menu

Hier kun je zien welke berichten Ted Kerkjes als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Raafs Reizend Theater - Ted van Lieshout (1986)

3,5
Ted Kerkjes (moderator)
Een sterk debuut van Ted van Lieshout. Van Lieshout is -vermoed ik- vooral bekend van zijn poëzie. Zijn proza is minder bekend, op zijn schitterende Gebr. na. Absurditeit en nonsens lijken centraal te staan in het vroege proza van Van Lieshout. De verhalen wekken de indruk vooral lichtvoetig te willen zijn. Zelden spelen normale mensen een rol.
Ook in dit boek is dat het geval: de mislukte tekening Kas loopt weg nadat hij wekenlang in een la gezeten heeft, en sluit vriendschap met Kip, een kip die rijmen kan. Gauw komen ze op een kermis terecht, waar ze "ontdekt" worden door Raaf. Deze bezit een reizend theater met slechts één act: de Vrouw met een Baard. In werkelijkheid is deze vrouw een man, een ex-boxer. Maar hij was het boxen beu en zo werd Matthijs Mathilde. Onder de indruk van de Rijmende Kip wil Raaf, aanvankelijk een vrij egocentrische zakenman, dat Kip het tweede mirakel in zijn voorstelling wordt. Aanvankelijk enigszins tegenstribbelend nemen Kas en Kip het aanbod aan. Na een tijd wordt het bonte gezelschap ook een hecht gezelschap.
Zoals het hoort ligt er een aantal obstakels op het pad van Raafs Reizend Theater. Zoals vaker in (kinder)boeken snapt de maatschappij de bedoelingen en levenswijze van de sympathieke excentriekelingen niet en probeert deze ze te beschaven. Zo wijst een schoolhoofd in dit boek Kas op zijn leerplicht en fronst men in de stad de wenkbrauwen als ze Kip zien: een kip hoort immers in de soep. Af en toe wordt de lichtvoetigheid van het verhaal onderbroken en is er een serieuzere onderlaag zichtbaar. Het personage Mathilde leent zich hier erg goed voor: een man die zich als vrouw verkleed. Veel mannen zijn verliefd geworden op de Vrouw met Baard, niet wetend dat het een verklede man is. Als ze ten huwelijk gevraagd wordt, moet ze de mannen teleurstellen, want "mannen kunnen nou eenmaal niet met mannen trouwen".
De bijfiguren zijn vrijwel allemaal akelige personen die alleen maar aan zichzelf denken. Het beste en schokkendste voorbeeld hiervan is (spoiler!!) de tekenaar, die de hoofdpersonage vermoord, omdat hij Kas "mislukt vindt en aan zijn reputatie moet denken".
Tegen het einde wordt het boek wat rommelig en het zakt naar mijn mening even in na het eerste "hotelbezoek". De zoektocht naar Mathilde en Kip vind ik niet helemaal geslaagd. Maar het einde maakt dat allemaal weer goed, zodat het zeker een heel positief gevoel achterlaat.

Al met al een zeer boeiend boek. Sowieso is de schrijfstijl van Ted van Lieshout erg treffend. Je moet ontzettend goed kunnen schrijven om een verhaal als dit op deze manier op te schrijven. Je moet beheerst kunnen schrijven, lijkt me, anders wordt het flauw.

In ieder geval een sterk debuut.

Reize door het Aapenland - J.A. Schasz (1788)

3,0
Ted Kerkjes (moderator)
Satire uit 1788, hoe interessant is dat!
Ik vind het altijd erg leuk om humor door de tijd heen te zien. Op één of andere manier heb ik de indruk dat humor veel veranderlijker is dan sentiment: er is volgens mij meer verouderde humor dan "verouderd verdriet", zeg maar. Geen idee of er eigenlijk onderzoek gedaan wordt naar de ontwikkeling van humor, maar dat zou wel interessant zijn. Nu ik erover nadenk, zal het ook wel ontzettend lastig zijn om dergelijk onderzoek te verrichten, want hoe stel je vast dat iets grappig bedoeld is en hoe achterhaal je of iets ook als zodanig werd opgevat? Maar goed, ik dwaal een beetje af.

Het is boeiend om een humoristisch werk uit de achttiende eeuw te lezen, en dan ook nog een satirisch (en dus in principe tijdsgebonden) boek! Gelukkig valt de tijdsgebondenheid van deze satire, voor zover ik kan beoordelen, wel mee: een groot aantal onderwerpen is redelijk tijdloos (het politieke gekonkel, de 'pasquilschrijver') en slechts een enkele keer verklaart een voetnoot een verwijzing naar de actualiteit van toen.
Over voetnoten gesproken: het boek wemelt ervan. In het Aapenland vind je onderhand meer voetnoten dan okkernoten. Nu vond ik de meeste annotaties wel zeer nuttig en interessant, maar hier en daar was het wel wat te veel van het goede: met woorden als 'vertoeven', 'schikking' en 'stotteren' kunnen de meeste lezers toch prima zelf uit de voeten zonder noten. Maar goed, verder niets dan hulde voor de uitgave van Peter Altena (en het leuke voorwoord van Gerrit Komrij).

De humor was een positieve verrassing: in het eerste hoofdstuk moest ik zelfs even hardop gniffelen! De openingszin van het boek is al geestig:
Hoe het bijkwam, weet ik volstrekt niet, maar wiskunstig zeker is het, dat mijn Wijf, mijn Dienstmaagd, mijn Paard en mijn Hond, bijna op één en het zelfde oogenblik, teffens in het water vielen.
De ik-persoon kan maar één van de vier van de verdrinkingsdood redden, dus hij moet een keuze maken. Ruim twee pagina's lang overweegt hij wie het nu toch worden moet, maar tegen die tijd is het al te laat. Als ik het zo opschrijf is het allicht niet geestig, maar de uitvoering van Paape is echt verrassend fris en humoristisch.
Omdat hij na dit voorval verdacht wordt van moord, moet de ik-persoon vluchten en zo belandt hij in het Aapenland. Daar streven de apen ernaar mens te worden. Er zijn twee stromingen: aan de ene kant de Nommerééniaanen, de aanhangers van de redelijke aap Nommer een, en de Nommervijfiaanen, de aanhangers van de populistische aap Nommer vijf. Vooral de de laatste kan op veel bijval rekenen met zijn plan om de staarten af te hakken om zo in één keer mens te zijn.

Het gedeelte in het Aapenland bestaat vooral uit veel gesprekken en discussies vol ontwrichtende denkfouten die humoristisch (zouden moeten) werken. Ik moest bij de dialogen soms een klein beetje aan Kafka denken. Niet al deze gesprekken in dit boek zijn even interessant en humoristisch, maar over het algemeen is het wel vermakelijk genoeg. Bovendien is het boek te kort om echt vervelend of langdradig te worden.

Het absolute hoogtepunt van de dialogen in het Aapenland is, wat mij betreft, het gesprek met de 'pasquilschrijver': een aap die satire schrijft. In dit gesprek wordt het boek zelfs een beetje méta!
Nommer 17: Schrijft gij ook over de publique zaaken?
De aap: Ik schrijf over alles, pro en contra. - Ik moet van alle Aapen leeven. - Ik heb tegenwoordig een lofdicht en een Hekeldigt onder handen, en dat beiden op Nommer Vijf.
Nommer 17: Maar hoe kunt gij daar iets goeds van maaken? - Het een of het ander moet u niet van harte gaan?
De aap: Het gaat mij alle beiden van harten.
Nommer 17: Dat is onmooglijk!
De aap: Gij zijt geen schrijver, Manmensch!
In dezelfde passage speelt Paape ook een uiterst vernuftig spelletje met de lezer, waarbij hij zichzelf ook niet spaart:
De Aap lachte, 't Is waar, zei hij, iemand die Pasquillen of Satires maakt, is vast te conscientieus [=gewetensvol] om een valschen naam aanteneemen.
Je moet weten dat Gerrit Paape dit boek onder de valsche naam J. A. Schasz publiceerde...

Het plot is over het algemeen nog verrassend onderhoudend (zeker voor een satirisch werk) en het einde mag ook wel een redelijke climax genoemd worden. Zelfs het 'het was allemaal maar een droom'-einde werkte in dit boek nog best functioneel.

Het leukst om te lezen vond ik eigenlijk dat Paape in zijn kritiek een echte satiricus blijft. De meeste werken uit deze tijd dragen een sterke moraal uit of een bepaald gedachtegoed, dus ik vreesde bij dit boek ook iets dergelijks, maar Paape kiest (gelukkig) geen partij. Zoals Gerrit Komrij in zijn (bijzonder leuke) voorwoord al schrijft:
Zoals elke goeie satiricus is Paape geen partijganger. (...) Hij stond bij voorbaat al buitenspel. Geen partij deugt bij hem. Hij zweeft er boven en bestudeerd klinisch de verschillende verschijningsvormen.
Erg fijn. Zo hoort goede satire wat mij betreft ook te zijn: humoristisch en ontwrichtend. (Daar kan de heer Lubach nog wat van leren.)

Wat voor mij wel afbreuk deed aan het boek is de rol van de vrouwelijke apen: dit zijn allemaal domme figuren die eigenlijk alleen maar aan seks denken. Hun politieke engagement bestaat vooral uit de angst dat met de staart ook het geslachtsdeel van de mannen zal worden afgehakt. Nu zijn alle figuren in het boek idiote figuren en is er eigenlijk geen "normaal personage" te vinden, maar toch vond ik de rol van de vrouwelijke apen uitermate storend. Beetje jammer.

Maar over het algemeen is dit satirische werk verrassend amusant.

Robin en God - Sjoerd Kuyper (1996)

3,5
Ted Kerkjes (moderator)
De opa en oma van Robin logeren een tijdje bij Robin en zijn ouders. Het is bijna kerstmis en opa en oma blijven nog tot na nieuwjaar. Robin is vooral gek op opa. Opa was vroeger matroos, hij heeft een tatoeage van een anker op zijn onderarm, hij heeft dezelfde humor als Robin en hij heeft een brommerige stem. Robin legt zijn hoofd altijd op opa's borst als hij voorgelezen wordt, want dan bromt die stem zó zijn oor in. Als opa voorleest over Piggelmee en bij het einde aankomt waarin Piggelmee's vrouwtje Onze-LIeve-Heer wenst te worden, vraagt Robin zich plotseling af wat dat nou precies inhoudt. ´Dat is God,´ legt opa uit. Maar wie of wat is God? Opa gelooft in God en kan prima vertellen wat hij gelooft. De vader van Robin is een vrij opdringerige atheïst, wat zo nu en dan voor korte ruzietjes zorgt. De gesprekken over God blijven in dit boek enigszins op de achtergrond: dit boek gaat toch hoofdzakelijk over kerst en alles wat daar bij hoort: spelen in de sneeuw, de kerstboom versieren, naar de kerk gaan, dineren enzovoorts. Verder speelt de vriendschap tussen Robin en opa een prominente rol, wat het boek erg lief maakt. Sjoerd Kuyper kan ontzettend goed vanuit een kind schrijven. Hij weet heel subtiel en geloofwaardig de Robins fascinatie voor zijn opa neer te zetten. Veel aspecten zijn erg herkenbaar, zoals dat vervelende gevoel dat je hebt als je in bed ligt terwijl je hoort dat er beneden gelachen wordt. Ook de grote mensen zijn erg goed neergezet, neem de vele volwassen grapjes die ze onderling maken. Ik vind het erg goed dat Sjoerd Kuyper niet alles als een volwassene uitlegt, maar zelf ook als kind naar antwoorden zoekt. Dat maakt het boek zo interessant. Ook omtrent God wordt er weinig echt uitgelegd, maar vooral gezocht. Opa zegt ook dat hij alleen maar gelooft, en dat het best zou kunnen dat God helemaal niet bestaat. Het zou alleen mooi zijn als dat wel het geval zou zijn. Robins fascinatie voor God heeft vooral met zijn liefde voor zijn opa te maken, en die liefdevolle relatie tussen opa en Robin is wat dit boekje zo mooi maakt. Het grootste minpunt van dit boek is dan ook het somtijds al te idyllische sfeertje: af en toe is het wel héél volmaakt. (Neem nou dat kerstspel dat met het hele gezin gespeeld wordt.) Maar goed, het is een kerstboek, dus dat hoort er misschien gewoon een beetje bij. Verder was het kerstverhaal van Alexander ook behoorlijk oninteressant. Ik snap niet waarom dat zo nodig in het boek moest.

Maar verder bevat het boek veel mooie, poëtische zinnen en aandoenlijke of gezellige scènes.
Een erg leuk boek, dus.

Rover Hoepsika, De - Paul Biegel (1977)

3,0
Ted Kerkjes (moderator)
Dit boek heb ik vroeger heel vaak gelezen, omdat het in de schoolbibliotheek te krijgen was. Op de basisschool begonnen we een schooldag altijd met een kwartiertje lezen. Er werd veel om boeken geruzied. Het boek Deesje van Joke van Leeuwen was bijvoorbeeld erg populair. Iedereen wilde graag dat boek lezen, omdat daar zoveel plaatjes instonden, en zelfs een klein stripje. Als je het boek dat je graag wilde lezen bemachtigd had, mocht je dat houden zo lang als je wilde. Toch denk ik dat weinig klasgenootjes daadwerkelijk een boek uit hebben gelezen, want vaak ging de meester in het leeskwartiertje even weg, zodat menig leerling zijn of haar kans schoon zag om te kletsen.
Van alle boeken uit de schoolbibliotheek die ik gelezen heb, staan Deesje van Joke van Leeuwen, Kind te huur van Ted van Lieshout en De rover Hoepsika van Paul Biegel mij het helderst voor de geest. Nu ik deze boeken thuis in mijn boekenkast heb staan, kom ik er eindelijk aan toe om ze rustig te lezen.

Paul Biegel kon zijn werk naar eigen zeggen in twee categorieën plaatsen: hij schreef boeken die wat moeilijker waren, wat serieuzer en vaak ook wat duisterder, zoals De tuinen van Dorr, de boeken van Haas, Anderland en Nachtverhaal. Daarnaast schreef Biegel boeken die puur grappig of spannend waren. Biegel zei dat hij dan iets schreef om "kinderen een middagje te vermaken", alsof je ze meeneemt naar het circus. Voorbeelden uit deze categorie zijn de boeken over Virgilius van Tuil, de boeken over Japie, Tante Mathilde en de sterren van de grote beer en Juttertje Tim. Dit boek valt in de tweede categorie.
Ik vind het boek zeer vermakelijk. De hoofdpersoon in dit boek heeft een rovershart, maar wel één van goud. Hoepsika, de goedaardige rover, krijgt een opdracht om de mooie Josephine uit de handen van de valse ridder IJzergreep te redderen. Het boek heeft een enorme vaart en de schrijfstijl van Paul Biegel, met af en toe sporen van verouderd agrarisch taalgebruik, maakt dat dit boek erg goed geschreven is. Echter valt dit boek mij net iets te vaak in herhaling. (Na de zoveelste keer dat Hoepsika zichzelf weet te redden met behulp van zijn zilveren sporen, weet ik het wel.) Er wordt ook veelvuldig op Hoepsika geschoten, maar gelukkig telkens net toevallig mis.
Maar toch is het een erg leuk boek, en ik weet nog wel dat ik dit boek meerdere keren uit de schoolbibliotheek heb geleend. Ik heb mij hier zeker wel wat middagjes mee vermaakt.