menu

Hier kun je zien welke berichten Ted Kerkjes als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Terug tot Ina Damman - Simon Vestdijk (1934)

Alternatieve titel: Terug tot Ina Damman: De Geschiedenis van een Jeugdliefde

4,0
Ted Kerkjes (moderator)
De Anton Wachterreeks van Simon Vestdijk, waar Terug tot Ina Damman het derde boek van is, is een sterk autobiografische reeks. Vestdijk heeft dit niet geprobeerd te verbloemen: zo speelt Terug tot Ina Damman zich af in Lahringen, een anagram van Harlingen, de plaats waar Vestdijk opgroeide. Dit boek is naar het verluidt het meest autobiografisch. Dit lijkt te worden bevestigd door het feit dat Ina Damman ook echt bestaan heeft - ze heette alleen Lies Koning. Dit vond ik in een artikel door Thera Coppens uit een Nouveau van juni 1998. (bron: theracoppens.nl/artikelen/181-ina-damman-in-harlingen.html) In 1934 tipte een vriendin van Lies Koning het boek Terug tot Ina Damman van Simon Vestdijk, een oud-klasgenoot van haar. Tot haar schrik herkende Lies zichzelf in de personage Ina Damman: die tengere, bleke Simon had altijd met haar meegelopen naar het station en haar uitgezwaaid. Dat zijn verliefdheid zo hevig was, had ze echter nooit begrepen. Lies Koning las in het boek opnieuw hoe zij op een gegeven moment de jongen zat was en hem resoluut afwees. Pas in 1971, toen de schrijver overleden was, deed Lies wat met haar schuldgevoel en bood ze de weduwe Vestdijk haar excuses aan. Lies Koning was trouwens getrouwd en ze was moeder van drie dochters.

De titel Terug tot Ina Damman vind ik een schitterende titel.
In de eerste plaats wellicht vanwege de naam Ina Damman: een mooie naam. Het heeft iets mystieks, en tegelijkertijd een prachtige klankkwaliteit. Ook veel a's, met een goede afwisseling tussen lange en korte a's. Het is mij helaas nog altijd niet geheel duidelijk hoe de klemtoon op "Damman" ligt. Ik zeg zelf altijd "Da-mman", maar laatst hoorde ik ook iemand "Da-mman" zeggen. Vanzelfsprekend vind ik "Da-mman" mooier - anders zou ik het natuurlijk ook zelf niet zo uitspreken, ik ga mezelf niet kwellen. Als je "Da-mman" zefgt, heeft de naam ook een ritme. "I-na Da-mman". Enfin, een mooie naam, en in elk geval stukken beter dan Lies Koning.
Een ander aspect dat maakt dat de titel wat mij betreft tot de verbeelding spreekt, is het woordje 'tot'. Dat niet voor de hand liggende woordje maakt de titel mijmerbaar. Want waarom 'tot'? Als dit werk gewoon Terug naar Ina Damman had geheten, was het vrij saai geweest. Nee, het woordje 'tot' is echt belangrijk, en als je het boek gelezen hebt, weet je ook dat 'naar' niet zou kloppen. 'Tot' maakt deze titel tot de perfecte titel voor dit boek. Het had ook andere titels mooier kunnen maken. 'Terug tot Oestgeest' of 'Terug tot de kust'...

De schrijfstijl van Simon Vestdijk kenmerkt zich door lange zinnen met veel bijzinnen. Een typerende zin van Vestdijk is de volgende:
Als was ook het kleine fluitje van meneer Roemer een beetje verroest, omdat het een heel jaar lang in een met zweet gedrenkte broekzak had gezeten, het geluid klonk er niet minder schril en bevelend om dan op de grote tocht naar de hunebedden en de heidemaatschappij, waarvan nu een herhaling op gehalveerde schaal gegeven werd: éen dag maar, éen leraar maar, niet meer dan de helft deelnemers van het vorige jaar, weinig derdeklassers, veel eersteklassers, en van de hele tweede klas alleen Nellie Huisman en een van die kleine, snelle jongens van vroeger, waarvan er twee waren blijven zitten en die nu in Antons verbeelding de reis door de school terug maakten, en dus het volgend jaar in de eerste zouden komen. (177)
Soms lijkt Vestdijk meer vanuit Anton te schrijven. Ik vond het zelf wel interessant om bij sommige passages daarover na te denken. Neem het volgende stuk:
[‘En eet vooral goed!’ was de afscheidsgroet geweest, terwijl hij aan niets anders denken kon dan dat hij met Ina Damman zou fietsen, tòch nog, en twee dagen lang. In dat vooruitzicht leek eten iets volmaakt tegennatuurlijks, zoiets als braken in de verkeerde richting… (102)
Deze, op het eerste gezicht wellicht, platte, banale metafoor is zeer sterk en effectief, omdat deze uiteraard niet zo zeer is geschreven vanuit de auteur, maar vanuit Anton Wachter. Het is een ietwat puberale vergelijking, maar daarom past hij juist zo goed bij de personage. Eigenlijk is het een soort onderonsje tussen de lezer en de schrijver: hij weet wel dat de lezer weet dat hij die woorden in zekere zin niet zelf gekozen heeft, maar dat hij nu in de vocabulaire van Anton spreekt. De veelzeggende drie puntjes lijken de lezer erop te willen wijzen dat ze die lompe woorden niet als woorden van de schrijver moeten zien, maar dat ze er meer achter moeten zoeken. Deze metafoor is zeer geslaagd: het schetst namelijk twee beelden tegelijk. Allereerst is het beeld (braken in de verkeerde richting) dat de vergelijking maakt heel duidelijk, maar tegelijk geeft deze metafoor een beeld in de gedachtewereld van Anton Wachter.
Een ander voorbeeld is het volgende fragment:
Jan Breedevoort en Marie moesten soms door meneer Horsting gepraaid worden en aan de horizon zag men Max en Greet die daar niet hoorden en zeer jonge eersteklassers paarden zich schuchter tot vieren en vijven om éen meisje heen, en opzij reed meneer Horsting als een goeie rooie pa, die op zulke feestdagen óok wel wat over zijn kant kan laten gaan, en het zweet van meneer Roemer zag er gezellig en voedzaam uit, en meneer Couvée was een klein zwart fauntje op een fiets, die het eerst van allemaal hongerig afsprong, toen ze in een achterafgelegen cafeetje ansichten gingen schrijven en eten en drinken. (104)
In deze zin is duidelijk de vertellende stem te horen. Al die “en”-nen maken de zin stamelig, als een enthousiast kind dat heel veel wil vertellen, waardoor een soort chaotisch, surrealistisch tafereel ontstaat. Dus wat dat betreft lijkt deze zin geschreven vanuit Anton. Ook het zweet dat er “gezellig en voedzaam” uitzag, is eerder een observatie van de jeugdige protagonist: dit soort betekenisvolle details passen beter bij kinderen. De woordkeuze daarentegen lijkt van een volwassene.
De schrijver sijpelt tussen deze ‘kinderlijke observaties’ door met zijn licht ironische observaties. Als je ervan uitgaat dat de schrijver zijn jeugdherinneringen optekent, zou je kunnen zeggen dat hij terugdenkt en zijn herinneringen aanvult met achteraf beredeneerde ideeën. Het stukje over meneer Couvée is humoristisch: deze docent fietst als een klein, zwart fauntje en krijgt het eerste honger. De licht spottende toon van deze waarneming maakt het aannemelijker dat de volwassene spreekt, in plaats van Anton.

Het boek bevat niet veel symboliek, voor zover ik heb kunnen ontdekken. Als Anton in het derde deel gaat fietsen met Marie lees je hoe hij in zekere zin zijn verliefdheid voor Marie speelt. Marie maakt duidelijk niet zo’n indruk op hem als Ina dat deed. Anton is eigenlijk verveeld door Marie, al laat hij haar dat niet merken.
En Anton praatte goedig mee over het kiesstelsel, en lette op de wegen, de steeds nieuwe wegen, die toch zo weinig afwisselend waren. (177)
In deze zin lijkt wel symboliek te zitten. Wat de precieze symboliek is, is nu de vraag. De nadruk ligt op de “nieuwe wegen”. In boeken stelt het landschap soms ook de tijd voor. Neem het einde van A. A. Milne’s The house at Pooh Corner: Christopher Robin ziet het einde van zijn kindertijd naderen, om het maar zo uit te drukken, en neemt van Winnie-the-Pooh afscheid. Milne schrijft het volgende:
Still with his eyes on the world Christopher Robin put out a hand and felt for Pooh’s paw.
Hier symboliseert de wereld dus duidelijk de tijd die Christopher Robin staat te wachten. Misschien dat de nieuwe wegen staan voor de nieuwe dagen in Antons toekomst, dat Anton kijkt naar de dagen die hem in het verschiet liggen. Dit zou heel goed kunnen, want dagen kunnen nieuw zijn, maar toch weinig afwisselend: hoe veel de dagen ook op elkaar lijken, ze blijven nieuw. Wellicht dat Anton Wachter op de fiets naast Marie al “de sleur van de relatie” voelt.

Terug tot Ina Damman is net zo mooi als haar titel. Het boek is ontzettend herkenbaar. De verliefdheid, de tegenstrijdige gevoelens, de bewijsdrang, de zoektocht naar erkenning, de relatie tot zijn moeder, de klasgenoten... Het boek gaat eigenlijk verder waar Kees de jongen ophoudt. Onvoorstelbaar knap hoe Vestdijk zich heeft weten in te leven in zijn hoofdpersoon. Of hoe hij heeft teruggegraven in zijn eigen herinneringen. Terug tot Ina Damman.

Teunis - Toon Tellegen (1996)

4,0
Ted Kerkjes (moderator)
'displaced elephant'

Zijn liefde voor olifanten liep Tellegen in Kenia op toen hij daar als arts werkzaam was. Olifanten duiken veelvuldig op in zijn werk. Natuurlijk spelen dieren sowieso een grote rol in zijn boeken, maar de olifant steekt er toch met kop en schouders boven uit. Zelfs als hij verschrompelt is.

Teunis is de tegenhanger Jannes: waar de laatste zich afspeelt in een wereld vol olifanten, woont Teunis met mensen om zich heen. Het spreekt voor zich dat Teunis een displaced elephant voelt.
Teunis mist zijn vader die als ontdekkingsreiziger veel weg is om 'nieuwe mensen te ontdekken'. Dit gemis komt in één scène heel mooi naar voren:
'En dan vind ik ook een deur uit,' zei Teunis. 'Een hele speciale deur. Heel dik. Een hele grote deur. Ik denk: een rode deur. Aan de andere kant van die deur staat mijn vader. Ik stap door die deur en mijn vader zegt: 'Teunis! Wat doe jij hier?' (16)
Veel 'problemen' die zich verder in het boek voordoen, komen telkens op hetzelfde neer: Teunis wil iets doen, maar vanwege zijn olifantschap mislukt dit, maar zijn olifantschap stelt hem wel in staat iets anders te doen, wat mensen dan weer niet kunnen. Teunis vindt het de ene keer wel fijn om olifant te zijn, maar de andere keer weer niet.
Tellegen laat heel mooi in het midden wat de verhouding tussen mens en olifant precies is, Tellegen laat het abstracte gegeven voor wat het is, waardoor het olifantschap heel veel kan symboliseren. Natuurlijk is het een metafoor voor anderszijn, maar het boek is zó geschreven dat het over allerlei soorten anderszijn kan gaan.
Zoals we van Toon Tellegen gewend zijn, staat ook dit boek vol poëtische zinnen. De schrijver heeft weer veel mooie formuleringen waarmee hij complexe gedachten in kernachtige zinnen weet te vangen.
Bij dit soort dunne boeken ligt vluchtigheid op de loer. 'Teunis' heeft hier echter geen last van, omdat het beeld van een olifant in een mensenwereld wel beklijft. Dit heeft het boek natuurlijk deels te danken aan de schitterende illustraties van Jan Jutte, één van de beste illustratoren, wat mij betreft. Het is schitterend hoe Jutte vooral Teunis neerzet. met zijn prachtige olifantenogen.
Tellegen en Jutte weten in zeer weinig bladzijden een goed en mooi verhaal te vertellen met zeker een aantal memorabele scènes - neem de toneelscène, of de scène met de olifant die zich verbergt. Jutte en Tellegen weten altijd beelden te kiezen die origineel zijn en beklijven.

Zal ik het doen? Ja, ik kan het eigenlijk niet laten... Ik doe het gewoon:

"En toen kwam er een olifant met een lange snuit ... "

This Is All: The Pillow Book of Cordelia Kenn - Aidan Chambers (2005)

Alternatieve titel: Dit Is Alles: Het Hoofdkussenboek van Cordelia Kenn

3,0
Ted Kerkjes (moderator)
Ik vond dit boek nogal tegenvallen. Ik heb eerder een boek van Aidan Chambers gelezen: Dance on my grave. Deze boeken kennen vele overeenkomsten, hoewel ik Dance on my grave beter vond. Dit zal niet in de laatste plaats komen doordat de boeken allebei onderdeel zijn van "The Dance Sequence".
Ook in dit boek is de hoofdpersoon extreem intellectueel en haast ongeloofwaardig belezen. Dit stoorde me af en toe wel. Het doet in mijn ogen wel afbreuk aan de aannemelijkheid van het boek. Het doet wat gekunsteld aan. Ook irritant vond ik de dynamische muziektermen die Cordelia gebruikt om passie en dergelijke te omschrijven. Erg functioneel vond ik het niet.
Maar erger vond ik echter de schrijfstijl, die veel te uitleggerig en te verklarend is. Ik vind het veel fijner om als lezer zelf dingen in te kunnen vullen en met mijn eigen fantasie en inlevingsvermogen dingen af te ronden en te verklaren. Er viel zodoende weinig tussen de regels door te lezen. Dit komt ook deels doordat Cordelia zich overdreven van alles bewust is. Natuurlijk komt dit omdat ze terugkijkt en zodoende met later verworven kennis het één en het ander inziet, maar het stoort mij wel.
Het boek valt mij verder te veel in herhaling. Na de zoveelste dwepende omschrijving van Will weet ik het wel. Wellicht dat de dikte van het boek hierin ook meespeelt, maar zo voelde het boek nog veel dikker aan.
De vertelwijze is wel origineel. Het verhaal wordt vaak onderbroken door enkele gedachtekronkels en hersenspinsels, variërend van mijmeringen over levensbehoeften, wat Cordelia allemaal belangrijk vindt in het leven, tot een betoog dat pleit voor masturbatie. Deze onderbrekingen zijn niet per se irritant, maar ook lang niet altijd even interessant of boeiend. Ze voegen lang niet altijd iets wezenlijks toe aan het verhaal.
De delen van Chambers' Dance Sequence vormen samen een beeld van het volwassenworden. Wat dit boek anders maakt dan een doorsnee "coming of age"-roman, is dat de hoofdpersoon van dit boek (Cordelia Kenn) het niet "overkomt" of "overvalt", maar er heel erg bewust mee bezig is. Cordelia somt zelfs letterlijk op wat er met haar gebeurt als ze ouder wordt. Dat maakt het voor mij wat minder interessant, omdat het weinig subtiel is.
Het gedeelte over de romance tussen Will en Cordelia vind ik wel prettig en interessant om te lezen, maar daarna zakt het boek nogal in, of beter: het ontspoort enigszins. Het boek is reddeloos verloren wanneer Cal ten tonele verschijnt. Dat vond ik totaal niet in het boek passen en ik werkte me met stomheid geslagen mezelf naar het eind van het boek toe. Dat Cordelia sterft, vind ik ook vreemd. Ik vraag me vooral af waaróm. Ik zie niet in waarom.
Ook irritant vond ik de vele spirituele passages. Dat had voor mij ook niet gehoeven. De hele uitleg van het icoon dat Julie gemaakt had, is wat mij betreft een goed voorbeeld van onnodig veel verklaringen. Daar had Chambers bij Dance on my grave ook wel last van: meteen aan het begin van het boek krijg je een krantenartikel te zien over waarom er op een graf gedanst is. Hierdoor is meteen een gedeelte van de spanning (en een gedeelte van de nieuwsgierigheid van de lezer) onnodig verdwenen.

Wel moet ik zeggen dat het boek vaak lekker weg leest. Laat je vooral niet afschrikken door het aantal bladzijden, want ik (een nogal slome lezer) heb het boek in één (vakantie)week uitgelezen.

Al met al een niet helemaal geslaagd boek.

Tiffany Dop - Tjibbe Veldkamp (2009)

3,5
Ted Kerkjes (moderator)
Ik was dertien en wilde een baby.
Bijna zie je Veldkamp zich achter zijn bureau verkneukelen om deze openingszin.
De eerste hoofdstukken leunen best sterk op dit “schokeffect”: een kind met een kinderwens - of beter gezegd: een kinderboek over een kind met een kinderwens zal toch voor veel mensen een soort van shock zijn. En ja, het eerste hoofdstuk lijkt Tjibbe hier nogal op in te spelen, misschien zelfs ietsjes té opzichtig. Het is wel humoristisch, maar het voelt ook ergens een klein beetje geforceerd. Gelukkig maakt het middenstuk, wat dat betreft, een hoop goed, zonder daarbij afbreuk te doen aan het ondeugende karakter van het boek. Ook in het middenstuk is het boek origineel en onorthodox, maar daar komt het oprechter erover en niet enkel als effectbejag. Het milieu waarin het werk zich afspeelt is verrassend: Tiffany groeit op in eigenlijk gewoon een verschrikkelijk nare omgeving. (ZIe ook de omschrijving in gottis bericht.) Op het oog lijkt Tiffany zeer weerbaar binnen haar asociale leefomgeving en dat is ze ook wel, maar tegelijkertijd merk je ook dat verlangt naar wat ze zo mist. Het verhaal maakt naar het einde toe helaas wat sprongen die maar half werken, maar verder is dit zeker wel een geslaagd en bovenal origineel boek.

Overigens deed het onderwerp (een kind met een kinderwens) mij wat denken aan de film ‘Palindromes’ van de Amerikaanse satirische filmregisseur Todd Solondz.

Toen Oma Weg Was - Ted van Lieshout (1993)

3,5
Ted Kerkjes (moderator)
Mooi verhaal over een jongetje dat zijn oma zoekt, terwijl deze overleden is. Helaas is dit boek erg dun, waardoor het verhaal niet de tijd en de ruimte krijgt die het verdient.

Trimbaan, De - Imme Dros (1987)

4,5
Ted Kerkjes (moderator)
Dit boek herlezen vond ik een beetje spannend: De trimbaan was het allereerste boek dat ik van Imme Dros las en Imme Dros is de eerste auteur geweest die van mijn hobby lezen een passie maakte.
Ik leerde Dros’ werk kennen dankzij Harrie Geelen, haar man. De naam Harrie Geelen dook op bij zo’n beetje alles waar ik van hield: hij schreef en illustreerde boeken die ik mooi vond, hij verzorgde de stemregie bij tekenfilms die ik graag keek en vooral: hij dichtte de teksten van liedjes die mij dierbaar waren – en nog altijd zijn. Ik was fan van de creatieve duizendpoot Harrie Geelen, dus toen ik een boek tegenkwam van zijn vrouw, de veelbekroonde schrijfster Imme Dros, wilde ik dat natuurlijk ook lezen.
Dat eerste boek was dus De trimbaan. Ik was twaalf jaar en ik denk dat ik misschien net iets te jong was om het volledig te volgen, maar er tintelde wel van alles. De verwarde verliefdheid, de geweldige dialogen en het idee dat ik een boek las dat ik nog niet helemaal doorgrondde maakte het een prachtige leeservaring. Al snel zocht ik alle boeken van Imme Dros in de bibliotheek. Het maakte niet uit voor welke leeftijd het boek geschreven was of waar het over ging: prentenboeken en boeken over Griekse mythologie nam ik allemaal mee naar huis. Ook struinde ik het internet af, op zoek naar interviews met en artikelen over Imme. Wat voor mij destijds redelijk nieuw was, was de nadruk op de taal in haar werk: ook in interviews sprak ze zelden over verhalen, maar meer over de magie van het medium taal, het ritme van zinnen en de vorm van woorden.
In alles wat ik schrijf, gaat het niet alleen om het verhaal, maar vooral ook om de taal. (…) Soms is er een ritme, voordat er woorden zijn, alsof je in een bootje dobbert.
(bron: Bregje Boonstra & Truusje Vrooland-Löb, Over Imme Dros en Harrie Geelen, 2001)
Door hun focus op het maakproces en de taal denk ik dat Imme Dros en Harrie Geelen een ontzettend grote rol hebben gespeeld in mijn liefde voor taal en lezen.

Nu ben ik wat jaren verder en is het alweer lang geleden dat ik een boek van Imme Dros las. Na wat tegenvallende boeken, die eindeloos leken te duren, ging ik versuft voor de boekenkast staan. Al snel viel mijn oog op De trimbaan van Imme Dros en werd ik heel erg benieuwd wat ik er nu van zou vinden. Misschien zou ik het nu wel heel stom vinden dat ik dat toen zo mooi vond - daar was ik best bang voor.
Maar toen ik begon te lezen, herontdekte ik al snel dat De trimbaan een schitterende roman is. De personages zijn ontzettend levendig: Dros weet ze fantastisch te typeren in enkele zinnen, met name in haar sprankelende dialogen. We leren de personages vooral kennen door de ogen van Filip, het hoofdpersonage. Filip, of Flip, is een geweldige figuur om een boek lang te volgen. Hij is dwars en driftig, tamelijk cynisch en zijn onzekerheid maakt hem extreem zelfbewust. Misschien is hij welbeschouwd een onsympathiek personage, maar ik vind hem geweldig, misschien omdat ik schrikbarend veel van mezelf in hem herken. Filip doet mij ook erg denken aan Holden Caulfield. Neem bijvoorbeeld de volgende passage:
Trouwens zijn hele familie was een stel onbenullige zwetsers bij elkaar en ze merkten niet eens hoe stompzinnig ze redeneerden, hoe vreselijk ze zich gedroegen en hoe afzichtelijk ze eruitzagen op tante Puck na die model was, maar die weer zulke zouteloze grappen wist op te dissen aan tafel als je niet weg kon. (13)
Imme Dros weet net zoals J. D. Salinger in The catcher in the rye haarfijn het menselijk gedrag genadeloos te ontleden op een hilarische manier, zonder daarbij af te doen aan de oprechtheid van de gevoelens. Neem bijvoorbeeld de volgende passage:
Zijn onderwijzers en leraren verachtte hij vrijwel allemaal. Hij maakte er een sport van vragen te stellen die ze niet konden beantwoorden, daar had hij tijd en moeite voor over. Ze wrongen zich in bochten om het gezag als alwetende pedagoog te handhaven. ‘Daar hebben we het even niet over nu.’
In alle jaren dat hij op school zat waren er maar een paar leraren die gewoon zeiden dat ze het antwoord niet wisten en het zouden opzoeken. Die waren tenminste eerlijk al was dat nog geen excuus voor hun gebrekkige kennis natuurlijk. (14)
(Het klinkt bijna als Holden die een phoney ontmaskert, toch?) Bovenstaand stuk staat in de hij-vorm, maar het is overduidelijk geschreven vanuit Filip zelf. Na bovenstaande passages kiest Dros echter plotseling een nieuw perspectief van waaruit ze zaken over Filip vertelt die hij anders nóóít zou vertellen, en die hij misschien niet eens van zichzelf weet:
Bij alles wat hij deed, hield hij rekening met de indruk die hij maakte en hij was daardoor voor erg veel dingen bang, maar vooral voor zijn eigen oordeel dat genadeloos was. (14)
Een werkelijk schitterende passage, waarin ook nog de belangrijkste thematiek van het boek besloten ligt. Als Filip ontdekt dat hij homo is, is hij namelijk bang voor het oordeel van iedereen, terwijl hij zonder het zelf te weten misschien wel het meest vreest voor zijn eigen oordeel.
Dros’ stijl is indringend, met zeker in het begin veel prachtige associatieve overgangen. De brieven die Rogier aan Flip schrijft, zijn stuk voor stuk schitterende monologen, die mij al die jaren nog bijgebleven zijn. Ik heb nu echt zin gekregen om alle boeken van Imme Dros te herontdekken. Dat ga ik niet meteen doen, want er is nog veel nieuws te lezen, maar voortaan lees ik wel met in mijn achterhoofd de geruststellende gedachte dat er nog boeken zijn waar ik altijd terecht kan.

Twits, The - Roald Dahl (1980)

Alternatieve titel: De Griezels

3,5
Ted Kerkjes (moderator)
Dichter bij de buren

Misschien zou ik mij schuldig moeten voelen, maar aan de andere kant kan ik het ook niet helpen dat ik bij het lezen van The Twits vrijwel continu aan mijn buurman en mijn buurvrouw heb moeten denken. Nee, mijn buurman heeft geen baard vol etensresten en voor zover ik weet heeft mijn buurvrouw geen glazen oog - haar ogen kijken in ieder geval wel dezelfde kant uit - maar die twee oudjes doen ontzettend lelijk tegen elkaar. Bijna iedere dag breekt de hel los aan de andere kant van de muur: ze ruziën om de haverklap en bovendien om de meest stompzinnige dingen, en ik kan het weten, want ze verheffen hun stemmen daarbij zodanig dat ik alles haarfijn kan verstaan. Ik heb ze nog nooit hard horen lachen samen en ik heb ze ook nooit een ruzie horen goedmaken (gelukkig), zodat ik mij wel afvraag waarom ze bij elkaar blijven. Ze zijn ook niet getrouwd of zo. Ik vraag mij oprecht af wat die twee nog bij elkaar houdt. Wat bindt hen?
Hetzelfde geldt voor Mr. en Mrs. Twit: ook zij hebben een eigenaardige verhouding samen. Wat hen het meest lijkt te binden, is eigenlijk hun wederzijdse haat. Ze lijken elkaar te haten -ze proberen elkaar immers constant uit de kant ruimen - maar eigenlijk uiten zij hun liefde in haat. Tussen de regels is namelijk, volgens mij, ook veel liefde te lezen.
De eerste helft van het boekje gaat vooral over hoe Mr. en Mrs. Twit elkaar dwars zitten: ze bedenken de meest krankzinnige manieren om elkaar een hak te zetten. In de tweede helft spannen de dieren samen om het echtpaar uit de weg te ruimen, wat uiteindelijk natuurlijk lukt. De eerste helft vond ik aanzienlijk sterker dan de tweede helft. Roald Dahl is een meester in het neerzetten van walgelijke personages. Dahl zuigt de weerzinwekkendheden uit zijn duim zoals Mr. Twit bedorven etensresten uit zijn baard likt. Echt fantastisch.
En toch schemert er tussen al die haat en nijd een straaltje liefde tussen die twee bullebakken. Dat zit in kleine zinnetjes als
“You're plotting something. (...) Whenever you go all quiet like that I know very well you're plotting something.”
Dit klinkt liefdevol: Mrs. Twit kent haar man door en door en weet precies wat ze aan hem heeft. Het klinkt ergens vertrouwd.
Dit komt ook in de schitterende tekeningen heel mooi naar voren. Ik moet eerlijk bekennen dat ik nooit zo verzot ben geweest op de illustraties van Quentin Blake (ik vond ‘m altijd een beetje overgewaardeerd), maar zijn aandeel in dit boek vind ik echt heel goed. Hoe Blake met enkele lijnen die twee griezels tevoorschijn tovert en ze ook nog echt diepte geeft, is echt meesterlijk. En alleen al die omslagtekening is al fantastisch: hoe Mr. en Mrs. Twit zo gemeen grijzend tussen die distels staan. Maar ook op die tekening zien ze er niet enkel en alleen haatdragend uit, want ergens schemert ook een tikkeltje gezelligheid door. (Vind ik dan.) Iedereen ziet dat die twee voor elkaar gemaakt zijn.
De tweede helft van het boek, met die rancuneuze apen en die vogels, vond ik, zoals ik al schreef, aanzienlijk minder boeiend. Die hele wraakactie had wat mij betreft iets teveel een sfeertje van ‘we gaan die slechteriken eens hun verdiende loon geven!’ Ik denk overigens niet dat Roald Dahl het einde ook met die intentie geschreven heeft. Eerlijk gezegd vermoed ik dat Dahl het niet zo zeer als “rechtschapen moraalridder” schreef die vindt dat het onkruid uitgeroeid moet worden, maar eerder als sardonische sadist die graag een gemeen plannetje bedenkt. Maar toch ademde het einde toch iets teveel die sfeer, naar mijn smaak. En ik kon niet in die sfeer meegaan, want van mij hoefden die Twits niet zo nodig vernietigd te worden. Waarom weet ik ook niet precies, want normaal gesproken kan ik echt wel diepe haatgevoelens koesteren jegens gemeneriken, zeker als het ook nog dierenbeulen zijn. Maar toch, bij de Twits had ik dat niet zo… Zou dat heel misschien zijn omdat ze mij zo aan mijn buren deden denken?
Zou het? Dan hebben de Twits mij dichter bij mijn buren gebracht...!