menu

Hier kun je zien welke berichten Ted Kerkjes als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Jannes - Toon Tellegen (1993)

4,0
Ted Kerkjes (moderator)
Alles is olifant

'Jannes' en 'Teunis' vormen samen een zeer interessant tweeluik, misschien wel het interessantste olifantentweeluik dat ik tot nu toe heb gelezen.
In 'Teunis' is de protagonist de enige olifant in mensenwereld en in 'Jannes' is de titelfiguur een olifant in een wereld vol verschillende olifanten. In beide boeken wordt de relatie van het individu ten opzichte van de groep geproblematiseerd.
In 'Jannes' is dus alles olifant: de mensen zijn olifanten, maar ook de vogels in de bomen zijn olifantjes en de kikkers in de plas en ga zo maar door. Tellegen omschrijft dit alles als een vanzelfsprekend gegeven, zoals hij dat altijd doet met de meest absurde zaken. Geweldig leuk. De beelden van Peter Vos zijn ook perfect voor het boek. Sowieso ken ik geen andere illustrator die het beter had kunnen doen - natuurlijk is Vos ook gespecialiseerd in dierenmetamorfosen, met name met vogels.

Het boek is misschien op het eerste gezicht een ‘standaard opgroeiboekje’: de kleine Jannes is een peuter die van alles ontdekt en zich continu verwondert over de wereld om zich heen. Ondertussen probeert zijn moeder de wereld uit te leggen en duidelijk te maken - maar natuurlijk ontwricht Tellegen alles weer.
Op een dieper niveau problematiseert Tellegen met dit boek volgens mij ook de relatie tussen cultuur en natuur en dan met name het zogenaamde onderscheid tussen mens en dier. Dat onderscheid is fictief, lijkt dit boek te zeggen: in de wereld van Jannes zijn alle wezens olifanten in verschillende vormen (vogel-olifanten, vissen-olifanten, et cetera) en in de wereld buiten het boek zijn alle wezens dieren in verschillende vormen (mens-dieren, kat-dieren, hond-dieren, et cetera). Door van alle wezens een olifant te maken, legt Tellegen in mijn ogen deze problematische verhouding bloot. Alsof hij wil zeggen: het maakt niet uit welke vorm je bent, iedereen is een olifant. Dit lijkt Tellegen te onderstrepen met het hilarische, ontwrichtende einde als Jannes en de rest van de wereld van de één op de andere dag nijlpaard is geworden.
Maar goed, dit is slechts mijn interpretatie, ik heb geen flauw idee of Tellegen dit ook zo bedoeld heeft. Allicht zegt de interpretatie meer over de lezer dan over het werk.

Dit boek lijkt dus samen met 'Teunis' een tweeluik te vormen. De vraag is dan natuurlijk hoe deze twee boeken zich precies tot elkaar verhouden. De boeken verschillen nogal van toon. Teunis is duidelijk de treurige van de twee. Waar Jannes zich geborgen weet in een groep, ervaart Teunis veel gevoelens van eenzaamheid. Voor mij voelen de boeken als een soort coming of age- verhaal: ik zie 'Teunis' als een soort vervolg op 'Jannes', waar de kleine Jannes de peuterjaren bestrijkt en Teunis de puberteit.
'Jannes' en 'Teunis' vormen samen wat mij betreft het leukste coming of age-tweeluik met olifanten!

Jas van Belofte - Jan Siebelink (2019)

0,5
Ted Kerkjes (moderator)
Boekenweekbashing #1

Dit is het eerste boekenweekgeschenk dat ik las en het viel me echt niet mee.

Het uitgangspunt van het verhaal deed mij enigszins denken aan Federico Fellini’s film ‘8½’. In deze sterk autobiografische film kampt een succesvol regisseur met een gebrek aan inspiratie. Terwijl de mensen om hem heen hem bewonderen en veel van hem verwachten, vervalt hij in gedroom over zijn verleden, waarbij fantasie en werkelijkheid door elkaar lopen. Woody Allen maakte later de film ‘Stardust memories’, een liefdevolle ode/schaamteloze rip-off [zelf doorhalen wat niet van toepassing is] van Fellini’s film. Overigens maakte Bob Fosse eerder dan Allen al de musicalfilm ‘All that jazz’, die ook sterk op het uitgangspunt van Fellini lijkt.

Om de gelijkenis tussen ‘8½’ en ‘Jas van belofte’ te zien, moet je de autobiografische elementen in dit werk kunnen herkennen; je moet weten dat Arthur Siebrandi eigenlijk gewoon Jan Siebelink is en dat Siebelink dus in dit boekje op zijn eigen werk en leven terugblikt. Als je niets van het werk en leven van Siebelink weet, heb je feitelijk niets aan dit boek, daarvoor staat het boek te weinig op zichzelf. Dat maakt dit boek in mijn ogen eigenlijk behoorlijk arrogant - zeker omdat het een boekenweekgeschenk is.

Is er iets goed aan dit boek? Ik zou eigenlijk niets weten te noemen. Alleen de naam van van de hoofdpersoon vind ik al belachelijk: Siebrandi. "Nee, dit boek gaat niet over Siebelink zelf, hoor: het gaat over Siebrandi!" Hoe kinderachtig kun je zijn. Als je dan toch namen verzint in een overduidelijk autobiografisch boek, verzin dan iets fatsoenlijks. Maar kom dan niet met een naam die klinkt als je artiestennaam als goochelaar (“Hier is… de Grote Siebrandi!”). Sjezes.
Daar komt ook nog bij dat de schrijver Siebelink het zijn personage Siebrandi eigenlijk geen moment moeilijk maakt. Sterker nog: Siebrandi wordt opgehemeld. Iedereen adoreert hem, de verteller (de schrijver) incluis. Op een gegeven moment ben ik de complimentjes aan Siebe...Siebrandi's adres gaan omcirkelen. (Omdat het toch een geschenk is, ben ik enthousiast in het boekje gaan strepen. Met pen.) Hier is een selectie: “Hartstochtelijker nog dan ervoor gaf hij les.”, “‘Wat jij voor je leerlingen overhebt, doet geen collega,’”, “‘Ze bezaten samen een schat aan kennis.’”, “‘Je verhaal heb ik gelezen. Beklemmend.’”, “‘Wonderbaarlijk hoe jij met Loet Petit-Fer omgaat. Dat lukt niemand.’”, “‘Ik wil meer dan die volmaakte roman.’”, “‘U heeft gevoel voor dat tijdperk.’”, “‘Jouw kijk op decadentie en symbolisme interesseert me.’”, enzovoorts, enzovoorts … En als Arthur dood is: “‘Ik heb zijn roman gelezen,’ zegt de verpleegster. ‘Dat heeft veel met me gedaan.’” Tsss.

Stilistisch is het boek ook idioot. Neem het volgende fragment.
Ze begon zijn buik te kussen. Ze bewoog haar hoofd heen en weer, met het volle, kastanjebruine haar, maar niets in haar op dit moment was ontkenning. Alles was bevestiging. Ze kwam terug bij zijn buik.
Hij dacht aan Caroline, bij de mand met de poes.
Lisettes gezicht was boven hem. Ze opende haar mond, sloot haar lippen om de zijne. Zij voedde zich als het ware met vuur.

Hoe moet ik dit nou voor me zien? Ze kust zijn buik. Daarbij beweegt ze haar hoofd heen en weer. Omdat het daarna over ontkenning gaat, zie ik dit heen-en-weer-gaan voor me als ontkennend hoofdschudden. En ondertussen is ze nog altijd die buik aan het kussen, dus dit is al een bezopen beeld. En vervolgens komt ze terug bij zijn buik…? Hoezo? Is ze dan weggeweest? Heeft ze zo wild met haar hoofd heen en weer bewogen dat haar mond de buik even kwijt was? Eerlijk gezegd vermoed ik (door de context waarin dit fragment staat) dat Lisette Siebrandi oraal bevredigd heeft, maar dat Siebelink niet de ballen had om dat op te schrijven.
Hij dacht aan Caroline, bij de mand met de poes.
Nou, ondertussen denkt Siebrandi dus aan Caroline die thuis op de poes aan het letten is. Dit is op zich al vreemd, maar ik moet ook nog opmerken dat eerder in deze “seksscène” Siebrandi al aan vruchtdood gedacht heeft en aan het onprettige gelach van Edwin, zijn redacteur. Toch staat er “Hij [=Siebrandi] onderwierp zich.” Ik vraag me af wat die onderwerping dan helemaal voorstelt als hij met zijn gedachten continu afdwaalt en die arme Lisette maar aan het kussen en schudden is.
Dan staat er “Lisettes gezicht was boven hem.” Volgens mij was dat toch al de hele tijd het geval?, denk ik dan, maar dan komt er: “Ze opende haar mond, sloot haar lippen om de zijne.” Blijkbaar is ze met haar bevestigende schudden alweer van zijn buik naar zijn lippen gegaan. Een schrijver hoeft zeker niet alles te beschrijven (zeker als hij niet goed schrijven kan), maar als je eerst alles heel minutieus beschreven hebt, is zo’n sprong opeens gewoon raar. Tot slot vind ik de zin “Zij voedde zich als het ware met vuur.” (met die totaal overbodige ‘als het ware’) echt superlelijk. Bovendien klopt die zin inhoudelijk ook niet helemaal, vind ik. In die zin wordt namelijk Arthur wederom centraal gezet, want de zin impliceert dat hij het vuur schenkt waaraan Lisette zich voedt. Maar is Lisette niet veel vuriger? Arthur zit daar maar als een zoutzak aan de poes te denken, terwijl Lisette al het werk doet!

Maar goed, er zijn nog veel meer van dat soort dingen in het boek. Ook zitten er van die kleine domme foutjes. Neem het volgende fragmentje:
Hij [=Edwin, Siebrandi’s redacteur] hamerde op het grondthema: de jongen vindt de gabardine jas.
Volgens mij is een thema in de literatuur, zeker een grondthema, iets abstracts. Die Edwin weet dus niet waar hij op hamert en valt daarmee door de mand als slechte redacteur.

Een heleboel ontwikkelingen komen volledig uit de lucht vallen en een heleboel blijft wat in de lucht hangen. De onderwijsvernieuwing, religie, liefde, angst voor de dood, het wordt allemaal aangestipt, maar niets wordt uitgewerkt. Het motto van het boek is een citaat van Albert Verwey: ‘De liefde die vriendschap heet.’ Dit lijkt het meest van toepassing op Siebrandi’s relatie met Loet IJzertje. Er hangt een vreemd soort homoseksuele spanning om die relatie. Maar ook dit blijft in de lucht hangen, dus het motto slaat ook al nergens op. Zelfs de titel ‘Jas van belofte’ is onzinnig.

Ik snap niet waarom het CPNB het Boekenweekgeschenk niet gewoon aan jonge auteurs uitbesteedt. Die zullen zich bescheidener opstellen, zodat je geen waardeloos egodocument krijgt dat nauwelijks op zichzelf kan bestaan. Veel beginnende auteurs schrijven bovendien ook korte verhalen, dus dat komt ook nog van pas.
Dit is gewoon een waardeloos, megalomaan, egocentrisch, flutwerkje.

Ziezo, mijn eerste boekenweekbashing zit erop. Volgend jaar weer!

Juffrouw Kachel - Toon Tellegen (1991)

4,0
Ted Kerkjes (moderator)
Juffrouw Kachel van Toon Tellegen is aan de ene kant een zeer a-typisch Tellegenboek, maar aan de andere kant volledig in zijn lijn. Vooral het onderwerp lijkt een vreemde eend in de bijt: Tellegen schreef voor Juffrouw Kachel uitsluitend gedichten en dierenverhalen. Vooral de laatste categorie kenmerkt zich door zijn oeverloze zorgloosheid. Een boek over een sadistische juffrouw Kachel ligt dan niet zo voor de hand. Toch is dit boek van Toon Tellegen direct te herkennen als van zijn hand. Dit komt door de vele potentiële scenario's. Tellegens oeuvre is wellicht wel het oeuvre waarin het minst gebeurt. Er wordt vooral een hoop gemijmerd over wat er zou kunnen gebeuren. Het toppunt hiervan is Brieven aan Doornroosje, waarin er zoveel gepiekerd wordt dat de scheidslijn tussen fantasie en werkelijkheid niet meer duidelijk is.

De ik-persoon in dit boek verzint in alle wat-als'en voornamelijk straffen voor zijn onrechtvaardige juf. De woede en onmacht spat van de bladzijden af en je leest en ziet ook hoe dit monster zijn gedachten volledig in beslag neemt. De jongen kookt als het ware over en braakt bijna zijn woorden en tekeningen uit over het papier. De tekeningen van Harrie Geelen dragen hier zeker aan bij.
Harrie Geelen heeft sowieso een grote rol gespeeld bij de totstandkoming van dit werk: Tellegen vertelde Geelen op een bijeenkomst van kinderboekenschrijvers in Baarle Nassau eind 1990 over een juffrouw die hij in de eerste en tweede klas van de lagere school had. Zij sloeg ook. Harrie Geelen spoorde Toon Tellegen aan hier een boek over te schrijven. Het is waarschijnlijk dat zonder dat gesprek dit boek er nooit was geweest, want Tellegen koestert geen diepgewortelde haat jegens deze lerares. Hij zei ooit: "Over haar gedrag heb ik me toen nooit verwonderd. Haar manier van doen was iets vanzelfsprekends. (...) Ik heb absoluut maar dan ook absoluut geen trauma of wat dan ook overgehouden aan die tijd. Integendeel, zelfs de nare herinneringen aan die juffrouw zijn mij op een bepaalde manier dierbaar." In zijn dankwoord dat hij uitsprak bij de uitreiking van de Woutertje Pieterse Prijs sprak hij: "Behalve u, wil ik ook Harrie Geelen bedanken, die als eerste een lucifer heeft afgestreken bij een aantal stoffige, donkere herinneringen, ze vlam heeft laten vatten, het kleine onwillige vuurtje heeft aangewakkerd en ten slotte het boek door zijn illustraties heeft laten gloeien en knetteren."

Dit boek is fascinerend, omdat de woede van het jongetje zo voelbaar is. Je leest hoe die juffrouw Kachel aldoor alom aanwezig is in zijn denken. Zelfs als de jongen even "afdwaalt" naar een onderwerp als voetbal, komt toch die juffrouw Kachel weer.
Hoewel de jongen duidelijk gelooft in de macht van het woord, dat blijkt wel uit zinnen als "Na mijn dood mag iedereen het lezen. Als juffrouw Kachel dan nog leeft dan hoop ik dat ze haar verdiende loon zal krijgen." en "Als ik schrijver ben mag ik zelf verzinnen hoe het met iemand afloopt. Dat is het leukste volgens mij.", zou hij het liefst, als hij later groot is en juffrouw Kachel een oud, weerloos vrouwtje, zelf wraak nemen. Hij hoopt dan ook dat ze dan nog wel leeft...
Wat juffrouw Kachel nu precies bezielt, houdt Tellegen zorgvuldig in het midden. Dat haar wel iets mankeert, laat hij doorschemeren in de reacties van de volwassen op haar gedrag, die vooral medelijden met haar lijken te hebben. Dit is een buitengewoon verstandige zet van de schrijver, want hierdoor is juffrouw Kachel niet "gewoon een gemeen mens", maar een genuanceerd mens van vlees en bloed.
Wat het gedrag van de lerares wellicht zou kunnen verklaren, vertellen de grote mensen niet aan het kind. Dit past erg goed in de tijd waarin het boek zich afspeelt: de jaren vijftig. Dat het dagboek in die tijd geschreven is, blijkt ook uit de voetballers die het jongetje noemt: Abe, Clavan en Landman. De mooie conclusie die de jury van de Woutertje Pieterse Prijs 1992 hieruit trekt luidt als volgt: "Het dagboek lijkt een posthume uitgave te zijn, de schrijver zou nu rond de vijftig zijn. Dat is hij natuurlijk ook. Hij heeft het overleefd, maar niet overwonnen." (De jury bestond toen overigens uit Kees Fens (voorzitter), Aukje Holtrop, Jacq Vogelaar en Joost van de Woestijne (leden).)
Het einde van het boek is eigenlijk in al zijn kaalheid en zijn onopvallendheid perfect. Een spectaculaire finale zou ongepast zijn.
Hulde voor het inlevingsvermogen van Toon Tellegen, waardoor hij dit boek zeer geloofwaardig heeft kunnen schrijven. Verder hulde voor zijn schrijftalent, waardoor dit boek schitterend en effectief qua taal is geworden. Het boek is beklemmend. Verder driewerf hulde voor Harrie Geelen die de taal van het boek en de onderliggende gevoelens briljant in beeld heeft omgezet!
Bovendien wil ik niet onvermeld laten dat dit boek over een onderwerp gaat waar weinig aandacht aan wordt geschonken. Ik schrijf expres niet: "een onderwerp behandeld", omdat dat een afgerond en educatief boek suggereert met een uitleggende en moraliserende opzet. Dat is het niet: dit boek gaat over een juffrouw die onrechtvaardig is en veelvuldig slaat en niet over hoe hiermee om te gaan. Literatuur is niet uitleggend en jeugdliteratuur ook niet: een schrijver moet niet wetend zijn, maar net als de lezer enigszins in het duister tasten. Maar niet alleen een gewelddadige onderwijzeres is het onderwerp, ook zeer diepe en blinde haat en woede. Dit tref je ook niet vaak aan in jeugdliteratuur.

Kortom: een origineel, verontrustend, duister, prachtig boek van Toon Tellegen en Harrie Geelen.