menu

Hier kun je zien welke berichten Ted Kerkjes als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Nachtogen - Peter van Gestel (1996)

3,0
Ted Kerkjes (moderator)
Het boek begint met een kort stuk over de bijna zevenjarige Laura die een bril moet hebben. Met haar moeder, maar vooral met grote tegenzin koopt ze een bril. Laura ziet bij een rommelmarkt een opgezette uil, die haar moeder, ook met tegenzin, voor haar koopt. Het verhaal gaat verder als Laura dertien jaar is. Ze praat regelmatig met de uil, die net als zij "nachtogen" heeft, ze kan beter zien in het donker dan als het licht is. Het kind is een markant meisje, dat volgens haar omgeving te kinds is voor haar leeftijd - het praten met de uil is hier een sprekend voorbeeld van. (Nee, ik kon die woordgrap niet laten.) Het speelt zich allemaal af op de dag voordat Laura veertien wordt. Ze verslaapt zich en mist hierdoor een proefwerk biologie. In plaats van dit proefwerk in te halen, neemt ze de rest van de dag ook vrij en slentert wat rond. Zo gaat ze langs bij haar vaders werk, waar ze ontdekt dat haar vader een maîtresse heeft. Laura ontmoet verder nog een vriendinnetje, met wie ze een nachtelijke trip maakt.

Over het hele boek hangt een soort vervreemende sfeer. Dat geen enkel personage in dit boek ze allemaal op een rijtje lijkt te hebben, helpt niet echt. Peter van Gestel is ontzettend sterk in dialoog. Nu zijn de dialogen ook wel sterk -ze springen van de hak op de tak- , maar toch werkt het niet optimaal, omdat alle mensen in dit boek idioten lijken te zijn. Koos Hawinkels schreef in het blad Tsjip: "Maf. Allemaal mafketels. Dat is wat permanent door mijn hoofd speelde bij het lezen van Nachtogen van Peter van Gestel. En, om met Reve te spreken, er komt weer geen normaal mens in voor. Net alsof Wim T. Schippers de hele tijd meegewerkt heeft." (bron: dbnl Tsjip. Jaargang 6)
De titel van dit boek doet vermoeden dat de zogenaamde "nachtogen" van Laura belangrijk zijn of iets wezenlijks aan het verhaal toe zouden voegen, maar het is niet meer dan één van Laura's vele vreemde eigenschappen. Of zouden ze iets symbolisch hebben? Aan het einde van het boek wordt enigszins gesuggereerd dat ze beter in het licht kan zien. Moet de lezer hieruit afleiden dat haar "ogen geopend zijn"?
Verder vond ik het einde ook tegenvallen. Volgens de achterzijde van het boek, die op deze pagina als plotomschrijving is weergegeven, is Laura "wakker geschrokken, snel van begrip, zeer ondernemend en doortastend". Dit is nauwelijks te lezen. Aan het einde van het boek doet ze weliswaar haar uil weg, maar ze handelt verder weinig anders dan aan het begin. Bovendien vind ik het verontrustend dat volwassen-worden zou betekenen dat je niet meer met uilen mag praten.

Wat het boek voor mij redde, is de schrijfstijl van Van Gestel. Zijn dialogen, ofschoon mafketelig, zijn toch een genot om te lezen. Verder bevat dit boek een aantal leuke gedachtekronkeltjes en overpeinzinkjes.

Nachtverhaal - Paul Biegel (1992)

4,5
Ted Kerkjes (moderator)
Paul Biegel is voor mij onlosmakelijk verbonden met een leraar van de basisschool. In mijn herinnering was het een zeer oude man. Toen ik hem jaren later nog een keer toevallig tegenkwam en hij geen steek veranderd was, besefte ik mij dat hij vooral in mijn kinderogen oud geleken moest hebben, net zoals de moeders van mijn klasgenoten die altijd "gewoon oud" waren. Dat deze docent oud leek, zal niet in de laatste plaats komen door de prachtige, grijze baard die hij droeg. Alsof deze baard op zichzelf niet fantastisch genoeg was, was deze goede man ook gezegend met de kunst van het vertellen. Hij kon de klas met zijn virtuoze vertelwijze en zijn verhalen moeiteloos stil krijgen: als hij vertelde, hing iedereen aan zijn lippen. Voorlezen kon hij ook. En als hij voorlas, was dat meestal uit het werk van Paul Biegel. Dat is niet vreemd, want Paul Biegels boeken zijn boeken waarin het vertellen zelf een grote rol speel. Neem bijvoorbeeld Het sleutelkruid, waar de verhalen de koning in leven houden.
Niet zelden wordt Paul Biegel "meesterverteller" genoemd. En geheel terecht: zijn boeken zijn betoverend, spannend, fantasierijk, origineel, maar ook ingenieus geconstrueerd en soms ondoorgrondelijk. Dat Biegel ook echt een kunstenaar is en een begaafd schrijver, blijkt ook uit de verhaallijnen die vakkundig door elkaar gevlochten zijn en nog prachtige losse eindjes bevatten waar de lezer nog fijn aan kan peuteren.

In dit boek is Biegel echt op zijn best.
Het hoofdverhaal over de huiskabouter die in een poppenhuis woont. Dit poppenhuis bevindt zich weer in een oude villa waar een oude vrouw woont, en stiekem nog een Pad en een Rat. De huiskabouter doet iedere nacht trouw zijn ronde door het huis om te controleren of het gas niet aan staat, of er ergens nog licht brandt en dat soort zaken. Pad en Rat zijn een soort van vrienden van de kabouter en iedere zaterdag komen ze bij hem kaarten, wat met een hoop geruzie gepaard gaat. Het liefst zou de kabouter die twee de deur uit zetten, maar hij gedoogt ze toch maar. Als er op een stormige, regenachtige nacht een verzopen fee bij de kabouter klopt, weet de kabouter niet goed wat te doen. Hij is ietwat bang, want kunnen feeën niet toveren? Hij besluit haar één nachtje te laten blijven. Daarna moet ze weer verder. De vleugels van de fee zijn flink gehavend. De kabouter is nieuwsgierig en vraagt hoe dat zo gekomen. Het verhaal is lang en spannend, en de fee vertelt zó goed dat de kabouter iedere avond nieuwsgieriger en nieuwsgieriger wordt naar de afloop en iedere dag weer belooft dat de fee wat langer mag blijven. Dit gegeven doet uiteraard sterk aan de Verhalen uit Duizend-en-één-nacht. Zelf legt Biegel deze link ook al door als motto van het boek een citaat van Sheherazade te gebruiken: "...maar ziet, lieve, de zon komt op, ik moet mijn vertelling staken..."
De lezer blijft net zo geboeid als de kabouter. De verhalen van de feeën zijn avontuurlijk, sprookjesachtig en fantasierijk. De fee vertelt dat ze de Dood zoekt sinds ze een hommel zag die stervende was. Die zoektocht brengt haar in alle uithoeken van de wereld, maar niet tot haar doel, want sterven is slechts weggelegd voor mensen en dieren: sprookjesfiguren kennen geen tijd. Dag en nacht is voor hen slechts een verschil in licht. Dit gegeven komt ook naar voren in bepaalde uitspraken van de fee, zoals: “Urenlang, kaboutertje, of weken, of maanden, of jaren, ik weet het niet." Als er een tijdsduur gespecificeerd wordt, is dat in symbolische aantallen, waarin vooral het getal zeven vaak terug komt.
Ik vind het ontzettend knap dat Biegel zelfs van de piepkleine rol van de stervende hommel een volwaardig, boeiend en levendig figuur te maken. Het mooiste verhaal van de fee vind ik van de Urukuu, de aartslelijke kobold, die uit de grond wilde om “de mooite” van de wereld te zien.
De kobold Urukuu kwam uit de grond en zag voor het eerst de blauwe lucht. ‘Wat een mooie deksel zit er op de wereld!’ riep hij uit. ‘En alles past er precies onder!’ Hij keek en keek, zo groen waren de bomen, zo geel de paardenbloemen, maar een beuk was rood, wat een mooite, wat een mooite!
Dat is toch prachtig?

In dit boek is Biegel ook wat betreft schrijfstijl op zijn best. In de vertellingen maakt hij veel gebruik van alliteratie en rijm. Dit doet hij op een goede manier, niet op Suske en Wiske-niveau. Bovendien mogen sprookjesfiguren dat. Ook bevat het verhaal, zowel in verhaallijn als in taal, subtiele herhalingen. Deze herhalingen doen wat denken aan de verhalen van Grimm en Andersen, die ook herhaaldelijk herhalingen bevatten, maar Biegel zet ze wat subtieler in.
Overigens moet ik niet de illustraties van Lidia Postma vergeten: prachtige prenten met hele interessante technieken. Ik kwam erachter dat er ook kleurenuitgaven van het boek zijn verschenen. Zelf heb ik een zwart-wit-editie. Dit maakt het wel wat spannender, doordat je soms echt goed moet kijken wat er te zien is. Het zijn illustraties zoals illustraties mogen zijn: ze vullen aan, zetten aan tot verder fantaseren. Ze geven niet alles meteen weg, maar laten ruimte over tot interpretatie. Erg knap!
Interessant in dit boek is de combinatie van de sprookjeswereld en de wereld zoals wij die kennen. Vaak wordt dit niet bijster goed gedaan: meestal fungeert één van de werelden als decor of als zijtakje. In Nachtverhaal zijn beide werelden even belangrijk en interessant. Of de werelden wel zo gescheiden zijn, is overigens ook niet helemaal duidelijk. Hier zal ik maar niet te veel op ingaan, want ik wil niets verklappen…
Het einde is fantastisch. Biegel weet precies genoeg af te sluiten en precies genoeg open te laten om de lezer zelf aan het denken en vooral aan het fantaseren en mijmeren te zetten.
Hoewel Paul Biegels boeken uiteraard nauw verwant zijn aan de klassieke sprookjesverhalen, eindigen zijn verhalen nooit met “En ze leefden nog lang en gelukkig.”
Gelukkig niet.

Nijlpaard Ellende, Het - Harrie Geelen (2004)

3,5
Ted Kerkjes (moderator)
In dit boek observeert de zielige puber Sep het wel en wee van zijn omgeving. Sep zelf wordt regelmatig in elkaar geslagen, hij plast in zijn bed en hij vind zichzelf lelijk. Hij vraagt zich dan ook af of spiegels wel te vertrouwen zijn. Maar of hij zelf nog niet genoeg problemen heeft, gebeurt er in Seps Limburgse omgeving ook meer dan normaal: zijn moeder gaat vreemd, een docent sterft voor de klas, een vriend lijkt homo te zijn en nog veel meer. Op de achterzijde van het boek staat dat Sep iedereen probeert te redden. Dit valt echter wel mee: hij beziet het geheel vooral en op een gegeven moment lijkt hij iets te willen ondernemen, maar hij wordt weinig nadruk op gelegd. Dit is volledig in stijl, want in het hele boek wordt er eigenlijk nergens bijzondere aandacht aan geschonken: de gruwelijke ongelukken en al het provinciale verdriet lijken de normaalste zaken van de wereld. Alles wordt even koel geschreven, waardoor het leed humoristisch wordt.
Geelens schrijfstijl is erg prettig, en het grootste pluspunt van het boek. Hij weet met humor de situaties en personages neer te zetten. De hoofdstukken hebben allemaal iets afgeronds, omdat Geelen regelmatig ter afsluiting refereert aan iets wat eerder aangehaald is. De ene keer is dit slot beter gelukt dan de andere keer.
Het verhaal is niet altijd even boeiend. Echt sprake van een duidelijke hoofdlijn is er niet en soms lijken er willekeurige gebeurtenissen opgesomd te worden. Het eerdergenoemde leed stapelt zich op tot een vreemde toren die humoristisch wankelt. Ik vermoed dat de meeste verhalen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, want anders vraag ik me af waarom de auteur die zou verzinnen. Van één gebeurtenis weet ik dat het uit het leven van Geelen is gegrepen: over de aanrijding met de kar vertelde de schrijver in een interview met Wim Brands.

Een goed boek, met name vanwege Geelens vertelstijl.

Nos - Nikolaj Gogol (1836)

Alternatieve titel: De Neus

3,0
Ted Kerkjes (moderator)
Misschien had ik dit verhaal niet direct na ‘Dagboek van een gek’ moeten lezen. Het viel me namelijk wat tegen: wederom maakt Gogol op absurdistische wijze een satire op de (Russische) maatschappij binnen het aristocratische wereldje. Het kwam op mij allemaal niet zo origineel meer over, maar dat is dus misschien meer te wijten aan het feit dat ik kort daarvoor ‘Dagboek van een gek’ had gelezen. Zelfs de beginzinnen leken op elkaar:
Vandaag gebeurde er iets vreemds.
Op de vijfentwintigste maart zich in Petersburg een abnormale gebeurtenis voorgedaan.

Hoewel de vorm van de twee verhalen duidelijke overeenkomsten heeft in de thematiek en de benaderingswijze ervan, zijn er ook vormelijke verschillen: waar in ‘Dagboek van een gek’ een “gekke” verteller het alledaagse beschreef, wordt in ‘De neus’ op een alledaagse manier iets geks beschreven. De verdwijning van de neus wordt namelijk tamelijk droogjes beschreven in een zakelijke schrijfstijl. Deze droge benadering werkt in het begin nog wel enigszins. Ik moest met name lachen om de barbier Ivan Jakovljevitsj die de neus van een klant in een broodje vindt.
’De droes mag weten hoe dat nou kan’, zei hij [=Ivan] tenslotte, terwijl hij zich achter het oor krabde. ‘Ik kan werkelijk niet meer vertellen of ik gisteren dronken ben thuisgekomen of niet. Maar alles wijst er op dat hier iets geks aan de hand is. Want het brood is goed doorbakken, maar die neus is helemaal niet gaar. Ik begrijp er geen snars meer van…’
Maar al gauw kakt het allemaal wat in, vind ik. Op een gegeven moment ben je als lezer wel aan het gegeven gewend en is zo’n neus gewoon niet zo grappig meer.

Het einde waarin de verteller of de auteur toegeeft dat het allemaal nergens op slaat en zich hardop afvraagt wat het nut van zo’n verhaal is, voelt ook wat makkelijk. (Merk hier trouwens op dat zowel ‘Dagboek van een gek’ als ‘De neus’ gebruikmaken van een onbetrouwbare vertelinstantie.) Misschien dat zoiets toentertijd wel grappig en scherp was, maar ik vond het wat afgezaagd.

Maar nogmaals: misschien had ik het verhaal leuker gevonden als ik het niet meteen na 'Dagboek van een gek' had gelezen. Wellicht dat ik dit boek over vijftig jaar nog eens moet proberen.

Overigens is het natuurlijk eeuwig zonde dat er in de Nederlandse vertaling geen woordgrapje met ‘loopneus’ gemaakt wordt. Gemiste kans.

Nu in Handige Meeneemverpakking - Ted van Lieshout (2013)

3,0
Ted Kerkjes (moderator)
De artiest die zijn hele artistieke loopbaan zijn uiterste best deed zichzelf te vernieuwen, presteert het met dit werk om binnen één bundel in herhaling te vallen.

In 2011 introduceerde Ted van Lieshout met zijn bundel Driedelig paard twee nieuwigheidjes: het beeldsonnet en het blokgedicht. Laat ik met het beeldsonnet beginnen: het beeldsonnet is een sonnet (twee keer vier regels, twee keer drie regels), maar dan van beelden. Dus sinaasappels of schelpen of wat dan ook. Het blokgedicht is een tekst in de vorm van een blok (een gevulde bladspiegel), waardoor de tekst van al haar uiterlijke kenmerken is ontdaan, zodat de lezer niet in één oogopslag ziet dat het om een boodschappenlijstje of liefdesbrief gaat, maar echt moet lezen om daar achter te komen.
Het oeuvre van Van Lieshout kenmerkt zich door eigenzinnigheid en eigenwijsheid. De kunstenaar experimenteert er in zijn bundels flink op los met taal en beeld en slaat om de haverklap een nieuwe weg in. In "Een lichtblauw kleurpotlood en een hollend huis", een fantastische conceptuele dichtbundel, experimenteerde hij met verschillende soorten papier, zoals doorzichtige vellen; in "Multiple noise" stonden schetsen en studies centraal; in "Mama, waar heb je het geluk gelaten" verkende hij de mogelijkheden van fotobewerking, et cetera. Driedelig paard vond ik een zeer sterke bundel. Toch hoopte ik dat Ted van Lieshout wel weer snel een andere weg in zou slaan, want ik vond dat de mogelijkheden van het beeldsonnet en het blokgedicht wel verkend waren. Op het beeldsonnet was ik al vrij snel uitgekeken: na een bundel beeldsonnetten heb je het wel gezien, lijkt me. Het blokgedicht vind ik wel een aardig concept, maar ik had met Driedelig paard al het vermoeden dat Van Lieshout zelf ook niet echt wist wat hij ermee aan moest. Het idee dat de lezer echt moet lezen om erachter te komen om wat voor tekst het gaat, doet suggereert een diversiteit aan tekstsoorten, maar in Driedelig paard zijn de meeste teksten geen bijzondere teksten, maar "gewoon teksten": verhaaltjes, gedachten, et cetera, en geen boodschappenlijstjes of zoiets. Dit deed verder geen afbreuk aan Driedelig paard, want het waren zeer sterke teksten, maar de mogelijkheden van het blokgedicht leken mij wel zo'n beetje verkend.
Helaas is Van Lieshout geen nieuwe weg ingeslagen. Het beeldsonnet heeft hij uitgemolken in "Rond vierkant vierkant rond", overigens met de hulp van vele anderen, want veel mensen hebben het beeldsonnet ook thuis uitgeprobeerd - het is immers vrij makkelijk -, en met deze bundel voor volwassenen haalt hij weer het blokgedicht uit Driedelig paard van stal.

Het boek begint met een voorwoord, waarin Van Lieshout de lezer de "spelregels" van het blokgedicht uitlegt, want dit boek is voor grote mensen en die hebben de kinderbundel Driedelig paard uiteraard niet gelezen, en zullen dat na dit boek ten onrechte zeker niet doen. De auteur vertelt dat volgens hem een boodschappenlijstje een verhaal of een gedicht kan zijn. Een interessante stelling die hij helaas wat sober onderbouwt, maar het is wel een typische dwarse opvatting. Daarna schrijft Van Lieshout dat hij de uiterlijkheden waaraan je een tekst normaliter aan herkent, geschrapt heeft om tot de essentie te komen van de woorden die er staan. Daardoor moet de lezer lezen om erachter te komen wat voor tekst het is. "Daarmee wordt wat louter vorm wat onderdeel van het verhaal. Tegelijkertijd wijst de manier waarop alle teksten uniform tot dezelfde abstracte vorm van een blok (...) zijn gedwongen in de richting van het gedicht." (bron: Nu in handige meeneemverpakking; van Lieshout, Ted: 2013, Querido) Dit laatste vind ik een idioot standpunt. Alsof een gedicht louter vorm is! Alsof je een willekeurige tekst tot gedicht kan vermaken door het in bijvoorbeeld twee keer vier en twee keer drie regels te gieten! En hoe zit het dan met vormvrije verzen? Verder suggereert Van Lieshout ook in dit boek weer een grote diversiteit aan tekstsoorten, maar dit is absoluut niet het geval. Vrijwel alle teksten zijn zeer zakelijke brieven, geschreven in formeel taalgebruik.
De blokken zijn vaak humoristisch bedoeld. Deze bundel heeft een zeer sterk satirisch karakter, want de auteur levert dikwijls kritiek op de onmenselijke maatschappij, waarin bureaucratie en afstandelijkheid zegevieren. Opvallend veel blokken gaan over de zorg. Een geslaagd blok is dat over mevrouw Heyminck ("Contract beëindigen") die per brief heeft medegedeeld dat zij "aan het eind van haar leven is en niet wil dat er gas en elektriciteit wordt geleverd als zij eenmaal is overleden". Dit blok is heerlijk absurd en snijdt ook nog eens een ethisch vraagstuk aan. Vooral in de absurde blokken over de zorg komt de kritiek goed naar voren, maar op een gegeven moment weet de lezer het wel en valt de auteur echt te vaak in herhaling.
Een ander hoogtepunt is "Oproep voor de trein": een oproep voor de joden die meereizen met de trein naar Westerbork. Dit blok is wel het toppunt van onmenselijkheid, en het blok maakt des te meer indruk als je aan het einde van het boek leest dat Van Lieshout dat blok niet zelf schreef, maar dat destijds echt gebruikt werd...
Maar goed: is dit bericht uit de Tweede Wereldoorlog een gedicht omdat het in blokvorm is gedrukt?

Het formele taalgebruik maakt dat het boek wat vermoeiend is om te lezen. Misschien dat het boek beter gedoseerd gelezen kan worden. De vele stilistische herhalingen en herhalingen in onderwerpkeuze maken het boek naast vermoeiend ook nog eens bij vlagen een beetje irritant. Op enkele originele gedachten na is het boek een vervelend werk. Het blok "Een kind uitlachen" is een blokgedicht dat doet denken aan de kwaliteit van Driedelig paard.