menu

Hier kun je zien welke berichten Ted Kerkjes als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Haaientanden - Anna Woltz (2019)

4,0
Ted Kerkjes (moderator)
Mijn grootouders komen uit Zeeland, dus ik heb vroeger veel zomers aan zee doorgebracht. Ik weet nog dat ik altijd naar beneden keek als we over het strand liepen: ik vond het zand fascinerend (vooral die harde, donkere stukken die oplichtten als je erop stond), maar ook om schelpen en zo te zoeken. Meestal vond je natuurlijk kokkels of van die zogenaamde ‘scheermessen’, maar heel, héél soms vond je haaientanden. In de eerste zomers aan zee vonden we er een aantal (drie of zo), maar later nooit meer, wat ik -als trouwe WNF-ranger en klimaatdrammetje in de dop- natuurlijk direct koppelde aan het uitsterven van de haai. Thuis heb ik nog wel ergens een doosje met de drie haaientandjes die ik destijds gevonden heb.

Ik kan me trouwens ook nog herinneren dat ik ooit op het strand aan het zoeken was toen een ouder echtpaar aan me vroeg wat ik aan het doen was. Ik vertelde dat ik mooie schelpen en haaientanden zocht. ‘Ach, dat is toch allemaal onzin,’ zei de oude man ‘dat spul wordt toch allemaal hier rondgestrooid door de plaatselijke VVV om de toeristen bezig te houden.’ Mijn grootouders moesten enorm lachen toen ik dat navertelde.

Nou goed, haaientanden dus.

Volgens mij moet ik ‘Gips’ van Anna Woltz nog eens een kans geven, want ik heb van dit boek erg genoten! Bijzonder knap hoe Woltz in zo weinig bladzijden springlevende figuren weet neer te zetten. Atlanta en Finley (twee soort-van-zee-gerelateerde namen) zijn twee bijzonder fijne personages. Ze hebben allebei hun eigen persoonlijke problemen en gaan daar allebei op hun eigen manier mee om. De worstelingen zijn geloofwaardig en zeer invoelbaar en hoewel het eigenlijk allemaal best heftig en zwaar is, weet Woltz een zeer goede balans te vinden tussen het realisme, emotie, nuchterheid en oprecht sentiment. Naar het einde toe werd het net iets minder, maar ach, dat deert verder niet zo.

Ik ben na dit boek zeker benieuwd geworden naar de rest van Woltz’ oeuvre. Eerst nog eens ‘Gips’ herlezen.

Half Mens - Maartje Wortel (2011)

1,5
Ted Kerkjes (moderator)
The gorilla in the room

Mweh, ik vond het helaas nogal een vervelend boek. Eerder las ik van Maartje Wortel ‘IJstijd’, en gelukkig was dat boek, in mijn herinnering, een heel pak beter dan dit werk.

Vrijwel alles aan dit boek vond ik eigenlijk gewoon verschrikkelijk geforceerd met daaroverheen een flinke zweem pretentie, als een vieze plas jus. Meestal houd ik wel van postmodernisme, maar dit vind ik een goed voorbeeld van een irritant, postmodernistisch werkje. Het voelt nergens origineel, het is niet grappig, niet mooi, niet intrigerend - het is alleen vervelend.

Alles voelt als een platgereden cliché: zoals in zoveel (moderne Nederlandse) literatuur zijn de hoofdpersonages vervelende, ontevreden types (goh, er mist iets in mijn leven maar wat?) met quirky hobby’s, want wat zijn ze toch lekker maf, hè. En natúúrlijk zit er een scène in het boek waarin de protagonist masturbeert, ejaculeert over de badkamervloer en het gereedschap in de badkuip, om vervolgens met zijn broek nog op zijn enkels en een luchtbuks in zijn hand zijn leven te overdenken (“alles wat er van je wordt is een man met zijn broek op zijn enkels”) - je kent het wel.
De personages zijn niet consequent, niet logisch en daardoor nergens geloofwaardig of fijn om te volgen of wat dan ook. Uiteraard hoeven personages niet geloofwaardig of fijn te zijn - zeker niet in een postmodernistisch werk - maar ze zijn eigenlijk niks. Ze lieten mij op elke manier volledig koud.
(Het boek is trouwens vaker bijzonder onlogisch: zo is -het flauwe typetje- James Dillard jurylid bij een rechtszaak waarin de twee hoofdpersonen betrokken zijn. Later in het boek wordt hij opnieuw opgeroepen om te jureren bij een rechtszaak met dezelfde twee personen, omdat hij die personen al kent. Dat slaat volgens mij nergens op, want mij lijkt het hele punt van die Amerikaanse jury's dat ze de betrokken personen niet kennen. Maar goed.)

De schrijfstijl doet erg haar best om origineel uit de hoek te komen, maar faalt daarmee nogal. De metaforen zijn ontzettend gekunsteld en zorgen er niet voor dat de boel inzichtelijk wordt, maar eerder dat ik de auteur aan haar bureau zie zitten, met haar pen klikkend en zoekend naar een gevatte metafoor.
De gedachtegangen van de personages zitten vol met quasi-filosofische zijsprongetjes. Neem bijvoorbeeld de volgende twee fragmentjes:
’Je hebt het over geld dat er nog helemaal niet is,’ zei ik.
En ik dacht: geld is er nooit echt.
en
Plat gezegd: met de tijd zou alles wat er over zou blijven van deze geschiedenis een huis zijn. Misschien is een huis sowieso het enige wat er van welke geschiedenis dan ook overblijft, maar daar gaat het nu niet om.
Nou, deze twee "semi-filosofische terzijdes" staan op één bladzijde. Ik vond het tamelijk vermoeiend. Vaak passen die gedachtes ook bepaald niet bij de personage die ze heeft.
Verder krijgt bijna letterlijk ieder personage (zelfs personages die nauwelijks een rol hebben, zoals chauffeurs) een uitgebreide introductie, waarin wat onbenullige wetenswaardigheden worden genoemd. Grappig bedoeld, maar ja, het werkt niet echt, met name omdat het ondertussen al gewoon niet meer zo origineel is. In films komt het vaak voor, zoals in Jeunets Le fabuleux destin d'Amélie Poulain. Daardoor is dit foefje meer een soort mislukte gimmick.

Helemaal aan het eind van het boek wordt er verwezen naar het filmpje Selective attention - dat ‘But did you see the gorilla?’-filmpje. Het boek suggereert duidelijk dat de lezer ‘de gorilla’ in het boek gemist heeft.
Maar de fucking gorilla heb je niet gezien, terwijl hij in het midden van het beeld op zijn borst kloppend om aandacht vroeg.
Ja, leuk hoor. Zo kun je alles diepzinnig maken.

Natuurlijk is dit alles heel goed postmodernistisch te verdedigen. Maar ik vond het allemaal maar gekunsteld en irritant. Heel erg wannabe eigenwijs.

In juni was ik bij een debatavond in Utrecht over empathie en literatuur, en daar vertelde Maartje Wortel dat ze aan het begin van haar carrière bang was om in haar boeken als een "sentimentele vrouw" over te komen. Het gesprek ging daarvoor even over ‘empathie en gender’: een hoogleraar wist te vertellen dat uit onderzoek bleek dat lezers bij mannelijke auteurs meer aandacht besteden aan stijl, maar bij vrouwelijke auteur meer letten op sentiment - of zoiets. Om niet aan het stereotype beeld van een “sentimentele schrijfster” te voldoen, wilde Maartje Wortel dus in haar werk sentiment voorkomen. Misschien verklaart dat een beetje dat ik het boek heel erg ‘geforceerd’ vond. Het leek of het boek heel graag een bepaald iets wilde zijn, maar daardoor voelde het ontzettend gekunsteld. Gelukkig lijkt Wortel later in haar carrière meer met haar eigen stem en stijl te schrijven.

Hannes - Aart Staartjes (2009)

1,5
Ted Kerkjes (moderator)
Hannes is een fantasievol jongetje dat de wereld nog moet ontdekken. De dingen die hij niet weet, vult hij zelf met zijn rijke fantasie in en de dingen die hij niet mooi vindt, fantaseert hij zelf mooier. Dit levert in het beste geval redelijke verhalen op, maar echt goed wordt het nergens. Aart Staartjes is duidelijk geen goede schrijver. Sommige verhalen zijn wel enigszins creatief, maar het grootste deel mist jus.
Een schrijfstijl heeft Staartjes niet, maar hij lijkt een stempel op het boek te hebben willen drukken door hier en daar wat ondeugd die in de verte aan de Stratemakeropzeeshow doet denken toe te voegen. Die pogingen tot provocatie zijn geforceerd en met name gênant: Hannes laat op de eerste schooldag zijn piemel zien om de zijn klasgenootjes ervan te overtuigen dat hij een jongen is. Even later gaat Hannes met zijn ouders op vakantie naar het strand waar zijn ouders en hij naakt rondlopen en komen er wat borsten ("wit met bruine knoppen"), billen en piemels ("zo groot als komkommers") voorbij. Verder gebeurt er niet zo veel in de verhaaltjes, waardoor het lijkt of de provocatie het doel was. En dat doel is mislukt, waardoor die verhalen ook grotendeels mislukt zijn.
Het lijkt of Staartjes zelf niet weet waarom programma's als de Stratemakeropzeeshow goed waren en dat is een beetje pijnlijk.

Helden op Sokken - Annie Makkink (1998)

4,0
Ted Kerkjes (moderator)
Hiërarchie in de schoeisel: wederzijdse emancipatie in Helden op sokken

De figuren in dit boek hebben aanvankelijk geen namen. Het verhaal gaat over tien broers en hun zus en de kat. De broers noemen elkaar bij hun nummer, van Tien tot Eén, en spreken hun zus maar gewoon aan met ‘Zus’. Elke dag gaan de broers vroeg op pad (“op avontuur”), terwijl Zus thuis blijft om boontjes te doppen voor de spek en bonen in de avond. Als de broers ‘s avonds thuis zijn gekomen en hebben gegeten, gaan ze naar bed, terwijl Zus de vaat doet. Na de afwas gaat Zus echter niet naar bed, maar ze sluipt op haar sokken naar buiten om naar de sterren te kijken. En zo gaat het altijd. Tot op een ochtend Zus met de broers mee wil. Alle broers protesteren:
'Nee Zus. Dat kan niet
Dat is niets voor jou.'
Alle broers protesteren, op één na: Eén.
Eén haalt zijn schouders op en zegt:
'Waarom niet?'
Maar de meeste stemmen gelden, dus Zus blijft thuis.
Net als altijd.

Is het een boek met een boodschap? Ja, eigenlijk wel: het boek is heel goed te lezen als een “pleidooi voor emancipatie”. Maar waar de meeste kunst met een duidelijke “boodschap” minder focust op de stijl dan op de inhoud, is dit boek ook stilistisch bijzonder en ontzettend knap.

Het belangrijkste motief van dit boek is wel het schoeisel-motief, waar ook de titel van het werk naar verwijst. De tien broers dragen allemaal laarzen:
Ze stonden stevig in hun schoenen,
met beide benen op de grond.
Zus daarentegen draagt geen laarzen of schoenen, maar klompen. In de avond doet ze die uit om samen met de kat naar buiten te gaan, allebei nadrukkelijk op kousenvoeten. Buiten kijken ze naar de sterren en Zus vertelt “oude verhalen in de verleden tijd”. Deze oude verhalen zijn allemaal sprookjes, waaruit de personages hun helden, hun rolmodellen kiezen. Zus vertelt de kat van de Gelaarsde Kat.
De kat luistert.
Het is griezelig en toch mooi.
Griezelig mooi.
Vooral van de Gelaarsde Kat.
Dat was een echte held.
Een held met laarzen aan.
Die kat ging op reis.
De wijde wereld in.
Dat is zijn lievelingsverhaal.
‘Ik ga ook op reis,’ denkt de kat.
‘De wijde wereld in.
Ik ben ook een held.
Een held op sokken.’
Op een dag gaat de jongste broer Eén ook mee naar buiten (op kousenvoeten) met Zus en kat naar de sterren kijken. Eén past niet echt tussen zijn andere broers: waar zijn broers vooral bezig zijn met kijken wie het verste kan springen of het hardste kan lopen, heeft Eén meer talent voor zang. Maar zingen telt niet echt, want “dat staat niet stoer”. Daarom valt Eén wat buiten de boot. Onder de sterren vindt Eén ook een rolmodel in de oude verhalen: Klein Duimpje. Ook weer een held met laarzen, zevenmijlslaarzen zelfs.
Alleen Zus haalt haar rolmodel niet echt uit sprookjes: ze vertelt de sprookjes vooral omdat ze die hoorde van haar grootmoeder, die ze nu mist. Zus’ rolmodel is dus eigenlijk haar grootmoeder.
Zo fungeren de laarzen aanvankelijk als een soort machtssymbool: wie de laarzen draagt, is de held. Maar later in het verhaal blijken ook de helden op sokken “ware helden”. Sterker nog: in de finale van het boek trekken de broers hun sokken uit om de held uit te hangen. Zo worden alle personages echte helden op sokken, en is de hiërarchie in de schoeisel verdwenen. Iedereen, de broers, de zus en de kat, loopt op kousenvoeten.

Het verhaal in dit boek is ook weer zo meta als de pest. De vorm van het verhaal lijkt expliciet naar sprookjes te verwijzen, zie ook de ‘Er was eens’ aan het begin, maar tegelijkertijd rekent het boek ook duidelijk met die sprookjes af: de clichématige helden op laarzen maken plaats voor de helden op sokken. Hiermee lijkt het boek zich niet echt als sprookje te willen presenteren. Toch wordt dit verhaal aan het einde met de “oude verhalen” genoemd:
Willemijn [=Zus] vertelt een verhaal.
Van Roodkapje en de Boze Wolf.
Van de Gelaarsde Kat.
Van Kleinduimpje.
Of van Helden op Sokken.
Is het dan toch een sprookje? Enerzijds wel, anderzijds niet: de sprookjes worden namelijk “oude verhalen in de verleden tijd” genoemd, en dit verhaal is weliswaar een oud verhaal, maar het is in de tegenwoordige tijd geschreven.
Zo speelt dit boek dus met dit gegeven. Uiteindelijk zou ik zelf tot de slotsom komen dat dit boek een modern sprookje is: het speelt met de klassieke elementen, maar rekent er tegelijkertijd mee af. Het is een modern sprookje, net zoals ‘Lampje’ van Annet Schaap. Het beste sprookje wat je hebben kan.

Pas aan het einde van het boek krijgen alle personages namen. Dit is een fenomeen dat doet denken aan Middeleeuwse verhalen: in veel Middeleeuwse teksten blijven de personages naamloos tot aan het einde. Een bekend voorbeeld is Beatrijs: het hele verhaal lang wordt er slechts gesproken over ‘een non’, ‘een vrouw’ et cetera, om aan het slot pas haar naam te noemen. Waarschijnlijk deed men dit destijds in de eerste plaats om het verhaal dichter bij de lezer te brengen: de naam ‘Beatrijs’ verwijst immers slechts naar één persoon, maar hoe vager je het houdt, hoe meer mensen het aanspreekt. In de tweede plaats was de naam hiermee een soort beloning: aan het einde heeft de non haar lesje geleerd en wordt ze bij haar naam genoemd als een soort beloning voor haar devotie.
Ook bij ‘Helden op sokken’ zouden de namen deze functies kunnen hebben: door de simpele aanduidingen ‘zus’ en ‘broer’ en ‘kat’ spreekt dit verhaal tot iedereen. Aan het einde heeft iedereen haar of zijn eigen, persoonlijke queeste volbracht en worden het ook daadwerkelijk expliciet afzonderlijke personen: geen nummers, maar namen.

Er zijn, zeker tegenwoordig, meer kinderboeken met een feministische/geëmancipeerde “boodschap”. Hoewel ik de achterliggende gedachte vrijwel altijd absoluut onderschrijf, heb ik vaak mijn twijfels bij de uitwerking van deze ideeën. Ook in de filmwereld vind ik de emancipatie niet altijd geslaagd. Wat je tegenwoordig vaak ziet, is dat de vrouw de rol speelt die traditioneel met een man geassocieerd wordt. Hoewel ik deze keuze begrijp, zit het mij niet helemaal lekker, omdat hiermee eigenlijk geïmpliceerd lijkt te worden dat de traditioneel mannelijke rol het ideaal is, alsof “de vrouwen meer (traditioneel) man moeten worden”. En dat is alles. Daar ben ik het niet mee eens. Zelf ben ik veel meer een voorstander van wederzijdse emancipatie.
En dat doet dit boek in mijn ogen op een heel goede manier: aan het einde van het boek zijn de zussen en broers op een geweldige manier wederzijds geëmancipeerd.

Nu heb ik het in mijn stukje vooral gefocust op het sociale engagement in dit werk, maar er valt ook stilistisch voldoende te beleven. De tekst doet qua vorm sterk denken aan oude vertellingen. Allereerst al vanwege de klassieke opening: ‘Er was eens’, maar ook wat de schrijfstijl betreft: de ritmische regels vol terugkerende motieven is bijna meer poëzie dan proza. Het echoot de Griekse mythen van Imme Dros, maar ook 'Zwart als inkt' van Wim Hofman, dat in 1998 de Gouden Griffel won. Verder doet de poëtische vertelvorm natuurlijk ook sterk denken aan Middeleeuwse literatuur, toen alles nog in poëzie geschreven werd. De poëtische regels van Annie Makkink staan vol taalplezier: ze verwijst veelvuldig naar spreekwoorden en gezegden. Bijzonder tof.

Verder wil ik absoluut de geweldige illustraties van Marit Törnqvist genoemd hebben. Haar tekeningen en de mooie grafische vormgeving tillen dit werk echt naar een hoger niveau.

Grappig trouwens dat dit boek zoveel stemmen heeft hier. Ik vraag me af hoe dat komt. In ieder geval ben ik er wel blij mee, want door het grote aantal (positieve) stemmen ben ik dit boek op het spoor gekomen.

Hemel boven Parijs, De - Bregje Hofstede (2014)

3,5
Ted Kerkjes (moderator)
Théobald Michau, Édouard Frenhofer, René Magritte, Joke van Leeuwen en Woody Allen

Net voordat ik deze debuutroman van Bregje Hofstede las, had ik ‘Vrije vormen’ van Joke van Leeuwen gelezen (dat is alweer een tijdje geleden - ik loop wat achter), en toevallig passen deze twee romans best goed bij elkaar. Zo speelt in beide boeken beeldende kunst een belangrijke rol, draagt de omgeving waarin de twee verhalen zich afspelen speciale betekenis en worden allebei de romans naar het einde toe helaas wat vervelend.

De hemel boven Parijs’ is volgens mij een zeer goed voorbeeld van een nadrukkelijk geconstrueerde roman. Hofstede heeft duidelijk doorheen de roman thematische lijntjes uitgezet waarmee ze allerlei verbindingen legt, waardoor het boek een prettige kluwen betekenis is met een fijne zweem pretentie eroverheen om nog eens fijn over na te denken.

Zo wordt Oliviers relatie tot de liefde (of dit nu Mathilde, Sofie of Sylvie is) in verband gebracht met de schilder Theobald (uit de derde versie van Sofie’s essay) die uit angst voor imperfectie nooit aan zijn meesterwerk begon. Elders in het boek is er weer een verband met Olivier die Sylvie bespioneert wanneer zij zich opmaakt (geweldige scène trouwens) en de schilder Frenhofer (uit de eerste versie van Sofie’s essay) die in plaats van een schilderij van een vrouw “slechts een muur van verf” maakte.
Zo zijn er talloze (vaak erg subtiele) verbindingen in de roman te leggen. Ik lees op het internet dat veel mensen Sofie’s essays irritant en overbodig vinden, maar ik vind ze toch echt een essentieel onderdeel van deze roman.

Een ander leuk dingetje heeft te maken met de hoofdstukken: de genummerde hoofdstukken zijn namelijk geschreven vanuit Olivier. Naast de genummerde hoofdstukken bevat de roman ook nog hoofdstukken die ‘Sofie’ heten, waarin de focalisatie bij Sofie ligt. Eén keer doorbreekt Hofstede dit, namelijk in het één na laatste hoofdstuk (Vierendertig). Dit korte, genummerde hoofdstuk lijkt namelijk geschreven vanuit Sofie - Olivier komt hier zelfs niet eens in voor. Doordat het hoofdstuk tóch genummerd is, rijst de vraag of hier de focalisatie misschien ook niet gewoon toch bij Olivier ligt, en dat zou kunnen betekenen dat dat hoofdstuk over Sofie misschien een hersenspinsel van Olivier is.

Verder lijken spiegels nog een betekenisdragende rol te spelen: regelmatig bekijken personages zichzelf, of in ieder geval hun spiegelbeeld om zichzelf vervolgens niet te herkennen. (Dit gegeven is wel goed gevisualiseerd op de omslag van de herdruk waarop een René Magrittesque afbeelding prijkt.) Met name Sofie verkeert in een soort identiteitscrisis, doordat Olivier continu zijn oude geliefde Mathilde op haar projecteert. Deze crisis neemt op een gegeven moment zelfs post-modernistische vormen aan als Sofie en Mathilde in elkaar over lijken te lopen als waterverf en soms zelfs samen lijken te vloeien.

Wat mij verder nog opviel, is dat slechte LAT-relatie van Olivier en Sylvie zelfs in de vertellerstekst naar voren lijkt te komen: als Olivier en Sylvie elkaar kussen, staat namelijk vaak telkens nadrukkelijk vernoemd wáár (‘Ze drukte een kus op de hand naast haar gezicht.’, ‘Ze kuste hem op ‘zijn lippen.’, ‘Hij kuste haar voorhoofd.’, ‘Hij kuste haar mond dicht.’, ‘Hij kuste haar hals.’), terwijl Olivier en Mathilde gewoon elkaar kussen (‘Zij kuste hem.’). Dat vond ik wel opvallend.

Een ander leuk aspect is de rol voor de stad Parijs. Parijs is voor Olivier eigenlijk één grote opslagplaats van zijn herinneringen aan Mathilde. De stad is doorheen het boek nadrukkelijk aanwezig, zoals Mathilde aldoor aanwezig is in Oliviers bewustzijn. De vele (semi-)intellectuele gesprekken over kunst in combinatie met de drie- of zelfs vierhoeksverhouding in combinatie met de grote hoeveelheid dialogen in combinatie met de navelstaarderij in combinatie met de grote rol voor de (wereld)stad waarin het geheel zich afspeelt, deed mij soms ietwat Woody Allen-esque aan, in positieve zin. Het feit dat Olivier, net zoals Woody Allen vaak, welbeschouwd een egocentrisch, vervelend personage is, draagt hier ook wel wat aan bij. Doordat Parijs voor Olivier onlosmakelijk verbonden is met Mathilde, is het ook mooi dat Olivier en Sofie aan het einde ook “van de kaart” verdwijnen.

Al met al bevat het werk dus voldoende leuks. Wat ik hierboven noem is nog maar een schijntje van alle interessante dingen: ik heb het nog niet eens gehad over het hele gedoe met Paul Bonnard, Billy, Sofie en haar moeder en de bijzondere rol van tijd in het boek. Toch weerhoudt iets mij van een hogere waardering. Naar het einde toe begon ik het boek toch wat vervelend te vinden. Ik was de personages wat beu aan het worden, misschien omdat hun gedachten en handelingen toch wat repetitief waren. Ook ontspoorde het verhaal op het einde iets te veel naar mijn smaak. (‘Vrije vormen’ van Joke van Leeuwen leed ook wat aan dat euvel. Alsof er een climax ingezet wordt om er een eind aan te breien.) Verder vond ik Hofstede’s schrijfstijl hier en daar wat gekunsteld overkomen, met name in de beeldspraken. Neem nou “zijn pik stootte als een babyvoetje in haar buik”. Ik vermoed dat Hofstede het zo geschreven heeft, omdat de buik in kwestie een zwangere buik is, en er dus aan twee kanten ‘babyvoetjes’ stoten (één echte en één erectie), maar het beeld is eigenlijk vooral raar, gekunsteld en gewoon lelijk. En zo zijn er meer mislukte metaforen: ergens anders in het boek schrijft Hofstede bijvoorbeeld over “vlezige adem”. Dat soort rare beeldspraken werken niet en leiden af.

Hoewel Bregje Hofstede dus hier en daar, wat mij betreft, in haar schrijven wat missers maakt en het einde nogal over-the-top en lelijk geschreven is, wordt dit alles wel gecompenseerd met een geweldige zweem van betekenis, enkele geweldige scènes (Sylvia die zich opmaakt, Sofie die Billy nauwkeurig bekijkt alsof het om een buitenaards wezen gaat, Olivier en Sofie die in een winkelcentrum helemaal opgaan in hun fantasie…) en lekker veel dialoog.
Misschien heeft Bregje Hofstede in De Groene Amsterdammer zelf wel het beste omschreven wat er aan het boek scheelt: "Het zit vrij goed in elkaar, maar het mist een hart."

Hungerkünstler, Ein - Franz Kafka (1924)

Alternatieve titel: Een Hongerkunstenaar

3,0
Ted Kerkjes (moderator)
Deze vier verhalen illustreren eigenlijk perfect wat ik in Kafka's werk waardeer, maar ook wat mij juist erg tegenstaat.

Waar ik heel erg van geniet, zijn de beeldende situaties, die droevig zijn, maar tegelijk geestig. 'De gedaanteverwisseling' vind ik daarom schitterend: dat is één lang droefgeestig, filmisch verhaal vol prachtige, beeldende scènes. (Ook Kafka's debuutbundel Beschouwing bevat erg veel mooie beelden.) In Kafka's "grote romans" die ik tot nu toe heb gelezen (Het proces en Het slot) zijn dergelijke passages ook wel aanwezig, maar helaas wat meer geïsoleerd - het zijn daar meer aparte scènes, voor mijn gevoel.
Die romans worden iets te veel overheerst door wat mij tegenstaat bij Kafka: de ellenlange gedachtestromen, die kluwen hersenspinsels. Als ik een boek lees, of algemener: als ik kunst geniet, wil ik graag iets voelen, maar Kafka's paginalange uiteenzettingen komen vooral heel erg via het hoofd binnen. Natuurlijk zijn veel van die ideeën in die gedachtegangen relevant voor de verhalen en bepalen ze in grote mate de thematiek van het boek, maar ik verkies een "betere" balans tussen de ideeën en de beelden. Ik houd van sfeer, en die ontbreekt wat mij betreft teveel in die uiteenzettingen. Zoals gezegd vind ik die balans perfect in De gedaanteverwisseling. In Het proces is die balans ook wel oké: daar zijn ook wel veel uiteenzettingen aanwezig, maar Kafka weet die nog goed te doseren. (Sommige uiteenzettingen zijn bovendien gegoten in een beeldende parabel, zoals 'Voor de wet', met die poortwachter.) Het slot staat me eerlijk gezegd niet meer zo helder voor de geest (dat komt ongetwijfeld omdat ik daar nooit meer een stukje over heb geschreven), maar ik kan me wel herinneren dat ik daar de gedachtestromen mij ook nogal tegen stonden.

De vier verhalen in deze bundel vertegenwoordigden perfect deze twee kanten van Kafka.
Het titelverhaal en het openingsverhaal 'Eerste smart' waren twee mooie voorbeelden van wat ik zo goed vind. Met name 'Eerste smart', een verhaal van nog nauwelijks vier pagina's, vond ik schitterend. Het gaat over een trapezeartiest die eigenlijk alleen gelukkig is als hij zoveel mogelijk in de nok van het circus, in zijn trapeze kan blijven zitten. Alleen dat vind ik al een prachtig beeld. (Zo'n figuur zou ook niet misstaan in een Jeunet/Caro-film.) Als het circus naar de volgende stad reist, en de jonge trapezeartiest dus onmogelijk in zijn trapeze kan blijven hangen, gaat de jongen in de trein in het bagagenet zitten. Dat soort beelden vind ik dus heerlijk. Tegelijk is de inhoud ook bijzonder prikkelend: onder de humoristische beelden schuilt een onbestemde treurigheid - het heet niet voor niets 'Eerste smart'. Dit wordt verder niet echt uitgewerkt, maar daar heb ik totaal geen problemen mee. Daardoor blijft het verhaal juist prikkelend en nodigt het uit tot herlezen. 'Eerste smart' had trouwens echt perfect gepast in Beschouwing, ook omdat het een soort coming-of-age element suggereert.

De andere twee verhalen ('Een kleine vrouw' en 'Jozefine de zangeres, of Het muizenvolk') vond ik helaas nogal vervelend. Dat zijn echt twee paginalange gedachtegangen, die bijzonder moeilijk te volgen zijn. Ik twijfel er niet aan dat Kafka met die verhalen iets boeiends wilde zeggen (ik heb op het internet nog wel interessante stukjes gevonden), maar dat neemt niet weg dat de gekozen vorm mij gewoon niet aanspreekt.

Zo schommelt Kafka tussen twee uitersten en en is de bundel als geheel nogal wisselvallig. Maar gelukkig heb ik nog heel wat te gaan!