menu

Hier kun je zien welke berichten Ted Kerkjes als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Vanwege een Tere Huid - Anton Koolhaas (1973)

3,0
Ted Kerkjes (moderator)
een schrijver van de onbeholpen soort

Sommige schrijvers zijn niet de meest bekwame schrijvers. 'Onbeholpen' is het goede woord: hun stijl komt wat 'onbeholpen' over. Dat levert dan boeken op waar stilistisch best wel wat op aan te merken valt. Bij dichters komt dit ook voor. Hans Dorrestijn is bijvoorbeeld een dichter die nogal eens metrumfouten maakt of halfrijmen gebruikt. Toch vind ik Dorrestijn fantastische teksten schrijven. Zijn onvolmaaktheden horen bij zijn geluid. Ook bij schrijvers hoeft het niet noodzakelijkerwijs slechte boeken op te leveren. Neem Theo Thijssen: ik zal de laatste zijn om te beweren dat Thijssen een fantastische schrijver is. Zijn boeken bevatten zeker stoplappen, ze beginnen steevast traag en ongemakkelijk, et cetera. Toch heeft Thijssen boeken geschreven die ik erg kan waarderen.
Ook Anton Koolhaas is een schrijver van het onbeholpen soort. Helaas stoorde die onbeholpenheid mij zodanig dat ik het boek niet erg kan waarderen.
Koolhaas kiest voor de hand liggende metaforen, veel beeldspraken komen totaal niet over (en dat terwijl hij soms erg lang de vergelijking zit uit te leggen), andere passages zijn zo hoogdravend dat het haast humoristisch wordt en soms schrijft Koolhaas (per ongeluk) opeens in een andere tijd. Dan is er bijvoorbeeld ineens een alinea in tegenwoordige tijd, terwijl de rest in de verleden tijd staat.
Het boek gaat over een jeugdliefde. Koolhaas probeert de gevoelens zó analytisch te beschrijven en zó te psychologiseren dat het boek er ongeloofwaardig van wordt. Het gevoelsleven van de kinderen wordt kapot geanalyseerd en het hele boek gaat er een beetje aan kapot. Alles klinkt te bedacht en Koolhaas slaagt er niet in het zo op te schrijven dat het natuurlijk of vanzelfsprekend wordt en de lezer gelooft wat hij leest.

Veertien Uilen - Annie M.G. Schmidt (1952)

1,0
Ted Kerkjes (moderator)
De kinderpoëzie van Annie M.G. Schmidt #3
Deadlines en onnodige poëzie

Bij mijn stukje over Het fluitketeltje had ik het al even over deadlines:
Ted Kerkjes schreef:
Ik denk dat de gebrekkigheid van veel gedichtjes terug te voeren is op het feit dat Schmidt uiteindelijk ook gewoon een schrijfster was die in opdracht schreef: elk gedicht was gewoon een deadline die ze moest halen, en de ene keer zal ze meer inspiratie hebben gehad dan de andere keer.
Het lijkt misschien of ik problemen heb met schrijven in opdracht of zo, maar dat is niet zo. Eigenlijk vind ik het ergens zelfs een sympathiek idee. Het druist natuurlijk wel in tegen het (romantische) beeld van de kunstenaar die de “aller-individueelste expressie van de aller-individueelste emotie” nastreeft, maar ik heb eerlijk gezegd heel weinig op met dat idee van kunstenaarschap. Ik vind dat die opvatting op een irritante manier de kunstenaar centraal zet in plaats van het werk zelf. Ik bedoel, je kunt heel autonoom en individueel jouw gevoelens verwoorden, maar dat is zeker geen garantie voor een "goed" eindresultaat. Bij het werken in opdracht staat daarentegen juist het werk zelf centraal, en dat bevalt me veel meer. Ik snap overigens ook wel waarom het voor veel mensen een vieze bijsmaak heeft: bij werken in opdracht verwordt kunst immers tot een product. Maar daar vind ik an sich niet zoveel mis mee. Dat romantische ideaal (of beter gezegd: dat Tachtigers-ideaal) van de kunstenaar die naar de “aller-individueelste expressie van de aller-individueelste emotie” streeft vind ik erg naïef en suf. Volledige autonomie bestaat niet: niet in de kunst en zeker niet daarbuiten. (Micha Wertheim heeft daar ook een ge-wel-dig stukje over in, volgens mij, Micha Wertheim voor zichzelf.)

Dit stukje is nu al heel langdradig, dus laat ik nu maar snel naar de Veertien uilen toewerken.

Annie M.G. Schmidt schreef haar kinderpoëzie in opdracht van Het parool: ieder gedichtje was dus een deadline. Zoals ik hierboven al heel omslachtig schreef, vind ik dat niet erg, maar veel gedichtjes in deze bundel maakten op mij een erg afgeraffelde indruk. Of het werken in opdracht daar de oorzaak van is, weet ik natuurlijk niet, maar die indruk kreeg ik wel. Dit vermoeden wordt ook wel enigszins bevestigd in de autobiografische bundel Wat ik nog weet. In dat boek is een column opgenomen die de totstandkoming van ‘Luilekkerlandexpres’, één van de versjes in Veertien uilen beschrijft. In september 1951 werd Annie Schmidt door haar moeder opgebeld: haar vader lag op sterven. Hij was buiten bewustzijn en lag in bed te reutelen.
‘Ik blijf wel bij ‘m,’ zei ik. ‘Ga een beetje slapen, je bent doodop.’
(…)
Ik haalde m’n blocnote en pen uit m’n tas.
Morgen moet ik m’n versje voor Het Parool inleveren, dacht ik. Dat moet ik dus hoe dan ook vannacht schrijven. En ik begon aan het versje over kinderen die eigenlijk door de rijstebrijberg moeten heen eten, maar dat niet hoeven omdat ze in een bus zitten die er dwars doorheen rijdt.
(…)
Toen, al schrijvend aan dat versje, voelde ik geen verdriet of spijt of schuldgevoel, alleen maar een dwangmatige werking van m’n hersens als ze rijmwoorden moeten zoeken.
Toen het versje af was hield het reutelen op.
Schmidt schrijft dat ze altijd een moeilijke relatie met het versje heeft gehad, er lag een “taboe” op. Of dat met schuldgevoel te maken had of met de kwaliteit, staat in de column nergens expliciet toegelicht, maar het lijkt erop dat het een combinatie van beiden is.
Het versje wou ik nooit meer lezen. Tot nu. Niet zo best, maar ach… gezien de omstandigheden.


Zoals ik bij Het fluitketeltje ook al schreef, zijn Schmidts muzikale, korte gedichtjes vele malen geslaagder dan haar langere, verhalendere gedichten. Helaas vallen veruit de meeste gedichten in Veertien uilen in de tweede categorie: bijna alle versjes zijn ellenlange, ietwat krakkemikkige verhaaltjes. Soms zijn die gedichten nog wel gebaseerd op een aardig idee, maar dan weet Schmidt het wat mij betreft gewoon niet zo grappig op te schrijven. Een voorbeeld hiervan is 'De baard van koning Dagobert': dit gedicht gaat over een koningin die reuzetrots is op de baard van haar man, die volgens haar de langste is. Maar dan ontvangt ze op een dag een brief van een koningin van een naburig land die stelt dat haar man toch echt een langere baard heeft. Dit resulteert in een soort dick-measuring contest, wat ik wel geestig vond. Helaas is het gedicht zelf niet zo geestig, want Annie Schmidt lijkt zich soms gewoon geen raad te weten met het rijm en metrum, waardoor het geen light verse wordt, maar gewoon rijmend proza. (Het gedicht duurt ook meer dan vijftig lange versregels.) Eigenlijk kan ik mij wat de lange verhalende gedichten betreft wel vinden in de befaamde kritiek van Adriaan Morriën. Hij schreef:
Bekijkt men haar werk met het roofdierenoog van de gedresseerde kritikus, dan vindt men weinig dat stand houdt. Annie M.G. Schmidt heeft voor haar ontboezemingen niet een overrompelende originele vorm gevonden, zoals Kees Stip die bijvoorbeeld wel gevonden heeft. Haar teksten zouden evengoed in proza geschreven kunnen zijn.
Wat de lange gedichten van Schmidt betreft, heeft Morriën hier wel een punt, vind ik.

Maar gelukkig zijn er ook wel gedichten te vinden die ik wel geslaagd vind. Het hoogtepunt van de bundel is voor mij 'Een hoed met gele pluimen', toevallig (?) wederom een gedichtje dat op muziek is gezet. Het gaat over "juffrouw Diewertje D. Duimen" die altijd haar hoed met gele pluimen draagt, tot deze echter op een stormachtige dag van haar hoofd gewaaid wordt. Met haar hoed lijkt ze ook haar identiteit verloren te zijn: ze weet niet meer wie ze is en zelfs haar omgeving wijst haar af:
nee, juffrouw, het spijt ons zeer
maar wij kennen u niet meer.
Het gedichtje is ook goed te lezen als een satire op uiterlijk vertoon en burgerlijkheid: tussen de regels lees je dat juffrouw Diewertje D. van Duimen een deftige juffrouw is die met haar hoofddeksel een zekere sociale status heeft. Het grappigste vind ik overigens het stukje dat ik hierboven citeerde, de reactie van haar omgeving: "wij kennen u niet meer". Die reactie impliceert dat ze haar wel degelijk ooit hebben gekend, en daarmee vallen ze dus door te mand. Bovendien zeggen ze niet "herkennen", maar "kennen". Ze willen haar dus niet meer kennen, Diewertje D. van Duimen heeft met haar hoed haar sociale status verloren. Dat gedichtje vind ik bijzonder grappig en scherp. En nodige poëzie.

Voor de liefhebbers is hier is een uitvoering van dit liedje te vinden, door niemand minder dan de Leidse Sleuteltjes: Een hoed met gele pluimen (1963). (Kenners zullen weten dat de Leidse Sleutels er nooit voor terugdeinsden om hun publiek te confronteren met subversieve nummers vol messcherpe maatschappijkritische themathiek.)

Ver van de Stad - Willem Wilmink (1977)

2,5
Ted Kerkjes (moderator)
Als dichter is Willem Wilmink mij zeer dierbaar. Zijn poëzie blinkt vooral uit in haar (bedrieglijke) eenvoud: Wilmink wist als geen ander met een slimme beeldspraak iets groots te reduceren tot iets kleins of met weinig woorden veel te zeggen. Deze gave maakte hem bij uitstek een weergaloze liedtekstdichter. Voor Wilmink was het onderscheid tussen gedichten en liedteksten fictief: in de Middeleeuwen werd alle poëzie ook gezongen en bestond het verschil er immers ook niet! Daarom vind ik het nog altijd vreemd dat het verzameld werk van zijn poëzie "Verzamelde liedjes en gedichten" heet. Voor de auteur bestond dat verschil immers niet. Maar dit geheel terzijde.
Als schrijver van proza is Wilmink minder bekend, wat wel vreemd is, als je ziet hoeveel hij geschreven heeft. Als lid van het Schrijverscollectief was hij ontzettend productief en hij was bovendien nooit te beroerd om op televisie of in boeken zijn opvattingen over het schrijven te ventileren: de man had namelijk veel verhaaltechnische vuistregels. Zo meende hij dat de hoofdpersoon altijd iets ouder moet zijn dan de doelgroep. "Daar houden kinderen van!" Hij publiceerde ook veel essays over het schrijven en een zogenaamde schriftelijke cursus dichten, waarvan het eerste deel bekroond werd met een Gouden Griffel voor het beste kinderboek. Deze bekroning vond de schrijver opmerkelijk, omdat hij het niet zozeer voor kinderen geschreven had.
Die prestigeuse, opmerkelijke bekroning is ook meteen één van de weinige bekroningen die Wilmink voor zijn proza ontvangen heeft. Een ander boek dat in de prijzen viel was Het verkeerde pannetje, dat de Ninke van Hichtumprijs won. DIt boek is een verhalenbundel met autobiografische verhalen en tevens het eerste en enige stuk proza dat ik tot nu toe van Willem Wilmink las. Dat boek beviel me erg goed.
Ver van de stad is de eerste roman die ik van hem las en mag dus wel als mijn eerste kennismaking met Willem Wilmink als romancier worden beschouwd.
Mijn keuze viel op dit werk, omdat het in de eerste plaats naar verluidt het lievelingsboek van de auteur was, maar ook omdat dit boek in 1989 door André van Duren tot een fantastische televisiefilm is bewerkt: Het verhaal van Kees.
Helaas viel dit boek mij bitter tegen. Het is mij te uitleggerig geschreven, zodat de lezer niets zelf hoeft te bedenken of te ontdekken.
Neem het begin, waarin uitgelegd wordt dat Kees een tijdje op de boerderij gaat logeren. Dan komt er een zin als: "Kees vond het leuk, maar hij was toch een beetje ongerust." Wat een afschuwelijke dooddoener. Zo'n zin haalt meteen de hele spanning eruit, want dergelijke informatie moet je indirect overbrengen. Het is voor de lezer veel interessanter om te lezen dat Kees bijvoorbeeld ijsbeert of om de haverklap op de klok kijkt, zodat de lezer zelf de conclusie kan trekken wat Kees doormaakt en voelt. Een schrijver moet de gevoelens niet aan de lezer uitleggen, maar de beelden aan de lezer voorleggen. De schrijver dient de informatie te geven en de lezer interpreteert dit. De schrijver levert regels en de lezer leest ertussen door. Helaas wordt in boek te veel op een dienblaadje geserveerd, zodat er jammer genoeg weinig tussen de regels overblijft voor de lezer om te ontdekken. En dan zit er niets anders op dan alles passief op te nemen als een hersenloze spons.
Een hoofdstuk dat heel goed had kunnen zijn, maar toch verpest is door de schrijfstijl, is "Kiespijn". In dit hoofdstuk gaat Kees met kiespijn en Hannah naar de tandarts. Dieka, de zuster van de boerin Hannah, bij wie Kees logeert, is bang voor de tandarts en "laat nog liever een been afzetten". Kees is minder bang, maar dat hij toch wel een beetje bang is, schemert door in de regels: "Zo zat hij daar met Hannah in de bus. En toen in de tandartswachtkamer. Daar moesten ze elf uur wachten." Die laatste zin is uiterst humoristisch en herkenbaar. De lezer snapt natuurlijk wel dat de schrijver hier vertelt vanuit het kind dat bang is, en dat de schrijver de gevoelsmatige tijdsduur weergeeft: het voelt alleen maar als elf uur, omdat je zo bang bent. Maar de kwaliteit en de subtiliteit van die zin wordt teniet gedaan door de zinnen die daarop volgen: "Of eigenlijk waren het geen elf uren. Het waren elf minuten, die allemaal een uur leken." Dat is doodzonde.
Gelukkig valt het tandartsbezoek mee en opgelucht gaat Kees naar huis zonder kiespijn. "In de bus terug naar de boerderij had Kees een gevoel of hij jarig was. Hij keek naar buiten, naar de korenvelden, en de weilanden, en de bomen. Wat een prachtige tocht." De lezer begrijpt wel dat de terugreis in principe dezelfde weg is als de heenreis, maar dat Kees op de heenreis domweg te nerveus was om de schoonheden op te merken. Toch voegt Wilmink nog toe: "Dat had hij op de heenweg helemaal niet gemerkt."
Het verhaal is weinig interessant. Als stadsjongen gaat Kees naar het platteland "voor wat kleur op zijn wangen". De titel doet vermoeden dat er een soort cultuurshock plaatsvindt, maar hiervan is nauwelijks sprake. Kees wordt zeer liefdevol opgenomen en hij integreert prima in het boerenleven. Er is geen strijd tussen stad en platteland of zoiets. Ook de markante figuren op de boerderij, zoals gekke Gerrit weet geen spanning in het verhaal te brengen, zodat de lezer, die al niet aan het denken wordt gezet, zich door een gezapig boekje heen werkt.
Naar het einde toe wordt het hier en daar wat beter. Een bijzonder mooie passage was de thuiskomst: "En die avond om vier minuten over acht zag Kees zijn eigen kamer terug en hij legde zijn nieuwe vulpen neer waar hij hoorde." Kijk, dat zijn prachtzinnen waar veel in zit, en waar de nieuwsgierigheid en de interesse van de lezer door geprikkeld wordt! Wilmink legt hier niets uit, maar doet echt een beroep op het intellect van het publiek. Vreemd dat hij dit eerder in het boek niet durfde. Stonden er maar meer van dergelijke zinnen in het boek!
De eerdergenoemde verfilming uit 1989 van André van Duren combineert het verhaal uit dit boek met elementen uit Het verkeerde pannetje. In alle opzichten is de film veel geslaagder dan dit werk. In de film speelt de Tweede Wereldoorlog ook nog een grote rol, terwijl deze in dit boek nergens voorkomt. Erg vreemd, want volgens mij was deze in het echt de reden dat Wilmink naar het platteland ging. Dit boek is namelijk, zoals bijna alles wat Wilmink schreef, sterk autobiografisch. Als kind trok de auteur van de stad naar het platteland omdat de oorlog hem letterlijk doodziek maakte. De boerderij zou in Wilminks herinnering voortleven als een idyllische plek. Aan het eind van zijn leven maakte Wilmink dezelfde beweging: hij verhuisde van Amsterdam terug naar zijn geboorteplaats Enschede, om daar te sterven en de symbolische cirkel af te ronden.
Het lijkt wel een beetje of Wilmink het autobiografische karakter van dit boek heeft willen ontkennen door zijn hoofdpersoon niet de naam 'Willem' te geven, maar 'Kees'. Hierin lijkt hij dan wel op zijn idool Theo Thijssen die de autobiografische elementen in zijn werk ook altijd resoluut ontkent heeft. Dat de protagonist in Ver van de stad ook nog eens 'Kees' heet, hoogstwaarschijnlijk naar Kees Bakels, maakt de parallel nog opvallender. Toch zal de auteur de parallellen met zijn eigen leven niet echt hebben willen verdoezelen: de achternaam van Kees luidt namelijk gewoon 'Wilmink'.
Dat dit boek de persoonlijke favoriet van de schrijver was, kan ermee te maken hebben dat het voor de schrijver een idylle uit zijn jeugd in leven hield. Ik vond het geen denderend boek. Maar ik heb nog andere romans van Wilmink klaarliggen, dus hij krijgt nog wat kansen. Als zijn romans mij niet bevallen, pak ik maar weer de Verzamelde liedjes en gedichten, want als dichter blijft hij voor mij natuurlijk gewoon op zijn sokkel.

Verjaardag van de Eekhoorn, De - Toon Tellegen (1995)

4,5
Ted Kerkjes (moderator)
Ik heb medelijden met mensen die nog nooit een boek lazen dat over hen zelf ging. (Of zou ik misschien die mensen beter kunnen benijden, omdat zij die wonderlijke beleving mogelijk nog voor het eerst mee zullen maken?) In ieder geval blijft het iets magisch: een boek lezen en tot de ontdekking komen dat het gewoon over jou gaat. Het overkwam mij meerdere keren -Kees de jongen, De lachaanval, Zoveel als de wereld hou ik van jou- en bij dit boek gebeurde het weer. Nooit had ik verwacht mijzelf ooit zo goed in een eekhoorn te herkennen.

Ik merk dat ik moeilijk onder woorden kan brengen wat ik zo goed vind aan dit boek. Alles klopt, alle scènes zijn geslaagd: de mier die nog even langskomt, de nacht die door het bos sluipt... maar het allerontroerendst vind ik misschien wel de onzekerheid van de eekhoorn.
En natuurlijk het stille verdriet dat eigenlijk geen verdriet is maar meer iets anders wat na vreugde komt, dat tussen de regels door sijpelt. Ook in de schitterende tekeningen is dit te vinden: die kleine traantjes die te zien zijn.
Toon Tellegen en Geerten Ten Bosch hebben het schitterend in woorden en beeld gevat.

Bij het lezen moest ik denken aan dit fragment uit het boek Zoveel als de wereld hou ik van jou van Imme Dros en Harrie Geelen:
'Er is er een jarig, hoera, hoera.
Dat kun je wel zien dat is zij....'
Het liedje dat Muis goed kent.
Van toen hij er ook altijd bij was.
Hij zat dan op de versierde stoel.
Hij mocht bij de poppenkast zijn.
Bij de spelletjes en bij het eten.
En 's avonds bleef Luzily praten.
'Zag je Jan Klaasen en Katrijn?
Schrok je van de Dood van Pierlala?
Vond je het ook zo'n fijne dag?'
Op het laatst werd ze verdrietig.
Dan moest ze verschrikkelijk huilen.
Omdat ze niet meer jarig was.
Omdat het allemaal voorbij was.
Zo hoorde een verjaardag te zijn.

(Zoveel als de wereld hou ik van jou [2012], Imme Dros & Harrie Geelen, Querido)

Verliefd Verlangen - Nannie Kuiper (1993)

2,0
Ted Kerkjes (moderator)
Het gaat natuurlijk niet om het uiterlijk, maar de titel en de omslagafbeelding van deze bundel maken dat ik er niet zo snel mee in de trein zou zitten of zo.
'Verliefd verlangen' vind ik ook niet zo'n mooie of goede titel. In het Nederlands krijg ik meteen smartlap-associaties bij een woord als 'verlangen'. Het doet mij gelijk denken aan smartlapparodieën, zoals Een lied van verlangen van Wim T. Schippers en Verlangen brandt van Marijke Boon.
In andere talen kan je wel gerust met een woord als 'verlangen' wegkomen. Bob Dylan maakte bijvoorbeeld in de jaren zeventig het plaatje 'Desire' en geen moment heb ik daar ooit smartlap-associaties bij gehad, maar ik zou niet zo snel een Nederlandstalig album beluisteren dat 'Verlangen' heet. Het Nederlands heeft toch een onverklaarbaar andere gevoelswaarde, blijkbaar.

De gedichten in deze bundel zijn allemaal liefdesgedichten. Ik kan mij wel voorstellen dat jonge mensen (basisschool- of brugklasleeftijd) misschien best deze gedichten zouden kunnen waarderen, vanwege eventuele herkenbaarheid. Helaas was er voor mij, buiten de herkenbaarheid hier en daar, niet echt iets te genieten. De gedichten zijn uitermate simplistisch en saai, zowel wat de vorm betreft als de inhoud.

In ieder gedicht staat het gevoelsleven en het bewustzijn van de ik-persoon centraal. Omdat de bundel over verliefdheid gaat, zou je misschien verwachten dat Die Ander ook wel in het bewustzijn van de ik zou rondspoken, maar dat is eigenlijk nauwelijks het geval. Het draait allemaal om de ik, en dan vooral hoe zielig die ik is. Nu is dat op zich natuurlijk helemaal geen probleem - wat gaat er immers boven het zwelgen in zelfmedelijden? - maar de manier waarop deze gevoelens beschreven worden, is gewoon te saai. De gevoelens van verliefdheid en zelfmedelijden leveren helaas geen geen al te boeiende poëzie op, omdat het allemaal te zwart-wit en te basaal is. Liefde is een uitermate boeiend onderwerp waar eeuwig over te schrijven valt, maar als je in een gedicht "verliefdheid" schrijft als je ook "verliefdheid" wil zeggen, levert dat waarschijnlijk niet al te boeiende poëzie op. Nergens ontstijgt Kuiper echt het niveau van het benoemen van iets alledaags. Het is rechttoe rechtaan, en meer niet. Omdat er al zoveel over de liefde geschreven is, voelt de liefdespoëzie in deze bundel aan als één grote open deur. De paar gedichten die niet per se over de liefde gaan, maar handelen over de "gewone" sociale omgang (dus bijvoorbeeld over het contact met de ouders en de klasgenoten) zijn al een pak interessanter. Ook dit zijn geen grootste gedichten, maar het is in ieder geval wat beter dan de rest.

Nannie Kuiper komt in deze bundel op mij ook niet over als een al te taalvaardig dichter. Haar grootste troef is het natuurlijke ritme dat ze in haar taal weet te stoppen: de gedichten hebben over het algemeen een fijn metrum. Maar dit helpt Kuiper compleet om zeep door het knullige rijm aan het einde van ieder vers. Jan van Ciollie omschreef dit als volgt:
Formeel valt vooral het bijzondere gebruik van het rijm op. In alle gedichten rijmt de slotregel op een van de voorgaande regels waardoor de kern van het gedicht, die erin verborgen zit, even oplicht. Rijm als een soort hefboom of lichtflits, wat echter niet altijd even doeltreffend werkt. Op de duur lijkt het soms een trucje en werkt het niet echt verhelderend. (Jan van Coillie in De Poëziekrant)
En dan is Jan ook nog veel positiever dan ik. De rijm in deze bundel is gewoon zwaar irritant en het lijkt bij vlagen zelfs een onbedoelde parodie op poëzie. Soms rijmen de woorden ook niet eens goed: dan gebruikt Kuiper zogenaamde schrikkelrijmwoorden. Midden in een gedicht hoeven rijmcombinaties als 'plaveien / zwerfkeien' en 'kruis of munt / mikpunt' niet te storen, maar als afsluiting van het gedicht is het hoogst onbevredigend.
Ook weet Kuiper voor mijn gevoel ook niet altijd de goede stem te vinden. Zo laat ze de ik-figuur, een puber, spreken over het "vergaren van kennis" als het over school gaat (alsof een scholier dat ooit zegt) en als het over ruzie met ouders gaat, spreekt het lyrisch-ik over "luid protest / en tegendraads gepraat". Dat vind ik ook geen geloofwaardige woorden uit de mond van een puber: een puber zal zichzelf toch niet 'tegendraads' noemen? 'Een rebel' misschien, maar 'tegendraads'? Als je zelf (denkt dat) gelijk hebt, zul je jezelf toch niet tegendraads noemen?

Tot slot vond ik de zwart-wit illustraties van Petra van Bloemendaal ook niet zo geslaagd. Misschien hadden die in kleur de bundel nog wat opgefleurd, maar op deze manier hadden ze er net zo goed niet kunnen zijn, want ze voegen qua beeld of inhoud ook niet zo veel toe. Overigens viel mij de kleding in de tekeningen op: als ik op basis van de kledingstijl van het meisje in de tekeningen zou moeten gokken uit welk decennium deze bundel komt, had ik waarschijnlijk de jaren tachtig gegokt. Dat haar, die grote sieraden en die beenwarmers... Beetje Cindy Lauper-esque. Maar blijkbaar komt de bundel toch echt uit de jaren negentig.

Verwandlung, Die - Franz Kafka (1915)

Alternatieve titel: De Metamorfose

4,5
Ted Kerkjes (moderator)
Gregor Samsa en mevrouw Klein

Op een dag kreeg mevrouw Klein een staart
Zo begint het (wat mij betreft geweldige) prentenboek 'Een heel lief konijn' van Imme Dros en Jaap Lamberton. (Imme Dros schreef de tekst en Jaap Lamberton maakte de illustraties, waarvoor ze de Woutertje Pieterse Prijs ontvingen - Jaap Lamberton helaas postuum.)
Toen ik 'De gedaanteverwisseling' van Franz Kafka las - in de vertaling van Willem van Toorn - moest ik regelmatig aan 'Een heel lief konijn' denken. Direct al bij de eerste zin.
Toen Gregor Samsa op een een ochtend uit onrustige dromen ontwaakte, ontdekte hij dat hij in zijn bed in een reusachtig ondier was veranderd.
De twee boeken hebben nog veel meer parallellen. Ze hebben een vergelijkbare opzet: de protagonist ondergaat een onvrijwillige gedaanteverwisseling, waardoor haar/zijn relatie tot haar/zichzelf en de buitenwereld wordt geproblematiseerd. Waar Sama echter in één keer transformeert, verloopt mevrouw Kleins transformatie wat geleidelijker: eerst ontdekt ze haar staart en later beginnen haar oren te groeien.
Mevrouw Klein begint door haar verandering anders naar de wereld te kijken: konijneriger. Ze schaamt zich tegenover haar omgeving - tussen de regels door proeft de lezer da ze zich in een zeer burgerlijk milieu begeeft. Tussen de regels door stelt het boek ook de impliciete vraag of mevrouw Kleins blik eigenlijk niet altijd al heel konijnerig is geweest: heeft mevrouw Klein eigenlijk niet altijd al als opgejaagd wild geleefd, ook al voordat ze een konijn werd?
Het (ietwat idiote) onderscheid tussen mens en dier wordt vaker in het prentenboek bevraagd. Zo wordt mevrouw Klein bij de dokter naar de dierenarts verwezen en bij de dierenarts verwijzen ze haar weer terug. Ten einde raad bezoekt Klein de psychiater. Die meent dat de oren en de staart maar een idee zijn. Die zitten tussen haar oren. (Die grap komt overigens niet uit het boek - een gemiste kans eigenlijk.)
Net zoals in 'De gedaanteverwisseling' komt de familie er slecht vanaf. Als mevrouw Klein haar probleem aan haar kinderen uit de doeken doet, bekommeren die zich geen moment om hun moeder, maar denken ze meteen aan zichzelf: "Zou dat erfelijk zijn? Kunnen wij dat ook krijgen? Wat erg!"
Kafka overwoog zijn verhaal in de bundel 'Straffen' op te nemen. Dit heeft hij uiteindelijk niet gedaan, en wat mij betreft is dat terecht, want ik zou eigenlijk niet weten waarom het daar op zijn plaats zou zijn. In 'Een heel lief konijn' is dat element met betrekking tot straf daarentegen wel aanwezig. Als mevrouw Klein met haar probleem naar haar moeder gaat, zegt die namelijk: "Dat komt er nou van! Je wou nooit naar me luisteren." Jaap Lamberton heeft de moeder overigens met een kruisje afgebeeld, waarmee hij dus iets religieus suggereert. Sowieso vertellen de illustraties een heel eigen verhaal naast de tekst, zoals dat moet in een goed prentenboek. Zo heeft Lamberton alle menselijke figuren dierlijke trekjes gegeven. Dit zou dus kunnen betekenen dat mevrouw Klein altijd al een konijn is geweest - alle mensen zijn immers dieren - en dat er dus in wezen helemaal geen uiterlijke verandering heeft plaatsgevonden, maar alleen een innerlijke: mevrouw Klein heeft dan iets ontdekt bij of in haarzelf wat ze nog niet eerder had opgemerkt. Door deze ontdekking vervreemdt ze van zichzelf en van haar omgeving.
De enige van wie ze niet vervreemdt en die niet van haar vervreemdt, is meneer Klein. Als mevrouw Klein naar hem gaat met haar probleem, vindt ze zichzelf en haar man terug. Daarmee eindigt 'Een heel lief konijn' aanzienlijk positiever dan 'De gedaanteverwisseling'. (Alhoewel: het boek suggereert eigenlijk ook een soort dood. Of beter gezegd: een nieuw leven.)

Eigenlijk is 'De gedaanteverwisseling' welbeschouwd een dieptreurig verhaal. Toch leest het niet zo: Kafka's schrijfstijl, die in dit boek overigens opvallend vlot is, voorziet het verhaal van een prettige luchtigheid en humor, al schuurt de humor wel van het cynisme. Iedereen, behalve Gregor, is ontzettend egoïstisch en handelt enkel en alleen uit eigenbelang.
Het boek stelt zo ongeveer dezelfde vragen als 'Een heel lief konijn': vragen over mens-zijn, vragen over menselijkheid, vragen over (familiaire) verhoudingen, et cetera. Een passage die ik wel opvallend vond, is het stuk waarin Gregor diep geraakt wordt door het vioolspel van zijn zus Grete. Daarin lijkt Gregor, het "ondier", een soort antropologische vraag te stellen:
Was hij een dier, als muziek hem zo aangreep?

Een onderwerp dat in 'Een heel lief konijn' niet aan bod komt, maar wel in 'De gedaanteverwisseling' een grote rol speelt, is "communicatie" - sorry voor het lelijke woord. Waar mevrouw Klein wel in staat is om met taal te communiceren, kan Gregor in zijn nieuwe toestand niet meer spreken. Dit maakt wel dat Gregor zich des te bewuster is van zijn uiterlijk en zijn uitstraling: de "non-verbale communicatie" - een nog lelijkere term, sorry. Eigenlijk ontdekt Gregor dat een nieuw lichaam automatisch een andere lichaamstaal spreekt.
Gregors relatie met zijn lichaam is een prachtig aspect van het boek en dat toont de meesterschap van de auteur. De eerste alinea van dit boek behoort ongetwijfeld tot één van de beste passages die ik tot nu toe gelezen heb. Briljant geschreven, vind ik! Ook de stukken waarin Gregor controle probeert te krijgen over zijn nieuwe lichaam zijn fantastisch. Zo knap dat Kafka zo'n vrij absurd gegeven geheel ongeforceerd en bijna vanzelfsprekend weet op te schrijven.
De gedaanteverwisseling van Gregor drijft de menselijke verhoudingen in en rond het gezin op de spits en legt deze bloot. De familie vervreemdt zodanig van Gregor dat ze hem verwaarlozen en hem als een last gaan zien. (Dit zie je overigens ook wel voorkomen bij families met een ernstig zieke.) Zo takelt de arme Gregor steeds verder af. En als de familie uiteindelijk zelfs weigert Gregor bij zijn naam te noemen, sterft deze een hartverscheurende dood. Wat daarna nog volgt, is een uitermate cynisch, zogenaamd positief, einde dat hoogst onbevredigend is en haast ongemakkelijk is om te lezen. Kortom: geweldig.

Als je 'De gedaanteverwisseling' met 'Een heel lief konijn' vergelijkt, vraag je je wel af of het beter met Gregor was afgelopen als hij in een konijn was veranderd of als er een meneer Klein in beeld was geweest. Tja.

Vogel Phoenix, De - M. Vasalis (1947)

4,0
Ted Kerkjes (moderator)
Soms helpt het om te weten waar iets vandaan komt.

Ik wist (ik weet niet meer hoe) dat Vasalis een kind verloren had, en ik meende dit te lezen in bepaalde gedichten uit haar eerste bundel. Zo dacht ik dat het hartverscheurende gedicht ‘De dood’ over het overleden kind ging:
En vóór hij ging, gaf hij me nog een klein portretje…
‘Ik weet niet, of je ‘t al vergeten was,
het komt misschien nog wel te pas
voor als je eens niet meer zou willen
sterven,
maar wie let je?’
zei de Dood.
Maar op het internet las ik dat Dicky, het overleden kind, pas geboren werd in 1942 en stierf in 1943, dus jaren na Vasalis’ debuut. Dus zo kwam ik erachter dat er in ‘Parken en woestijnen’ geen gedichten staan over het overlijden van Dicky.
In ‘De vogel Phoenix’ wel: de bundel is opgedragen aan Dicky en de eerste drie gedichten, die door een witte pagina van de rest van de bundel gescheiden zijn, handelen (impliciet) over diens dood en het rouwproces van de dichter. Het eerste gedicht beschrijft hoe een ‘phoenix’ aan de dichter verschijnt en hoe die de dichter dwingt te schrijven. De vogel verdwijnt weer in het tweede gedicht, maar de hand schrijft door:
Haast niet, schreeuw niet van pijn, o hand
Schrijf door totdat de vingren zijn verbrand.
Het derde gedicht ‘Kind’ beschrijft op een tragische, maar prachtige manier de dood van Dicky, en met dit derde gedicht zet Vasalis de twee voorgaande Phoenix-gedichten in een geheel ander daglicht. De wederopstanding van de phoenix is de wederopstanding van Dicky: Dicky overleed in de realiteit maar is weer tot leven gewekt in de verzen van Vasalis.

Na deze zwarte bladzijde uit het leven van Vasalis volgt de witte bladzijde van de bundel.

Hoewel de eerste drie gedichten dus letterlijk los van de andere gedichten staan, klinken ze nog wel degelijk door. In de meeste gedichten is sprake van een antithese-achtige tegenstelling: in ‘Oktober’ schrijft Vasalis over ‘de lente van de dood’ en ‘Ra’ eindigt met de woorden ‘nachtlijks gestorven, / dagelijks herrezen’.

Bij ‘Parken en woestijnen’ schreef ik dat bijna ieder gedicht een soortgelijke opbouw kende: een observatie is de aanleiding voor een gedachte. In deze bundel is dat een stuk minder het geval en zijn de gedichten wat gevarieerder wat de opbouw en de vorm betreft. Vasalis weet hier ook wat originelere beelden te kiezen en werkt ook meer met sfeer. Het sfeervolste gedicht vond ik het titelloze gedicht dat begint met de regel ‘De kaarsen brandden in de donkre kroeg’. Dat was zo’n gedicht dat mij door de sfeer, de klanken, het ritme en de beelden wist te mee te voeren, zonder dat ik nou echt begreep wat ik aan het lezen was of waar het nou over ging. Op het internet vond ik, zonder dat ik daar echt naar zocht, een interpretatie van het gedicht van de hand van Maaike Meijer. Zij kwam aan de hand van allerlei seksuele en religieuze symbolen tot de conclusie dat het gedicht over penetratie en orgasme ging. Het gedicht staat vol met regels als
O lege blik, recht als een schoongemaakte straat
met wachtend volk opzij, doodstil bedwongen,
omdat de koning komen gaat…
o stilte, vóór er wordt gezongen.
en
Mijn ogen werden wilde vrouwen
en zwierven weg en kwamen toch
terug, tot waar de koning kwam.
Sinds ik de interpretatie van Meijer ken, kan ik het gedicht ook niet meer anders lezen. Ik dacht dat ik zelf zo’n puberaal ventje was, maar voor zulke dubbelzinnige interpretaties heb ik blijkbaar toch de hulp van echte literatuurwetenschappers nodig.

Deze bundel balanceert, net zoals het debuut, regelmatig wat op het randje van ouderwets. Sommige beelden die Vasalis kiest kunnen inderdaad wat stichtelijk en muffig overkomen, met name de natuurbeelden en de overduidelijke religieuze symboliek. Ook in haar taal komt Vasalis soms wat ouderwets over. In veel gedichten maakt Vasalis, omwille van het metrum, gebruik van elisie: dan laat ze een onbeklemtoonde klinker weg (‘blaadren’ in plaats van ‘bladeren’ en zo). In de hedendaagse poëzie is de elisie (gelukkig) zo goed als afwezig, maar Vasalis maakt er veelvuldig gebruik van. In het geval van ‘blaadren’ vind ik het geen doodzonde, maar af en toe maakt ze het wel erg gortig met woorden als ‘aadmend’.

Een natuurbeeld dat in deze bundel opvallend vaak voorkomt, is het strand. Waar in ‘Parken en woestijnen’ vooral bomen en weiden een belangrijke rol spelen, neemt het strand in deze bundel vaak een belangrijke plaats in. Zoals in het gedicht ‘Kind’:
Hoe licht en stil en schoon is met de dood
hij op het lege strand alleen gebleven.
en in het allerlaatste vers ‘Avond aan zee’.
Vasalis omschreef het strand ooit als “de enige plaats om te zijn”, en in het vervolg van haar oeuvre zou het strand ook een belangrijke plek blijven. Zo maakte Vasalis nog de bloemlezing ‘De dichter en de zee’ en kreeg haar postume bundel als titel ‘De oude kustlijn’. In dat licht is de rol van het strand in deze bundel dus veelzeggend.

Soms helpt het om te weten waar iets naartoe gaat.

Vrije Vormen - Joke van Leeuwen (2002)

3,0
Ted Kerkjes (moderator)
Het probleem van deze roman is een beetje dat Joke van Leeuwen te veel onderwerpen heeft willen aansnijden.
In het boek zijn grofweg drie "lijnen" aanwezig.
Allereerst de lijn van Dok die kwakkelt in haar leven. Ze is besluiteloos, ze wil opnieuw beginnen met alles, maar tegelijkertijd kan ze het verleden niet loslaten. Ook haar leven als beeldend kunstenaar staat wat stil: het schilderen wil niet lukken. Aan een kunstacademie geeft ze les in Vrije Vormen, waar ze studenten vooruit helpt met hun project. Ze helpt anderen vooruit, maar zelf blijft ze hangen.
Dan heb je de lijn met betrekking tot de kunsten. Dit is een minder narratieve lijn, maar het speelt wel degelijk een grote rol. Het boek bevat namelijk ontzettend veel ideeën over wat (beeldende) kunst is of zou moeten zijn, enzovoorts. Dok en de studenten discussiëren en praten regelmatig over kunst.
En dan heb je tenslotte nog de lijn met Mara. Mara heeft een onuitspreekbare achternaam, ze is een buitenlandse vrouw die door de overheid aan de bovenkamer van Dok is gekoppeld. Ze probeert haar leven in het nieuwe land zo goed mogelijk weer op te pakken, maar dat gaat wat moeizaam, vooral door de nieuwe omstandigheden: de keuken van Dok is te klein voor het eten dat ze wil maken, er praten te weinig mensen met haar om de taal onder de knie te krijgen, et cetera.

Het allerinteressantst vond ik de "tweede lijn" over kunst. Ik houd er namelijk erg van wanneer een kunstuiting zijn eigen vorm problematiseert. Dus: als kunst gaat over kunst. Dit biedt de artiest namelijk de mogelijkheid om het publiek via de inhoud naar de vorm te laten kijken en hierover na te denken. (Ik bedoel ik dus niet per se essays over literatuur of van die post-modernistische grappen waarin de artiest het verhaal onderbreekt om de vierde wand te doorbreken of zo, maar echt verhalen waarin er over literatuur gepraat wordt.) Ook in andere kunstuitingen dan literatuur vind ik dat erg interessant. (In bijvoorbeeld veel films van Woody Allen zitten ideeën over cinema verstopt - in 'Crimes and misdemeanors' levert de personage van Woody Allen zelfs op een zeer slimme manier kritiek op de film zelf. Ook de geniale cabaretier Micha Wertheim stelt in veel van zijn cabaretvoorstellingen (impliciete) vragen over cabaret en theater.) Dat vind ik dus altijd erg boeiend. In dit boek gaat het weliswaar niet over literatuur, maar wel over beeldende kunst en kunst in het algemeen. De gesprekken die Dok voert met de studenten zijn erg interessant. Deze leveren een soort taalspel op vol boeiende opvattingen en vragen. Met name de student Boes heeft verrassende inzichten: hij heeft wat weg van een rebelse avant-gardist en hij streeft naar een soort anti-kunst.
Het kunst-thema, het "van niets iets maken", zit in het hele boek verstopt. Het is aanwezig in de schrijfstijl, want continu kijkt Dok (of Joke van Leeuwen) op een onalledaagse manier naar de alledaagse dingen om haar heen, alsof ze voortdurend kunst aan het maken is. Dit doet zij vooral met personificaties: Dok (of Joke van Leeuwen) schrijft alles om haar heen gevoelens, ideeën en gedachten toe, waarmee ze de wereld tot leven wekt. Het "tot kunst verheffen" van alles zit ook in andere details. Zo wordt terloops in het boek een Nieuwe Gebouwenroute genoemd: 'gewone' gebouwen zijn door die route tot 'kunst' verheven, want mensen lopen die route en kijken met nieuwe ogen naar de gebouwen waar ze normaal aan voorbij zouden gaan.
Het verhaal over Doks leven dat maar een beetje kwakkelt is niet per se origineel, maar Dok is een zeer fijn personage. Zij heeft dezelfde onbevangenheid (en hierdoor ook een zekere naïviteit) die vrijwel alle personages van Joke van Leeuwen hebben. Het is ook een zelfstandige, onafhankelijke vrouw, zoals vaker in Van Leeuwens werk. Erg fijn.
De verhaallijn van Mara vormt een mooie tegenhanger van de verhaallijn van Dok: allebei kunnen ze hun leven niet echt oppakken. Toch is Mara eigenlijk een beetje de manco van het boek. De personage Mara lijkt niet helemaal in het boek te passen - of nou ja, Mara past wel in het boek, maar haar komst gaat gepaard met enkele passages omtrent vreemdelingenhaat et cetera, en die voelen een beetje "ontheemd". Die lijken niet echt bij de rest van het boek te passen. Van Leeuwen is een geëngageerd auteur, maar in dit boek voelt het engagement te zijdelings.
Het einde, de spectaculaire finale die alledrie de lijnen samenbrengt, komt niet echt uit de verf. Het voelt wat geforceerd.

De schrijfstijl van Joke van Leeuwen is fantastisch, zoals eigenlijk altijd, en heel lang wilde ik het boek een 3,5* geven, maar toch weet het boek uiteindelijk niet echt te overtuigen.

Vroege Vogels: Verzen - Ivo de Wijs en Letty Kosterman (1987)

3,5
Ted Kerkjes (moderator)
Dit is de eerste bundel Vroege Vogel-verzen, Vroege Vogel. Verzen genaamd. In totaal zouden er twaalf boeken verschijnen. Deze bundel is de enige met tekstbijdragen van wijlen Letty Kosterman, die het VARA-radioprogramma al drie jaar presenteerde toen Ivo de Wijs haar in 1985 vergezelde.
De gedichten van Kosterman en De Wijs zijn gerubriceerd in twaalf rubrieken: de bundel begint met 'Januari', eindigt bij 'December' en hoe de rubrieken daar tussen heten, laat zich raden. Elke rubriek begint steevast met een epigram in de vorm van een kwatrijn over een vogelsoort, geschreven door Ivo de Wijs. De andere gedichten in de bundel zijn zowel qua vorm als qua inhoud vrij uiteenlopend, al zijn de sonnetten wel veruit in de meerderheid. Het is bewonderenswaardig hoe divers de verzen zijn, terwijl ze toch allemaal een verband met het centrale thema 'Natuur' hebben. Het ene gedicht betreft een mijmerij, een ander gedicht legt een onverwachte link tussen een persoonlijke gebeurtenis en een natuurverschijnsel, en weer een ander gedicht biedt een interessant inzicht, maar misschien wel de meeste gedichten zijn toch wel om te lachen.
Als je de verzen van Letty Kosterman zo naast die van Ivo de Wijs ziet, valt de discrepantie in kwaliteit wel op. Ik ken naast deze bundel niet zo gek veel teksten van Kosterman: ik ken de liedjes die ze samen met Jules de Corte voor Kinderen voor Kinderen schreef, waarvan vooral het prachtige, schrijnende "Miepie" beklijft. Ze is technisch niet zo sterk als De Wijs. Gevoel voor ritme en metrum is zeker in de verzen te ontdekken, maar de rijm van Kosterman komt nu en dan ietwat gezocht over en niet zo 'naturel'. Ivo de Wijs is wat techniek betreft virtuoos. (Overigens verrast Ivo de Wijs in deze bundel met een waar vormvrij vers: "De ansichtkaarten".) Afgezien van de techniek schort het Letty Kostermans teksten toch ook aan originaliteit en diversiteit. Af en toe wil Kosterman wat in herhaling vallen. Niet dat haar verzen nou zo belabberd zijn, maar naast de teksten De Wijs valt het niveauverschil wel op. Ivo de Wijs weet met technisch onberispelijke verzen originele beelden op te roepen die de lezer nu weer laten lachen en dan weer ontroeren of mijmeren. Erg knap.
Waarin de verzen van Ivo de Wijs en Letty Kosterman overeenkomen is in ieder geval de liefde voor de natuur die van de pagina's spat.

Wat Letty Kosterman betreft: ik hoop dat ze 5 februari 2017 vredig is heengegaan met een kastanje in haar hand.

"Als ik honderd jaar mag worden
Met in mijn hand die kleine pracht
Door de zuster mij gebracht
Dan is doodgaan dik in orde
"

("Kastanje". Ivo de Wijs & Letty Kosterman, Vroege Vogels. Verzen, 1987, Thomas Rap, Amsterdam)

Vroege Vogels: Vogels - Ivo de Wijs (1988)

3,5
Ted Kerkjes (moderator)
Het is eigenlijk wel heel opvallend hoeveel tekstdichters vogelaars zijn: Hans Dorrestijn, Rob Chrispijn, en Ivo de Wijs zei ooit dat hij naar vogels had leren kijken door nota bene Jules de Corte. Maar goed.

Deze bundel bestaat uit louter kwatrijnen over vogels. In alfabetische volgorde passeren de meest uiteenlopende vogelsoorten de revue, zoals de plotomschrijving hierboven al luidt: van alk tot zwarte ooievaar.
Sommige puntdichten zijn wat melig, of misschien zijn ze dat allemaal wel, maar ik heb zeker regelmatig moeten lachen. De ene woordspeling of taalvondst naar de andere met somtijds virtuoze rijmen. De Wijs heeft genoeg in huis om een bundel lang interessant te kunnen blijven.
De illustraties van Kees van Scherpenzeel zijn niet slecht, maar ontstijgen niet het niveau van plaatjes in een biologieboek en voegen weinig tot niets toe aan de bundel. Wellicht dat ze hulp kunnen bieden aan mensen die de vogels willen leren (her)kennen.

In elk geval klopt de achterzijde van het boek wel: "natuurvriendelijke verzen met vederlichte humor en gevleugelde kolder".