menu

Via deze pagina blijf je op de hoogte van recente stemmen, meningen en recensies van Ted Kerkjes. Standaard zie je de activiteiten in de huidige en vorige maand. Je kunt ook voor een van de volgende perioden kiezen: januari 2019, februari 2019, maart 2019, april 2019, mei 2019, juni 2019, juli 2019, augustus 2019, september 2019, oktober 2019, november 2019, december 2019, januari 2020, februari 2020, maart 2020, april 2020, mei 2020

Over Imme Dros en Harrie Geelen - Bregje Boonstra en Truusje Vrooland-Löb (2001) 3,5

afgelopen dinsdag om 17:04 uur

stem geplaatst

» details  

Wat een Mooite!: Hoogtij in het Kinderboek in Acht Portretten - Bregje Boonstra (2009) 3,5

afgelopen zondag om 13:25 uur

stem geplaatst

» details  

Dukkehjem, Et - Henrik Ibsen (1879) 1,5

Alternatieve titel: Een Poppenhuis, 22 mei, 16:33 uur

stem geplaatst

» details  

Trimbaan, De - Imme Dros (1987) 4,5

16 mei, 17:21 uur

Dit boek herlezen vond ik een beetje spannend: De trimbaan was het allereerste boek dat ik van Imme Dros las en Imme Dros is de eerste auteur geweest die van mijn hobby lezen een passie maakte.
Ik leerde Dros’ werk kennen dankzij Harrie Geelen, haar man. De naam Harrie Geelen dook op bij zo’n beetje alles waar ik van hield: hij schreef en illustreerde boeken die ik mooi vond, hij verzorgde de stemregie bij tekenfilms die ik graag keek en vooral: hij dichtte de teksten van liedjes die mij dierbaar waren – en nog altijd zijn. Ik was fan van de creatieve duizendpoot Harrie Geelen, dus toen ik een boek tegenkwam van zijn vrouw, de veelbekroonde schrijfster Imme Dros, wilde ik dat natuurlijk ook lezen.
Dat eerste boek was dus De trimbaan. Ik was twaalf jaar en ik denk dat ik misschien net iets te jong was om het volledig te volgen, maar er tintelde wel van alles. De verwarde verliefdheid, de geweldige dialogen en het idee dat ik een boek las dat ik nog niet helemaal doorgrondde maakte het een prachtige leeservaring. Al snel zocht ik alle boeken van Imme Dros in de bibliotheek. Het maakte niet uit voor welke leeftijd het boek geschreven was of waar het over ging: prentenboeken en boeken over Griekse mythologie nam ik allemaal mee naar huis. Ook struinde ik het internet af, op zoek naar interviews met en artikelen over Imme. Wat voor mij destijds redelijk nieuw was, was de nadruk op de taal in haar werk: ook in interviews sprak ze zelden over verhalen, maar meer over de magie van het medium taal, het ritme van zinnen en de vorm van woorden. (reactie op ander bericht)

Door hun focus op het maakproces en de taal denk ik dat Imme Dros en Harrie Geelen een ontzettend grote rol hebben gespeeld in mijn liefde voor taal en lezen.

Nu ben ik wat jaren verder en is het alweer lang geleden dat ik een boek van Imme Dros las. Na wat tegenvallende boeken, die eindeloos leken te duren, ging ik versuft voor de boekenkast staan. Al snel viel mijn oog op De trimbaan van Imme Dros en werd ik heel erg benieuwd wat ik er nu van zou vinden. Misschien zou ik het nu wel heel stom vinden dat ik dat toen zo mooi vond - daar was ik best bang voor.
Maar toen ik begon te lezen, herontdekte ik al snel dat De trimbaan een schitterende roman is. De personages zijn ontzettend levendig: Dros weet ze fantastisch te typeren in enkele zinnen, met name in haar sprankelende dialogen. We leren de personages vooral kennen door de ogen van Filip, het hoofdpersonage. Filip, of Flip, is een geweldige figuur om een boek lang te volgen. Hij is dwars en driftig, tamelijk cynisch en zijn onzekerheid maakt hem extreem zelfbewust. Misschien is hij welbeschouwd een onsympathiek personage, maar ik vind hem geweldig, misschien omdat ik schrikbarend veel van mezelf in hem herken. Filip doet mij ook erg denken aan Holden Caulfield. Neem bijvoorbeeld de volgende passage: (reactie op ander bericht)

Imme Dros weet net zoals J. D. Salinger in The catcher in the rye haarfijn het menselijk gedrag genadeloos te ontleden op een hilarische manier, zonder daarbij af te doen aan de oprechtheid van de gevoelens. Neem bijvoorbeeld de volgende passage: (reactie op ander bericht)

(Het klinkt bijna als Holden die een phoney ontmaskert, toch?) Bovenstaand stuk staat in de hij-vorm, maar het is overduidelijk geschreven vanuit Filip zelf. Na bovenstaande passages kiest Dros echter plotseling een nieuw perspectief van waaruit ze zaken over Filip vertelt die hij anders nóóít zou vertellen, en die hij misschien niet eens van zichzelf weet: (reactie op ander bericht)

Een werkelijk schitterende passage, waarin ook nog de belangrijkste thematiek van het boek besloten ligt. Als Filip ontdekt dat hij homo is, is hij namelijk bang voor het oordeel van iedereen, terwijl hij zonder het zelf te weten misschien wel het meest vreest voor zijn eigen oordeel.
Dros’ stijl is indringend, met zeker in het begin veel prachtige associatieve overgangen. De brieven die Rogier aan Flip schrijft, zijn stuk voor stuk schitterende monologen, die mij al die jaren nog bijgebleven zijn. Ik heb nu echt zin gekregen om alle boeken van Imme Dros te herontdekken. Dat ga ik niet meteen doen, want er is nog veel nieuws te lezen, maar voortaan lees ik wel met in mijn achterhoofd de geruststellende gedachte dat er nog boeken zijn waar ik altijd terecht kan.

» details   » naar bericht  » reageer  

Gebr. - Ted van Lieshout (1996) 4,0

15 mei, 00:35 uur

stem gewijzigd, oorspronkelijke stem was 4,5 sterren

» details  

Unendliche Geschichte, Die - Michael Ende (1979) 1,0

Alternatieve titel: Het Oneindige Verhaal, 23 april, 00:15 uur

stem gewijzigd, oorspronkelijke stem was 1,5 sterren

» details  

In het Huis van de Dichter - Jan Brokken (2008) 3,0

21 april, 00:03 uur

stem gewijzigd, oorspronkelijke stem was 3,5 sterren

» details  

Fluitketeltje en Andere Versjes, Het - Annie M.G. Schmidt (1950) 2,5

17 april, 17:39 uur

De kinderpoëzie van Annie M.G. Schmidt #1
over Aristoteles' deugdethiek en Milnes ontbijtende koning in Annie Schmidts Fluitketeltje

Laat ik dit stuk even beginnen met een soort disclaimer. Dit is het eerste deel van een serie stukjes die ik van plan ben te schrijven over de kinderpoëziebundels van Annie M.G. Schmidt. En zoals je ziet, is het idioot lang. Ik ben zeker niet van plan om alle stukjes zo lang te maken, maar nu kwam het nou eenmaal zo uit, omdat er ook een heel stuk over Annie M.G. Schmidts werk in het algemeen bij zit. Nog meer dan normaal heb ik het gevoel dat het allemaal onnodig langdradig is, maar goed, dit is een stukje voor de liefhebber met doorzettingsvermogen, zal ik maar zeggen

In zijn lijvige werk Jeugdliteratuur bestaat niet heeft Peter van den Hoven een hoofdstuk gewijd aan Annie M.G. Schmidt: Ongehoorzaam maar met mate (eerder verschenen in het tijdschrift Vernieuwing). In dit hoofdstuk analyseert Van den Hoven, aan de hand van Joke Linders’ proefschrift Doe nooit wat je moeder zegt, Schmidts succes: (reactie op ander bericht)

Schmidts status als Koningin van de Nederlandse jeugdliteratuur is dus goed te verklaren vanuit de tijdgeest, die Schmidt in staat stelde om mee te varen met alle nieuwe ontwikkelingen die toen in zwang waren.

Verder zou ik willen toevoegen dat haar succes ook zeker te danken is aan de mensen met wie Schmidt samenwerkte, en dan met name componisten als Cor Lemaire, Paul Christiaan van Westerling en Harry Bannink. De naam Cor Lemaire lijkt een beetje weg te glippen door de kieren van de tijd - wat ergens wel begrijpelijk is, want zijn muziek is wat minder tijdloos. Vooral in de jaren vijftig en zestig schreef Lemaire veel cabaretmuziek, die wat doet denken aan Franse chansons. (De muziek uit De familie Doorsnee, Pension Hommeles (Ik zou je ’t liefste in een doosje willen doen) en de hoorspelen van Ibbeltje is van Cor Lemaire.) Overigens is het grappig om te vermelden dat Cor Lemaire wat minder leek op te hebben met “de egaliserende werking van anti-autoritaire opvattingen”: toen de Zangeres zonder Naam in 1975 een Gouden Harp ontving, leverde Lemaire de zijne weer in. (Volgens Wikipedia.)
De naam Paul Christiaan van Westerling is zo mogelijk nóg onbekender, en dat terwijl hij best veel bekende melodieën op zijn naam heeft staan: 'Dikkertje Dap', 'Meester van Zoeten' (die eerder op muziek was gezet door Lemaire), veel Pippeloentje-liedjes, 'De brievenbus wou niet meer' en 'Een tante en een oom in Laren'. Iedereen die, net zoals ik, opgegroeid is met kindermuziek van V.O.F. de Kunst, heeft veel melodieën van Paul Chr. van Westering gehoord. Dat zijn naam toch relatief onbekend is gebleven, zou wel eens kunnen komen door Schmidt zelf: (reactie op ander bericht)

Hier doet Schmidt de componist overigens toch echt te kort, denk ik. (Sowieso vind ik het een gemene opmerking.) Van Westerings muziek is wellicht relatief eenvoudig (eenvoudiger dan bijvoorbeeld Banninks muziek), maar bevat wel degelijk mooie, subtiele modulaties en dergelijke. Bovendien zitten er gewoon heel mooie melodieën tussen, die jaren zijn meegegaan.
De naam Harry Bannink is gelukkig nog altijd vrij bekend. Bannink is veel onbekender dan hij zou moeten zijn, want hij is een briljante componist, maar er is nog aandacht voor zijn werk. (Onder andere dankzij Gijs Groentemans prachtige podcast.) Ik zou urenlang door kunnen blijven schrijven over Bannink, maar laat ik hier stoppen, want dit stukje is nu al veel te lang.

Al met al denk ik dus dat Annie M.G. Schmidts populariteit zeker niet alleen te danken is aan haar literaire talent.

Begin dit jaar heb ik, bij wijze van projectje, alle bundels kinderpoëzie van Schmidt gelezen. Zoals ik bovenaan al schreef ben ik van plan om bij alle bundels een stukje te schrijven. Ik verwacht/hoop niet dat het allemaal zulke idioot lange stukjes als dit oplevert. Allereerst natuurlijk omdat die algemene inleiding (waar je jezelf zojuist doorheen hebt geworsteld, beste lezer, waarvoor hulde!) er niet bij hoeft, maar ook omdat veel kritiekpunten en opmerkingen die ik heb op alle bundels van toepassing zijn. Er zit ook niet echt een ontwikkeling in Schmidts werk, dus veel kritiek die ik bij deze bundel heb, geldt (in meer of mindere mate) ook voor de andere bundels.

Een van de dingen die mij tegenstaat aan de bundels van Annie M.G. Schmidt is dat het geen “echte bundels” zijn: het zijn gewoon bij elkaar geharkte gedichten die Schmidt voor Het Parool schreef. Er is geen sprake van een echt geheel: de bundel draagt ook gewoon de naam van het eerste gedichtje en verder komt de volgorde tamelijk willekeurig over. Soms staan er twee lange, verhalende gedichten achter elkaar (bijvoorbeeld 'De koning wou gaan schaatsenrijden' en 'Het prinsesje Tierlantijn'), en dan gaat het saaie toontje enorm tegenstaan.
En dat brengt me meteen bij een ander kritiekpunt: de kinderpoëzie van Annie M.G. Schmidt kun je qua vorm in grofweg in twee categorieën onderverdelen. Aan de ene kant heb je de speelse, vaak wat kortere gedichten. Die gedichten hebben vaak een fijne afwisseling in langere en kortere versregels waardoor die een zekere muzikaliteit bevatten. Ook als Schmidt een iets uitdagender rijmschema uitprobeert, pakt het vaak goed uit. Voorbeelden in Het fluitketeltje zijn 'Mr. Van Zoeten', 'Dikkertje Dap', 'Voor het portret van opa Kraai', 'Luchtpost voor dieren' en 'De Poedelman': (reactie op ander bericht)

Het is waarschijnlijk niet geheel toevallig dat veel van deze titels ook op muziek zijn gezet: de vorm van de gedichten leent zich daar uitermate goed voor.
Maar aan de andere kant heeft Annie Schmidt ook ontzettend veel lange ondingen op haar naam staan. Gedichten als 'Pietertje Pluim', 'De koning wou gaan schaatsenrijden', 'Het prinsesje Tierlantijn' en 'Koning Lariloff is ziek' zijn gewoon niet om doorheen te komen. Ze zijn vaak ook gewoon ontzettend onbeholpen geschreven. Neem nou het begin van 'Een eitje voor een omelet': (reactie op ander bericht)

En zo jengelt dit gedicht bijna veertig regels door… Schmidt is ook gewoon niet altijd de beste dichter. Vaak voel je dat Schmidt zich in bochten moet wringen om het gedicht te laten rijmen of dat ze moeite moet doen om de versvoeten vol te krijgen. Vaak gaan deze verhalende gedichten ook gewoon nergens naartoe, want dan breidt Schmidt er gewoon heel knullig een einde aan, zoals (reactie op ander bericht)

Ik denk dat de gebrekkigheid van veel gedichtjes terug te voeren is op het feit dat Schmidt uiteindelijk ook gewoon een schrijfster was die in opdracht schreef: elk gedicht was gewoon een deadline die ze moest halen, en de ene keer zal ze meer inspiratie hebben gehad dan de andere keer.

Inhoudelijk laten de gedichtjes zich ook wel globaal onderverdelen in een aantal afdelingen. Schmidts werk wordt vaak in verband gebracht met rebellie en anarchisme, maar dat imago dient te worden genuanceerd, zoals ook Linders in haar proefschrift stelt: (reactie op ander bericht)

Mensen denken bij Schmidt vaak aan de gretig geciteerde regel ‘Dus doe nooit wat je moeder zegt / dan komt het allemaal terecht’, maar zo expliciet rebels is Schmidt echt zelden. Bovendien zijn er ook veel gedichtjes te vinden die een haast belerende houding aannemen. In Het fluitketeltje heb je bijvoorbeeld al 'Basje gaat naar buiten': (reactie op ander bericht)

En zo gaat dit nog vijf strofen door, waarin Basje wordt teruggeroepen. Heel braaf en belerend dus. Ook 'Rosalind en de vogel Bisbisbis', een wat bekender gedicht, is welbeschouwd erg braaf. De invulling is wat creatiever (de ondeugende Rosalind wordt door een vogel ontvoerd en op een eiland voor ondeugende kinderen gekwakt), maar “de boodschap” is net zo belerend.
Ook het bekende gedicht 'De brievenbus wou niet meer' is te interpreteren als een belerend gedicht. (Dit is één van de vele gedichten die ik dankzij de V.O.F. de kunst-cd op commando uit mijn hoofd kan zingen.) Thematisch is 'De brievenbus' overigens sterk verwant aan het gedichtje 'De locomotief', dat weliswaar niet in de bundel terecht is gekomen, maar wel in dezelfde periode in Het Parool is gepubliceerd. Beide gedichtjes gaan over iemand die zijn taak beu is en ermee wil stoppen: de brievenbus wil niet meer brieven inslikken en de locomotief is het beu om mensen te vervoeren. In beide gedichtjes komt de protagonist echter tot inkeer. Vergelijk (reactie op ander bericht)

met (reactie op ander bericht)

Echt expliciet belerend zijn de versjes misschien niet, maar ze zijn ook alles behalve progressief. Het doet me een beetje denken aan de deugdethiek van Aristoteles: een locomotief is een deugdelijke locomotief als ie mensen vervoert en een brievenbus is een deugdelijke brievenbus als ie brieven inslikt. Dat is nu eenmaal hun ultieme levensbestemming. Met name in het einde schemert deze houding door. (reactie op ander bericht)

en (reactie op ander bericht)

Nu wil ik niet zeggen dat ik dit twee slechte gedichten vind ('De brievenbus' is, ook zeker dankzij Van Westerings muziek, één van mijn favorieten), maar als je deze “moraal” naar mensen vertaalt, is het alles behalve progressief en rebels.

Wat me verder trouwens nog opviel, is dat het gedichtje 'Waar de koning trek in had' wel argwaanwekkend veel lijkt op A.A. Milnes gedicht 'The King’s Breakfast' uit de bundel When we were very young uit 1924. Hoewel de details verschillen kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat Schmidt heeft afgekeken bij Milne. In beide gedichten zit de koning moeilijk te doen over zijn broodbeleg. Bij Schmidt verandert telkens de konings wens: hij zegt eerst tegen zijn vrouw dat hij honing wil, de koningin stuurt de dienstmeid op pad, maar als de dienstmeid arriveert met de honing, is de koning alweer van gedachte veranderd. Milne had, in 1924, dus al een gedicht geschreven met een soortgelijk verloop: de koning zegt tegen de koningin dat de boter op is en de koningin geeft dit op haar beurt weer door aan de dienstmeid, die op haar beurt weer naar de koe gaat om boter te halen. De koe raadt de koning echter marmelade aan: (reactie op ander bericht)

Zodoende brengt de dienstmeid marmelade - tot groot verdriet van de koning, die per se boter wil. En zo gaat het riedeltje weer opnieuw, en uiteindelijk krijgt de koning zijn zin.
Bij Annie Schmidt bedenkt de koning zich een heleboel keer, totdat de koningin boos wordt en de koning zonder ontbijt de straat op stuurt, waar op dat moment de ijscoman langskomt. En zo eet de koning uiteindelijk een ijsje. Bij Milne zit de humor meer in de vorm, de continue herhaling en de omslachtige communicatie (alles gaat via via, wat extra wordt benadrukt door de vele afbrekingen), maar verder komen de twee gedichten heel erg overeen. Ik heb nog wat gezocht of het bekend is dat Schmidt het werk van Milne misschien bewonderde, maar daar kon ik niets over vinden. Wel vond ik het volgende citaat in Joke Linders' proefschrift: (reactie op ander bericht)

Grappig dat Linders wel opvallende overeenkomsten ziet tussen de bundels van Schmidt en Milne, maar de grootste overeenkomst niet noemt.

Het fluitketeltje eindigt trouwens met een bijzonder schattig gedichtje: 'Stekelvarkentjes wiegelied'. Ook dat gedicht is vrij onbeholpen opgeschreven, maar daar is het totaal niet storend, omdat het vanuit een moeder of vader Stekelvarkentje geschreven is. Eigenlijk maakt die onbeholpenheid het alleen maar liever en schattiger. Dat gedichtje bevat ook misschien wel de mooiste dichtregels van de hele bundel: (reactie op ander bericht)

Nou, liever dan dat wordt het niet, toch? Voor de verzamelbundel Ziezo heeft Peter Vos er trouwens een prachtige illustratie bij gemaakt, die het extra snoezig maakt.
Dit gedichtje is overigens ook op muziek gezet, door Cor Lemaire. Voor de liefhebber: Stekelvarkentjes Wiegelied door Hetty Blok.

» details   » naar bericht  » reageer  

Dagen van de Bluegrassliefde, De - Edward van de Vendel (1999) 3,5

9 april, 23:34 uur

Dit is weer zo’n boek dat ik graag net wat beter had willen vinden: er zit heel veel in dat heel goed werkt, maar het boek bevat voor mij ook een paar duidelijke minpunten, die het geheel toch wat naar beneden halen.

Edward van de Vendels schrijfstijl vind ik vrij wisselvallig. Hij gebruikt opvallend veel metaforen, maar die zijn voor mij toch een beetje hit or miss; de ene keer werken ze heel goed en wekken ze het juiste gevoel op, maar de andere keer werken ze wat mij betreft totaal niet en leiden ze alleen maar af. Hier is een voorbeeldje van de allereerste bladzijde – zelfs drie metaforen achter elkaar: (reactie op ander bericht)


Het eerste beeld vind ik goed werken. Het gaat hier om een intiem moment tussen twee tieners, en daar past het ladder-beeld goed bij: als je langs een ladder naar beneden loopt, zie je niet goed waar je naartoe gaat, je moet met je voet een beetje aftasten waar de volgende sport zit, en voor je het weet, ben je plotseling beneden. Zodoende werkt deze metafoor wat mij betreft erg goed. (En vanaf nu zal het gebruiken van een ladder een erotische lading hebben.)
Maar dan voegt Van de Vendel er een tweede beeld aan toe, die voor mij al wat minder werkt. (reactie op ander bericht)

Het aftellen an sich vind ik geen beroerde vergelijking, al voegt het niet veel toe aan het ladder-beeld (het afdalen van een ladder is immers ook een soort aftellen naar de begane grond), maar voor mij springt die ‘zero’ nogal in het oog. Aanvankelijk dacht ik dat Edward van de Vendel wat geforceerd jongerentaal in zijn boek wilde verwerken (ik moest een beetje denken aan die meme van Steve Buscemi die zegt: "How do you do, fellow kids?"), maar later, toen ik dit stukje schreef, bedacht ik me dat het een verwijzing naar een raketlancering moest zijn. De ontmaagding van Tycho wordt namelijk vergeleken met een maanlanding - zie ook de openingszin van het boek: (reactie op ander bericht)

Ik vind het toch nog steeds niet zo heel goed werken. De ‘zero’ vind ik bijzonder lelijk en als Van de Vendel naar een raketlancering had willen verwijzen had hij denk ik beter “aftellen tot lift off” kunnen schrijven. Volgens mij wordt de nul bij een lancering namelijk niet genoemd. Ik heb er verder natuurlijk geen verstand van, maar bij David Bowie’s Space Oditty hoor je ook “two, one, liftoff”.
(reactie op ander bericht)

De laatste metafoor komt gewoon niet zo goed tot z'n recht. Ik kan niet zeggen dat ik het slecht vind (het geeft aan dat Tycho passief is in de situatie, en het roept de associatie op met ‘h/zij houdt van me, h/zij houdt niet van me’), maar in combinatie met die andere twee metaforen vind ik het wat “onrustig” en weinig gefocust.

En zo zijn er meer beelden die voor mij niet helemaal werken. Later in het boek hebben Tycho en Oliver voor het eerst samen seks, en dit verwoordt Van de Vendel op de volgende manier: (reactie op ander bericht)

Dit vond ik niet sensueel, maar eigenlijk een beetje lachwekkend. Het komt extreem geforceerd en gedateerd over, alsof Van de Vendel, in een poging om de jeugd aan te spreken, een computer-metafoor in zijn verhaal heeft geforceerd: “Die dekselse kids houden natuurlijk van personal computers! Laat ik dat eens gebruiken!”. Ik zag nu niet alleen de meme van Steve Buscemi voor me, maar ook Balkenende die van een skateboard valt.
Even voor alle duidelijkheid: dit is wel de lelijkste metafoor uit het hele boek, en dit fragment is niet representatief voor de het hele boek. Het boek bevat zeker schitterende passages, en Van de Vendel laat op heel veel momenten ook zien hoe goed hij kan observeren en gevoelens kan verwoorden, maar af en toe voelt zijn taal toch geforceerd hip – wat mij ook in andere jeugdboeken van hem tegenstaat (zoals de raps Waar kunnen we hiher een standbeeld krijgen?). (Het is overigens wellicht handig om te vermelden dat ik de eerste druk van dit boek in mijn bezit heb. Ik las ergens dat er later een ge-update versie van dit boek op de markt is gebracht, met mobiele telefoons et cetera. Of deze versie daadwerkelijk minder verouderd aanvoelt, betwijfel ik eerlijk gezegd.)

Verder heb ik af en toe het idee dat Van de Vendel het niet durft om subtiel iets over te brengen. Neem het volgende fragment: (reactie op ander bericht)

De metafoor vind ik te expliciet om mooi te zijn. Ik had liever gezien dat Van de Vendel gewoon beschreef dat Tycho in de paal kneep of zo: dan breng je ook het harde van het staal over en dan kan de lezer zelf het (omgekeerd evenredige) verband leggen tussen de stevigheid van het staal en de zwakte van Tycho’s overtuiging. In dit soort passages lijkt het alsof Van de Vendel niet impliciet durft te zijn.

Maar zoals ik eerder al schreef, zijn er ook zeker metaforen/beschrijvingen in het boek die ik zeker effectief en sterk vind. Een voorbeeld van een mooie metafoor vind ik bijvoorbeeld (reactie op ander bericht)

Dat is gewoon een schitterend beeld, vind ik.
En zo vind ik gelukkig meer dingen heel goed aan dit boek. Met name de eerste helft in het Amerikaanse zomerkamp is bijzonder sterk. De zomerse sfeer werkt gewoon geweldig goed en Van de Vendel is, zoals ik eerder al schreef, een goed observator: hij weet fantastisch sociale interactie te beschrijven, hij heeft echt oog voor allerlei details in de sociale omgang tussen mensen. Zoals hij bijvoorbeeld de kennismaking omschrijft als Tycho en Oliver op het kamp arriveren, is echt heel sterk en herkenbaar. Ook veel aspecten omtrent verliefdheid zijn ontzettend treffend, stijlvol en sensueel geschreven. Het is allemaal typisch coming-of-age gedartel, maar daar heb ik altijd wel een zwak voor. Verder is de hoofdpersoon Tycho een sympathiek personage. Zijn gedachtegangen zijn echt leuk om te lezen.
Het boek deed mij bij vlagen wel denken aan Call me by your name: dat is ook een zomers boek over een (homoseksuele) verliefdheid met een soortgelijk verloop. De details zijn natuurlijk anders, maar de sfeer komt wat mij betreft wel overeen. Het zal overigens wel helpen dat één van de twee protagonisten 'Oliver' heet. Net zoals Call me by your name vond ik ook dit boek ietsjes minder worden naar het einde toe. In de tweede helft, nadat Tycho en Oliver het zomerkamp Little World verlaten, ligt de nadruk meer op het conflict en treedt het drama meer op de voorgrond. Hoewel ook het tweede gedeelte enkele sterke momenten bevat (het telefoongesprek met Tycho's ouders bijvoorbeeld), vond ik het minder sterk.

Waarschijnlijk komt dit stukje negatiever over dan ik wil. Ik vond het een goed boek, en het heeft me zeker benieuwd gemaakt naar ander werk van Van de Vendel, maar helaas bevat het wel net te veel minpuntjes om écht goed te zijn. En de sterke stukken maken de mindere delen des te frustrerender.

» details   » naar bericht  » reageer  

Schloss, Das - Franz Kafka (1926) 3,5

Alternatieve titel: Het Slot, 7 april, 14:57 uur

stem gewijzigd, oorspronkelijke stem was 4,0 sterren

» details  

Hungerkünstler, Ein - Franz Kafka (1924) 3,0

Alternatieve titel: Een Hongerkunstenaar, 6 april, 19:49 uur

Deze vier verhalen illustreren eigenlijk perfect wat ik in Kafka's werk waardeer, maar ook wat mij juist erg tegenstaat.

Waar ik heel erg van geniet, zijn de beeldende situaties, die droevig zijn, maar tegelijk geestig. 'De gedaanteverwisseling' vind ik daarom schitterend: dat is één lang droefgeestig, filmisch verhaal vol prachtige, beeldende scènes. (Ook Kafka's debuutbundel Beschouwing bevat erg veel mooie beelden.) In Kafka's "grote romans" die ik tot nu toe heb gelezen (Het proces en Het slot) zijn dergelijke passages ook wel aanwezig, maar helaas wat meer geïsoleerd - het zijn daar meer aparte scènes, voor mijn gevoel.
Die romans worden iets te veel overheerst door wat mij tegenstaat bij Kafka: de ellenlange gedachtestromen, die kluwen hersenspinsels. Als ik een boek lees, of algemener: als ik kunst geniet, wil ik graag iets voelen, maar Kafka's paginalange uiteenzettingen komen vooral heel erg via het hoofd binnen. Natuurlijk zijn veel van die ideeën in die gedachtegangen relevant voor de verhalen en bepalen ze in grote mate de thematiek van het boek, maar ik verkies een "betere" balans tussen de ideeën en de beelden. Ik houd van sfeer, en die ontbreekt wat mij betreft teveel in die uiteenzettingen. Zoals gezegd vind ik die balans perfect in De gedaanteverwisseling. In Het proces is die balans ook wel oké: daar zijn ook wel veel uiteenzettingen aanwezig, maar Kafka weet die nog goed te doseren. (Sommige uiteenzettingen zijn bovendien gegoten in een beeldende parabel, zoals 'Voor de wet', met die poortwachter.) Het slot staat me eerlijk gezegd niet meer zo helder voor de geest (dat komt ongetwijfeld omdat ik daar nooit meer een stukje over heb geschreven), maar ik kan me wel herinneren dat ik daar de gedachtestromen mij ook nogal tegen stonden.

De vier verhalen in deze bundel vertegenwoordigden perfect deze twee kanten van Kafka.
Het titelverhaal en het openingsverhaal 'Eerste smart' waren twee mooie voorbeelden van wat ik zo goed vind. Met name 'Eerste smart', een verhaal van nog nauwelijks vier pagina's, vond ik schitterend. Het gaat over een trapezeartiest die eigenlijk alleen gelukkig is als hij zoveel mogelijk in de nok van het circus, in zijn trapeze kan blijven zitten. Alleen dat vind ik al een prachtig beeld. (Zo'n figuur zou ook niet misstaan in een Jeunet/Caro-film.) Als het circus naar de volgende stad reist, en de jonge trapezeartiest dus onmogelijk in zijn trapeze kan blijven hangen, gaat de jongen in de trein in het bagagenet zitten. Dat soort beelden vind ik dus heerlijk. Tegelijk is de inhoud ook bijzonder prikkelend: onder de humoristische beelden schuilt een onbestemde treurigheid - het heet niet voor niets 'Eerste smart'. Dit wordt verder niet echt uitgewerkt, maar daar heb ik totaal geen problemen mee. Daardoor blijft het verhaal juist prikkelend en nodigt het uit tot herlezen. 'Eerste smart' had trouwens echt perfect gepast in Beschouwing, ook omdat het een soort coming-of-age element suggereert.

De andere twee verhalen ('Een kleine vrouw' en 'Jozefine de zangeres, of Het muizenvolk') vond ik helaas nogal vervelend. Dat zijn echt twee paginalange gedachtegangen, die bijzonder moeilijk te volgen zijn. Ik twijfel er niet aan dat Kafka met die verhalen iets boeiends wilde zeggen (ik heb op het internet nog wel interessante stukjes gevonden), maar dat neemt niet weg dat de gekozen vorm mij gewoon niet aanspreekt.

Zo schommelt Kafka tussen twee uitersten en en is de bundel als geheel nogal wisselvallig. Maar gelukkig heb ik nog heel wat te gaan!

» details   » naar bericht  » reageer