menu

Hier kun je zien welke berichten Ted Kerkjes als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Maar Ik Ben Frederik, Zei Frederik - Joke van Leeuwen (2013)

3,5
Ted Kerkjes (moderator)
Dit is Joke van Leeuwen. Het is opvallend hoeveel boeken van haar beginnen met de simpele introductie van de hoofdpersoon en de problematiek. In bijna alle boeken wordt de hoofdpersonage in de eerste zin meteen geïntroduceerd, en als het even kan ook "het probleem".
Kukel begint als volgt: 'Kukel, die eigenlijk Josofus heette, had zeven grote zussen die prachtig konden zingen.' En het eerste hoofdstuk van Iep! gaat als volgt: 'Warre hield van vogels.' De wereld is krom maar mijn tanden staan recht begint met 'Op een dag kwam ik ter wereld!' en Het verhaal van Bobbel die in een bakfiets woonde en rijk wilde worden met 'Bobbel werd geboren in een bakfiets.' (In dat laatste boek is het probleem zelfs al in de titel verwerkt.) Het kinderboekenweekgeschenk Het weer en de tijd opent met de zin 'Max won nooit wat.' Maar soms begint Van Leeuwen nog eenvoudiger: dan begint het boek gewoon met de introductie van de hoofdpersoon. Alsof ze met een leeg podium begint en de protagonist vanuit de coulissen de schijnwerpers induwt, als een Pieke. Neem het begin van De metro van Magnus: 'Dit is Magnus Melk.' Of het begin van Deesje: 'Dit verhaal gaat over Deesje.' Of het begin van Sus en Jum: 'Ik ben Sus.' En soms introduceert de schrijfster zichzelf: 'Ik ben ik.'
Dit boek past in die traditie met de openingszin: 'Dit verhaal gaat over Frederik.'

Frederik is een volwassen man die een vrij eenzaam en kleurloos leven leidt. Hij werkt op een "knipselkantoor" waar hij nieuws uit kranten moet knippen. Als hij op een dag de overlijdensadvertentie van een oude bekende tegenkomt en uitknipt, verandert hij plots in een jongetje.

Het gegeven van een groot mens in het lichaam van een klein mens levert natuurlijk de nodige problemen op. Het grootste gedeelte van het boek focust hierop. Pas naar het einde toe krijgt het boek diepgang en wordt het allemaal interessant. De avontuurtjes daarvoor zijn soms aardig, maar nergens echt goed. Het gegeven van een groot mens in het lichaam van een klein mens komt deels minder goed uit de verft doordat Joke van Leeuwen bepaalde elementen niet consequent toepast. Wel bevat het boek een aantal typische Joke van Leeuwen-passages die sprankelend zijn, en het einde maakt ook veel goed.

Mensen Die Achterbleven, De - Martijn Neggers (2016)

1,0
Ted Kerkjes (moderator)
Makkelijke mistroostigheid

Op de achterzijde van 'De mensen die achterbleven' staat dat het naar aanleiding van Neggers' columns in het Brabants Dagblad lezersklachten regende als "Een tsunami aan alledaagse treurnis" en "zeer deprimerend". Ik vermoed dat deze debuutroman overeenkomt met de columns voor het Brabants Dagblad. Eigenlijk is dit boek niet meer dan een veredelde verzameling columns. Bovendien is het overduidelijk dat Neggers probeert tragi-komisch te zijn, net zoals in zijn columns.
Het boek, dat een semi-autobiografie genoemd wordt, gaat over Martijn Neggers. In hoeverre het verhaal daadwerkelijk betrekking heeft op de auteur, weet ik natuurlijk niet en dat doet ook niet ter zake. Martijn Neggers vindt het leven in Valkenswaard maar niets en besluit naar Tilburg te vertrekken om daar een groots en meeslepend leven te leiden. Van dat plan komt natuurlijk niets terecht en Neggers belandt van de ene zogenaamd troosteloze situatie in de andere.
Tragi-komische humor is een lastig genre, zowel om te maken als om te definiëren. Je zou namelijk kunnen verdedigen dat vrijwel alle vormen van humor in essentie tragikomedies zijn, want we lachen vrijwel enkel en alleen om het menselijk falen. (Waarmee ik overigens niet wil beweren dat bijna alle humor leedvermaak is.) Een bekende beoefenaar van de typische tragikomische humor is Hans Dorrestijn. Waar Dorrestijn, mits in vorm, originele beelden weet te kiezen om de tragiek van het menselijk bestaan te illustreren, slaagt Neggers hier totaal niet in. De mistroostigheid is voor de hand liggend en oppervlakkig: een klein provinciaals dorpje, lullige hobby's, de Xenos, groezelige cafeetjes, tijgerprint, et cetera. Allemaal clichébeelden. Veel verder dan dat gaat de humor in dit boek niet en het verhaal gaat weer niet verder dan deze platte humor, dus zo blijft er weinig meer van dit werkje over.
Waar goede (tragikomische) humor juist spanning veroorzaakt, blijft Neggers' humor oppervlakkig en spanningloos.
Naarmate het boek langer doorgaat, wordt het steeds duidelijker dat Neggers gaat voor de flauwe fluthumor en verder niets te zeggen heeft. Met de 'plottwist' aan het einde wilde Neggers zijn boekje waarschijnlijk wat diepgang geven, maar het is juist de zoveelste cliché op de hoge stapel.

Mouse and His Child, The - Russell Hoban (1967)

Alternatieve titel: Vader Muis en Zijn Zoon

3,0
Ted Kerkjes (moderator)
Het komt niet vaak voor dat ik een boek koop van een auteur die ik totaal niet ken. Als ik een werk aanschaf, ken ik de schrijfster of schrijver van een boekje dat ik misschien ooit eerder heb gelezen of van een prijs die de auteur ooit heeft ontvangen of de naam is op één of andere manier verbonden met iets, waardoor deze bij mij vaag ergens een belletje doet rinkelen. Van dit alles wat echter hier geen sprake: Russell Hoban was mij volledig onbekend. Waarom heb ik dan toch dit werkje gekocht? Tja. Wellicht dat de pentekening om de voorkant in combinatie met de titel mij zodanig heeft weten te vertederen of anders zullen de vele worm(?)gaatjes in de omslag wel een grote aantrekkingskracht op mij hebben gehad. Sowieso kan ik maar met moeite een (oud) boek terugleggen als ik het eenmaal goed bestudeerd heb. Hoe dan ook: het feit dat het boek is verschenen bij uitgeverij Bert Bakker zal wel ongetwijfeld een rol hebben gespeeld. Dan is het in ieder geval niet standaard, dacht ik. En dat is ook zo: het is geen standaard boek. Maar helaas erg geslaagd evenmin.
Een minpunt vond ik de vele uitgebreide omschrijvingen, die in mijn ogen (zoals zo vaak) onnodig waren, en die het boek soms ronduit vermoeiend maakten. Ik houd niet zo van ellenlange omschrijvingen van plaatsen of ruimtes. Vooral omdat deze de lezer de mogelijkheid tot visualisatie ontnemen. Als ik een goed boek lees, leef ik me wel zodanig in dat ik situaties voor me zie. Dan heb ik daar vaak geen hulp bij nodig. Hoban omschrijft in dit boek onder andere een onguur rattenhol. Nou, alleen al bij deze twee worden dansen er duistere beelden van rokerige, smerige, druipende stegen op mijn netvlies, dus erg veel uitleg is overbodig.
Nu is het natuurlijk een ander verhaal wanneer je met een originele invulling van het beeld komt. Er zijn schrijvers die zo schrijven dat ik zelfs hun langste omschrijvingen kan verdragen. Die schrijven dan ook vaak poëtisch, waardoor ieder woord op de juiste plek staat en er genoeg ruimte overblijft voor de lezer om het beeld zelf te vormen.
Wat mij betreft kun je schrijven heel goed vergelijken met tekenen. Ik houd van tekeningen waarin een heel beeld gesuggereerd wordt met enkele slimme lijnen. Je moet niet alles tekenen, want dan is er weinig aan: dat ziet de kijker gewoon wat er is. Nee, een tekenaar dient met een handjevol strepen een wereld te scheppen, zodat de kijker ziet wat er niet is. Dat is spannend, en dat is de kracht van de verbeelding en de kunst. Een schrijver dient hetzelfde te doen, maar dan met taal. Er zijn ook heus wel omschrijvende schrijvers die ik kan waarderen -ik weet even geen namen- en ook enkele makers van zeer gedetailleerde prenten weten mij te bekoren: zo'n weelderige gravure van Gustave Doré is natuurlijk indrukwekkend, maar interessanter vind ik sobere schrijvers en sobere tekenaars bij wie elk woord en elke lijn onmisbaar zijn.
Het gevaar dat bij gedetailleerd werken op de loer ligt, is dat de kern kwijtraakt. De illustraties in "The mouse and his child" van Russell Hobans vrouw Lilian lijden aan dit euvel: door een overdaad aan arcering zijn de hoofdlijnen, om ze zo maar te noemen, moeilijk te onderscheiden. Wat dat betreft passen de prenten uitstekend bij het boek, want van hetzelfde probleem heeft de taal van de schrijver ook last: de hoofdlijnen van het verhaal verzuipen in de omschrijvingen. Soms moest ik een alinea herlezen, omdat de gebeurtenissen mij waren ontgaan.
Dit had overigens ook te maken met het feit dat er een heleboel dingen plaatsvonden die ik niet had voorzien. Het verhaal was bloederiger dan ik had verwacht. Niet bloederiger dan het leven in de natuur, allicht, maar op de één of andere manier verwacht je van antropomorfische dieren toch wat meer "beschaving". In de meeste dierenverhalen is dat ook zo, maar in dit boek niet: er wordt heel wat gemoord en veel dieren worden zonder pardon opgegeten, op een laconieke manier. Het leven is hard in de natuur, ook als de beesten babbelen, kleren dragen en weten hoe een lichtnet aan te sluiten.
In veel dierenverhalen zijn tevens knipogen naar de mensenmaatschappij te vinden, en dit verhaal is geen uitzondering op deze regel. Hierin verraadt het boek haar leeftijd. De avant-gardistische, experimentele toneelgroep; de zweverige oosterse filosofie; de psychotherapie en de krekelmuziek (ik vermoed in het Engels muziek van de beatles), verwijzen subtiel naar de jaren zestig. (In Nederland verscheen het boek echter pas in de jaren tachtig...) Vooral de bijfiguren zorgen voor deze leuke referenties.
Dit boek moet het sowieso van de bijfiguren hebben. De protagonisten zijn ronduit saai en vlak. Het zijn toch echt de personages als de roerdomp en de bisamrat die echt leven en het boek interessant maken. Deze komen met interessante dialogen en boeiende gedachtekronkels. Vader Muis en zijn kind zijn toch een soort bordkartonnen bruggetje tussen de vele randfiguurtjes.
Het werk wekt de indruk erg avontuurlijk te willen zijn, maar dit komt helaas niet echt goed uit de verf. Op de één of andere manier lijken alle verre uithoeken slechts twee stappen verder en de problemen die zich voordoen en de gevaren die het pad van de opwindmuizen kruizen, lijken nooit ook maar enigszins dreigend. Misschien komt dit ook doordat de slechterik Manneke Rat te clichématig is en daardoor te vlak. Hij is de baas van de vuilnisbelt waar de speelgoedmuizen terechtkomen. Daar regeert hij als een meedogenloze tiran en slavendrijver over al het opwindspeelgoed. Dit klinkt misschien wel spannend, maar als de handlangers van Manneke Rat een liedje zingen, is de dreiging wel ver te zoeken. Waarom Manneke Rat nou precies zo overdreven kwaad op de muizen is en waarom hij zint op wraak, is mij niet geheel duidelijk. Dat de wraakzucht ook niet bijzonder diepgeworteld is, blijkt ook aan het einde van het boek, als hij enkele rigoureuze karakterontwikkelingen doormaakt. Hier lijkt het alsof de schrijver niet precies wist hoe te eindigen: het hele boek is de slechterik slechter tot op het bot, dan wordt hij opeens goed, dan blijkt hij toch weer slecht, maar uiteindelijk is hij toch weer goed... Zo'n figuur kun je moeilijk serieus nemen.
Wel geslaagd aan het einde vond ik de geschiedenis van het hotel. Dat was zo overdreven en absurd dat ik het hilarisch vond, en volgens mij was dat ook de bedoeling. Dat de zwerver aan het eind nog eens langskomt, is ook wel aardig.

Al met al vooral een vreemd boek. Ik twijfel tussen een 2,5 en een 3,0.