hij ook dat hij ergens aan een universiteit gestudeerd heeft.), ontdekt hij dat Sophie reeds verloofd is met een kamerjonker, een adelijke jongeman. Dit tot grote vreugde van haar vader, trouwens, die haar graag ziet trouwen met “òf een generaal, òf een kamerjonker, òf met een kolonel…
Wel verduiveld! (...) Altijd maar een kamerjonker of een generaal. Het beste wat deze wereld te bieden heeft komt altijd weer terecht bij de kamerjonkers of de generaals. Heb je een klein stukje geluk gevonden, denk je, dat je er met de hand bij kan… niks, hoor! een kamerjonker of generaal grist het voor je neus weg. De duivel hale ze! Ik zou zelf wel generaal willen worden: niet om haar hand te kunnen krijgen enzovoort, nee, ik zou alleen maar generaal willen zijn om te zien hoe ze om me heen zullen draaien met al hun fratsen en al dat hoofse gedoe, en om hen daarna te zeggen: ik spuug op jullie, op jullie allebei. Naar de duivel ermee!
Met deze tegenslag wordt Propritsjin weer eens op pijnlijke wijze geconfronteerd met het rigide hiërarchische systeem waarbinnen hij leeft.
En wat dan nog dat hij kamerjonker is. (...) Ik heb al meer dan eens willen onderzoeken waar al die verschillen toch op berusten. Hoe komt het dat ik titulairraad ben en waarom ben ik titulairraad? Misschien ben ik wel een of andere graaf of generaal en lijkt het alleen maar zo, of ik titulairraad ben?

Op een dag leest Propritsjin in de krant dat er onrust is in Spanje. Hiermee verwijst het boek naar een destijds actuele gebeurtenis, want in 1834 brak na de dood van Don Carlos de eerste Carlistenoorlog uit: de troon stond leeg, en de standen bevonden zich in een moeilijke positie vanwege de verkiezingen van een troonopvolger. Propritsjin bedenkt als hij dit leest dat de nieuwe koning uiteraard wel bestaat, maar dat die misschien nog niet gevonden is, misschien weet die koning het zelf nog niet eens. Een aantal dagen lang blijft hij hierover door piekeren, tot hij in zijn dagboek schrijft, op een dag die hij markeert als “Het jaar 2000, de 43 april”, dat hij tot de ontdekking is gekomen dat hij zelf de koning van Spanje moet zijn.

Hoewel ik mij absoluut niet wil presenteren als iemand die enig verstand heeft Mad Studies, want dat ben ik niet (ik weet alleen wat ik erover heb gelezen in eerdergenoemd artikel), heb ik wel de indruk dat deze novelle van Gogol wel een interessant werk kan zijn vanuit die hoek gezien. Gogol depathologiseert namelijk zelf al de protagonist door hem heel duidelijk te plaatsen binnen het “sociaal-maatschappelijk discours”, waardoor diens pijn en waanzin per definitie niet meer gereduceerd wordt tot een individuele ervaring. Het is natuurlijk wel een individu, maar expliciet een individu binnen een groter, sociaal-politiek-maatschappelijk geheel, in plaats van “gewoon een gek”. Gogol heeft zijn protagonist zelf al heel sterk gepolitiseerd. Interessant, vond ik wel.
Ik ben wel benieuwd of je vanuit de Mad Studies ook nog iets interessants zou kunnen zeggen over bijvoorbeeld Alice's adventures in Wonderland.

Eigenlijk ongelooflijk dat het alweer zo oud is. Het leest ontzettend vlot en Propritsjin is wel een leuk personage, treurig en geestig tegelijkertijd. Ik las het boek overigens in de vertaling van Dunya Breur (in een bundeltje samen met De neus en De mantel, beide vertaald Marko Fondse). Bij dit verhaal zaten ook (tamelijk ouderwetse) tekeningen, die verder niet toegelicht worden. (Misschien heb ik dezelfde uitgave als jij, thomzi50?) Bij één van de tekeningen staat er heel klein ‘1958’ en daaronder een handtekening, die ik helaas niet kan ontcijferen (en "waar zelfs de duivel niet uit wijs zou kunnen worden"), dus ik heb verder helaas ook niets kunnen vinden over de illustrator of zo.

Verder wel leuk dat ik nu ein-de-lijk kan zeggen dat ik een Rus gelezen heb. Ik weet dat het onzin is, maar toch heb ik ergens het gevoel dat ik als lezer naar een hogere rang gepromoveerd ben

Ze Gaan er met Je Neus Vandoor - Ted van Lieshout (2018)

4,5
Ted Kerkjes (moderator)
Het toppunt van autonome poëzie

Toen ik enkele weken geleden weer een poging deed mijn kamer op te ruimen (een meerjarenproject), stuitte ik op oude schriften van de middelbare school. Verbaasd bladerde ik ze door: ik wist niet dat ik ze nog had en ik vroeg me af of ik ze echt bewust had bewaard uit sentiment of gewoon nog niet had weggegooid uit nalatigheid. In ieder geval kwam de vondst mijn opruimwoede niet ten goede, want de rest van de middag heb ik alle schriftjes door zitten bladeren.
Ik kwam tot de ontdekking dat ik zelfs in de onderbouw al de gewoonte had om mijn huiswerk vol te kladderen met tekeningetjes, die vaak commentaar leverden op mijn werkhouding, mijn slordige handschrift en mijn gebrek aan wiskundig talent. Met name in mijn scheikundeschrift had ik veel poppetjes getekend. Op één bladzijde staat een verontwaardigd poppetje dat boos zegt: “Serieus? Wéér een tekening? Zou je niet eens aan het werk gaan?!”
Ook in de huiswerkopdrachten was er plaats voor dit soort ongein. Dan schreef ik thuis bij het huiswerk maken: ‘opdracht 12 b. Sorry, ik zou het antwoord werkelijk niet weten’. Op school kregen we “het uitwerkingenschrift” om ons huiswerk zelf na te kijken, en dan schreef ik in het rood erbij: ‘“ik zou het werkelijk niet weten”, tsssk, zo kan ik ook mijn huiswerk maken.’, waaronder ik dan weer met mijn balpen schreef: ‘Ja sorry, ik doe ook maar m’n best.
Nog altijd krabbel ik regelmatig in de kantlijn, al zijn die tekeningen minder verontwaardigd. Het scheelt natuurlijk al een hoop dat ik mij tegenwoordig niet meer bezig hoef te houden met scheikunde.

Maar goed, ik moest aan die schoolschriftjes denken toen ik dit boek van Ted van Lieshout las. Ik noem het maar gewoon “boek”, want ik weet niet goed hoe ik het anders moet noemen: een dichtbundel? een novelle? een graphic novel? Ik weet het niet, het is alles bij elkaar - of juist iets compleet nieuws.

De dichter in het boek houdt het na één gedicht voor gezien. Het boek opent met een sombere liefdesallegorie over een sneeuwpop die smelt voor een konijn, waarop die zijn wortelneus afpakt. [NB: de citaten in dit stukje doen uiteraard geen recht aan de typografische weelde van het boek.]
Zo is de liefde. Je dénkt dat er
van je gehouden wordt, maar
ze gaan er met je neus vandoor.
Na deze treurige woorden is het één pagina stil - of moet ik zeggen ‘leeg’? Omdat er daarna nog een poos niets gebeurt, komt de taal van de dichter verbaasd vragen hoe het nu verder moet. De dichter blijkt liefdesverdriet te hebben en daardoor niet in staat om te werken. De taal protesteert en probeert van alles om aan de slag te kunnen.

Met name in zijn dichtbundels experimenteert Van Lieshout er vrolijk op los, en dit boek is misschien wel zijn radicaalste en origineelste tot nu toe. Alles wat Van Lieshout tot nu toe heeft laten zien culmineert in deze bundel tot een prachtig geheel: zijn meta-grappen, zijn aandacht voor grafische vormgeving, de manier waarop hij zowel de inhoud als de vorm van taal gebruikt, zijn gave om persoonlijke worstelingen op een unieke wijze te verwerken… Alles zit erin.

In eerdere bundels nam Van Lieshout ook al de grafische vormgeving voor zijn rekening, maar in deze bundel is de opmaak wel het opvallendst: de woorden dartelen alle kanten op, waardoor het lezen echt een avontuur, een belevenis is. Het ligt voor de hand om het typografische circus in dit boek met het werk van Paul van Ostaijen te vergelijken. Maar Van Lieshout lijkt ook op Van Ostaijen wat zijn poëticale opvatting betreft: Van Ostaijen raakte in de jaren twintig van de vorige eeuw steeds meer geïntrigeerd door de dichterlijke waarde van het woord. En dan echt 'het woord' als materiaal van de dichter, zoals de steen van de beeldhouwer. Van Ostaijen probeerde gebruik te maken van alle mogelijkheden van de taal: van de vorm, de klank, de betekenissen, alles. Hij wenste dat zijn gedichten zouden verschijnen als ‘vrije organismen zonder verband tot de schepper’. Dergelijke poëzie heet ‘autonome poëzie’: poëzie die ontstaat vanuit zichzelf, vanuit de taal zèlf, als een homp klei die zichzelf boetseert tot een beeld. De teksten in dit boek zou je het toppunt van autonome poëzie kunnen noemen, want de taal in dit boek schrijft letterlijk (haha pun intended) zichzelf, er komt geen dichter aan te pas.

Op een gegeven moment lijkt de taal deze poëticale opvatting van de dichter ook te verwoorden, als ze hem een brief schrijven:
Wij willen meteen
ook van deze gelegenheid gebruikmaken om je na-
mens ons allemaal eens te bedanken dat wij weer
in een boek van jou mogen staan. We hadden ook in
het boek van een andere schrijver kunnen staan, en
dat hadden we niet fijn gevonden, want bij jou mag
meer. Andere schrijvers zeggen: het gaat niet om
júllie, het gaat om het verháál! Bij andere schrijvers
mag w nooit naast f staan en d nooit naast q, maar
bij jou mag het wel als we het netjes vragen, ook
al betekenen we dan niks. Wij willen helemaal niet
altijd wat betekenen! Wij willen onszelf zijn. Bij jou
mag dat (niet altijd, maar best wel vaak) en daar-
om willen wij jou bedanken met een gedicht dat we
met zijn allen voor jou hebben gemaakt
Zo lijkt Van Lieshout in dit boek via de taal impliciet iets over zijn eigen poëticale opvattingen prijs te geven. Sowieso lijkt Van Lieshout in dit boek op een geweldige manier met zijn eigen persoonlijkheid te spelen: achter zijn rug om roddelen de woorden een hoop over de dichter (hij is een aansteller, een ijdeltuit). Als je het boek leest als een introspectief boek waarin Ted van Lieshout in dialoog met zichzelf is (want die lagen bevat dit boek allemaal), kun je ook nog een werk lezen over een verdrietige dichter die worstelt met zijn werk, zijn (liefdes)leven en zelfs zijn seksualiteit.

Slechts enkele teksten in dit boek worden duidelijk gemarkeerd als "gedichten", en ook met die gedichten is er wat interessants aan de hand: alle gedichten maken gebruik van winterse symbolen (sneeuw, koude), en er is ook nog een link met de Eerste Wereldoorlog. Overigens houdt de Eerste Wereldoorlog ook nog verband met de strijd die de letters op een gegeven moment met elkaar voeren om te blijven bestaan. Zo is alles in dit boek op een geweldig interessante manier met elkaar verbonden. Er gebeurt ontzettend veel leuks.

Het werk van Ted van Lieshout doet mij een beetje denken aan het werk van de (wat mij betreft geniale en onovertroffen) cabaretier Micha Wertheim. Ook Wertheim weet ieder programma weer zichzelf compleet te vernieuwen en zijn voorstellingen gaan vaak ook (deels of zijdelings) over het experiment en de vorm waarin de inhoud gepresenteerd wordt. Hetzelfde geldt voor Ted van Lieshout die iedere dichtbundel weer iets nieuws verzint. Overigens was het ook Micha Wertheim die in een interview ooit zei dat hij in het cabaret ook meer de ruimte voelde om het experiment aan te gaan, omdat “dat toch een kunstvorm is die niet helemaal serieus genomen wordt”. Die “lichte minachting” geeft Wertheim de vrijheid om zijn eigen eigenzinnige gang te gaan. Hetzelfde geldt misschien voor Ted van Lieshout, die als schrijver van zogenaamde jeugdliteratuur ook actief is in een kunstuiting die over het algemeen toch minder serieus wordt genomen.

Ik hoop in ieder geval dat Van Lieshout nog heel lang blijft experimenteren! Wat is het toch fijn om liefhebber te zijn van een levende artiest en als fanboy in spanning te wachten op nieuw werk en nieuw onontgonnen terrein!

Zo. En nu verder met mijn kamer.

Zuster Mieke. Doktersroman in Veertig Verzen - Frank van Pamelen e.a. (2005)

3,5
Ted Kerkjes (moderator)
Een hilarische parodie op doktersromannetjes. Vier grootheden van het vormvaste, humoristische vers schreven elk tien verzen. Het wekt de indruk van een soort estafette: elke dichter eindigt zijn vers met twee regels gepaarde rijm, waarmee de volgende dichter zijn vers gekruist moet beginnen. (Voor de duidelijkheid: de verzen zijn allemaal op deze wijze opgebouwd: a/b/a/b c/d/c/d e/f/e/f g/g. Het volgende gedicht begint dan zij: G/h/G/h i/j/i/j et cetera.)
Het boekje is enigszins melig, maar het bevat zo nu en dan zeer inventieve taalacrobatiek, die de liefhebber zeker zal waarderen. Het is leesbaar met veel plezier geschreven.