menu

Hier kun je zien welke berichten Ted Kerkjes als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Bang voor Meester Tark?! - Sanne de Bakker (2003)

1,5
Ted Kerkjes (moderator)
Sol1 schreef:
Het viel me op dat er precies één keer op een boek van deze schrijver is gestemd. Wat was eigenlijk jouw reden voor die dikke onvoldoende? Schrijfstijl van de schrijver of diens denkwijze of eventuele vooroordelen?
Het boek 'Bang voor meester Tark?!', De Bakkers debuut, kreeg ik onder ogen toen het een herdruk beleefde als Boektopper in 2005.
Tsja, wat kan ik over het boek zeggen... De titel alleen al vind ik slecht - èn een vraagteken èn een uitroepteken... Waarom?!
Het boek is slecht geschreven: het staat vol met dingen als 'trillend van angst' en 'gillend van blijdschap' en clichébeelden (blikken die als messen doorboren) et cetera. De dialogen zijn belabberd, alles klinkt geforceerd. De symboliek is weinig subtiel en voor de hand liggend. Verder bevat het boek ook nog een tenenkrommend moraaltje en zijn de tekeningen van Jenny Bakker slecht, zowel inhoudelijk als esthetisch.
De personages zijn van bordkarton: als een personage wordt omschreven, weet je al precies in welk hokje je het plaatsen moet. Hier de introductie van de hoofdpersoon: "Hermien Potvis, een meisje met grote, blauwe ogen, een kleine neus en twee halflange, goudblonde vlechten [...]." en hier de omschrijving van enkele schurken: "Hermien bekeek de tweeling [...]. De een was ongelooflijk dik, zo dik dat zijn hele lichaam bij elke beweging heen en weer klotste. Zijn gezicht leek wel een deegbal. De ander was zo mager dat hij bijna niet opviel. Het enige wat de broertjes gemeen hadden, waren de krentenogen. Van die stiekeme, zwarte stipjes waarmee ze geniepig om zich heen loerden.". Nou, vergelijk onze 'Arische' heldin maar met de lelijke gemeneriken. Nu weet ik wel dat meer schrijvers dit hebben, Roald Dahl doet dit bijvoorbeeld ook enigszins, maar Sanne de Bakker compenseert alle clichés in dit boek nergens met ook maar enige vindingrijkheid of verrassende fantasie. Ze werkt braaf het voorspelbare plotje uit en dat is het. Dan deed Tosca Menten het met haar vergelijkbare werk Juffrouw Pots veel beter: dat boek is ook verre van goed, maar bevatte nog enkele gevatte vondsten en aanzienlijk minder clichés.
Maar over gemene docenten is het laatste boek nog niet geschreven: binnenkort komt Carry Slee met Juf Braaksel en de magische ring. De titel belooft veel goeds...

Betrachtung - Franz Kafka (1912)

Alternatieve titel: Beschouwing

4,0
Ted Kerkjes (moderator)
Verstrooid naar buiten kijken

Eigenlijk ben ik zeer aangenaam verrast door deze verhalenbundel van Kafka! Het wordt niet erg hoog gewaardeerd hier, maar ik heb er ontzettend van genoten. Het verschilt wel van het latere en bekendere werk van Kafka, maar een aantal elementen dat in het latere werk een grote rol speelt, is ook al zeker in deze eerste publicatie aanwezig.
Zo duikt in deze bundel bijvoorbeeld zeer veelvuldig het zogenaamde 'raammotief' op, dat ik bij Het proces ook al opmerkte. Zoals de bedrand als 'drempel naar een andere wereld' fungeert, is het raam een uitvlucht, een escapistisch venster.
En voor escapisme is er in deze bundel wel reden genoeg. Wat mij betreft zou je kunnen spreken van een conceptuele verhalenbundel: in mijn ogen vormen alle stukjes een goed sluitend geheel. Ze vertellen het verhaal van een opgroeiende man die steeds verder wegzakt in een moeras van ellende en verdriet.
De bundel begint het prachtige, warme 'Kinderen op de straatweg'. Het is een poëtische en beeldende schets van een kindertijd. Maar direct hierna valt de eerste illusie aan diggelen in 'Ontmaskering van een zwendelaar'. Dit verhaal klinkt als een klap in het gezicht, er spreekt een enorm machteloze woede uit. Dat de ramen, "de weg naar de vrijheid", in dit verhaal gesloten zijn, zal wel niet toevallig zijn.
Hierna komt het eigenlijk niet meer goed met de ik-persoon: hij zinkt dieper en dieper.
Een ander gitzwart verhaal is 'De winkelier'. In deze monoloog is een verbitterde man aan het woord, die zwelgt in zelfmedelijden en razernij jegens de buitenwereld. Dat de man verward is en niet meer over een heldere kijk beschikt, heeft zijn weerslag op de ramen in dit verhaal: de winkelier bevindt zich immers in een lift met matglazen ramen.
Af en toe ontvlucht de bundel alle somberheid met escapistische uitstapjes als 'De plotselinge wandeling' en 'Het uitstapje de bergen in', maar ook in die verhalen is nog altijd heel duidelijk de Ongelukkige aan het woord.
De Ongelukkige probeert zich aan zijn haren uit het moeras van somberheid te trekken door zich aan de buitenwereld vast te klampen: hij trekt erop uit, hij kijkt uit het raam, maar omdat hij overal zijn eigen ongelukkigheid op de buitenwereld projecteert, zinkt hij toch steeds dieper weg. Of de Ongelukkige nou de elektrische tram neemt en een meisje ziet; verstrooid naar buiten kijkt naar een kind en een oude man of 's nachts in een straat wandelt en een rennende man tegenkomt, continu projecteert de Ongelukkige zijn angsten en neuroses op zijn omgeving.
En de Ongelukkige heeft heel wat angsten: zo is hij bijvoorbeeld heel bang om alleen te zijn en dat voor altijd te blijven. Dat blijkt wel uit het verhaal 'Het droeve lot van de vrijgezel'. In 'De afwijzing' wordt een denkbeeldige afwijzing beschreven:
"Jij bent geen hertog met een klinkende naam, geen breedgebouwde Amerikaan met het figuur van een indiaan (...)."
Later komt dit nog terug in het stukje 'Wens, indiaan te worden'.
Zo zinkt de Ongelukkige dieper en dieper en gaat de bundel verder en verder, om uiteindelijk af te sluiten met het slotstuk 'Ongelukkig zijn', waarin de Ongelukkige bezoek krijgt van een kind, het kind dat hij zelf was.
"'Ik spreek over vroeger.'
'Weet u hoe ik later zal zijn?'
'Niets weet ik.'
"
Het wordt vooral een verwarrend en ruzieïg gesprek.
De verhalen lezen als gedichten. In tegenstelling tot de ietwat langdradige schrijfstijl in zijn romans, is Kafka hier veel bondiger en poëtischer, wat ik erg prikkelend en avontuurlijk vond. De bundel zit vol terugkerende elementen en motieven en raadselachtigheid, met een zweem van betekenis eromheen. Wat wordt bijvoorbeeld precies bedoeld met die paarden, die telkens terugkomen? Het nodigt uit tot nadenken en herlezen, zoals een bundel gedichten dat ook doet.
De stukjes vertellen samen het verhaal van de opgroeiende Ongelukkige die steeds verder wegzakt in zijn Moeras van Somberheid en niet in staat is om zichzelf eruit te trekken. En als hij uiteindelijk zijn vroegere 'ik' tegenkomt, blijkt hij zodanig van hem vervreemd dat de zorgloosheid van het openingsverhaal voor altijd onbereikbaar is.
"Wie eenzaam en verlaten leeft en toch af en toe ergens aansluiting bij wil vinden (...), die zal het zonder raam aan de straat niet lang volhouden."

Bijenkoningin, De - Veronica Hazelhoff (1992)

3,0
Ted Kerkjes (moderator)
Dit is zo'n boek dat ik graag net wat beter had willen vinden.

Het verhaal en de thematiek spreken mij erg aan: het gaat over een vriendengroep, bestaande uit Julie, Phil en Nando. Al vanaf hun kindertijd trekt het drietal al samen op, maar nu ze in hun examenjaar zitten, dreigen ze wat uit elkaar te groeien. Als Phil en Nando op een dag Gwen ontmoeten, wordt alles helemaal anders binnen de groep.

De onderlinge verhoudingen zijn boeiend en veel gevoelens zijn erg treffend en herkenbaar. Van die sterke punten moet dit boek het dan ook vooral hebben, vind ik, want helaas weet Hazelhoffs wat fletse schrijfstijl hier weinig aan toe te voegen. Hierdoor overstijgt het boek de herkenbaarheid nauwelijks en blijf ik als lezer toch wat op mijn honger zitten.
Verder neemt Hazelhoff niet voor alle zaken en ontwikkelingen voldoende de tijd: het gedoe met Gwen en haar ex-vriend was allemaal wat random en had beter achterwege kunnen worden gelaten. Gelukkig komen de belangrijkste verhaallijnen beter uit de verf.

Echt jammer dat het stilistisch wat saaiïg is. Een iets spannendere/mooiere/opvallendere schrijfstijl had van dit boek zeker een kleine parel gemaakt.

Bloeddorstige Badmeester en Andere Griezels voor Kinderen, De - Hans Dorrestijn (1983)

3,5
Ted Kerkjes (moderator)
Dorrestijn vond de kinderliedjes ten tijde van het kinderprogramma J.J. de Bom, voorheen de Kindervriend veel te zoetsappig. J.J. de Bom was het tweede succesvolle kinderprogramma van het Schrijverscollectief, bestaande uit Willem Wilmink, Hans Dorrestijn, Karel Eykman, Fetze Pijlman en Jan Riem. Het eerste kinderprogramma van dit gezelschap was De Stratemakeropzeeshow, een zeer gewaagd kinderprogramma waarin anarchie en ondeugd zegevierden. J.J. de Bom was echter wat braver, wat pedagogischer van opzet. Een ander verschil tussen deze programma's was dat bij de Stratemaker de onderwerpen door de schrijvers werden uitgekozen, terwijl bij J.J. de Bom kinderen brieven mochten schrijven over hun problemen, zodat de schrijvers daar liederen over moesten schrijven.
Dorrestijn:
In de tijd van De Stratemakeropzeeshow leverde ik bakken met kinderliedjes in. Ik kon putten uit mijn eigen jeugd. Al die gevoelens stonden nog zo dicht bij dat het me bijna geen moeite kostte. Bij De J.J. de Bomshow zakte het helemaal in. De formule was wat pedagogischer dan bij De Stratemaker, en dat lag me niet zo goed. Bij De Bom had ik geen enkele vrije onderwerpskeuze meer: nu moest ik schrijven over problemen die kinderen aandroegen. Nou, ik heb m'n eigen problemen en daar kan ik veel beter mee overweg.
(Hilde Scholten (samenstelling): Roltrap naar de maan, Nederlandse kinderliedjes vanaf 1950, 1995)

Op de achterkant van dit boek schrijft Dorrestijn het volgende:
Jarenlang schreef ik liedjes voor de televisie, onder andere voor de Jan de Bom-show. In die liedjes moest ik de kinderen een beetje troosten. Zo van: plas je nog steeds in je broek al ben je vijftien jaar? Dat geeft niks, hoor. Dat doen we allemaal. Trek je wel eens aan je piemeltje als er niemand bij is? Schaam je maar niet hoor. Dat doet de koningin ook. Op den duur kreeg ik schoon genoeg van al dat getroost, vooral doordat alle kinderschrijvers me na begonnen te doen. Overal hoorde je dezelfde troostrijke kinderliedjes. Ons land begon over te lopen van begrip voor het leed van kinderen. Ik kreeg zin de jeugd eens flink de stuipen op het lijf te jagen. Ik dacht aan de vreselijke dingen die ik had meegemaakt, aan de enge figuren die ik had ontmoet. Meer dan eens had mijn leven op het spel gestaan. Al die belevenissen heb ik opgeschreven. Het zijn de gezelligste liederen geworden die er in Nederland ooit voor kinderen geschreven zijn. Ik weet dat jullie enge schrijfsels heerlijk vinden, maar beste kinderen, al houden jullie van griezelen, lees de liedjes uit de bundel De bloeddorstige badmeester nooit en te nimmer als je alleen in bed ligt. Houd tijdens het lezen de hand van je moeder of vader (of van allebei) stevig vast, anders zou je het besterven.


Het is inderdaad een gruwelijke bundel, mag ik wel zeggen. Er worden ontzettend veel kinderen vermoord of gruwelijk verminkt. Veel dingen zijn ontzettend luguber, maar de humor is gelukkig ook aanwezig. Dorrestijn was er zeker van dat kinderen wel wat gewend waren; "ze kijken immers ook naar films met Schwarzenegger waarin ogen uit worden gestoken".
Het mooiste gedicht vind ik 'De lafheid', een ontzettend ontroerend en aangrijpend gedicht. Erg knap geschreven!
Dorrestijn weet in ieder gedicht een goede sfeer te scheppen. Hij is niet de meest metrische dichter, maar vaak werkt het onhandige metrum juist in zijn voordeel, want het hakkelende past erg goed bij zijn gedichten, en is zo langzamerhand wel onderdeel geworden van de typische Dorrestijnstijl.

Blote Handen - Bart Moeyaert (1995)

4,0
Ted Kerkjes (moderator)
Moeyaert schrijft zeer poëtisch proza dat je aandachtig moet lezen en waar je over na kunt mijmeren. Het verhaal wordt niet-chronologisch verteld en nergens worden de eindjes aan elkaar geknoopt: alles wordt overgelaten aan de lezer. Daar houd ik erg van.
Het verhaal is aangrijpend, de beklemmende sfeer is bijzonder knap neergezet en Moeyaert strooit weer gul met prachtige beeldspraken, slimme metaforen en woordkeuzes die niet voor de hand liggen. Heerlijk.

Verder kan ik er niet meer over zeggen dan dat er al gezegd is: Bregje Boonstra in De Groene Amsterdammer, Lieke van Duin in Trouw

Boek van Bod Pa, Het - Anton Quintana (1995)

4,5
Ted Kerkjes (moderator)
Wat een bijzonder boek.

Bod Pa is een personage dat na het lezen nog lang in je hoofd achterblijft. Het is een sjamaan die van ver is gekomen om het been van de zoon van een oude strijdvriend te genezen: het breekt aldoor. Perregrin, de brekebeen, is stomverbaasd als hij de sjamaan ziet: het is een aartslelijke, blinde, manke dwerg. Of 'aardappelkabouter', zoals Bod Pa dikwijls genoemd wordt. Dit woord vind ik een geweldige vondst: het roept meteen beelden op. Het is erg knap als je met een niet-bestaand woord, toch een geslaagde omschrijving weet te maken. Perregrin lijdt erg onder zijn been. Hij kan niet goed rennen en lopen, zodat hij een buitenstaander is. Hij is dan ook aanvankelijk teleurgesteld als hij erachter komt dat zijn laatste hoop een manke, blinde dwerg lijkt te zijn, die ook nog eens vaak dronken is en wartaal uit lijkt te slaan. Perregrin wil eerst niets met Bod Pa te maken hebben.
Bod Pa is een onconventionele sjamaan die niets van opsmuk wil weten en alle wetten tart. Tegelijkertijd is hij een mythische figuur: hij is een blinde zwaardvechter die nog altijd onoverwonnen is. Bod Pa is misschien wel één van de meest complexe personages die ik ken, en het is ontiegelijk knap hoe hij is uitgewerkt. Hij lééft namelijk. Je moet beheerst en kundig kunnen schrijven om een dergelijke personage zo bijzonder geloofwaardig op papier te zetten. Op het gedrag van Bod Pa is geen pijl te trekken. De vele dialogen tussen Perregrin en de sjamaan, die allengs een goeroe wordt, zijn een genot om te lezen vanwege Bod Pa's uitspraken die soms platvloers zijn, of grof, maar altijd onverwachts zijn en een diepere betekenis en symboliek bevatten. Bod Pa heeft iets ongrijpbaars: hij is wijs, maar lijkt net zo zoekend als ieder ander. Wat dat betreft doet hij ontzettend veel denken aan Socrates: veel dialogen zijn ook wel voorbeelden van socratische dialogen. Geen wonder dat Perregrin zich zo vaak ergert. De lezer niet: die geniet van de lessen, want lessen kun je het wel noemen. Maar in tegenstelling tot een boek als De wereld van Sofie zijn deze lessen geen moment saai of vervelend of geforceerd, maar sprankelend en geloofwaardig en nimmer uitleggerig. De filosofie van Bod Pa bestaat vooral uit humoristisch geformuleerde spreuken die op het eerste gezicht of gehoor simpel klinken, maar waarachter een diepe laag schuilt. Al steekt Bod Pa dikwijls de draak met zichzelf en zijn poëtische uitspraken en ontkent hij niet dat de helft onzin zou kunnen zijn.
Bod Pa heeft altijd iets eenzaams over zich. Hij heeft stemmingswisselingen. Het ene moment een schaterlach en het andere moment niet aanspreekbaar. Het geeft de personage een geweldige gelaagdheid die hem nog interessanter en levender maakt.
Niet zelden barst Bod Pa uit in een lied, al even wonderlijk als hijzelf, wat niet vreemd is daar hij de meeste ter plekke verzint. De liedjes zijn vaak drieregelig en hebben wat weg van haiku's.
De natuur speelt een grote rol in het boek. Er zijn veel omschrijvingen. Daar houd ik in principe niet van, maar Quintana's poëtische en symbolische schrijfstijl suggereert meer dan wat er staat, wat ook de omschrijvingen boeiend en interessant maakt. Zoals Joke Linders op 17 november 1995 al in het Algemeen Dagblad schreef: "Geen enkele zin van dit epos is saai of voor de hand liggend. De woorden hebben een kracht die het vertelde te boven gaat en de lezer voortdurend op het verkeerde been zet." De lezer wordt net als Perregrin steeds op het verkeerde been gezet. Dit is soms tegen het verkeerde been, want Perregrin kan het niet altijd even waarderen. Ofschoon hij zich steeds meer aan Bod Pa gaat hechten, blijft de brekebeen op een geestige manier achterdochtig en nukkig tegenover de sjamaan. Er heerst ook een soort filosofische competitie tussen de twee.
Bod Pa, en daarmee ook Het boek van Bod Pa, is duivels, humoristisch, diepzinnig, poëtisch, gevaarlijk, afstotelijk, wijs, bezopen, platvloers, complex, eenvoudig, tegenstrijdig, logisch... Het is zoveel, maar bovenal ontzettend knap geschreven.

Dit is het eerste boek van Anton Quintana dat ik las. De man heeft een bewogen leven gehad.
Anton Quintana heet eigenlijk Antoon Adolf Kuijten. Hij is vernoemd naar Mussert en Hitler door zijn vader die zich kort voor de oorlog bij de NSB aansloot. De zeeman liet zijn vrouw en zijn kinderen achter toen Quintana twee was. De schrijver heeft zijn vader nooit willen ontmoeten. Zijn moeder overleed jong, zodat de twee broers op tienjarige leeftijd in een Amsterdams weeshuis terechtkwamen. Anton Quintana en zijn broertje waren tweeling, wat letterlijk zwaar drukte op hem: bij Quintana's geboorte was de linkerhelft van zijn gezicht ingedrukt. Anton was van de twee jongens de jongste, de kleinste en de lelijkste, wat hun moeder hem duidelijk liet voelen. Hierdoor ontstond er een enorme rivaliteit tussen de broers. In het weeshuis voelde Anton zich nog erger dan ooit de mindere en hij ging zich hier "als een debiel" gedragen. Een oplettende begeleider merkte op dat er niets met Antons verstand mis was. Er werd een pleeggezin voor Anon uitgezocht, nadat er operaties waren verricht om zijn uiterlijk te verbeteren. Anton nam echter op zeventienjarige leeftijd de benen. Na een reis naar Spanje zwierf Quintana door heel Europa, vooral veel heen en weer trekkend tussen Spanje en Lapland. Als zijn broer André in 1979 overlijdt grijpt dit hem zeer aan: hij kan jarenlang niet meer lezen en schrijven. Anton Quintana onderneemt een reis door het Sumatraanse oerwoud om alles in proporties te zien. Hierna keerde hij terug naar Nederland om hier de pen weer op te pakken.

Als je dit over de schrijver weet, zie je het boek nog anderser.

Brieven aan Doornroosje - Toon Tellegen (2004)

Alternatieve titel: Brieven aan Doornroosje: 365 Brieven van de Prins

3,5
Ted Kerkjes (moderator)
V. Swchwrm opperde het idee al om iedere dag een bladzijde te schrijven, zodat hij in één jaar tijd een boek had van 365 pagina's. Met dit boek heeft Tellegen dit idee uitgevoerd.

Toon Tellegen laat met dit boek weer eens zien wat voor originele schrijver hij is. De opzet van dit boek lijkt wellicht simpel, maar het is ontzettend complex als je erover nadenkt.
Het boek lijkt te gaan over een prins die op weg is naar het kasteel van Doornroosje om haar wakker te kussen uit haar honderdjarige slaap. Meermalen wordt echter gesuggereerd dat de prins maar een verzinsel is. Andere keren blijkt Doornroosje maar een hersenspinsel. Dat is wel het meest kenmerkende aan het boek: de vele "wat-als'en". De brievenschrijver (wellicht een prins) fantaseert er in zijn brieven lustig op los. Hij schrijft talloze potentiële scenario's: de ene keer wordt hij gevangengenomen, de andere keer werken de blauwe lakeien met de gouden knopen hem tegen, weer een andere keer is er gewoon niemand thuis in het kasteel... Er gebeurt van alles, maar tegelijkertijd gebeurt er niets, want het is onduidelijk wat er precies echt is en wat ontsproten aan de fantasieën van de briefschrijver.
Elke dag van het jaar schrijft de prins een brief. Alle brieven (op één na) beginnen met "Doornroosje," en eindigen (op één na) met "P.". De brieven zijn nooit langer dan één pagina. Ik vermoed dat dit boek bedoeld is om iedere dag één brief te lezen. Dat heb ik niet gedaan, ik heb het gewoon als roman gelezen, maar ik snap waarom één per dag voldoende is: af en toe slaat de herhaling toe. Ik had hier vooral halverwege het jaar last van. Daar vielen mij veel herhalingen in de woordkeuze op. Echter werd het boek tegen het einde steeds beter, en vooral de laatste brieven vond ik prachtig.
Toon Tellegen heeft een zeer fijne schrijfstijl. Echt heel poëtisch.

In Tellegens werk speelt onzichtbaarheid een grote rol. Veel personages zouden het liefst onzichtbaar zijn. Of in ieder geval onvindbaar of onopvallend. De prins in dit verhaal is hier ook een voorbeeld van.

Broere: De Oudste, de Stilste, de Echtste, de Verste, de Liefste, de Snelste, en Ik - Bart Moeyaert (2000)

4,5
Ted Kerkjes (moderator)
In kinderboekenland zijn memoires schaars. Natuurlijk zijn er veel boeken autobiografisch getint - welke boeken trouwens niet? - maar echte jeugdherinneringen kom je nauwelijks tegen. Aan de ene kant vreemd wellicht, want je zou denken dat kinderen zich makkelijk met de kindertijd van de auteur zouden kunnen identificeren, maar anderzijds is het ook zeer logisch, daar jeugdherinneringen vaak met een nostalgische bril geschreven zijn en dikwijls een melancholische ondertoon hebben die niet echt past bij kinderen, omdat de melancholische reflecties meestal pas op latere leeftijd komen.
Nostalgisch zijn de verhalen in Broere niet. Wel liefdevol, maar nergens rooskleurig. Bart Moeyaert heeft een bijzonder perspectief gevonden: hij schrijft niet uit het kind en niet uit de volwassene, maar hij schrijft als een volwassene die over zijn jeugd schrijft en zich nog perfect kan inleven in zijn jongere ik en met respect op zijn kindertijd reflecteert. Eigenlijk dus gewoon zoals het is.
De verhalen gaan over de zes grote broers (de oudste, de stilste, de echtste, de verste, de liefste, de snelste) en de jongste (en ik). De laatste is de schrijver en de verteller. De titel doet wellicht enigszins vermoeden dat iedere broer een specifieke karaktereigenschap draagt die in de verhalen duidelijk naar voren komt, maar dat is niet het geval.
De jury van de Woutertje Pieterse Prijs die in 2001 dit boek met deze prijs bekroonde, schreef in haar rapport het volgende: "Omdat geen van de broers in de verhalen een naam heeft, ze zich vaak uniform gedragen en het gezin veilig, hecht, warm en harmonisch oogt, zouden ze gemakkelijk als een amorfe massa kunnen overkomen. Maar nee, steeds is de ene broer net iets vindingrijker, sneller, aardiger, wraakzuchtiger of leidinggevender dan de ander." Dat heeft de jury goed gezien. Het lijkt zo alsof de lezer bij ieder verhaaltje zelf mag weten welke broer dit keer de echtste of de verste is. Eén broer is duidelijk de constante: de jongste, de ik. De jongste valt namelijk enigszins (één keer zelfs enigszins letterlijk) buiten de boot. Hij is de jongste en zijn grote broers behandelen hem ook vaak als zodanig. Dat blijkt uit passages als: "... maar dat kon ik nog niet weten, daar was ik nog te klein voor, veel te klein eigenlijk, zeiden ze." en "Tss, deden ze allemaal tegelijk, om me het gevoel te geven dat ik nog veel moest leren, heel veel zelfs, eigenlijk nog alles." Vaak kijken de broers ook op hem neer, en opvallend genoeg, vaak tegelijkertijd letterlijk. Mooie symboliek.
Er zijn echter gelukkig ook een heleboel momenten waarin de broers, zoals het juryrapport, als één opereren. De jury schreef: "Eén keer zijn ze wel één, maar dan ook nadrukkelijk, en plastisch, op het surrealistische af..." Hierna haalt de jury het verhaal "Het beest" aan, waarin de broers inderdaad echt als één zijn: met zijn allen zijn ze doodsbang voor het beest en deze angst verenigd hen. Gerda van Dendooven die de vignetten bovenaan ieder hoofdstuk verzorgde heeft dit gegeven goed verwerkt door een silhouet te maken met zeven benen en een aantal armen en hoofden. Waarschijnlijk zijn dat de zeven broers, bijeen gekropen van angst, maar het zou ook eventueel 'het Beest' kunnen zijn. De jury lijkt echter over het hoofd te zien dat er nog een verhaal is waarin de broers nadrukkelijk als één worden omschreven, en dat is het verhaal "Eén broer met een lange naam", waarin het Sinterklaasfeest gevierd wordt. Ook als ze als haringen in een ton op de achterbank zitten wanneer ze op vakantie gaan, worden ze bijna één. Ze ademen gezamenlijk in een vast ritme en plakken met hun benen aan elkaar van het zweet.
De gebeurtenissen in de verhalen zijn op zichzelf niet bijzonder. Een enkele keer wordt er kattenkwaad uitgehaald en een andere keer wordt er een reisje met de boot gemaakt, maar in die verhalen ligt de nadruk niet op het avontuur, maar op de onderlinge relaties en de dialogen. Het avontuur zit hem in het gewone: Bart Moeyaert maakt het gewone bijzonder.
Dit is het eerste stuk proza van Bart Moeyaert dat ik van hem lees, en het is mij ontzettend goed bevallen. Zijn schrijfstijl is intelligent, poëtisch, humoristisch en vol rake observaties.
Door het beschrijvende karakter is dit boek dus een vreemde eend in de bijt in kinderboekenland, zoals bijna alle winnaars van de Woutertje Pieterse Prijs vreemde eenden zijn. Je kunt ook de vraag stellen "Is het wel een kinderboek?", maar die vraag vind ik totaal oninteressant. Ik weet niet of kinderen hier iets mee kunnen en het kan me ook eigenlijk helemaal niet zoveel schelen. Ik waardeer het ontzettend.
Dit boek is poëtisch, humoristisch, knus en bovendien voor mij ook erg herkenbaar, want ik ben ook de jongste.