menu

Hier kun je zien welke berichten Ted Kerkjes als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Dag Soldaat, Dag Mooie Soldaat - Imme Dros (1996)

3,5
Ted Kerkjes (moderator)
Een typisch Drosboek.

Het is een ontzettend kort verhaal: slechts 31 pagina's en ook nog eens een vrij groot lettertype. Verder zijn de pagina's versierd met de illustraties van Marianne Sligtig. Bijzondere, mooie illustraties met vreemde -of beter gezegd: originele- perspectieven. Jammer dat Sligtig niet zo veel boeken heeft geïllustreerd.
Het verhaal wordt verteld uit het perspectief van een zesjarig meisje dat gefascineerd raakt door een Georgische soldaat, zoals alleen een personage in een boek van Imme Dros ergens gefascineerd door kan raken. Er zitten veel mooie en leuke momenten in het verhaal. Het verhaal is erg mooi poëtisch geschreven. Een beetje jammer dat het zo kort is, daardoor is het ietwat vluchtig.
Dit verhaal was in 1990 opgenomen in de bundel De trein naar Pavlovsk en Oostvoorne, onder de titel De man in het tijgervel.

Dagen van de Bluegrassliefde, De - Edward van de Vendel (1999)

3,5
Ted Kerkjes (moderator)
Dit is weer zo’n boek dat ik graag net wat beter had willen vinden: er zit heel veel in dat heel goed werkt, maar het boek bevat voor mij ook een paar duidelijke minpunten, die het geheel toch wat naar beneden halen.

Edward van de Vendels schrijfstijl vind ik vrij wisselvallig. Hij gebruikt opvallend veel metaforen, maar die zijn voor mij toch een beetje hit or miss; de ene keer werken ze heel goed en wekken ze het juiste gevoel op, maar de andere keer werken ze wat mij betreft totaal niet en leiden ze alleen maar af. Hier is een voorbeeldje van de allereerste bladzijde – zelfs drie metaforen achter elkaar:
[Nina begon de knoopjes van zijn overhemd] langzaam open te maken, van bovenaf naar onder – alsof ze langs een ladder naar beneden klom, alsof ze aftelde tot zero, alsof ze bloemblaadjes van stille bloemen trok… (9)

Het eerste beeld vind ik goed werken. Het gaat hier om een intiem moment tussen twee tieners, en daar past het ladder-beeld goed bij: als je langs een ladder naar beneden loopt, zie je niet goed waar je naartoe gaat, je moet met je voet een beetje aftasten waar de volgende sport zit, en voor je het weet, ben je plotseling beneden. Zodoende werkt deze metafoor wat mij betreft erg goed. (En vanaf nu zal het gebruiken van een ladder een erotische lading hebben.)
Maar dan voegt Van de Vendel er een tweede beeld aan toe, die voor mij al wat minder werkt.
alsof ze aftelde tot zero
Het aftellen an sich vind ik geen beroerde vergelijking, al voegt het niet veel toe aan het ladder-beeld (het afdalen van een ladder is immers ook een soort aftellen naar de begane grond), maar voor mij springt die ‘zero’ nogal in het oog. Aanvankelijk dacht ik dat Edward van de Vendel wat geforceerd jongerentaal in zijn boek wilde verwerken (ik moest een beetje denken aan die meme van Steve Buscemi die zegt: "How do you do, fellow kids?"), maar later, toen ik dit stukje schreef, bedacht ik me dat het een verwijzing naar een raketlancering moest zijn. De ontmaagding van Tycho wordt namelijk vergeleken met een maanlanding - zie ook de openingszin van het boek:
Tycho had nog nooit gevlogen – maar live en van dichtbij had hij een maanlanding beleefd.
Ik vind het toch nog steeds niet zo heel goed werken. De ‘zero’ vind ik bijzonder lelijk en als Van de Vendel naar een raketlancering had willen verwijzen had hij denk ik beter “aftellen tot lift off” kunnen schrijven. Volgens mij wordt de nul bij een lancering namelijk niet genoemd. Ik heb er verder natuurlijk geen verstand van, maar bij David Bowie’s Space Oditty hoor je ook “two, one, liftoff”.
alsof ze bloemblaadjes van stille bloemen trok…
De laatste metafoor komt gewoon niet zo goed tot z'n recht. Ik kan niet zeggen dat ik het slecht vind (het geeft aan dat Tycho passief is in de situatie, en het roept de associatie op met ‘h/zij houdt van me, h/zij houdt niet van me’), maar in combinatie met die andere twee metaforen vind ik het wat “onrustig” en weinig gefocust.

En zo zijn er meer beelden die voor mij niet helemaal werken. Later in het boek hebben Tycho en Oliver voor het eerst samen seks, en dit verwoordt Van de Vendel op de volgende manier:
En alle plekken waar ze elkaars lichaam raakten, veranderden in hyperlinks – hun lichaam werd een homepage: informatieoverdracht, maar dan zonder snoer en zonder apparaten. (47)
Dit vond ik niet sensueel, maar eigenlijk een beetje lachwekkend. Het komt extreem geforceerd en gedateerd over, alsof Van de Vendel, in een poging om de jeugd aan te spreken, een computer-metafoor in zijn verhaal heeft geforceerd: “Die dekselse kids houden natuurlijk van personal computers! Laat ik dat eens gebruiken!”. Ik zag nu niet alleen de meme van Steve Buscemi voor me, maar ook Balkenende die van een skateboard valt.
Even voor alle duidelijkheid: dit is wel de lelijkste metafoor uit het hele boek, dus dit fragment is niet representatief. Het boek bevat zeker schitterende passages, en Van de Vendel laat op heel veel momenten ook zien hoe goed hij kan observeren en gevoelens kan verwoorden, maar af en toe voelt zijn taal toch geforceerd hip – wat mij ook in andere jeugdboeken van hem tegenstaat (zoals de raps Waar kunnen we hier een standbeeld krijgen?). (Het is overigens wellicht handig om te vermelden dat ik de eerste druk van dit boek in mijn bezit heb. Ik las ergens dat er later een ge-update versie op de markt is gebracht, met mobiele telefoons et cetera. Of deze versie daadwerkelijk minder verouderd aanvoelt, betwijfel ik eerlijk gezegd.)

Verder heb ik af en toe het idee dat Van de Vendel het niet durft om subtiel iets over te brengen. Neem het volgende fragment:
Tycho hield zich aan een paal vast en hij lachte. Als het staal onder zijn vingers – zo sterk wilde hij dat zijn overtuiging was. Dat het goed was wat hij deed. (127)
De metafoor vind ik te expliciet om mooi te zijn. Ik had liever gezien dat Van de Vendel gewoon beschreef dat Tycho in de paal kneep of zo: dan breng je ook het harde van het staal over en dan kan de lezer zelf het (omgekeerd evenredige) verband leggen tussen de stevigheid van het staal en de zwakte van Tycho’s overtuiging. In dit soort passages lijkt het alsof Van de Vendel niet impliciet durft te zijn.

Maar zoals ik eerder al schreef, zijn er ook zeker metaforen/beschrijvingen in het boek die ik zeker effectief en sterk vind. Een voorbeeld van een mooie metafoor vind ik bijvoorbeeld
Tycho woonde al jaren in zijn etui. De dagen openden en sloten zich als zijn boekentas. (10)
Dat is gewoon een schitterend beeld, vind ik.
En zo vind ik gelukkig meer dingen heel goed aan dit boek. Met name de eerste helft in het Amerikaanse zomerkamp is bijzonder sterk. De zomerse sfeer werkt gewoon geweldig goed en Van de Vendel is, zoals ik eerder al schreef, een goed observator: hij weet fantastisch sociale interactie te beschrijven, hij heeft echt oog voor allerlei details in de sociale omgang tussen mensen. Zoals hij bijvoorbeeld de kennismaking omschrijft als Tycho en Oliver op het kamp arriveren, is echt heel sterk en herkenbaar. Ook veel aspecten omtrent verliefdheid zijn ontzettend treffend, stijlvol en sensueel geschreven. Het is allemaal typisch coming-of-age gedartel, maar daar heb ik altijd wel een zwak voor. Verder is de hoofdpersoon Tycho een sympathiek personage. Zijn gedachtegangen zijn echt leuk om te lezen.
Het boek deed mij bij vlagen wel denken aan Call me by your name: dat is ook een zomers boek over een (homoseksuele) verliefdheid met een soortgelijk verloop. De details zijn natuurlijk anders, maar de sfeer komt wat mij betreft wel overeen. Het zal overigens wel helpen dat één van de twee protagonisten 'Oliver' heet. Net zoals Call me by your name vond ik ook dit boek ietsjes minder worden naar het einde toe. In de tweede helft, nadat Tycho en Oliver het zomerkamp Little World verlaten, ligt de nadruk meer op het conflict en treedt het drama meer op de voorgrond. Hoewel ook het tweede gedeelte enkele sterke momenten bevat (het telefoongesprek met Tycho's ouders bijvoorbeeld), vond ik het minder sterk.

Waarschijnlijk komt dit stukje negatiever over dan ik wil. Ik vond het een goed boek, en het heeft me zeker benieuwd gemaakt naar ander werk van Van de Vendel, maar helaas bevat het wel net te veel minpuntjes om écht goed te zijn. En de sterke stukken maken de mindere delen des te frustrerender.

Dagpauwoog - Eva Meijer (2013)

3,0
Ted Kerkjes (moderator)
Hoewel ik mijn boeken er niet op selecteer, gaat ook dit boek (net zoals Vrije vormen, De hemel boven Parijs, De consequenties) wederom over een beeldend kunstenaar. Na een relatiebreuk verhuist Iris Dagpauwoog samen met de hond Pol naar een dorp, waar ze al snel (soort van) bevriend raakt met haar buurman Marcel. Deze is dierenrechtenactivist en weet Iris steeds verder mee te krijgen in zijn activisme.

Dit is het eerste boek dat ik van Eva Meijer lees, maar ik geloof dat de verhouding tussen mens en dier een terugkerend element in haar werk is. Ik koos dit boek omdat deze problematische verhouding mij erg interesseert, en ik was dan ook benieuwd hoe deze roman met dit spanningsveld om zou gaan - niet in de laatste plaats omdat Meijer ook filosoof is.
Interessant is trouwens dat in het boek ook een filosoof voorkomt, Renée genaamd (want hoe zou een filosoof anders moeten heten?). Haar denkbeelden komen niet echt duidelijk naar voren in het boek, en ze lijkt de discussie met Marcel en Iris niet echt aan te willen gaan. Ik vraag me af waarom Meijer nota bene de filosoof in het boek niet echt een standpunt geeft. Zou de auteur daarmee misschien willen aangeven dat ze zelf geen partij trekt of zo?

Verreweg het interessantste van het boek is de uitwerking van de thema’s. Meijer problematiseert de overtuigingen van de dierenrechtenactivisten in dit boek op een effectieve wijze: Marcel plaatst bompakketjes bij slagerijen, en hier hangt Meijer een moreel vraagstuk aan op.
Als het om een menselijke groep ging, zouden we als vrijheidsstrijders gezien worden. Nu het om andere diersoorten gaat, noemen ze ons terrorsten.
Doorheen het boek zitten ook nog wel wat kleine zij-dilemma’s. De beste vond ik die met de muis: als Iris op de katten van Renée past, vangt Walter, één van de katten, een muis. Iris wil (uiteraard) niet dat Walter het dier opeet, en weet haar uit de mond van Walter te redden. De muis rent - een beetje mank - weg, waarop Iris aan het twijfelen slaat.
Misschien had het dier pijn en zou ze onherroepelijk sterven, zou ze langzaam sterven, had ze heel erge pijn, misschien had ik de verkeerde beslissing genomen. (...) Ik had me verantwoordelijk gedragen, ik had de keuze gemaakt die me het beste leek, ik wist het niet zeker, er was geen tijd geweest om met iemand te overleggen. Ik had naar een dierenarts kunnen gaan met de muis, daar had ik niet aan gedacht. Volgende keer zou ik naar een dierenarts gaan. Ik had het vast verkeerd gedaan, maar hoe had ik het goed kunnen doen? Als ik de muis had doodgeslagen, had ik een dier doodgeslagen dat misschien een kans had, als ik Walter zijn gang had laten gaan, had de muis misschien nog uren geleefd.
Veel mensen zullen dit ontzettende aanstellerij vinden (“Het is maar een muis.”), maar ik vind het zelf een heel wezenlijk en belangrijk dilemma.

Het gedeelte met de bompakketjes vond ik het beste stuk. Vanaf het moment dat [spoiler!!] Iris in de gevangenis terechtkomt, wordt het boek helaas steeds minder boeiend. Dat komt onder andere door de saaie setting: we kennen de gevangenis ondertussen wel. Niet dat ik er ooit geweest ben, maar door films en boeken zijn we wel bekend met de clichés, denk ik zo.
“Een cipier zegt: ‘Volgt u mij,’ en opent een zware deur. Ze lopen door een lange galmende gang. Links en rechts kille cellen. Priemende blikken vanachter de tralies. De sleutelbos en de voetstappen echoën door de gang. Bla bla bla.”
Zo clichématig als ik het hierboven schrijf, is dit boek niet, maar toch, die gevangenisscènes komen vaak toch op hetzelfde neer. (De laatste keer dat ik verrast werd door een gevangenisscène was in Paddington 2.)
De setting van het dierenrechtenactivisme maakt plaats voor de gevangenis en de rechtbank. De nadruk verschuift ook van de morele dilemma’s naar Iris’ privéproblemen, en tja, die konden mij verder helaas niet zo boeien. Na de gevangenis fleurt het boek wel nog een beetje op, maar de thema’s van het boek raken wat teveel ondergesneeuwd, vond ik.

Het is jammer dat het boek wat inkakt en dat het einde eigenlijk behoorlijk duf is, maar dit compenseert Meijer wat mij betreft met de interessante dilemma’s en ook door het originele onderwerp. Qua schrijfstijl is het nergens echt geweldig. Wel leuk dat Meijer, of beter gezegd: Iris, consequent naar dieren verwijst met ‘iemand’.
en [ik] liep naar de keuken, waar ik iemand hoorde piepen - eerst zacht en daarna heel hard en doordringend, het dier gilde op het moment dat ik het licht aanknipte.
Maar verder is de stijl wat onopvallend, wat natuurlijk niet per se iets slechts is. Maar het boek moet het duidelijk met name hebben van de thema’s.

Ergens ben ik wel benieuwd naar wat bijvoorbeeld vleeseters van dit boek vinden, of het ze aan het twijfelen brengt. Ik denk dat het boek heel goed het uitgangspunt van een debat zou kunnen zijn. Als het daadwerkelijk plaatsvindt, ben ik er in ieder geval graag bij.

Dame en de Neushoorn, De - Anne Vegter (1989)

2,5
Ted Kerkjes (moderator)
Het vermeende mugmotief

Voor dit boek ontvingen Anne Vegter en Geerten Ten Bosch in 1990 de derde Woutertje Pieterse Prijs. De jury stelde dat "er naar hun oordeel sprake was van een zeer uitzonderlijke eenheid van tekst en vormgeving". Daar kan ik best in meekomen, maar daar blijft het wat mij betreft dan ook bij.
Het boek ademt een beetje de sfeer van de dierenverhalen van Toon Tellegen. Vegter heeft, dat zal niemand verbazen, een poëtische schrijfstijl, net zoals Tellegen, en ook spelen in dit boek dieren een grote rol. Het feit dat de illustraties zijn verzorgd door Geerten Ten Bosch die ook De verjaardag van de eekhoorn van schitterende prenten voorzag, zal ook zeker bijdragen aan het Tellegentoontje van dit werk. Helaas wordt het niveau van de dierenverhalen van Tellegen niet gehaald.
Aan Vegters schrijfstijl ligt het niet: deze is, zoals ik eerder schreef, poëtisch. Wel ergerde ik mij aan de mugmetafoor die herhaaldelijk terugkeerde. Vegter presteert het om in 35 pagina's vier of vijf keer dezelfde beeldspraak te gebruiken. Misschien deed ze dit met opzet en moet ik spreken van het mugmotief, maar het komt in ieder geval ietwat inspiratieloos over. Maar goed, verder is de tekst prima. Het taalgebruik is woordspelerig en het zit vol subtiele taalgrapjes.
Wat dit boek echter mist, is een verhaal. Ik ben de laatste om te beweren dat "er iets moet gebeuren" in een boek. In de dierenverhalen van Toon Tellegen gebeurt er ook weinig, maar dan moet een boek nog wel ergens over gaan. En dit boek gaat niet echt ergens over. De vriendschap tussen de dame en de neushoorn is te oppervlakkig, het verhaal is melig en zo blijft er weinig over.

Dani Bennoni (Lang Zal Hij Leven) - Bart Moeyaert (2004)

3,5
Ted Kerkjes (moderator)
Wat opmerkelijk dat dit boek van Bart Moeyaert zo veel gelezen is. Het is, voor zover ik weet, niet bekroond of zo, dus ik zou die aandacht hier niet echt kunnen verklaren. Zou het zijn omdat het de eerste roman na het succesvolle ‘Broere’ is? Misschien is dit boek dan een gevalletje van wat in de popmuziek vaak het “second album syndrome” wordt genoemd: na een succesvol album mag de opvolger niet onderdoen.

Het lage stemgemiddelde (waarmee dit boek zelfs -volkomen onterecht- in de flop 100 terecht is gekomen) kan ik mij ergens wel voorstellen: het zal voor veel lezers allicht een style over substance-werkje zijn. Ik ben zelf wel een liefhebber van Moeyaerts filmische manier van schrijven en de manier waarop hij zijn thematiek heel impliciet aansnijdt. Dit boek vind ik niet Moeyaerts beste werk, maar ik heb de beste man tot nu toe nooit op een vervelend boek kunnen betrappen. Al zijn boeken baden in een enorm dromerige sfeer die vaak een beetje schril contrasteert met verontrustende ondertonen: ook in dit boek hangt er van alles in de lucht, waar het meeste ook blijft hangen.

Maar toch gaat het wel degelijk ergens over. Voor mij problematiseert Moeyaert in dit boek de heersende traditionele gendernormen. Zowel Bing als Dani Bennoni passen niet perfect binnen de traditionele normen die bij 'mannelijkheid' worden geassocieerd. Bing, die volgens zijn omgeving ‘vrouwelijk’ is (al wordt dat volgens mij nergens expliciet gezegd), wil graag leren voetballen voor zijn broer. Dani Bennoni wordt dan wel weer als 'mannelijk' beschouwd, maar hij vindt het weer prettig om bij het douchen door Bing bekeken te worden.
Alle personages worden door hun omgeving in bepaalde hokjes geduwd, maar verzetten zich tegelijkertijd hiertegen. Het gaat hier vooral om Bing en Dani, maar hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor Martha.

Doorheen het boek problematiseert Moeyaert dus deze verhoudingen. Hij lost verder niets op, hij ontregelt eigenlijk alleen. Ik denk dat het gebrek aan oplossingen en antwoorden voor velen een probleem zal zijn, maar volgens mij zegt juist dat gebrek veel over wat Moeyaert met dit boek wil.
(Overigens schreef Sandra van der Leeuw in het -inmiddels ter ziele gegane- jeugd(?)literaire tijdschrift Literatuur zonder leeftijd een best interessant artikel over heteronormativiteit in dit boek: Die jongen is gewoon een voetballer. Voor de liefhebber, zal ik maar zeggen.)

Verder heeft dit boek wat mij betreft ook enorm veel sfeer. Moeyaert schrijfstijl vind ik gewoon een genot om te lezen. In dit boek buit hij het ‘show don’t tell’-principe geweldig uit, met name in de confrontatie tussen Martha en Dani.
’Dani en zijn vader,’ zegt Martha. Ze trekt haar mondhoeken op. Haar bovenlip blijft aan haar tand plakken. Ze kijkt naar rechts, waar Lenny staat, ze kijkt naar links, waar ik sta, en knikt over haar schouder, naar Anneka en Theresa. Ze verdeelt het speeksel in haar mond en legt de woorden die ze gaat uitspreken klaar op haar tong.
en even later
De spieren in Dani’s gezicht trekken. Hij blaast zijn wangen bol, tuit zijn lippen, maakt diepe rimpels in zijn voorhoofd. Hij kijkt onder zijn wenkbrauwen door in de richting van de schuur, of zijn vader raad weet met de meisjes, maar meer dan wat gemompel komt er niet vanachter zijn vaders tanden.
Die spanning die er hangt is echt typisch Moeyaert.
Het blijft toch wel een unieke auteur.

Donkere Kamer van Dorrestijn, De - Hans Dorrestijn (1986)

3,0
Ted Kerkjes (moderator)
Mijn eerste kennismaking met Hans Dorrestijn als schrijver van verhalen. Ik kende Dorrestijn voornamelijk als tekstdichter.
Het eerste verhaal ''Goeie kennissen'' is geslaagd als opwarmertje, en lijkt ook een soort voorproefje voor het tweede verhaal: "De donkere kamer". Hier gaat het echter niet om de donkere kamer van Dorrestijn, maar om die van de hoofdpersoon Rotke, die verdomd veel lijkt op Dorrestijn. Helaas vond ik het tweede verhaal als geheel niet zo geslaagd. Dit komt vooral door de lengte: het verhaal viel vaak in herhaling. Echter was dit niet zo erg geweest, wanneer het einde niet zo'n teleurstelling was. Het einde had net zo goed drie hoofdstukken eerder plaats kunnen vinden. Hierdoor bouwt het verhaal eigenlijk nergens naar op: naar een anticlimax. En ik denk niet dat Hans Dorrestijn het zo bedoeld heeft. Maar ondanks het teleurstellende einde, heb ik me de overige pakweg tachtig bladzijden prima vermaakt en vond ik het toch een leuk verhaal. Het gaat bij dit soort verhalen natuurlijk ook niet zo zeer om de verhaallijn, maar om de manier waarop het geschreven is.

De andere verhalen zijn eigenlijk niet zo interessant, behalve ‘Overige bestemmingen’: een portret van Dorrestijns vriend en collega Willem Wilmink.

Door het Donker van een Kamer - Fetze Pijlman (1989)

3,5
Ted Kerkjes (moderator)
betonmolens en klokhuistegenhangers

Zelf ken ik Fetze Pijlman voornamelijk als lid van het Schrijverscollectief: een verzameling schrijvers, onder wie Willem Wilmink en Hans Dorrestijn, die teksten schreef voor een heleboel programma's, waarvan "De Stratemakeropzeeshow", "J.J. de Bom, voorheen De kindervriend" en "Het Klokhuis" de bekendste zijn.
Voor "De Stratemaker" en "J.J. de Bom" schreef Pijlman enkel sketches, voor zover ik weet, maar bij "Het Klokhuis" doken er opeens ook liedteksten op van zijn hand! De liedteksten die Pijlman voor dit programma schreef, kenmerken zich door hun abstractie. Omdat "Het Klokhuis" een informatief programma is met onderwerpen als betonmolens, zoeken de meeste Klokhuisschrijvers naar een manier om de betonmolens "tastbaarder" te maken. Fetze Pijlman doet dit echter vaak niet: hij maakt de betonmolens niet tastbaarder, maar juist onbevattelijker; hij verwondert zich over de betonmolens.
Dit boekje is de eerste dichtbundel van Pijlman die ik lees. De liedteksten van "Het Klokhuis" zijn, zoals de meeste liedteksten dat zijn, vormvast. Pijlmans poëzie is dit niet. Soms lijkt Pijlman ook de structuur van de taal los te willen laten door grammaticaal onjuiste zinnen op te schrijven. Soms pakt dit goed uit en draagt het bij aan het gedicht, maar een enkele keer stoorde het mij, doordat het ten koste ging van de inhoud.
Wat de gedichten gemeenschappelijk hebben met de liedteksten van "Het Klokhuis", is hun diversiteit aan onderwerpen. Waar veel dichters niet veel verder lijken te komen dan de liefde en de dood, schrijft Pijlman ook over zaken als bomen, sollicitatiegesprekken, werk en fotografie. Dat kan ik erg waarderen. (Aan enkele onderwerpen uit deze bundel heeft Pijlman ook voor 'Het Klokhuis" een lied gewijd: de gedichten 'Schelpen', 'Bomen' en 'Stenen' hebben een Klokhuistegenhanger: respectievelijk 'Schelpen', 'Bomen' en 'Onder de stenen'.)

De gedichten bevatten veel originele gedachten die op een intrigerende wijze zijn verwoord en veel verzen nodigen uit tot nog een keer lezen. Soms kiest Pijlman beelden die het geheel niet beeldender maken: een metafoor die (voor mij) niet werkt. Ook het voortijdig afbreken van zinnen pakt niet altijd even goed uit, maar over het algemeen is dit een geslaagde bundel.

Driedelig Paard - Ted van Lieshout (2011)

4,0
Ted Kerkjes (moderator)
Ted van Lieshout is een uniek schrijver en dichter. Van Lieshouts poëzie is altijd een interessante combinatie van beeld en tekst. (Helaas kunnen veel van zijn bundels niet op BoekMeter, omdat het zogenaamde poëzieprentenboeken zijn met teveel beeld.) Gelukkig kan dit boek wel op deze site.
In deze bundel kiest Ted van Lieshout voor het blokgedicht: de tekst is als een blok gedrukt, zodat je nergens aan kunt zien om wat voor tekst het gaat. Door de tekst aandachtig te lezen, kom je erachter wat voor tekst het is. Dat kan een kattenbel zijn, een boodschappenlijstje, een ingezonden klacht of een gedachtenkronkel, et cetera.
Doordat de teksten nogal uiteenlopend zijn, is het een ontzettend afwisselende bundel. Het lezen is een avontuur omdat het altijd een verrassing is wat je gaat lezen.
Ofschoon het wellicht een willekeurige verzameling teksten lijkt, is er wel degelijk een samenhang te bekennen.

Ted van Lieshout blijft verrassen.

Drinken Doet een Beetje Zeer - Jan Boerstoel (1983)

2,0
Ted Kerkjes (moderator)
Laat ik eerst duidelijk maken dat ik de tekstdichter Jan Boerstoel over het algemeen een prima tekstdichter vind. Hij schreef enkele cabaretklassiekers als 'Opa', onsterfelijk gemaakt door Don Quishocking; 'De bokken en de schapen', gezongen door Jasperina de Jong en 'Geen kind meer', heel bekend door Karin Bloemen. Dit bundeltje stel mij echter wel diep teleur. Het zijn vierentwintig grappig bedoelde kroegverzen. De meeste tekstdichters in het cabaretcircuit zijn over het algemeen ook wel goede light versedichters. Neem Ivo de Wijs, Drs. P, Kees Torn, om maar meteen de grootste drie te noemen. Deze drie kunnen een hele bundel vullen met hun onuitputtelijke vindingrijkheid. Jan Boerstoel is zeker niet van talent gespeend en hij heeft ook wel humor, maar het ontbreekt hem in deze bundel duidelijk aan originele gedachten: alle vierentwintig kroegverzen komen op hetzelfde neer. De kroeg is een plaats waar mensen (lees: mannen) hun verdriet verdrinken, et cetera. Nu zou je kunnen zeggen: 'Ja, maar hij schrijft ook rondom één thema, dus veel variatie is niet mogelijk.'. Hierop zou ik kunnen verwijzen naar de Vroege Vogelverzenbundels van Ivo de Wijs. De Wijs schreef minstens zeven bundels vol met de meest uiteenlopende vogelverzen die stuk voor stuk briljant zijn. Variatie is dus wel mogelijk, al geef ik toe dat Ivo de Wijs wel een zeer uitzonderlijk talent is. Boerstoel is dat duidelijk niet, en hij weet maar één idee vierentwintig keer op te schrijven. Recensent Dick Welsink omschreef het als volgt: "De inhoud van dit bundeltje kroegverzen stemt in dubbel opzicht droef: in de eerste plaats blijkt het in het café zo'n door en door treurige bedoening te wezen dat je je in gemoede kunt afvragen wat mensen daar nog te zoeken hebben; (...). (NBD|Biblion recensie, Dick Welsink)" Hier ben ik het roerend mee eens. Wat Welsink in de tweede plaats stelt, is daarentegen maar half waar. Hij schreef namelijk: "maar erger is dat het meesterschap over inhoud en vorm de dichter onder invloed van de alcohol langzaam dreigt te ontglippen (...). (NBD|Biblion recensie, Dick Welsink)". Dit klopt maar voor de helft, want de inhoud van deze bundel is inderdaad straatarm, maar de vorm beheerst Boerstoel nog tot in zijn haarvaten. Alle verzen zitten onberispelijk in elkaar, zowel wat metrum betreft als de rijm. Dat kun je wel aan Boerstoel overlaten. Het is echt de inhoud die deze bundel tot een flauwe verzameling kroegverzen maakt. Eigenlijk is het heel zonde, want de gedichten zouden prima werken als ze verspreid waren over een aantal bundels of zoiets. Maar in deze vorm is het veel te eentonig. Ik vraag me af wiens idee het is geweest om deze verzen bij elkaar te zetten.

Het Nederlands cabaret is rijk aan vele drinkliederen. Hans Dorrestijn heeft een aantal treurige drinkliederen op zijn naam staan, Willem Wilmink schreef ook drinkliederen, en zelfs één voor Hans Dorrestijn, en zo zijn er nog veel meer te noemen. Mijn persoonlijke favoriet is het drinklied van Kees Torn. Het lied is rijk aan veel geniale (taal)vondsten, maar er zit ook verloop in: je eindigt ergens anders dan waar je begon. En dat is heel knap. Ook de drinkliederen van schrijvers als Wilmink, Dorrestijn en Torn komen overigens op hetzelfde neer: drank is de oplossing voor verdriet, maar daar komen uiteindelijk alle drinkliederen wel op neer. En bovendien brengen zij deze boodschap over in één lied, en hebben zij daar niet vierentwintig verzen voor nodig.