menu

Hier kun je zien welke berichten Ted Kerkjes als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Fluitketeltje en Andere Versjes, Het - Annie M.G. Schmidt (1950)

2,5
Ted Kerkjes (moderator)
De kinderpoëzie van Annie M.G. Schmidt #1
over Aristoteles' deugdethiek en Milnes ontbijtende koning in Annie Schmidts Fluitketeltje

Laat ik dit stuk even beginnen met een soort disclaimer. Dit is het eerste deel van een serie stukjes die ik van plan ben te schrijven over de kinderpoëziebundels van Annie M.G. Schmidt. En zoals je ziet, is het idioot lang. Ik ben zeker niet van plan om alle stukjes zo lang te maken, maar nu kwam het nou eenmaal zo uit, omdat er ook een heel stuk over Annie M.G. Schmidts werk in het algemeen bij zit. Nog meer dan normaal heb ik het gevoel dat het allemaal onnodig langdradig is, maar goed, dit is een stukje voor de liefhebber met doorzettingsvermogen, zal ik maar zeggen

In zijn lijvige werk Jeugdliteratuur bestaat niet heeft Peter van den Hoven een hoofdstuk gewijd aan Annie M.G. Schmidt: Ongehoorzaam maar met mate (eerder verschenen in het tijdschrift Vernieuwing). In dit hoofdstuk analyseert Van den Hoven, aan de hand van Joke Linders’ proefschrift Doe nooit wat je moeder zegt, Schmidts succes:
Van onbekende, provinciale bibliothecaresse met hooggestemde klassiek literaire aspiraties weet ze zich te ontwikkelen tot een volksschrijfster die, tegen de achtergrond van de woelige jaren zestig en zeventig, als geen ander gebruik maakt van de opkomende media, waardoor ze bekend en geliefd wordt bij kind en volwassene. (…) In 1965 ontvangt ze (…) de eerste Staatsprijs voor kinder- en jeugdliteratuur. Maar officieel wordt ze pas tot de ‘grote’ literatuur toegelaten als ze in 1987 bekroond wordt met de Constantijn Huygensprijs. (…) Die literaire canonisering heeft ze overigens mede te danken aan verschuivingen in opvattingen op zowel het literaire als het maatschappelijke vlak (…). Zo heeft het werk van Schmidt zeker een opkontje gekregen door de algemene waardering van allerlei vormen van gebruikspoëzie, zoals cabaret- en musicalteksten, liedjes en light verse. (…) Die ontwikkeling is niet alleen het gevolg van de groeiende kwaliteit en opwaardering van de dichterlijke vaktechniek, maar kun je ook in verband brengen met het optreden van diverse democratiseringsbewegingen in de jaren zestig en zeventig. De Lichte Muze en de Grote Kunst groeien naar elkaar toe onder invloed van de egaliserende werking van maatschappijkritische anti-autoritaire opvattingen, verbreid door vooral provo, studentenverzet en feministische beweging.
(bron: Peter van den Hoven, Jeugdliteratuur bestaat niet. Of de voort-durende strijd om het kinderboek, 2011)
Schmidts status als Koningin van de Nederlandse jeugdliteratuur is dus goed te verklaren vanuit de tijdgeest, die Schmidt in staat stelde om mee te varen met alle nieuwe ontwikkelingen die toen in zwang waren.

Verder zou ik willen toevoegen dat haar succes ook zeker te danken is aan de mensen met wie Schmidt samenwerkte, en dan met name componisten als Cor Lemaire, Paul Christiaan van Westerling en Harry Bannink. De naam Cor Lemaire lijkt een beetje weg te glippen door de kieren van de tijd - wat ergens wel begrijpelijk is, want zijn muziek is wat minder tijdloos. Vooral in de jaren vijftig en zestig schreef Lemaire veel cabaretmuziek, die wat doet denken aan Franse chansons. (De muziek uit De familie Doorsnee, Pension Hommeles (Ik zou je ’t liefste in een doosje willen doen) en de hoorspelen van Ibbeltje is van Cor Lemaire.) Overigens is het grappig om te vermelden dat Cor Lemaire wat minder leek op te hebben met “de egaliserende werking van anti-autoritaire opvattingen”: toen de Zangeres zonder Naam in 1975 een Gouden Harp ontving, leverde Lemaire de zijne weer in. (Volgens Wikipedia.)
De naam Paul Christiaan van Westerling is zo mogelijk nóg onbekender, en dat terwijl hij best veel bekende melodieën op zijn naam heeft staan: 'Dikkertje Dap', 'Meester van Zoeten' (die eerder op muziek was gezet door Lemaire), veel Pippeloentje-liedjes, 'De brievenbus wou niet meer' en 'Een tante en een oom in Laren'. Iedereen die, net zoals ik, opgegroeid is met kindermuziek van V.O.F. de Kunst, heeft veel melodieën van Paul Chr. van Westering gehoord. Dat zijn naam toch relatief onbekend is gebleven, zou wel eens kunnen komen door Schmidt zelf:
Ik hield niet zo verschrikkelijk van zijn muziek (…) Ik heb zelf heel vroeger ook wel muziek geschreven, maar dat heeft geen enkele betekenis. Gewoon de tekst volgen en er een deuntje op maken. Wat Paul Christiaan van Westering gedaan heeft, dat had ik ook gekund. Daar is geen kunst aan.
(bron: Hans Vogel, Wacht maar tot ik dood ben, Annie M.G. Schmidt: haar leven en werk voor theater, radio en tv, 2000)
Hier doet Schmidt de componist overigens toch echt te kort, denk ik. (Sowieso vind ik het een gemene opmerking.) Van Westerings muziek is wellicht relatief eenvoudig (eenvoudiger dan bijvoorbeeld Banninks muziek), maar bevat wel degelijk mooie, subtiele modulaties en dergelijke. Bovendien zitten er gewoon heel mooie melodieën tussen, die jaren zijn meegegaan.
De naam Harry Bannink is gelukkig nog altijd vrij bekend. Bannink is veel onbekender dan hij zou moeten zijn, want hij is een briljante componist, maar er is nog aandacht voor zijn werk. (Onder andere dankzij Gijs Groentemans prachtige podcast.) Ik zou urenlang door kunnen blijven schrijven over Bannink, maar laat ik hier stoppen, want dit stukje is nu al veel te lang.

Al met al denk ik dus dat Annie M.G. Schmidts populariteit zeker niet alleen te danken is aan haar literaire talent.

Begin dit jaar heb ik, bij wijze van projectje, alle bundels kinderpoëzie van Schmidt gelezen. Zoals ik bovenaan al schreef ben ik van plan om bij alle bundels een stukje te schrijven. Ik verwacht/hoop niet dat het allemaal zulke idioot lange stukjes als dit oplevert. Allereerst natuurlijk omdat die algemene inleiding (waar je jezelf zojuist doorheen hebt geworsteld, beste lezer, waarvoor hulde!) er niet bij hoeft, maar ook omdat veel kritiekpunten en opmerkingen die ik heb op alle bundels van toepassing zijn. Er zit ook niet echt een ontwikkeling in Schmidts werk, dus veel kritiek die ik bij deze bundel heb, geldt (in meer of mindere mate) ook voor de andere bundels.

Een van de dingen die mij tegenstaat aan de bundels van Annie M.G. Schmidt is dat het geen “echte bundels” zijn: het zijn gewoon bij elkaar geharkte gedichten die Schmidt voor Het Parool schreef. Er is geen sprake van een echt geheel: de bundel draagt ook gewoon de naam van het eerste gedichtje en verder komt de volgorde tamelijk willekeurig over. Soms staan er twee lange, verhalende gedichten achter elkaar (bijvoorbeeld 'De koning wou gaan schaatsenrijden' en 'Het prinsesje Tierlantijn'), en dan gaat het saaie toontje enorm tegenstaan.
En dat brengt me meteen bij een ander kritiekpunt: de kinderpoëzie van Annie M.G. Schmidt kun je qua vorm in grofweg in twee categorieën onderverdelen. Aan de ene kant heb je de speelse, vaak wat kortere gedichten. Die gedichten hebben vaak een fijne afwisseling in langere en kortere versregels waardoor die een zekere muzikaliteit bevatten. Ook als Schmidt een iets uitdagender rijmschema uitprobeert, pakt het vaak goed uit. Voorbeelden in Het fluitketeltje zijn 'Mr. Van Zoeten', 'Dikkertje Dap', 'Voor het portret van opa Kraai', 'Luchtpost voor dieren' en 'De Poedelman':
Dit is dan de Poedelman,
Ring-pingeling, daar komt ie an:
Zijn er hier nog kindertjes met vieze, vuile oren?
Een twee drie, daar gaat ie dan.
Vuile kinderen, hou ‘k niet van,
Ik was alle kindertjes van achteren en van voren.
Het is waarschijnlijk niet geheel toevallig dat veel van deze titels ook op muziek zijn gezet: de vorm van de gedichten leent zich daar uitermate goed voor.
Maar aan de andere kant heeft Annie Schmidt ook ontzettend veel lange ondingen op haar naam staan. Gedichten als 'Pietertje Pluim', 'De koning wou gaan schaatsenrijden', 'Het prinsesje Tierlantijn' en 'Koning Lariloff is ziek' zijn gewoon niet om doorheen te komen. Ze zijn vaak ook gewoon ontzettend onbeholpen geschreven. Neem nou het begin van 'Een eitje voor een omelet':
Er was eens een kaboutertje, hij heette Tibbedaan.
Hij had een klein rood mutsje op en rode schoentjes aan.
Hij had een lief klein huisje, in een boomstam, moet je weten,
daar had hij zijn fornuisje en daar kookte hij zijn eten.
Hij kookte hazelnotepap en hazelnoot-puree,
hij kookte hazelnotesoep en hazelnoot-hachee,
na elke maaltijd nam hij dan een hazelnootje toe.
Zou jij dat altijd lekker vinden? Nou, ik niet! Aboe!
En zo jengelt dit gedicht bijna veertig regels door… Schmidt is ook gewoon niet altijd de beste dichter. Vaak voel je dat Schmidt zich in bochten moet wringen om het gedicht te laten rijmen of dat ze moeite moet doen om de versvoeten vol te krijgen. Vaak gaan deze verhalende gedichten ook gewoon nergens naartoe, want dan breidt Schmidt er gewoon heel knullig een einde aan, zoals
En dit was de geschiedenis van koning Isidoor,
en als je ’t niet geloven wil, dan laat je het maar, hoor!
Ik denk dat de gebrekkigheid van veel gedichtjes terug te voeren is op het feit dat Schmidt uiteindelijk ook gewoon een schrijfster was die in opdracht schreef: elk gedicht was gewoon een deadline die ze moest halen, en de ene keer zal ze meer inspiratie hebben gehad dan de andere keer.

Inhoudelijk laten de gedichtjes zich ook wel globaal onderverdelen in een aantal afdelingen. Schmidts werk wordt vaak in verband gebracht met rebellie en anarchisme, maar dat imago dient te worden genuanceerd, zoals ook Linders in haar proefschrift stelt:
Haar anarchie [gaat], zeker in het werk voor kinderen, niet verder dan een verzet tegen de alledaagse dwang en het doorbreken van het voor de hand liggende.
(bron: Joke Linders, Doe nooit wat je moeder zegt. Annie M.G. Schmidt: De geschiedenis van haar schrijverschap, 1999)
Mensen denken bij Schmidt vaak aan de gretig geciteerde regel ‘Dus doe nooit wat je moeder zegt / dan komt het allemaal terecht’, maar zo expliciet rebels is Schmidt echt zelden. Bovendien zijn er ook veel gedichtjes te vinden die een haast belerende houding aannemen. In Het fluitketeltje heb je bijvoorbeeld al 'Basje gaat naar buiten':
Basje loopt buiten het hek!
Basje loopt onder de bomen!
O, en daar mag hij niet komen…
wordt dat nu heus niet te gek?
Basje loopt buiten het hek.
En zo gaat dit nog vijf strofen door, waarin Basje wordt teruggeroepen. Heel braaf en belerend dus. Ook 'Rosalind en de vogel Bisbisbis', een wat bekender gedicht, is welbeschouwd erg braaf. De invulling is wat creatiever (de ondeugende Rosalind wordt door een vogel ontvoerd en op een eiland voor ondeugende kinderen gekwakt), maar “de boodschap” is net zo belerend.
Ook het bekende gedicht 'De brievenbus wou niet meer' is te interpreteren als een belerend gedicht. (Dit is één van de vele gedichten die ik dankzij de V.O.F. de kunst-cd op commando uit mijn hoofd kan zingen.) Thematisch is 'De brievenbus' overigens sterk verwant aan het gedichtje 'De locomotief', dat weliswaar niet in de bundel terecht is gekomen, maar wel in dezelfde periode in Het Parool is gepubliceerd. Beide gedichtjes gaan over iemand die zijn taak beu is en ermee wil stoppen: de brievenbus wil niet meer brieven inslikken en de locomotief is het beu om mensen te vervoeren. In beide gedichtjes komt de protagonist echter tot inkeer. Vergelijk
De arme zwarte locomotief
begon zich te generen
en dacht eraan, dat hij net zo lief
meteen weer om zou keren.
met
En toen begon de brievenbus zich vreselijk te schamen.
Hij werd nog roder dan tevoor, en riep: Pardon, Padon….
hij deed zijn mond wijd open, zeg, zo wijd als hij maar kon.
Echt expliciet belerend zijn de versjes misschien niet, maar ze zijn ook alles behalve progressief. Het doet me een beetje denken aan de deugdethiek van Aristoteles: een locomotief is een deugdelijke locomotief als ie mensen vervoert en een brievenbus is een deugdelijke brievenbus als ie brieven inslikt. Dat is nu eenmaal hun ultieme levensbestemming. Met name in het einde schemert deze houding door.
Nu wil hij met Pasen geduldig en lief
treinen met mensen slepen.
Want daarvoor ben je locomotief.
Dat heeft hij nu wel begrepen.
en
De mensen dansten om hem heen, en al die mensen zeien:
Jij bent de beste brievenbus van heel de posterijen.
Nu wil ik niet zeggen dat ik dit twee slechte gedichten vind ('De brievenbus' is, ook zeker dankzij Van Westerings muziek, één van mijn favorieten), maar als je deze “moraal” naar mensen vertaalt, is het alles behalve progressief en rebels.

Wat me verder trouwens nog opviel, is dat het gedichtje 'Waar de koning trek in had' wel argwaanwekkend veel lijkt op A.A. Milnes gedicht 'The King’s Breakfast' uit de bundel When we were very young uit 1924. Hoewel de details verschillen kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat Schmidt heeft afgekeken bij Milne. In beide gedichten zit de koning moeilijk te doen over zijn broodbeleg. Bij Schmidt verandert telkens de konings wens: hij zegt eerst tegen zijn vrouw dat hij honing wil, de koningin stuurt de dienstmeid op pad, maar als de dienstmeid arriveert met de honing, is de koning alweer van gedachte veranderd. Milne had, in 1924, dus al een gedicht geschreven met een soortgelijk verloop: de koning zegt tegen de koningin dat de boter op is en de koningin geeft dit op haar beurt weer door aan de dienstmeid, die op haar beurt weer naar de koe gaat om boter te halen. De koe raadt de koning echter marmelade aan:
The Alderney
Said sleepily:
“You’d better tell
His Majesty
That many people nowadays
Like marmalade
Instead.”
Zodoende brengt de dienstmeid marmelade - tot groot verdriet van de koning, die per se boter wil. En zo gaat het riedeltje weer opnieuw, en uiteindelijk krijgt de koning zijn zin.
Bij Annie Schmidt bedenkt de koning zich een heleboel keer, totdat de koningin boos wordt en de koning zonder ontbijt de straat op stuurt, waar op dat moment de ijscoman langskomt. En zo eet de koning uiteindelijk een ijsje. Bij Milne zit de humor meer in de vorm, de continue herhaling en de omslachtige communicatie (alles gaat via via, wat extra wordt benadrukt door de vele afbrekingen), maar verder komen de twee gedichten heel erg overeen. Ik heb nog wat gezocht of het bekend is dat Schmidt het werk van Milne misschien bewonderde, maar daar kon ik niets over vinden. Wel vond ik het volgende citaat in Joke Linders' proefschrift:
Anders dan in de gedichten voor volwassenen wordt niet het lot van vrouwen onder de loep genomen, maar het gedrag van koningen, keizers, prinsen, prinsessen, poezen en zonderlingen als meneer van Zoeten die elke zaterdag joedelend zijn voeten wast in het aquarium. De keuze voor dat soort verhaalfiguren - hoogwaardigheidsbekleders met kinderlijke verlangens, onopvallende mensen van wie het bijzondere wordt aangetoond, machteloze dieren of kinderen met zulke gewone namen als Piet, Jan, Kees, Basje en Marietje - getuigt van sympathie met en betrokkenheid bij wat kinderen in diepste wezen eigen is: nieuwsgierigheid, drang naar vrijheid en ontplooiing, anders willen zijn, en af en toe lekker tegen de keer in. Het zijn de opvattingen en verlangens die Milne verwoordde in When we were very young (1924) en Now we are six (1927)
(bron: Joke Linders, Doe nooit wat je moeder zegt. Annie M.G. Schmidt: De geschiedenis van haar schrijverschap, 1999)
Grappig dat Linders wel opvallende overeenkomsten ziet tussen de bundels van Schmidt en Milne, maar de grootste overeenkomst niet noemt.

Het fluitketeltje eindigt trouwens met een bijzonder schattig gedichtje: 'Stekelvarkentjes wiegelied'. Ook dat gedicht is vrij onbeholpen opgeschreven, maar daar is het totaal niet storend, omdat het vanuit een moeder of vader Stekelvarkentje geschreven is. Eigenlijk maakt die onbeholpenheid het alleen maar liever en schattiger. Dat gedichtje bevat ook misschien wel de mooiste dichtregels van de hele bundel:
Suja suja Prikkeltje, het is al vreselijk laat,
je bent het mooiste stekelvarken dat er maar bestaat.
Nou, liever dan dat wordt het niet, toch? Voor de verzamelbundel Ziezo heeft Peter Vos er trouwens een prachtige illustratie bij gemaakt, die het extra snoezig maakt.
Dit gedichtje is overigens ook op muziek gezet, door Cor Lemaire. Voor de liefhebber: Stekelvarkentjes Wiegelied door Hetty Blok.