menu

Hier kun je zien welke berichten Ted Kerkjes als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Lachaanval, De - Tjibbe Veldkamp (2002)

4,5
Ted Kerkjes (moderator)
Wat mij precies fascineert aan De lachaanval, weet ik niet, maar vanaf de eerste leesbeurt vond ik het al een fantastisch boek en sindsdien is het één van mijn favorieten gebleven. Het gaat over twee vrienden: de ik-persoon zonder naam en Auke. Ze zijn vijftien jaar en zitten bij elkaar in de klas en ze houden zich vooral bezig met het maken van absurde grappen. Met deze grappen proberen ze, anarchistisch als ze zijn, het autoritaire gezag van hun school te ondermijnen. Het is misschien wat "puberaal", wat dat ook mag betekenen, maar ik vind het wel charmant. Het doet me vaag qua thematiek sterk denken aan Liefdewerk oud papier van Karel Eykman: in dat boek tracht de redactie van de schoolkrant de censuur tegen te gaan die de directie in hun blaadje pleegt. Ik verder eigenlijk niks met dat boek - ik heb het ooit gelezen, maar ik ben alles zo goed als vergeten, maar ik weet wel nog dat Eykman op de achterflap van het boek iets schreef, wat ik wel interessant vond:
Je hebt in die tijd allemaal dingen tegelijk uit te vechten: met jezelf, met je vrienden, met meisjes, met je ouders, met de leraren, en in elk gevecht zit iets van: als ik nou toegeef dan word ik mijn verdere leven behandeld als een ondermaats scholiertje. (...) Alles is op die leeftijd een testpunt en op die momenten zie je of iemand voor de rest van zijn leven de dingen zal slikken of niet.
Of ik het er honderd procent mee eens ben, weet ik niet, maar ik heb wel het gevoel dat er iets van waarheid in zit, in de zin dat ik denk dat voor veel mensen de middelbareschooltijd een erg vormende periode is.
Ook in dit boek gaan de jongeren tegen het gezag in en ik vind die oorlog heerlijk om te lezen, want hier is het hoofdwapen de absurde humor. De ik-figuur en Auke zijn grote bewonderaars van Duchamp en het dadaïsme, dus de insteek van hun humor is te laten zien hoe absurd en onzinnig alles is. Heerlijk!
Ik zie dat op het internet het boek als een humoristisch boek omschreven wordt. Dat is het zeker wel, maar daarmee wordt dit werk toch tekort gedaan: humor speelt een grote rol in dit werk, maar dat komt vooral doordat het een belangrijk onderwerp is. Dit boek is dus niet zo zeer humoristisch, maar het gaat over humor. Dat is een zeer belangrijk verschil. Stiekem worden er heel veel thema's behandeld: vriendschap, liefde, volwassenworden, anarchisme, eenzaamheid, depressie en dus humor. De hoofdpersoon maakt een grote karakterontwikkeling door, waarin humor de leidraad is. Wanneer iets, of het nu een boek, een gedicht, een lied of een film is, humor bevat, wordt het al gauw minder serieus genomen. Dat vind ik erg onterecht.
Tjibbe Veldkamp heeft zich bijzonder knap ingeleefd in de hoofdpersoon, die wel één van mijn favoriete hoofdpersonen is. Zijn gedachtekronkels zijn dikwijls erg geestig en herkenbaar. Hij wordt van gevoel naar gevoel geslingerd, zoals dat in de puberteit vaak gebeurt, en dat heb ik zelden zo goed geschreven gezien.
Ik kan eigenlijk niet anders zeggen dan dat ik het boek fantastisch vind. Natuurlijk is dit boek niet perfect, maar ik zou enigszins liegen als ik dit boek lager dan vijf sterren zou geven.
Ik vermoed dat herkenbaarheid bij mij ook een grote rol speelt: ik herken mezelf erg goed in de hoofdpersoon.
Ondanks dat het toch een vrij dun boek is, gebeurt er ontzettend veel in en verandert het boek vaak van setting. Tjibbe Veldkamp heeft ook echt een zogenaamde filmische schrijfstijl: ik zag alles direct als een film voor me. Ook de gigantische, chaotische finale vond ik echt een filmisch einde.

Tja, ik vind het gewoon geweldig.

Lampje - Annet Schaap (2017)

4,0
Ted Kerkjes (moderator)
Een onbekende plaats in een onbekende tijd, in die abstractie speelt Lampje zich af. Het boek bevat veel elementen van vroeger, maar ook veel moderne aspecten. Die onduidelijkheid vind ik heel fijn. Het is tijdloos. Het geeft het boek meer vrijheid. Het boek is zo ook haar eigen context, haar eigen wereld. Verwijzingen naar zaken buiten het boek zijn er wel, maar het gaat dan vaak om intertekstuele verwijzingen naar andere werken die óók een wereldje op zich zijn, zoals de sprookjes van Andersen (zie ook het motto).

Wat mij vooral aansprak aan het boek is de setting: het verhaal speelt zich af in een kustdorp met zwarte huizen, nare kermissen, donkere bossen, verlaten vuurtorens en bijna overal stinkt het wel naar iets als rotte vis of zo. Echt prachtig neergezet.
Ik zag het allemaal een beetje voor me in de sfeer van de film ‘La Cité des Enfants Perdus’ van Jean-Pierre Jeunet en Marc Caro. Dat komt sowieso doordat ik de film redelijk recent gezien heb, maar ook vast omdat de zee in die film net zo groenig is als de zee op de omslagafbeelding van dit boek. Net als Jeunets film is 'Lampje' een duister en avontuurlijk sprookje vol vreemde figuren. De personage Lampje lijkt ook best wel op Mitte, de protagonist uit ‘La cité des enfants perdus’, die ook voor niets bang is.
Annet Schaap is wat mij betreft vooral op dreef in de zogenaamde world building. Sommige passages zijn echt schitterend: de verschuiming van Edwards tante is echt een heel sterk stuk, dat ook dramatisch goed werkt. Ook de freakshow op de kermis, geen bijster origineel gegeven, wist Schaap toch verrassend uit te werken. Overigens zag ik, door mijn associatie met Jeunets film, de dwerg Oswald voor me als Dominique Pinon en de Siamese tweeling als die akelige ‘La Pieuvre’ uit de film.

Ook het verhaal weet zeker te boeien. Schaap werkt de personages allemaal goed uit, met name uiteraard de hoofdpersoon. Haar innerlijke dialogen zijn fantastisch om te lezen. Ik leefde ook echt met Lampje mee - zeker in de scene dat ze haar vader wil bezoeken, maar het huis afgesloten aantreft en vervolgens haar kwade gedachten projecteert op de planken, de meeuwen en de zee. Lampjes (aanvankelijk vrij sombere) gedachtewereld is echt een grote meerwaarde voor het boek.

Een klein minpuntje aan het boek vond ik toch wel het einde: het voelde voor mij toch te veel als het samenrapen van alle losse eindjes, bijeen knopen en klaar. Niet dat ik het slecht bedacht vond allemaal - zeker niet - maar het einde focuste wat mij teveel op het afwerken van het plot, en dan merk je als lezer gewoon weer dat je een verhaal aan het lezen bent.
Paul Biegel (met wie Annet Schaap na dit debuut, wat mij betreft terecht, veelvuldig vergeleken wordt) laat (in zijn goede boeken) de eindes wat meer nazinderen, er blijven nog wat losse eindjes voor de lezer om aan te peuteren. Biegels eindes zijn wat meer verstild en sfeervoller. Het is een slot op een kier. En dat miste 'Lampje' een beetje, naar mijn smaak.
Overigens verzuipt het plot ook wel een beetje in zijplotjes: Schaap gooit doorheen het boek veel balletjes op, die ze niet allemaal even mooi weer opvangt. Dat zijplotje met Juul (de vrouw met de baard) had van mij niet gehoeven op deze manier: het had of mogen worden uitgebreid of gewoon achterwege worden gelaten. Nu hing het er een beetje bij.
Maar goed, verder heb ik ontzettend veel van dit debuut genoten. Het blijft ook verbazingwekkend dat Annet Schaap, die hiervoor al decennialang boeken illustreerde, nu pas met dit geweldige romandebuut komt. Volgens mij is Annet Schaap een betere schrijver dan alle auteurs voor wie ze ooit getekend heeft

Lapjesbeest, Het - Paul Biegel (1962)

3,5
Ted Kerkjes (moderator)
Paul Biegel zal wel altijd met sprookjes in verband worden gebracht en dat is zijn eigen schuld. Neem de beginzin van dit boek:
Barbara heette het meisje eigenlijk, maar omdat ze twee vuurrode wangetjes had, noemde iedereen haar Bessewang.
Dit doet direct denken aan sprookjes, waar bijna iedereen zijn of haar naam verleent aan uiterlijke kenmerken: Roodkapje, Goudhaartje, Sneeuwwitje, Langnek et cetera.
Omdat Bessewang een hondje wil, maakt haar moeder er één van gordijn, zakdoek, pannelap en broekspijp. In het begin vindt Bessewang het nog geen hond:
't Is helemaal geen hond," zei Bessewang. "'t Is een raar lapjesbeest..."
Maar niet lang daarna doopt ze hem toch 'Bontehond' - een erg creatieve naam, vind ik - en later verwijst ze naar hem met 'mijn hondje'. Het lapjesbeest en Bessewang zijn onafscheidelijk, maar op een dag laat Bessewang haar vriendje per ongeluk in de put vallen. Zelf kan ze Bontehond niet terughalen en iedereen om haar heen heeft het te druk om haar te helpen.

Het is erg leuk om te lezen dat ook in dit vroege werkje van Biegel veel Biegelementen al aanwezig zijn: de sprookjessfeer, maar ook het mengen van fantasie en werkelijkheid en ook het einde is typisch Biegeliaans. Zoals in het sprookje van Vrouw Holle de put een poort naar een andere wereld blijkt als de protagonist haar spoel achterna springt, zo brengt ook de put in dit boek Bessewang naar een andere wereld als zij besluit haar Bontehond zelf te redden. Of haar belevenissen in de put echt gebeurd zijn, laat Biegel in het midden.
Het verhaal is te kort om een diepe indruk achter te laten, maar het toont wel Biegels vakmanschap: om in zo weinig bladzijdes een goed verhaal te vertellen en om ook nog eens zo poëtisch af te sluiten, moet je een taaltovenaar zijn.

Leon & Juliette - Annejet van der Zijl (2020)

1,0
Ted Kerkjes (moderator)
Boekenweekbashing #2

Dit jaar was er meer te doen om het boekenweekessay dan om het geschenk. Best een prestatie van Eus, want de meeste essays kan ik me niet meer herinneren. Dit geschenk zal me ook niet echt bijblijven, ben ik bang, want helaas was het totaal niet aan mij besteed.

Leon & Juliette vond ik een dodelijk saaie feitendiarree. Ik heb nooit eerder iets van Annejet van der Zijl gelezen, maar ik denk dat haar genre mij gewoon niet ligt. Het hele verhaal kon me totaal niet boeien. De liefde tussen Leon Herckenrath en Juliette MacCormick de Magnan wordt enkel afgeleid uit documenten, enige emotie ontbreekt totaal. Misschien hoort dat nu eenmaal bij het genre dat Van der Zijl beoefent, maar die werkwijze levert wat mij betreft gewoon geen goed werk op. Het boek had wellicht wat interessanter kunnen zijn als de auteur de lezer had meegenomen in haar speurtocht: dat we over haar schouder mee konden kijken naar het “reconstrueerproces”. Allicht was er dan ook meer ruimte geweest voor een persoonlijke noot. Nu krijg je als lezer gewoon een droge opsomming voorgeschoteld van alle feitjes die Van der Zijl kan opdreunen.

Ik moet zeggen dat ik ook hier en daar mijn twijfels heb over de werkwijze van Van der Zijl. Ze geeft zelf toe dat er bitter weinig harde feiten bekend zijn over Leon en Juliette, maar dit lost ze - naar mijn smaak iets te vaak - op door gaten te vullen met haar eigen aannames en projecties. Het grootste gat dat Van der Zijl probeert op te vullen is de liefde tussen Leon en Juliette – nota bene het onderwerp van het boek. Van Leon en Juliette zelf zijn helaas geen dagboeken overgeleverd, maar Van der Zijl citeert wel uit het dagboek van “een neef van Leon” als hij over Juliette schrijft. Deze neef schrijft over Juliette het volgende:
...zulk een schoonheid is niet te beschrijven ... diepliggende ogen, een kleine neus, een fijngevormde mond met rode lippen, de onderlip ietwat dikker, ietwat vooruitstekend, de schedel klein, rond, een overvloed van glazig blauwzwart, niet-krullend haar, de wangen onbeschrijfbaar schoon, met een weinig, zeer weinig rood in de bruinachtige bleekheid. ... ” (31)
Persoonlijk zou ik het niet echt een prettig idee vinden als mijn neef zoiets over mijn partner zou schrijven, maar goed. Die neef van Leon heeft diens vrouw blijkbaar goed bekeken, maar helaas schrijft hij niets over Juliettes karakter en ook de relatie die Leon en Juliette met elkaar hadden heeft het dagboek niet gehaald. Wel besluit de neef zijn ongemakkelijke beschrijving met de woorden:
Wie de liefde van zulk een vrouw genieten mag, moet zich meer dan een mens voelen. (31)
Uit de context blijkt wel dat “zulk een vrouw” gelezen moet worden als “zulk een mooie vrouw”. Dat Van der Zijl dit zinnetje nog een keer door het boek laat echoën als Juliette overleden is, vind ik een beetje wrang, want het is een totaal geen mooie of hartverwarmende zin, gezien de context waarin het stond.

Hoe Leon en Juliette precies over elkaar dachten en hoe ze met elkaar omgingen wordt dus niet duidelijk. Van der Zijl doet haar best om de relatie zo idyllisch mogelijk over te laten komen, maar het blijft allemaal enorm oppervlakkig. Dit zal wel komen doordat er nu eenmaal geen bronnen voor handen zijn die enige diepgang in het verhaal kunnen brengen, dus die diepgang probeert de auteur erop te plakken. Soms gaat Van der Zijl hierbij niet echt eerlijk met haar bevindingen om en valt er wel enige self-serving bias te bespeuren. Bijvoorbeeld hier, als Juliette net onverwacht overleden is:
Leon was zelf kennelijk dermate overstuur dat hij niet in staat was om zelf aangifte van het overlijden van zijn vrouw te doen. Die taak werd overgenomen door zijn oudste zoon Gerard en zijn broer Louis (…). (76)
Hier springt de auteur wel heel losjes met de feiten om, lijkt me: dat Leon niet zelf aangifte van Juliette’s overlijden heeft gedaan kan allerlei redenen hebben gehad. Misschien werden zijn emoties hem inderdaad te veel, maar misschien had hij gewoon iets anders te doen.

Waar ik ook moeite mee heb, is de manier waarop Annejet van der Zijl omgaat met het racisme. Ze lijkt heel erg de “progressieve Leon” tegenover het “racistische Charleston” te zetten, maar ik vraag me toch af hoe eerlijk dat is. Leon hield weliswaar zelf geen slaven en in zijn handel maakte hij ook geen gebruik van slavenarbeid, maar hij hield wel, uit zakelijk oogpunt, Juliette en hun kinderen verborgen voor zijn collega’s. En als Leon later zijn bedrijf overdraagt, is zijn opvolger geen voorstander van het abolitionisme. Had hij geen opvolger kunnen vinden met een verlichter gedachtegoed, die wellicht positieve invloed kon uitoefenen op Charleston?
Van der Zijl lijkt ook een beetje aan te nemen dat Leon geen racist kán zijn, omdat hij nu eenmaal met de zwarte Juliette is getrouwd, maar dat lijkt me veel te simpel gedacht. Er zijn genoeg getrouwde heteroseksuele mannen die er tegelijkertijd een seksistisch of zelfs misogyn gedachtegoed op nahouden. (Sterker nog: er zijn ook vrouwen die op partijen als SGP stemmen.) Ik zeg niet dat ik denk dat Leon een racist was, maar ik denk ik wel dat Van der Zijl een iets te simplistisch beeld schetst en dat het allemaal wat complexer ligt.

Helaas weet Annejet van der Zijl haar feitenstroom nergens ook maar een beetje op te fleuren met enige literaire kunstgrepen. Het boek begint met een soort proloogje, waarin we kennismaken met Leon die aan het begin staat van een duel. In dit proloogje fantaseert Van der Zijl wat er door Leon heen gaat vlak voor zo’n duel.
Wat gaat er door het hoofd van een man die weet dat hij binnen enkele tellen van dichtbij doodgeschoten kan worden? (7)
Toen ik dit las, verwachtte ik dat dit duel wel een belangrijk moment in het boek zou zijn. Misschien, dacht ik, is de rest van het boek een lange flashback, en eindigt het boek weer bij dit duel? Maar niets van dat alles: het duel komt later in het boek wel terug, maar het wordt haast en passant even genoemd. Van der Zijl heeft blijkbaar niet kunnen achterhalen wat de oorzaak van het duel geweest is, dus er wordt later nauwelijks aandacht aan besteed. Waarom het boek dan in hemelsnaam met dat duel moet beginnen is mij raadsel. Het lijkt dat de auteur gewoon spanning wilde opwekken. Daar is natuurlijk niets mis mee, maar die spanning wordt vervolgens nergens ingelost, want dat duel speelt verder nauwelijks een rol, want we weten niet hoe en waarom.
Overigens schrijft Van der Zijl in de proloog wel doodleuk:
Misschien is het vooral de aanleiding waar [Leon] aan denkt – de schimpende woorden, die hem geen keuze lieten dan vanuit zijn huis aan Magazine Street naar dit stukje niemandsland bij de Citadel te komen om zijn eer met zijn leven te verdedigen. (7)
Hier vult Van der Zijl weer een gat op met haar eigen verzinsels: de aanleiding van het duel is onbekend, maar hier spreekt ze wel van "schimpende woorden".

Verder kan ik over Van der Zijls schrijfstijl niets anders zeggen dan dat ik het beroerd vind. Qua emoties komt ze niet verder dan “Juliette. Alles, echt álles voor Juliette.” (9) en “het verlegen, koffiekleurige meisje met haar zachte handen” (8) of deze tenenkrommende passage:
En deze keer waren er geen zachte bruine handen om hem te verzorgen en van een wisse dood te redden. (78)
Nou, tot zover de liefde in deze “waargebeurde negentiende-eeuwse liefdesgeschiedenis die alles trotseerde, tot de vergetelheid aan toe”.

De beelden die Van der Zijl kiest, werken vaak ook voor geen meter. Vooral bij het beschrijven van de stad Charleston gaat ze zich echt te buiten aan de metaforen. Ze vergelijkt de stad eerst met een vrouw.
Was Charleston een vrouw geweest, dan zouden adjectieven om haar te beschrijven tekortgeschoten zijn. Mooi was ze ongetwijfeld, en daardoor trots en ijdel. Ze was fabelachtig rijk, gewend aan het beste van het beste en verzot op plezier en luxe. In veel opzichten was ze fantastisch gezelschap: gul, gastvrij en vrolijk; cultureel onderlegd en kosmopolitisch, dol op muziek, theater en dansen. Maar achter al die schoonheid en dat savoir-vivre was ze wreed, en als het erop aankwam hypocriet en volstrekt gewetenloos. (19)
Ik snap echt niet hoe je dit op kunt schrijven. Alleen aan die eerste zin deugt al helemaal niets:
Was Charleston een vrouw geweest, dan zouden adjectieven om haar te beschrijven tekortgeschoten zijn. (19)
Automatisch denk ik dan: “Maar gelukkig was Charleston geen vrouw, maar een stad, dus er zijn adjectieven zat.” Die zin slaat nérgens op: het hele idee van een vergelijking is juist dat je iets inzichtelijk maakt. Maar blijkbaar doet Annejet van der Zijl liever het tegenovergestelde, want ze beschrijft de stad door te schrijven “Als Charleston een vrouw was geweest, was ze onbeschrijfelijk”.
Ik merk dat ik het moeilijk vind om onder woorden te brengen waar de fout in de zin precies zit. Misschien dat ik het duidelijker kan maken door te schrijven wat er volgens mij had moeten staan. Ik denk dat Annejet van der Zijl iets wilde schrijven als: "Adjectieven schieten tekort om Charleston te beschrijven. Als ze een vrouw was geweest dan was ze ongetwijfeld mooi, ... et cetera." Maar in plaats daarvan schrijft ze dat Charleston onbeschrijfelijk was als het een vrouw was geweest. Maar dat slaat nergens op, want Charleston is een stad. Het is gewoon een slordige fout. Hoe dit langs een redactie is geglipt, is me een raadsel.
Bovendien is de vergelijking van een stad met een vrouw nogal een torenhoog cliché. Eigenlijk is überhaupt een dergelijke “vrouwenvergelijking” echt niet meer van deze tijd. (Ik raad Annejet van der Zijl aan om een keer The Madwoman in the Attic van Sandra Gilbert en Susan Gubar te lezen.)
Tot slot vind ik niet alle adjectieven die Van der Zijl gebruikt even goed werken. Vooral het woordje “kosmopolitisch” snap ik niet zo goed. Charleston is toch juist xenofoob en racistisch? Kosmopolitisme past daar toch niet bij? Maar goed.
Zelf lijkt Van der Zijl wel trots op haar metafoor, want op bladzijde 85 komt ze er nog eens op terug.
Zou Charleston inderdaad een vrouw zijn geweest, dan was er vier jaar later geen schim meer over van het prachtige, zelfverzekerde wezen dat Leon als jongeman had leren kennen. Gebutst en verbrand was ze, gewond en onteerd, verhongerd en vernederd. (85)
Eerlijk is eerlijk, hier werkt de metafoor al ietsjes beter, maar ik vind de adjectieven nog verwarrend. “Vernederd”, oké: een vrouw kan, net zoals ieder mens, vernederd worden. Maar “gebutst”? Bij dat woord denk ik niet aan een vrouw, maar aan een appel. Vergelijk Charleston dan met een appel, zou ik zeggen. En “onteerd”? Een mens kan inderdaad onteerd zijn, maar op Charleston lijkt me dat niet bepaald van toepassing: in het boek vertelt Van der Zijl nota bene over de meest gruwelijke praktijken, dus hoezo was de stad ooit eervol? Beetje raar.
Twee pagina’s later komt Van der Zijl met een geheel nieuwe metafoor voor Charleston:
Met overal half of geheel verwoeste gebouwen oogde de stad nu als een geschonden en goeddeels tandeloos gebit. (87)
Het is grappig dat dit boekje van nog geen honderd pagina’s aan droge feiten wel met zoveel verschillende metaforen voor één stad komt.

Een andere vondst waar Van der Zijl nogal trots op lijkt te zijn is het zogenaamd poëtische verband dat ze legt tussen Leons ziekte en de Amerikaanse burgeroorlog.
Zo gingen ze het jaar 1861 in, de man en de stad. Leon aan de ene kant van de wereld, Charleston aan de andere. Allebei vechtend voor hun leven, allebei gedoemd die strijd te verliezen. (81)
Drie bladzijden later:
Leon had zijn laatste gevecht gestreden, maar in zijn geadopteerde vaderland begon de strijd op dat moment nog maar net. (84)
In een boekje van nog geen honderd bladzijden komt zo’n herhaling nogal ongeïnspireerd over.

Aan de ene kant is het fijn dat Annejet van der Zijl af en toe in ieder geval haar best doet om de feitenbrei op te fleuren met wat poëtischer taalgebruik, maar aan de andere kant valt ze in die passages behoorlijk door de mand.

Ik kan me goed voorstellen dat liefhebbers van non-fictionele boeken van dit boek kunnen genieten, maar ik heb er eigenlijk helemaal niets mee. Ik vind de vorm die Van der Zijl hanteert ook irritant vlees noch vis: het is te veel non-fictie om een roman te zijn, maar het is tegelijk te geromantiseerd en niet-wetenschappelijk voor een goed informatief stuk, en daardoor kan ik er persoonlijk niet zoveel mee. Het is ongetwijfeld met de beste bedoelingen geschreven, maar het is gewoon totaal mijn smaak niet.

Al met al vind ik het overigens wel beter dan Jas van belofte. Er zit zeker wel een stijgende lijn in de geschenken.

Liefde en Wat Ervoor Doorgaat - Imme Dros (2000)

Alternatieve titel: Liefde en Wat Ervoor Doorgaat: De Mythen van Medeia en Iason, Alkestis en Admetos, Psyche en Eros

4,0
Ted Kerkjes (moderator)
Dit boek lijkt voornamelijk schreven te zijn om te vertellen hoe het verder ging met Medeia en Iason, die we nog kennen uit Reis naar de liefde; de eerste veertig bladzijden gaan over dit stel. Gelukkig, want dat is ook wel het meest interessante verhaal.
Dit boek had ook gerust Liefde en wat erdoor doodgaat mogen heten, want er wordt heel wat afgemoord. Imme Dros vertelt prachtig, en ook de gedachtegangen van de personages worden geweldig beschreven. Vooral Medeia, die gestoord wordt van de liefde, wordt prachtig beschreven. Hoe ze eerst haar eigen kinderen in slaap zingt, om ze vervolgens te vermoorden... Imme Dros vertelt aan de verhalen de ene kant vrij afstandelijk en koel, maar dit doet ze zo ongelooflijk poëtisch dat het veel te mooi is om een naslagwerk te zijn. Verder zijn de illustraties van Harrie Geelen erg mooi

4*, vooral voor het verhaal van Medeia en Iason.

Lieveling, Boterbloem - Margriet Heymans (1988)

4,5
Ted Kerkjes (moderator)
Bij boeken die ik heel goed vind, vind ik het altijd lastiger om iets origineels op te schrijven. Maar goed, laat ik toch maar in superlatieven uitbarsten: wat een geweldig boek!

De vorm van het boek heeft iets theatraals. Dit begint al met de prenten, want bovenaan iedere pagina is een tekening te zien waarop hetzelfde decor is afgebeeld: een bed, een nachtkastje en een open venster. (Later verandert dit beeld heel even.) Ook door het consequente zijaanzicht-perspectief lijken de tekeningen een podiumbeeld te tonen: de lezer lijkt in de zaal te zitten bij een toneelstuk.

Ook in de vorm van de tekst wordt duidelijk naar het theater verwezen: de regels hebben allemaal een ritme en bevatten veel (vrije) rijm, zoals in het klassieke theater. Bovendien zijn er regelmatig cursief gedrukte regels waarin een vreemde vertelinstantie de gebeurtenissen in het verhaal becommentarieert, zoals een Grieks Koor.

Maar ook in het verhaal zélf is het theaterthema aanwezig. Het verhaal begint met Berthe die haar pop Poppeleia naar bed brengt. Ze vertelt dat ze zelf nog strafregels moet schrijven: de juf van school heeft haar onterecht beschuldigd van diefstal en strafwerk gegeven. Als Berthe de kamer verlaat, komt "de boze heksenfee" door het open venster naar binnen geklommen. De feeks smijt Poppeleia woedend in het rond, scheldend en tierend.
Laat haar los fee,
laat haar gaan!
Poppeleia is onschuldig.
Nooit heeft ze nog van haar leven
aan iemand iets misdaan.
(11)
Als de heks verdwenen is komt Berthe bezorgd terug om haar pop te troosten en terug in bed te leggen. Dit herhaalt zich een keer, en de lezer heeft natuurlijk al meteen door dat Berthe en de boze heksenfee dezelfde persoon zijn: Berthe verschijnt in de gedaante van de heks om haar wraakgevoelens jegens de schooljuf te botvieren op haar onschuldige Poppeleia. De verhouding tussen Berthe en Poppeleia is ontzettend dubbel en naar: als heks zegt Berthe de meest gruwelijke en nare dingen tegen de pop, maar vervolgens komt ze terug vol berouw en liefde. Berthe speelt in het verhaal een wrange dubbelrol, waarmee de theater-achtige vorm van het boek zeer functioneel is. Ook in de prenten is dit prachtig verwerkt: als Berthe door de deur de scène heeft verlaten, verschijnt de feeks door het open venster op het toneel.

Wat voor mij het boek zo schitterend maakt, is de prachtige taal. Het rijm en metrum en de mysterieuze zweem om de taal vind ik gewoon fantastisch, maar ik heb daar ook gewoon een enorme zwak voor. Er zijn heel veel (onbegrijpelijke) regels die ik in een ander boek waarschijnlijk niet zou pikken, maar doordat dit boek zo'n heerlijke sfeer en muzikaliteit heeft, vind ik het prachtig. Neem nou het volgende fragment:
'Dat de bomen 's nachts verdwijnen
en mijn voetjes zijn versleten
voor de winter is vergaan,
kan niet schelen, maar dat jij me
niet kwam troosten, toen ik huilde,
me niet hoorde, toen ik riep;
ach, hoe zou ik dat vergeten!
Blijf je voortaan altijd bij me?'
'Altijd, dat kan niet Poppeleia,
maar wel voor de duur van één verhaal.' (15)

Dit boek was in 1989 de tweede winnaar van de Woutertje Pieterse Prijs, en net zoals de eerste winnaar, Annetje Lie in het holst van de nacht van Imme Dros en met tekeningen van dezelfde Margriet Heymans, bracht dit boek heel wat teweeg. Het zou te naar en bevreemdend zijn voor kinderen, de relatie tussen Berthe en Poppeleia te complex en de taal te onbegrijpelijk. Mij kan het uiteraard niet zoveel schelen wat kinderen hiervan vinden. Ik vind het in ieder geval schitterend van taal en ook de tekeningen hebben een geweldig vervreemdingseffect, om maar een theaterterm te droppen. Allicht zullen kinderen niet alles direct doorhebben, maar ik begrijp zelf ook lang niet alles. Bovendien vind ik begrijpen ook maar een heel klein onderdeel van het genieten van kunst. Neem nou Berthe's slotmonoloog:
'Later als ik groot ben, neem ik
kinderen met houten koppen,
die je zo in bed kunt stoppen:
dat ze niet meteen gaan huilen,
als je niet met ze wilt spelen,
of geen liedjes voor ze zingt.
Brood gegeten en gezwegen
over wat je niet kunt weten:
schemering, herinnering;
paardebloemen afgesneden,
hemel om een ziel gebeden.
Zij is een pop,
maar wie ben ik?' (38)
Hiermee eindigt het boek ook nog in een theaterstijl: Berthe bevraagt de rol die ze zelf speelt. Er zijn zoveel schitterende aspecten in het boek: het gaat over fantasie en werkelijkheid (Echt is goed en vals is slecht. / Kan een valse klikspaan echt zijn? / Kunnen echte leugens vals zijn?), over schuld en onschuld, liefde en haat, maar ook gevoelloosheid (Als je huilt van pijn, maar je voelt het niet, / heb je dan wel verdriet?).

Maar de betekenis van die paardenbloemen? Of die boterbloem uit de titel? Géén idee - maar alleszins prikkelend.