menu

Hier kun je zien welke berichten Theunis als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Waagstukken - Charlotte Van den Broeck (2019)

geplaatst:
In Turnhout, waar haar ouders wonen, vindt Van den Broeck haar eerst verhaal. Over het plaatselijke zwembad. Als je de echte verhalen erover wilt horen dan moet je naar de cafetaria, daar waar Danny uit de Driekuilenstraat elke dag rond de middag zijn Duveltjes drinkt. “De twee kilometer naar het stadspark legde hij af in een gemotoriseerde rolstoel. Via het OCMW had hij er gratis een kunnen krijgen, omdat hij lijdt aan zwaarlijvigheid en een vette lever. Hij houdt het lijden en zijn recht op uitkering in stand door elke dag tussen de twaalf en veertien Duvels te drinken.” Onmiddellijk bij de start van het boek ligt de vergelijking met andere favoriete schrijvers op de loer: Verhulst, Vlaminck zijn niet ver weg. Danny vertelt over de eerste problemen die rond het zwembad ontstonden. Er zouden er nog vele volgen. Dit eerste en tevens jongste verhaal is exemplarisch voor de overige verhalen in het boek. Het boek laat zien hoe wisselend ambitieuze bouwprojecten kunnen eindigen in gezichtsverlies met de zelfgekozen dood van de architect tot gevolg. Maar het boek gaat verder dan dat. Niet alle verhalen zijn even interessant, maar Van den Broeck tilt dit boek veelvuldig boven het thema en haar potentie uit. Op schitterende wijze vervlecht ze de verhalen over de architecten en hun bouwwerk met flarden van haar eigen jeugdherinneringen, diepzinnige overpeinzingen en filosofische gedachtes die ergens linken aan één van de dertien verhalen. Op deze manier laat ze de lezer ademen, creëert ze aangename golven waarop je je al lezend laat mee dobberend en af toe, na weer een briljante passage, waakt ze ervoor dat je wakker blijft, dat je aandacht niet verslapt. Dit lukt meestal.

Zo begint ze midden in een verhaal een intermezzo over de werking van haar lichaam en hoe ze als tiener haar lichaam begon te wantrouwen en ook die van anderen. “Legde ik het hoofd op de borst van mijn toenmalig lief, dan plaatste ik mijn oor precies op de plek waar mijn schelp de hele klop van zijn hart opving. Niet om het sentiment ervan, eerder als stethoscoop. Hij heeft een groot hart, een atletenhart dat veel bloed rondpompt. Als hij klaarkomt, pompt het zo hard, zo hard, dat het dreigt stil te vallen. Soms duurde het een hele nacht voor ik de klop durfde loslaten, voor ik erop vertrouwde dat de klop ook zonder dat iemand hem hoorde bleef bestaan in zijn lichaam.” De schrijfster laat je dichtbij komen. Midden in het verhaal over de architect van een gebouw in Oostende, legt ze een diepe, persoonlijke angst op het papier. Je voelt het hart van haar ex-vriend zelf kloppen. Sterker nog, je voelt je eigen hart kloppen en zelf voel je ook even die angst. En die angst neem je mee in het verhaal terwijl je leest over de ziekte van een vriend van de architect. We kennen allemaal de limiet van ons frêle lichaam. Van den Broeck weet in twee bladzijden de angst van de lezer, de architect en de schrijfster met bovenstaande intieme persoonlijke ontboezeming op prachtige wijze met elkaar te verbinden.

Het spelen met taal zal geen verrassing zijn na haar eerder gedichtenbundels. Zo schrijft ze over twee architecten die kort na elkaar stierven dat ze niet zonder elkaar konden lezen. “Dat is een fysieke vaststelling. De verbinding was definitief.” Om vervolgens met deze prachtige zin te komen: “Ze stierven elkaars dood.” Of deze wrange passage, over het instorten van een theater. “Hij had gewild dat er in dat nietsontziende lawaai ruimte was geweest voor menselijke weerstand, hoe klein ook. Het deed de steen en het staalt niets dat er botten uit hun vlees werden getrokken, de verplettering was vanzelfsprekend, men had geen schijn van kans.” En deze ellenlange zin, die ook zomaar over de huidige Amerikaanse president zou kunnen gaan: “Ziet hij om zich heen niet de bankdirecteuren, de effectenmakelaars, de Congresleden, de erfgenamen en hun gemene delers: bulkende geldbuidels en het totale gebrek aan verbeelding waar al dat geld in godsnaam aan uit te geven, allen in de valstrik van een burgerlijk bestaan getrapt, aan de ketting van hun gezapig comfort, klerken van de hebzucht, snakkend naar afleiding van dit schrijnende zelfinzicht, van het schaduwspel op de wand van hun ingekapselde grot, hun begeerte naar schijnwerelden, vaudeville, filmprenten, jonge actrices met reeënogen, concerten, rode lopers en noem maar op?” Amen!

Af en toe viel er ook nog wat te lachen bij het lezen. Zo is er het verhaal over Madame Maquin en de torenspits van Verchin. Madame Maquin is de “president van de Europese Vereniging voor gedraaide torenspitsen”. Het presidentschap duurt zeven jaar en ze neemt haar taak zeer serieus. Ook de passage over de millenniumwisseling was erg geestig. Van den Broeck schrijft over een optreden van de D-Devils en de angst dat om twaalf uur de wereld zou vergaan omdat computers niet voorbereid zouden zijn op de komst van het jaar 2000. “Twee als duivels verklede mannen predikten met vervormde stem op repetitieve housebeats dat de zes poorten van de hel openstonden en dat we moesten dansen met de duivel. Mijn broer werd uitzinning. ‘And dance with the devil!’ zong hij schuddend en schokkend. Ik hield mijn ogen dicht. Toen het voorbij was en de klok twaalf uur sloeg, schoten uit de twee kanonnen op het podium luide knallen die verpulverden in zilveren confetti. We waren niet ontploft. Er was niet eens iets veranderd. Na het uitblijven van de voorspelde Apocalyps brak mijn broer zijn single van de D-Devils in twee stukken.”

Een halve pagina verderop gaat het ineens over het streven naar perfectie, iets dan bij de architecten, maar ook bij de schrijfster terugkomt. Ze geeft aan dat ze “voor weinig dingen zo bang is als voor voltooiing. De verantwoordelijkheid voor volledigheid zou ik nooit op mij kunnen nemen. Het is veel veiliger om te stellen dat iets streeft naar voltooiing, want in dat streven is er ruimte voor verbetering. Altijd kan het beter.”

Ik merk dat ik nog wel even door kan gaan. Nu ik na het lezen de passages die ik gemarkeerd heb terughaal, realiseer ik me dat het er erg veel zijn. Halverwege het boek kwam de gedachte in me op dat ook dit boek zo af en toe de perfectie naderde. Toch vond ik een paar verhalen daarvoor niet boeiend genoeg, wat mij alleen maar meer geïnteresseerd maakt naar de schrijfster. Ik kan mezelf gerust stellen. Van den Broeck kan zich een leven zonder schrijven niet voorstellen. Ergens in het boek schrijft ze dat “de gedachte van het ophoudt, omringd (is) door leegte”. Het schrijven hoort bij haar. “Het is altijd aanwezig. Het hoort bij me, zoals ik me kan inbeelden dat je bij een geliefde hoort, of bij een kind, of bij een andere moeder, evengoed bij een stel katten. Het bepaalt wie ik ben en dat is geruststellend.” Geruststellend is daarom ook de gedachte dat er meer boeken zullen volgen. Ik wacht met smart.

Wait until Spring, Bandini - John Fante (1938)

Alternatieve titel: Wacht tot het Voorjaar, Bandini

4,5
De familie Bandini, Italiaanse immigranten, in strijd met het zware leven, de armoede, de troosteloosheid. Het leven van de gewone op zijn allermooist. Het verhaal volgt vader, moeder en hun oudste zoon op hun zoektocht naar liefde, geluk en een beter leven. Vader Svevo ontmoet een rijke weduwe tijdens een klusje. Moeder Maria weet niet of ze beter af is met of zonder haar man, maar als Svevo een tijdje weg is lijkt ze ten onder te gaan. Ze verwaarloost haarzelf en haar kinderen, waaronder haar oudste zoon Arturo. Hij is bovendien nog eens hopeloos verliefd op Rosa. Een liefde die onbeantwoord lijkt te blijven. Een heel klein verhaal, een verhaal van een arme familie, waarin niet veel lijkt te gebeuren, maar waar een emotionele rijkdom (of armoede) achter schuilgaat. Een strijd die, en dat is misschien wel de grootste kracht van het boek, op een weergaloze manier opgeschreven is. Warm en liefdevol en toch ook rauw en neerslachtig. Het was mijn derde boek van John Fante en zeker niet de laatste. Een schrijver die gelezen mag blijven worden.

Wayward Bus, The - John Steinbeck (1947)

Alternatieve titel: De Verdwaalde Bus

4,0
Zoals je een veilige haven in kan varen, vlak na een angstaanjagende storm. Zoals je een warme omhelzing van een dierbare na tijden van eenzaamheid kan krijgen, precies op het juiste moment, zonder er woord aan vuil te maken. Zo zijn de boeken van John Steinbeck voor mij een vertrouwd toevluchtsoord geworden. Als ik behoefte heb aan relativering, als ik er weer even herinnerd moet worden dat het allemaal wel meevalt, dan kan ik me heerlijk verliezen in de creaties van Steinbeck. De liefde voor alles wat leeft, vooral de ongecompliceerde liefde voor datgene wat zo weinig kans maakt in de wereld, voor alles wat niet voor zichzelf lijkt te kunnen opkomen, diegenen die aan de rafelrandjes van de samenleving moeizaam voortploeteren, voor het achteloze dierenrijk dat overgeleverd aan de grillige wetten van de natuur ondanks alles altijd weer, alsof het een andere keuze heeft, zijn weg weet te vinden. En die natuuromschrijvingen komen zo weinig voor in de literatuur tegenwoordig maar zijn zo doeltreffend. Als de beslommeringen van al de mensen in die verdoolde bus van het verhaal langzaam duidelijk worden dan is er een passage als deze:

“Wezels en bontgekleurde waterslangen maakten hun hol in de greppels langs de weg, onder het hoog opgeschoten onkruid en in de avond kwamen de vogels er drinken. In de lente zaten veldleeuweriken de hele ochtend op de oude hekken en floten hun jodelend liedje. En op herfstavonden zaten houtduiven op het prikkeldraad, vlak naast elkaar over een afstand van mijlen en hun gedragen roep klonk over die mijlenlange afstand. ’s Avonds zweefden de geitenmelkers langs de greppels op zoek naar hun buit en in de duisternis speurden de kerkuilen naar konijnen. En als er een koe ziek was, zaten de grote, lelijke aasgieren op het oude hek en wachtten op de dood.”

En wat betekenen die nutteloze, o zo menselijke problemen dan nog? Is het niet zo dat we ook zelf na een lange strandwandeling of een verfrissend ochtendje slenteren in het bos, onze perikelen op die plek achterlaten? Wat het in het verhaal doet: het schept afstand, het relativeert. Opeens worden de al te menselijke perikelen rond de verdoolde bus gedegradeerd tot wat ze zijn: banaliteiten. nietszeggende stormen in kleine glazen water.

Waar gaat het verhaal dan over? Uiteenlopende personen komen samen in een bus die vlak voor een brug onder een onstuimige rivier stil komt te staan. Steinbeck schildert een kleurrijk palet aan hoofdpersonen. Waar het in eerdere boeken die ik van Steinbeck las werkte, komt het hier minder goed uit de verf. Er zijn te veel hoofdpersonen. De focus ontbreekt. Dat maakt het verhaal minder krachtig dan het had kunnen zijn. Nergens, het is Steinbeck ten slotte, daalt het niveau zover dat ik het boek heb willen wegleggen. Maar ik kan niet anders dan erkennen dat dit niet het beste boek van Steinbeck is.

Wees Onzichtbaar - Murat Isik (2017)

4,5
geplaatst:
Onzichtbaar zijn. Als kind droomde ik ervan. Zoals ik ook droomde over andere, heldhaftige superkrachten: hoe ik op het punt om er als eerste mens achter te komen hoe ik moest vliegen of hoe ik als tienjarige de jongste debutant in het eerste van Ajax zou zijn. Voor Metin is onzichtbaar worden een ander soort superkracht. Hij moet zich afvragen hoe je je als kind schuil kan houden voor een tirannieke vader.

Zo leren we de Turkse Metin in het begin van het verhaal kennen. Samen met zijn zus, zijn vader en zijn moeder komt hij naar Nederland, naar de Bijlmer. Wat volgt is een afgemeten coming-of-age verhaal van een bescheiden en ruimhartige jongen, op zoek naar de sympathie van en voor zijn vader. We volgen hem in de woelige jaren als puber. Hij krijgt vrienden, wordt verliefd, groeit naar de volwassenheid. Het decor is zoals gezegd de Bijlmer. We leren de wijk kennen. We zien de langzaam groeiende verloedering. Ondertussen zien we op de achtergrond de wereld van eind jaren tachtig en begin jaren negentig voorbij gaan. Op de dag van de beroemde stiftbal van Dennis Bergkamp tegen RKC stort ook een vliegtuig neer in de Bijlmer, iets wat je als lezer al lang verwacht. We zien onze oer-Hollandse Koninginnedag vanuit de bril van een immigranten gezien. Voordat je het weet ben je als lezer ondergedompeld in het leven van Metin en kun je het boek amper nog wegleggen.

Wat uiteindelijk bijblijft en tijdens het lezen onder je huid kruipt, is het karakter van de hoofdpersoon. We voelen hoe moeilijk het is om als zoon te leven met een vader die zoveel ruimte voor zichzelf inneemt. Maar wat we vooral ook voelen, is de onvoorwaardelijke vergevingsgezindheid van een zoon voor zijn van tijd tot tijd barbaarse vader. Het geduld, de compassie en de innige tederheid die Metin in het verhaal tentoonspreid is hartverwarmend. Geleidelijk zien we Metin uit de onzichtbaarheid stappen, niet als een superheld, niet door bovennatuurlijke krachten. Nee, we zien een jongen, een mens die door vallen en opstappen volwassen wordt. Daar kon een jonge Isik waarschijnlijk alleen maar van dromen.

Weg naar Covadonga. Een Spaanse Wielerbedevaart, De - Edwin Winkels (2020)

4,0
geplaatst:
Na Pellegrina waren mijn verwachtingen hoog gespannen. In 2016 schreef Lidewey van Noord een hartverwarmende ode aan het Italiaanse wielrennen en het land zelf. Dat boek zaaide verlangen, zoals Bert Wagendorp, hoofdredacteur van wielertijdschrift De Muur in het voorwoord schreef. Vier jaar later volgt de volgende wielerbedevaart, nu door het Spanje van Edwin Winkels.

Het begin is goed. De vormgeving van het boek is wederom schitterend. De foto’s van verlaten straten, doodse dorpjes en eenzame, mistige haarspelbochten zenden een melancholische uitnodiging om een fietsvakantie in Spanje te gaan boeken. Maar al vrij snel moet Winkels spreekwoordelijk lossen: dit boek kan nooit tippen aan zijn voorganger. De eerste verhalen in het boek grijpen me minder. Ze spreken minder tot de verbeelding. Zoals in het wielrennen is geen enkele strijd eerlijk. Je hebt te doen met de omstandigheden en feit is dat er in Italië meer wielerverhalen voor het oprapen lijken te zijn. Daarbij lijkt Van Noord dichterbij de Italiaanse wielerharten te komen. Waar Winkels hier en daar in feiten lijkt te verdwalen lukte het Van Noord eerder de persoonlijke verhalen voorrang te geven. Dat maakte dat boek rijker.

Maar laat ik de verleiding weerstaan en niet in vergelijkingen stranden. De lat lag immers erg hoog. Pellegrina was een nagenoeg perfect en ook dit is gewoon een prachtig en goed boek. Eenmaal onderweg lijkt Winkels steeds beter in staat om in een mooie cadans te blijven houden. Af en toe bereikt hij de top in verhalen die daar ook bijna om vragen, zoals het verhaal van Ricardo Otxoa en zijn tweelingbroer Javier. Ze werden beide geschept door een auto tijdens een trainingsrit. Winkels schrijft er prachtig over.

Vanaf nu is het wachten op de volgende wielerbedevaart. Frankrijk zou voor de hand liggen. België misschien?

West of Rome - John Fante (1986)

Alternatieve titel: De Geschiedenis van een Hond

4,5
Niet zelden heb ik een zwak voor de underdog, voor diegene die niet krijgt wat hij verdient en die desondanks blijft geloven in zijn eigen kunnen. Niet omdat hij onverschillig is, misschien niet eens omdat hij gelooft in eigen kunnen, maar omdat hij niet anders kan. Daar denk ik aan bij het lezen van de boeken van John Fante. Hij heeft tijdens zijn leven nooit de erkenning gekregen die hij later, na zijn dood, wel kreeg. En toch wordt hij niet veel gelezen. Zonde, eeuwig zonde omdat zijn proza zo rijk is, zo onweerstaanbaar wrang, schrijnend en tegelijk warm en wonderschoon.

West of Rome bestaat uit twee novelles, My Dog Stupid en The Orgy. Opnieuw zijn de hoofdpersonages verslagen mannen. Hardwerkende mannen die niet hebben gekregen wat ze misschien zouden verdienen en ondanks alles wel blijven hopen. Ja, de gelijkenis met de schrijver zelf is nooit ver weg. Al was het maar omdat de personages, zoals ook in zijn andere boeken, mensen zijn met een Italiaanse achtergrond.

In het eerste verhaal staat een man centraal die op een dag een hond in zijn tuin vindt, een enorm beest dat in eerste instantie zelfs doet denken aan een beer. Zijn vrouw wil het beest weg hebben, maar de man zou niet weten hoe hij dat moet doen. Op een gegeven wordt er besloten dat ze de hond, die inmiddels de naam Stupid draagt, houden. Dit gebeurt na een gevecht met een andere hond. De hoofdpersoon ziet in de hond zijn redding: iemand die voor hem gevechten kan winnen, iemand die hem aanzien kan geven. Maar je weet al dat dit niet meer gaat lukken. Het sarcasme druipt ervan af als man en vrouw op een avond een ritueel opvoeren en elkaar, onder het genot van een aantal flessen wijn, vertellen over hoe goed de kinderen het doen. Alles wat ze zeggen is het tegenovergestelde en is daardoor extra wrang. Zo zien ze het al voor zich, wie weet worden ze grootouders en ze stellen zich voor hoe het zou zijn om opnieuw kleine kinderen in huis te hebben.

She sighed. “Our own grandchildren, filling the house with laughter once more!”
“You sure you don’t mind, diapers and all that?”
“Those dear little bottoms. I’d love it!”


Maar niets is minder waar. Zo gaat het spelletje nog een tijdje door. Als de kinderen op een avond komen eten en op het moment suprème besluiten niet mee te eten, maar naar het strand te gaan is de leegte, de eenzaamheid schrijnend, als papa en mama alleen bij de tafel blijven zitten.

We lit the candles and sat down to the funeral, the casket of lasagne between us. There was no weeping over the bereavement, no show of emotion. We had need for one another in this hour and we remained courageously silent. There was something heroic about Harriet, a tragic gallantry as she drank deeply the chilled wine and was not ashamed to smile. She filled her glass and drank again, and I thought she drank too fast, too defiantly.
She looked at me and said: “You’re drinking too fast.”


Waanzinnig. Ze doen toch de kaarsen aan en zeggen niets. Terwijl de een denkt dat de ander te snel drinkt, noemt de ander het. Wat een bedroefde situatie. En toch staat het woord courageously in deze passage, en heroic. Zo mooi. Ontroerend. En die emotie, die hierboven niet getoond wordt, maar wel voelbaar is, wordt even later, als een van de kinderen dan daadwerkelijk uit huis is, pas echt zichtbaar. Papa gaat op het bed van zijn dochter liggen en hij laat herinneringen boven komen.

Over the phone she laughed and said that I could have her bedroom now (…). A few minutes later I slipped into the room, lay on her pillow and got a whiff of her scented hair as I looked at her dolls sitting along the top of the walls staring at me with glass eyes. I thought, oh shit, and started to cry, remembering that I spanked her severely when she was eight.

Ook de tweede novelle is schitterend geschreven. Nu zien we alles vanuit het oogpunt van een jongen die leert dat het leven voor zijn vader niet zo eenvoudig is, dat vader en moeder anders over bepaalde zaken denken. Zoals in alle verhalen speelt onschuld, en het verliezen van daarvan, een grote rol. Ook is religie, hoe kan het ook anders met een Italiaanse achtergrond, nooit ver weg. Een collega van vader is atheïst. Voor moeder is het onbegrijpelijk dat vader deze man het huis in wil laten. Vader is ongelukkig, arm en gaat samen met deze collega op zoek naar goud. De jongen gaat naar de kerk en bidt voor betere tijden.

I prayed like a flame, a torch. I crackled. I hissed. I was consumed. It seemed like from that moment my life changed and I was reborn, a new person.

Alles gaat veranderen, totdat hij thuis komt en zijn moeder vraagt of alles wel goed gaat.

I said I was fine and walked away. The flame was last burning out, the magic flacking away. The people around me were too real, too mortal, fat women on the arms of their husbands, prune-faced old ladies on unsteady legs, kids yapping and shoving, and puddles of mud from last night’s rain.

Ja, je mag wel stellen dat John Fante één van mijn favoriete schrijvers is. Er is niet veel meer wat ik van hem nog moet lezen. Het liefst zou ik mijn geheugen wissen en opnieuw beginnen. Ik zou deze goudmijn vanaf het begin weer willen ontdekken. Laat ik gewoon dit koesteren, het idee dat er nog steeds een paar boeken te ontdekken zijn. En dan is er nog altijd de mogelijkheid, ook al doe ik dat zelden of nooit, om alles eens rustig te herlezen. Al was het maar omdat deze vergeten schrijver nooit weer vergeten mag worden.

Where the Money Went - Kevin Canty (2009)

Alternatieve titel: Waar het Geld Bleef

4,0
Opnieuw een schrijver van een verhalenbundel die op de achterflap wordt vergeleken met Raymond Carver. Wie wordt niet getoetst aan deze meester van het korte verhaal? Probeer dan nog maar eens om de verwachtingen waar te maken. Canty slaagt daar vrij aardig in. Zoals bij Carver zijn de verhalen flarden van de levens van gewone Amerikanen. Het zijn vaak ook niet de meest gelukkige momenten in de levens van de hoofdpersonen. Het zijn wel momenten waarop ze even hun leven terug in hun handen lijken te krijgen. Veelal zijn de hoofdpersonen op zoek naar het gevoel van hoe het ooit was, toen de liefde net begon. Het grote verschil met Carver hierin is, dat je bij Canty duidelijk kunt stellen dat het niet zomaar een momentopnames zijn, eerder momenten die allesbepalend kunnen zijn in de levens van de hoofdpersonen.

Het mooie aan de verhalen is dat ze, zoals bij Carver, geen gesloten einde hebben. Je blijft als lezer eerder met het idee achter dat de kans groot is dat de hoofdpersonen wel verkeerde keuzes kunnen gaan maken. Je hoopt dat het niet zo is, maar je hebt het idee dat het weleens verkeerd zou kunnen aflopen. In Op de brandplek wil de ik-persoon indruk maken op het zoontje van zijn vriendin op de plek waar een grote bosbrand heeft gewoed. Ze vinden een hondje, een hondje die de ik-persoon bijt, maar die de jongen spaart. Eén van de mooiste verhalen vond ik Ze waren vervangbaar, waarin de hoofdpersoon aan zijn overleden vrouw schrijft over zijn nieuwe vriendin. "Je was er nog steeds toen we ophielden."

Al met al een prachtige verhalenbundel en een kennismaking met een schrijver waar ik zeker meer van ga lezen.

Winter of Our Discontent, The - John Steinbeck (1961)

Alternatieve titel: Wintertij van Tegenzin

4,5
Al enige tijd ben ik bezig om langzaam het werk van John Steinbeck te ontginnen, om zijn lang geleden geschreven boeken onderdeel van mezelf en mijn kleine leventje te maken, om ze opnieuw waarde te geven in een tijd die erom vraagt. Ja, grote, wellicht groteske woorden voor het lezen van een aantal boeken van een schrijver die je toevallig goed vindt. Maar laat me ze maar gebruiken, laat me er alsjeblieft mee weg komen, want in de ten eerste prachtig geschreven boeken van Steinbeck meen ik bovendien waarden te vinden die het niet verdienen alleen in het verleden te schuilen, maar die zich in het hedendaagse daglicht veel vaker mogen tonen. Ik vond ze ook in dit boek: The Winter of our Discontent.

Nou, kom maar op dan, hoor ik je zeggen. Laat ik voorzichtig beginnen met uit te leggen dat het even heeft geduurd voordat dit boek me te pakken had. Steinbeck wisselt in dit boek mijmeringen van de hoofdpersoon af met levendige dialogen en dit doet hij op superieure wijze. Straks laat ik iets zien over de mijmeringen, want het waren vooral die beweeglijke dialogen waaraan ik moest wennen. Je voelt als lezer dat in die dialogen het belangrijkste niet wordt gezegd, dat je tussen de regels moet doorlezen om te weten te komen wat er zich daadwerkelijk tussen de personages afspeelt, maar wat dat is kom je vaak pas later of helemaal niet te weten. Er wordt in de dialogen weinig uitgelegd. Dat maakt de gesprekken realistisch, authentiek. Het zorgt ervoor dat je het idee hebt dat je gesprekken staat af te luisteren. Knap gedaan.

Veel van die gesprekken vinden plaats in een kleine supermarkt in New England, de winkel van Ethan Allen Hawley. Ethan stamt uit een van oudsher rijke familie maar door een slechte investering van zijn vader is de familie geld en aanzien kwijt geraakt. Maar Ethan is geld nooit het belangrijkste geweest. Voor zijn vrouw en kinderen is dit anders. “Daddy, when will we be rich?” Ethan begint na te denken over het belang van geld en begint zich af te vragen of zijn waarden (eerlijkheid, trouw, vriendschap) geen ouderwetse zijn en als hij een lucratief aanbod krijgt is de vraag wat zwaarder weegt.

En het is hierin, in het zichtbaar maken van de strijd van de eenling tegen de beloftes van de macht, in de overpeinzingen van een hoofdpersoon op zoek naar datgene wat juist is, waar Steinbeck zich een meester toont. “And if I should put the rules aside for a time, I knew I would wear scars but would they be worse than the scars of failure I was wearing? To be alive at all is to have scars.” Steinbeck maakt het piekeren tastbaar. Zo slaapt Ethan ’s nachts slecht, in tegenstelling tot zijn vrouw. Steinbeck beschrijft hoe Ethan zijn vrouw observeert terwijl ze slaapt. Hij maakt hiermee zijn jaloezie voelbaar waardoor je als lezer niet alleen voelt hoe vervelend de slapeloosheid voor Ethan moet zijn, maar waardoor je als lezer ook meteen weet dat Ethan degene is die lijdt, dat hij voor een keuze staat, niet zijn vrouw. En de manier waarop dit beschreven wordt is simpelweg schitterend.

“My wife, my Mary, goes to her sleep the way you would close the door of a closet. So many times I watched her with envy. Her lovely body squirms a moment as though she fitted herself into a cocoon. She sighs once and at the end of it her eyes close and her lips, untroubled, fall into that wise and remote smile of the ancient Greek gods. She smiles all night in her sleep, her breath purrs in her throat, not a snore, a kitten’s purr. For a moment her temperature leaps up so that I can feel the glow of it beside me in the bed, then drops and she has gone away. I don’t know where. She says she does not dream. She must, of course. That simply means her dreams do not trouble her, or trouble her so much that she forgets them before wakening. She loves to sleep and sleep welcomes her. I wish it were so with me. I fight off sleep, at the same time craving it.”

En als de slaap niet komt dan kiest Ethan er regelmatig voor om er niet zinloos op te gaan wachten. Voorzichtig stapt hij dan uit bed en loopt hij door het stadje, zoals op een koude de avond waarop de vrieskou grip krijgt op de straten. “The usual nightfolk, the cats, don’t like to walk on frost. I remember once, on a dare, I stepped out barefoot on a frosty path and it felt like a burn to my feet. But now in galoshes and think socks I put the first scars on the glittering newness.”

Ethan vraagt zich af of hij nog grip heeft op de situatie en langzaam lijkt het alsof er iets begint te knagen, of er kleine scheurtjes in zijn muur van normen en waarden beginnen te ontstaan. Was hij wel goed genoeg voor deze wereld? Was hij niet té goed voor deze wereld? Moest hij niet meer van zichzelf gaan eisen?

“It’s as though events and experiences nudged and jostled me in a direction contrary to my normal one or the one I had come to think was normal – the direction of the grocery clerk, the failure, the man without real hope or drive, barred in by responsibilities for filling the bellies and clothing the bodies of his family, caged by habits and attitudes I thought of as being moral, even virtuous. And it may be that I had a smugness about being what I called a “Good Man”.”

Ethan is universeel en stijgt boven New England en zijn eigen milieu en zijn eigen tijd uit. De geloofwaardigheid en relevantie van de hoofdpersoon, een man die een bijna naïef idealisme hoog probeert te houden, maar ondertussen amper opgewassen is tegen de druk van buitenaf, is ook nu nog evident. Hoevelen van ons zijn niet op zoek naar het groenere gras aan de andere kant van de schutting? Steinbeck had een gave, een bijzonder vernuft om met zijn pen onder de huid van alledaagse mensen te kruipen, om alomvattende vragen te stellen aan diegenen die amper invloed op de antwoorden hebben. En daarom blijf ik spitten, blijf ik in zijn werken wroeten om antwoorden te vinden op nog steeds relevante vragen. En ik heb geluk, ik weet dat er nog belangrijke werken liggen te wachten. Grapes of Wrath, East of Eden. Ja, er liggen nog genoeg schatten voor me begraven. Wat heeft een mens tenslotte nodig om gelukkig te zijn? Dit lentezonnetje, een kop koffie en goed boek. Veel meer toch niet?

World Over, The - Edith Wharton (1936)

Alternatieve titel: Romeinse Koorts

4,0
En dan lees je opeens een boek waarin de hoofdpersonages voornamelijk vrouwen op leeftijd zijn. Als 32-jarige man moet je dan wel een goede reden heb om daar aan te beginnen. En die reden had ik kennelijk. Ik was, door het lezen van een aantal recensies, benieuw geraakt naar het schrijven van Wharton. Ze heeft me niet teleurgesteld.

Bijna alle verhalen gingen over vrouwen in de hogere laag van de bevolking. De meeste vrouwen zijn gevangen in hun omgeving en de omgangsvormen waarop ze worden beoordeeld. Eén van de grote thema's die in verschillende verhalen terugkomen is het huwelijk. De norm, Het Heilige Huwelijk, is niet meer van deze tijd, in het milieu van de hoofdpersonen proberen steeds meer mensen zich te bevrijden van die oude conventies.

Zoals zo vaak, was het ene verhaal beter dan het andere. De manier waarop Wharton diep tot haar personages door dringt is geweldig. Een ander sterk punt was het beschrijven van de omgeving, of het nou New York was, een stad in Algerije of het Midden Oosten. Wharton schuwt zelfs het mysterie, het bovenaardse niet.

Mooie bundel van een schrijfster die een groter publiek verdient.