menu

Hier kun je zien welke berichten Theunis als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Tell Me How it Ends: An Essay in Forty Questions - Valeria Luiselli (2017)

Alternatieve titel: Vertel Me het Einde: Een Essay in Veertig Vragen

Sommige boeken moeten gewoon worden geschreven. Er moet niet teveel aan worden gesleuteld, de stijl hoeft niet verfijnd te worden om voor meer impact te zorgen of om ruimte te geven aan een bepaalde emotie. Soms ligt die emotie er zo bovenop waardoor de boodschap overkomt. Zo’n boek is Vertel Me Het Einde van Valeria Luiselli.

Hetgene dat Luiselli meemaakt als tolk bij de immigratierechtbank in New York spreekt voor zich. De verhalen die ze daar hoort roepen uit zichzelf al voldoende emoties op. Voeg daar de verontwaardiging en woede van Luiselli bij en dan weet je al snel dat dit een urgent boek is, een boek dat gelezen moet worden.

Zo vertelt Luiselli in het begin van het boek dat ‘het eerste interview van een kind bij de rechtbank de ‘screening’ (heet).’ Ze legt uit dat ze het beeld hiervan ‘cynisch gepast’ vind. ‘Het kind een filmrol met beelden; de tolk-vertaler een ietwat verouderd apparaat om die rol op de juiste manier af te draaien; het juridische systeem een soort scherm waarop alles geprojecteerd wordt – een scherm dat te versleten, te vies en te gescheurd is om enige helderheid of aandacht voor detail mogelijk te maken.’

Raak!

Even verderop raakt ze opnieuw de gevoelige snaar op een eenvoudige maar effectieve manier. Ze geeft in een zin het gehele probleem weer, als ze over de kinderen vertelt die met gevaar voor eigen leven naar de Verenigde Staten vluchten: ‘Vaak jagen ze niet eens de Amerikaanse Droom na, maar hopen ze simpelweg te ontwaken uit de nachtmerrie waarin ze geboren zijn’.

Opnieuw raak!

Wat volgt zijn talloze voorbeelden van verhalen van kinderen die proberen van de ene in de andere nachtmerrie terecht lijken te komen. Het is een klein, maar belangrijk doet dat vooral moet worden gelezen als een wake-up-call.

They Came Like Swallows - William Maxwell (1937)

Alternatieve titel: De Eerste Zwaluw

3,5
Honderd jaar geleden en al is er veel, gigantisch veel veranderd. Maar een intieme kijk in het leven van een Amerikaans gezin uit het Midwesten uit 1918 kan honderd jaar later nog steeds relevant zijn. Dan moet een schrijver wel in staat zijn tot de essentie door te dringen, tot dat wat het gezin een gezin maakt: de onderlinge relatie tussen de gezinsleden. In het geval van dit boek zijn dat twee broers Bunny en Robert, hun vader en, misschien wel de spil van elk gezin, de moeder. Het boek is ingedeeld in drie hoofdstukken waarin we het verhaal volgen vanuit het perspectief van Bunny, daarna Robert en dan hun vader. Deze keuze doet je als lezer inzien hoe verschillende drie mensen in een gezin de werkelijkheid tot zich nemen. Het laat aan het einde van het verhaal ook veel vraagtekens achter. Zo leren we Bunny in het eerst hoofdstuk kennen als een onzeker “engeltje” die erg op zijn moeder leunt. Maar broer en vader noemen hem, terwijl het tragische verhaal zich vordert, slechts zelden omdat ze zo opgeslokt worden in hun eigen perceptie van wat er gebeurt dat je je als lezer toch een beetje teleurgesteld voelt. Het is bijna alsof Bunny achtergelaten lijkt te worden door de schrijver. Er vanuit gaande dat dit ook de bedoeling van de schrijver was, moet ik toegeven dat het een briljante vondst is. Het brengt op deze manier namelijk een intens gevoel over van diepe eenzaamheid over en misschien is er wel geen betere manier van overbrengen dan deze. Maar toch, toch blijf ik dus teleurgesteld achter. Alsof ik, als lezer, meer verdiende. Hetzelfde geldt voor de stijl. Slechts af en toe bereikt Maxwell hier echt grote hoogtes. Als hij dat doet is zeker de moeite waard en daarom sluit ik daar mee af, met de passage waarin de band tussen Bunny en zijn moeder werkelijk prachtig wordt beschreven.

“Ineens sprak ze tot hem: ‘Bunny, kom eens hier.’
Hij stond onmiddellijk op van zijn stoel. Maar terwijl hij daar afwachtend voor haar stond, en terwijl zij hem opnam met een verbijsterende blik in haar bruine ogen, nam het gewicht toe. Het gewicht nam toe en werd als een steun. Die drukte zwaar op hem, bij iedere ademhaling.
‘Wiens engeltje ben jij?’
Deze woorden en de geheel onverwachte kus die hen vergezelde, maakten hem gezond en sterk. Zijn blik kruiste de hare vol vertrouwen. Op vleugels gedragen en onder een groot mannelijk gedruis van trompetten en trommels keerde hij terug naar zijn ontbijt.”

Things They Carried, The - Tim O'Brien (1990)

Alternatieve titel: Wat Ze Droegen

5,0
Al een aantal weken kijk ik naar The Vietnam War, de omvangrijke documentaire reeks van PBS. Het vertelt het hele verhaal van een zinloze oorlog die Amerika heeft getekend. Een van de geïnterviewden is Tim O’Brien, een van de vele Vietnam veteranen. Al een aantal jaren stond zijn boek op mijn leeslijst. De documentaire duwde het subtiel van mijn achterhoofd naar mijn schoot en eenmaal opengeslagen kon ik het amper sluiten. Het is nou eenmaal zo dat er zo nu en dan geslapen, gegeten en gewerkt moet worden en eigenlijk waren dat voor het verwerken van wat ik las welkome tussenpozen. Want vergis je niet, wat je leest komt wel even binnen.

Voordat ik ga vertellen waarom dit een onmisbaar oorlogsboek is, een absoluut meesterwerk, schetst ik kort de kaders. Het boek bestaat uit korte verhalen, soms van twee, dan weer van meer dan tien pagina’s. In elk verhaal staat een thema, een gebeurtenis of een ervaring centraal. De hoofdpersonen zijn meestal de mannen van de Alpha Company. Ze worstelen met alles wat de oorlog met zich meebrengt: moed, angst, geluk, gemis, dood. Tot zover het kader.

Nu het boek. Ik vrees dat alles wat ik nu ga schrijven betekenisloze woorden zijn, algemeenheden die het gevoel dat je als lezer tijdens het lezen van de verhalen krijgt nooit kunnen beschrijven. Ik laat het daarom bij een aantal korte passages, tipjes van sluiers, waarbij ik O’Brien zelf aan het woord laat.

Na een veertigtal pagina’s bijvoorbeeld, wordt het duidelijk dat O’Brien worstelt met zijn herinneringen. Schrijven is een vorm van verwerking, of zoals zijn dochter tegen hem zegt, een obsessie. “De herinneringenstroom gaat in je hoofd een rotonde op en blijft daar een tijdje rondjes draaien, en al snel voegt de fantasie in, en het verkeer vermengt zich en schiet dan duizend verschillende zijstraten in. Het enige wat je als schrijver kunt doen is een straat uitkiezen en je laten meevoeren terwijl je de dingen neerzet zoals ze op je afkomen. Dat is de ware obsessie. Al die verhalen.” Hoe kun je ook ooit maar een gedeelte bevatten van wat je allemaal tegenkomt? Steeds, gedurende alle verhalen, voel je dat de schrijver wel weet wat hem is overkomen, dat hij de kale feiten kent, maar dat hij steeds op zoek is, wanhopig op zoek blijft naar antwoorden op zinloze vragen. De verhalen zijn open wonden die nooit helemaal kunnen helen.

Hoe kom je in een oorlog terecht, zou je je kunnen afvragen, zittend op je luie bank, met je flesje bier op het keurige salontafeltje naast je en de verwarming eigenlijk net iets te hoog. Maar hoe ver weg is de oorlog voor mensen als jij? Hoe dichtbij ook? Als je naar de documentairereeks kun je je opeens weer een voorstelling maken van hoe een oorlog kan ontstaan, dat denken dat een oorlog niet altijd ergens op de loer ligt, bijna naïef is. Net zo naïef als de thuisblijvers destijds waren, de patriottische thuisblijvers wel te verstaan, die altijd, gedachteloos bijna, achter de president bleven staan. Gesteund door een zelfverzekerdheid die ze hadden geërfd van de succesvolle inmenging in de Tweede Wereldoorlog. O’Brien vervloekte ze soms. "'s Nachts, als ik niet kon slapen, hield ik soms felle discussies met die mensen. Ik schreeuwde ze toe hoezeer ik hun blinde, gedachteloze en automatische berusting in dit alles verafschuwde, hun simplistische patriottisme, hun trotse onwetendheid, hun graag-of-niet-platitudes; ik riep dat ze me naar een oorlog stuurden die zij niet begrepen en ook niet wilden begrijpen. (…) Ik hield hen persoonlijk en individueel verantwoordelijk: de Kiwani-jongens in polyester, de kooplui en de boeren, de godvruchtige kerkgangers, de praatgrage huisvrouwen, de PTA en de Lions Club de Veterans of Foreign Wars, de keurige betere kringen van de country club.”

In een van de verhalen vertelt O’Brien zijn twijfel om naar de oorlog te gaan, over het ontvangen van de gevreesde brief, de uitnodiging om naar Vietnam te gaan. Hij vertelt hoe hij bijna naar Canada was gevlucht, hoe hij op het punt stond om midden op een meertje uit een bootje te springen en naar de kant te zwemmen, daar waar Canada lag. Hij kon het bijna aanraken. Hij kon het niet. Als trotse Amerikaan uit een klein dorpje kon je niet je land uit vluchten. Dan koos je er voor om van alles en iedereen afscheid te nemen. Er zou niemand in je omgeving zijn die het je zou vergeven, misschien zelfs je ouders niet eens. Kun je je dat als Nederlander voorstellen?

En dan het vechten. Ook daar kun je je op je luie bankje toch amper een voorstelling van maken. Als je het doet kom je toch vaak in generalisaties terecht. O’Brien weet daar wel raad mee. “Generaliseren over oorlog is als generaliseren over vrede. Bijna alles is waar. Bijna niets is waar. In de kern is oorlog misschien gewoon een ander woord voor dood, maar toch zal elke soldaat je vertellen, als hij tenminste de waarheid spreekt, dat de nabijheid van de dood een soortgelijke nabijheid van het leven met zich meebrengt. Na een vuurgevecht is er altijd het immense plezier om in leven te zijn. De bomen leven. Het gras, de aarde – alles. Overal om je heen zijn de dingen puur levend, en jij hoort erbij, en je trilt ervan, van de levendheid.”

Alles wat O’Brien in het boek schrijft is in rauwe werkelijkheid gedompeld. Er is geen ruimte voor sentimentaliteit, geen plaats voor overdrijving of romantisering. Alles wat je leest is zoals het in werkelijkheid moet zijn geweest. Nou ja, bijna alles. Soms is de beschrijving van de werkelijkheid simpelweg niet voldoende. Soms kun je niet overbrengen wat je hebt ervaren door te vertellen wat je hebt gezien, gehoord of geproefd. Soms heb je verhalen nodig om de werkelijkheid, of het gevoel van wat je hebt meegemaakt, over te brengen. Het maakte niet uit of ze de waarheid vertelden, want als de werkelijkheid niet meer te bevatten is, als je al je houvast verliest, heb je als mens enkel nog verhalen om je te redden. Tim O’Brien schrijft zijn verhalen op. Het is zijn obsessie. Het is zijn houvast. Het is zijn manier van overleven.

To a God Unknown - John Steinbeck (1933)

Alternatieve titel: Aan een Onbekende God

4,0
Steinbeck onderweg naar wat hij zou gaan worden. Er zijn in dit boek al veel tekenen van wat nog zou gaan komen, van waar hij zo groot in zou worden. Maar ook in dit boek is zijn schrijven al om van te smullen. Vol mystiek, hoop, de pursuit of happiness, de American Dream, de beschrijvingen van de natuur en de strijd van de hardwerkende man tegen de elementen.

In dit geval is het Joseph Wayne. Hij trekt samen met zijn broers naar het Westen, naar vruchtbare grond, naar een hoopvolle toekomst. En dan slaat de droogte toe. Een tijdloos verhaal. Prachtig is de verbondenheid met de natuur, het komen en gaan van de seizoenen en de onderlinge, harde band tussen de broers. Op naar de volgende Steinbeck

Tortilla Flat - John Steinbeck (1935)

Alternatieve titel: Danny en Compagnie

4,5
Wat ben ik content dat ik deze meesterlijke schrijver heb leren kennen. En dan heb ik East of Eden en The Grapes of Wrath nog om te ontginnen. Tortilla Flat was in ieder geval opnieuw een juweeltje van Steinbeck.

Zoals in Cannery Row volgen we een groep zonderlingen, een groep zorgeloze vrienden woonachtig op Tortilla Flat, opnieuw in Monterey. Wat volgt zijn een aantal prachtige hoofdstukken waarin op prachtige wijze, in een aantal schitterende anekdotes en beschrijvingen, een beeld geschetst wordt van de omgeving en de situaties waarin de vrienden verzeild raken. Hoofdrolspeler Danny krijgt per toeval twee huizen in zijn schoot geworpen en dan is er voor hem en een aantal vrienden opeens de mogelijkheid om een dak boven het hoofd te krijgen. Wat volgt zijn passages waarin langzaam duidelijk wordt wat dit voor ze betekent en hoe dit hen leven voor altijd verandert.

Wat het schrijven van Steinbeck zo mooi maakt is ten eerste zijn haast tastbare affectie met zijn protagonisten. Hij lijkt zijn personages en hun uiteenlopende karaktereigenschappen door en door te kennen. In het geval van de vrienden betekent dit dat ze het leven nemen zoals het komt Steinbeck beschrijft dit op prachtige wijze.

Pilons ziel was zelfs bestand tegen zijn eigen herinneringen, want terwijl hij naar de vogels keek, herinnerde hij zich, dat mevrouw Pastano wel eens zeemeeuwen gebruikt voor haar voscroquetjes, en toen hij daar aan dacht kreeg hij honger, en door dat hongerige gevoel tuimelde zijn ziel uit de hemel naar beneden.

Dit bewijst de grootsheid van een schrijver. Want hoe moeilijk is het om je karakters zo gemakkelijk te laten denken? Een schrijver manoeuvreert in wezen toch altijd plichtsgetrouw in het hoofd van iemand anders. Een schrijver zal hierin toch zoeken naar beweegredenen voor acties, naar motieven, naar denkpatronen. Maar hoe vaak is het niet zo dat een mens juist amper nadenkt over wat hij of zij doet, zoals Pilon in de passage hierboven. Steinbeck schakelt soms in twee zinnen van het banale naar het transcendentale en dit doet hij met groot gemak. Bijzonder knap. Daarbij gebruikt hij ook nog eens de omgeving en de zintuigen waardoor het zijn taal onweerstaanbaar rijk maakt.

Ik sluit af met een kleine passage, een passage waarin een van de hoofdrolspelers voor het eerst het geluk geproefd heeft van het hebben van onderdak.

Wanneer het laat in de nacht was, en de wijn was op en de sprekers waren verstomd, en buitenshuis de dodelijke nevels zich aan de aarde vastklampten als geesten van reusachtige bloedzuigers, hoefde je niet als zwervende hond een slaapplaats te zoeken in de kwade dampen van een ravijn. Nee, dan had je een warm bed, waarin je wegzonk en zo vast sliep als een pasgeboren kind.

Tous les Hommes Sont Mortels - Simone de Beauvoir (1946)

Alternatieve titel: Niemand Is Onsterfelijk

4,0
Onsterfelijkheid. Eerder een vloek dan een zegen. Het oneindige lijden van de wereld, het oneindige doodgaan van de stervelingen om je heen terwijl je zelf tot in de eeuwigheid moeten wachten om verlost te worden van het leven. Het overkomt Fosca nadat hij een toverdrank dringt ondanks afraden van de samensteller van het drankje. Langzaam maar zeker komt Fosca erachter wat voor een vloek het is, maar dat het een vloek is, is vanaf het begin duidelijk.

Een ijzersterk begin van het boek, waarbij de verteller de onsterfelijke vanuit het gezichtspunt van een sterfelijke omschrijft en waar je als lezer mee kan voelen met de sterfelijke, een actrice die het eeuwige leven ambieert. Totdat Fosca begint te vertellen. En dat is waar het verhaal aan kracht in moet boeten. Een eindeloos hoofdstuk volgt dat gelukkig wordt gevolgd door hoofdstukken die de kern beter weten te raken. In de latere hoofdstukken lukt het De Beauvoir veel beter om de kern van de vloek van de onsterfelijkheid te raken. Daar waar ze haar hoofdpersoon weer mensen laat ontmoeten, mensen die sterfelijk zijn en juist daarom écht leven, terwijl Fosca een levende dode onder de levenden is.

Trafikant, Der - Robert Seethaler (2012)

Alternatieve titel: De Weense Sigarenboer

3,5
Wenen, eind jaren 30. Er broeit iets. De allesvernietigende macht van Nazi Duitsland werpt zijn donkere schaduw over de stad en de jonge Franz is in deze angstige, overspannen situatie op zoek naar zichzelf en de liefde. Dit is de context waarin Seethaler manoeuvreert en waarin hij af en toe excelleert.

Zoals op de laatste tien bladzijden. Daar lijkt zijn stijl pas werkelijk tot wasdom te komen. In het grootste deel van het boek is het onevenwichtig, is het bij vlagen tenenkrommend. Zo voelt Franz na drie weken nog altijd de afdrukken van de kleine handen van Anezka "op zijn achterste gloeien" en "bij het opnemen van de druppels die de teckel van Kommerzialrat Ruskovetz had verloren (ziet hij) heel duidelijk eerst de contouren van de welving van haar bovenlip uit de houtnerven van de vloer (oprijzen)". Iets te veel van het goede, wat mij betreft.

Een leuk idee was het contact van Franz met de oude Freud. Naar mijn idee had dat beter uitgewerkt kunnen worden. Wat wel goed naar voren kwam was de vanzelfsprekende alledaagsheid bij de opkomst van het nazisme en de achteloosheid waarop er door de bevolking mee om wordt gegaan.

"Hier en daar stond een politieagent met zijn armen op de rug naar de drukte te kijken. Een schooljongetje in korte broek kraaide 'Sieg Heil!' en liet zich met gestrekte armen en benen ruggelings in het gras vallen. Over de Ringstraße bruiste het vrijdagmiddagverkeer."

Alsof het leven gewoon maar door gaat, zich niets aantrekkend van het onmenselijke drama dat op de loer ligt en al als een allesverterende virus roekeloos om zich heen grijpt.

Al met al kon het boek, ook al waren er mooie gedeeltes bij, niet geheel aan zijn verwachtingen voldoen. Ik blijf het idee houden dat er meer in zat en nergens werd ik verrast of wist het me echt van de spreekwoordelijke sokken te blazen.

Trinker, Der - Hans Fallada (1950)

Alternatieve titel: De Drinker

4,0
Uitstekend gedeeltelijk autobiografisch boek van Fallada over het leven van een zakenman Erwin Sommer die schijnbaar uit het niets verslaafd raakt aan alcohol. Fallada beschrijft de dramatische teloorgang van Sommer - hoe hij na zijn eerste drankje, steeds meer dorst krijgt en in een vlaag van dronkenschap zijn eigen vonnis velt. Naast een psychologisch interessante biografie over Sommer, schetst Fallada het beklemmende tijdsgewricht van het Duitsland uit de jaren veertig van de twintigste eeuw.