menu

Hier kun je zien welke berichten Theunis als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Odes - David Van Reybrouck (2018)

3,5
Een verzameling prachtige odes. Odes aan van alles en iedereen: de nachtelijke autorit, de jaloezie, David Bowie, doden in de telefoon, de bindingsangst, om er maar eens een paar te noemen. Het zijn odes aan kleine dingen, aan vergeten of weggestopte emoties, aan grote persoonlijkheden, aan bijzondere kunst. Van Reybrouck koestert het leven, schrijft lyrisch en vol liefde over alles wat het leven zin geeft. Het is aanstekelijk.

Af en toe lijkt er een vanzelfsprekende ode te komen, zoals bij Ode aan de Lente. Wie wil er nou geen ode aan de lente lezen? Maar de titel zet je op het verkeerde been. Wat volgt zijn voorbeelden van lente, van natuur, in de kunst. Van Reybrouck vraagt zich af of het vandaag passé is om het platteland lief te hebben. Het is stil in de literatuur als het om natuur gaat. Een juiste constatering. Een gemis.

Nog een greep uit de odes: Ode aan de Littekens. De schrijver schrijft dat je zuinig moet zijn op je lijf, maar niet op je leven. Hij juicht de geestdrift toe. En dan laat hij een gedicht van Kahlil Gibran voorbij komen.

Je kinderen zijn je kinderen niet.
Zij zijn de zonen en de dochters van ’s levens hunkering naar zichzelf.
Zij komen door je, maar zijn niet van je,
En hoewel ze bij je zijn, behoren ze je niet toe.


Ontnuchterend in tijden waar voorzichtigheid zoveel waard is, want je vraagt je ineens af: ten koste van wat?

Laat dit een kleine ode zijn aan deze bundel. Of beter: een ode aan iedereen die zelfs in de meest donkere spelonken van het leven sprankjes licht blijft zien en aan iedereen die de banaliteiten van alledag niet voor lief neemt, maar er wonderen in blijft zien.

Om Vinteren - Karl Ove Knausgård (2015)

Alternatieve titel: Winter

4,5
Na het lezen van de bekende Mijn Strijd-reeks, dacht ik voorlopig wel even klaar te zijn met Knausgård. De Vier Seizoenen-reeks zou ik links laten liggen. Ik vroeg me, zonder er overigens al te veel bij na te denken, af hoeveel autobiografisch schrijven een lezer in hemelsnaam zou kunnen verdragen. Een zinloze gedachte eigenlijk, denk ik nu. Als iets goed geschreven is dan is er van ieder uur in een mensenleven iets te maken, en dan zou je er, eindeloos desnoods, over kunnen blijven lezen. Maar toch, hij had al zoveel over zijn leven geschreven en dan verschijnt er opnieuw een autobiografische reeks. Alsof hij dat nodig heeft om gelezen te blijven worden, hoorde ik mezelf denken. De recensies waren niet desastreus, maar ook niet denderend. Hier en daar las ik over een Knausgård-moeheid. Overal kleine, maar vooral onbeduidende redenen, om maar niet te beginnen met het lezen van de Vier Seizoenen. Want waarom kon ik het niet gewoon proberen? De eerste reeks was toch ook een genot om te lezen?

En dus besloot ik een aantal weken geleden om met Lente te beginnen. Vrijwel onmiddellijk verdwenen alle twijfels. Waarom was ik in hemelsnaam niet eerder begonnen? Na Lente kwam Winter. De volgorde maakt niet veel uit. Winter bestaat uit drie korte brieven aan zijn pasgeboren dochter en bevat verder mijmeringen over de meest uiteenlopende onderwerpen: de otter, bussen, suiker, ramen. Knausgård observeert en filosofeert, komt elk alledaags voorwerp of gebruik tot een kern, tot iets essentieels; de dood, verdriet, hoop of liefde. Het is alsof Knausgård al schrijvend, zich richtend op zijn dochter, zichzelf wil bewaren, de tijd wil doen laten stil staan, of, zoals hij in het verhaal Laarzen schrijft: “het leven van alledag is als een zone waarin alles wat erin terechtkomt gedoemd is tot vergetelheid”. Zijn niet alle verhalen pogingen om aan die noodlottige vergetelheid te ontkomen?

De alledaagsheid opvoeren tot hemelse proporties, al het kleine groot en het grote klein maken, dat is waar Knausgård meester in is. En als hij dan probeert te vatten hoe het voor zijn pasgeboren dochter moet zijn om net geboren te zijn, dan zou je toch wensen dat iedere vader dit voor zijn kind zou gaan schrijven: “Jij was de duisternis, jij was het waren, jij was het hotsen als je moeder de trap op liep. Jij was de warmte, jij was de slaap, jij was het piepkleine verschil dat ontstond als je wakker werd”.
Ik ben zojuist in het derde deel van De Vier Seizoenen begonnen. Want nee, ik ben nog niet, nog lang niet, op Knausgård uitgekeken.

On Chesil Beach - Ian McEwan (2007)

Alternatieve titel: Aan Chesil Beach

3,0
Tegenvallend boek van McEwan. Een relatief korte roman waar één scène, de huwelijksnacht van Edward en Florence, de rode draad in het boek is. Tussendoor komt de lezer langzaam meer over de geschiedenis van de hoofdpersonages te weten. De beschrijvingen zijn soms prachtig, de vertelkunde van McEwan is bij vlagen geweldig. Maar toch, het viel me dus tegen. Waardoor dat nou precies komt vraag ik me af. Wellicht zijn het de vele flashbacks. Misschien is het omdat de schrijfstijl de emoties begraaft. Op een of andere manier voel ik niet met de hoofdpersonages mee. Zaterdag vond ik mooi. Deze roman komt daarbij niet in de buurt.

On Earth We're Briefly Gorgeous - Ocean Vuong (2019)

Alternatieve titel: Op Aarde Schitteren We Even

3,5
Een zoon schrijft een brief aan zijn moeder. Een brief die ze waarschijnlijk nooit zal lezen. Het is een brief vol rampspoed van een pijnlijk verleden. Herinneringen aan dramatische tijden. Littekens uit het verscheurde Vietnam. Nieuwe drama’s in het bevooroordeelde, verslaafde Amerika. Een zoektocht naar identiteit, naar een plek om thuis te zijn, terwijl je ontworteld bent en moeite hebt om op een nieuwe plek te aarden. Schrijven, woorden op papier zetten, Engelse woorden, onbegrepen door zijn moeder, bieden wellicht enig houvast. De schrijver zoekt ze in alle gedaantes.

Het boek leest amper als een verhaal. Zo schrijft Vuong ook tegen het einde: “Ik vertel je niet zozeer een verhaal als wel een schipbreuk – de drijvende brokstukken, eindelijk leesbaar”.

Die schipbreuk maken het voor de lezer niet gemakkelijk om mee te varen, om aan te haken. Niet zelden dreef ik tussen de brokstukken, me wanhopig proberend ergens aan vast te klampen. Soms, voor een aantal pagina’s wist ik mij te drijven, maar te vaak wilde ik loslaten.

Toch is het niet voor niets dat boek door veel anderen wel bemind wordt. Vuong is ook niet zozeer op zoek geweest naar een verhaal. Dat ik zoekende was is mijn probleem als lezern. Ergens las ik: “Ik heb nooit een ‘lijvig werk’ willen maken, maar ik wilde onze lijven, ademend en onverklaard, in het werk bewaren”. Hierin is de schrijver goed in geslaagd. Als je je even laat onderdompelen in bepaalde scènes kom je heel dichtbij en weet je dat de schrijver is geslaagd in zijn opzet om zijn herinneringen te bewaren, ook al weet hij dat het nooit helemaal zal lukken. Nergens komt dit zo duidelijk naar voren als in deze passage: “En toch verzet het fysieke feit van je lichaam zich zelfs hier, terwijl ik je schrijf, tegen mijn pogingen om het in beweging te krijgen. Zelfs in deze zinnen leg ik mijn handen op je rug en zie ik hoe donker ze zijn tegen de niet te veranderen witte achtergrond van je huid. Zelfs nu zie ik de plooien van je middel en heupen terwijl ik de gespannenheid eruit kneed, de kleine wervels van je ruggengraat, een rij ellipsen die door geen stilte vertaald kunnen worden. Zelfs na al die jaren verbaas ik me over het contrast tussen jouw huid en die van mij – zoals ik me verbaas over een blanco pagina wanneer mijn hand, die een pen vasthoudt, begint te bewegen door het ruimtelijke veld ervan, in een poging erop in te werken zonder het aan te tasten. Maar door te schrijven tast ik het aan. Ik verander, verfraai en conserveer je tegelijkertijd”.

De pogingen die de schrijver onderneemt om alle herinneringen op papier te krijgen maken het verhaal, of de brokstukken, hier en daar wat eenzijdig. Slechts zelden stijgt hij even boven de eigen herinneringen uit om de context te schetsen. Als dat wel lukt is het zeer treffend en tegelijk wonderschoon: “Een nieuwe immigrant zal binnen twee jaar ondervinden dat de salon uiteindelijk een plek is waar dromen de verkalkte kennis worden van wat het betekent om wakker te zijn in Amerikaanse botten – met of zonder staatsburgerschap; pijn lijdend, giftig en onderbetaald.”

Ja, daar ligt de kracht. Hopelijk lukt het de schrijver ooit om de brokstukken bijeen te rapen voor een lijviger werk. Dan zou hij opnieuw mijn aandacht als lezer kunnen krijgen.

Onna no inai Otokotachi - Haruki Murakami (2014)

Alternatieve titel: Mannen zonder Vrouw

4,0
Nadat ik mijn eerste Murakami, ben ik hongerig om meer van hem te lezen. Dit was de eerste. En opnieuw heb ik van dit boek genoten. Niet elk verhaal was even sterk, maar er waren een aantal juweeltjes bij. Zo heb ik genoten van Drive My Car, Onafhankelijk Orgaan en Kino. Samsa Verliefd, een ode aan Kafka, vond ik minder sterk, evenals het afsluitende verhaal.

Ontwikkeling van een Woede, De - Bob den Uyl (1972)

3,5
Misschien heb ik te veel Den Uyl achter elkaar gelezen, drie bundels in een periode van een aantal weken. Je kunt kennelijk snel wennen aan een stijl die in het begin nog zo overdonderend is geweest. Zo kan het dat er twijfel over je eigen oordeel naar binnen sluipt. Hoe objectief is een leeservaring eigenlijk? Je kunt ook maar één keer voor het eerst naar Strawberry Fields Forever luisteren. Ik kan nu niets anders zeggen dan dat het bij elke bundel iets minder lijkt te worden. Toch heb ik de vier verhalen in deze bundel heb ik niet zonder plezier gelezen en ik kan opnieuw vol overtuiging zeggen dat de boeken van Bob Den Uyl het lezen waard blijven. De ironie, absurditeit en de zinloosheid van het leven sijpelen ogenschijnlijk achteloos uit de doordachte pen van de schrijver. Maar het is even goed zo. Ik wil het werk weer op waarde kunnen beoordelen en daarvoor heb ik even afstand nodig. Ik ga Den Uyl daarom voorlopig even laten liggen om over een tijdje weer verder te lezen. Een herlezing van deze bundel sluit ik niet uit.

Otmars Zonen - Peter Buwalda (2019)

4,0
Jaren geleden had ik een start gemaakt met Bonita Avenue. Waarom kan ik me niet heel goed meer herinneren, maar ergens halverwege ben ik destijds gestopt. Toch was ik geïnteresseerd in dit boek. Iets in de verschijning, in de publieke optredens van Peter Buwalda sprak me aan. Het kon gewoon niet zo zijn dat deze man een slecht boek zo gaan uitbrengen. Na negen jaar wachten was daar opeens de aankondiging van Otmars Zonen. Het zou ook nog eens een trilogie zijn.

Na de eerste jubelende recensies verdwenen mijn laatste twijfels en bestelde ik het boek bij de plaatselijke bibliotheek. Ik hoefde niet eens lang te wachten voordat ik kon beginnen met lezen. Ik was vrij snel overdonderd. Hier was aandacht aan besteed. Elke zin moest met aandacht worden gelezen. Over elk woord was nagedacht. Niets mocht aan de twijfel worden overgelaten. Derhalve duurde het even voordat ik me kon laten meevoeren in dit ambitieuze, lijvige werk van Buwalda. Soms moest ik drie keer een zin herlezen om de strekking ervan tot me te laten doordringen. Maar alles went. Ook de schrijfstijl. En na een tijdje heb je het tempo, het ritme, de cadans te pakken en kun je je in het omvangrijke verhaal laten onderdompelen.

Er ontspint zich een groots opgezet, vol plot met actuele thema’s. Het weet de tijdsgeest van het afgelopen decennia te doorboren, in de ziel te raken. De personages zijn complex, diepere en ambigue lagen worden haarfijn uitgeplozen. De schrijfstijl is messcherp, hard, rauw en toch ook vilein. Op onverwachte momenten vinden perspectiefwisselingen plaats wat de snelheid ten goede komt. Als je je als lezer weet te concentreren kun je je onverwacht eenvoudig mee laten voeren in een sterke, duizelingwekkende, maar zinderende draaikolk van plot en subplots. Buwalda heeft bovendien overvloedig gebruik gemaakt van zijn literaire en muzikale kennis en dat knap verweven in het verhaal.

Resteert de vraag wat er in hemelsnaam nog kan ontbreken aan het boek. Er ontbreekt iets en misschien is dat omdat dit het eerste van drie delen is. Het verhaal is niet af, stopt abrupt. Een eindoordeel kan pas gegeven worden nadat de trilogie compleet is. Toch is het niet te vroeg om te zeggen dat dit boek het wachten meer dan waard was. Nu maar hopen dat de resterende delen inderdaad snel volgen.

Otto Montagne, Le - Paolo Cognetti (2016)

Alternatieve titel: De Acht Bergen

4,0
Een prachtig, oeroud verhaal dat niet onmiddelijk zijn ware kracht toont. Het leest misschien zelfs een beetje als een bergwandeling. Rustig, vanuit het dal beginnend, nog onbewust van de grootsheid van de berg om er pas op na een paar uur wandelen een vaag idee van te krijgen. Eenmaal boven openbaart zich alles in volle glorie, maar zul je pas begrijpen als je de stappen naar boven zelf hebt gezet.

Want de stijl is sober, afstandelijk soms, op het eerste gezicht. Er wordt beschreven, een verhaal vertelt over een jeugdige vriendschap, een moeizame vader-zoon relatie en een berg. Maar zoals het met relaties vaak gaat, om de werkelijke betekenis ervan te begrijpen heb je tijd nodig. Of zoals de bergwandelaar in het verhaal:

"Als hij eens per jaar hetzelfde vetrouwde pad insloeg was het alsof hij doordrong tot zijn geheugen en een voor een zijn herinneringen afging."

Cognetti omschrijft ook over de liefde, het ontzag vooral, voor de berg.

"Jullie stedelingen noemen het natuur. Het is zo abstracht in jullie hoofd dat zelfs het woord abstract is. Wij hier zeggen bos, weide, rivier, rots, dingen die je met vingers kunt aanwijzen."

Cognetti beschrijft alleen het essentiële, het decor, de hoofdpersonen. Hij slaat grote stukken tijd over en raakt sreeds de kern. Het maakt het boek klein, helder, maar daardoor herkenbaar en tijdloos. En dat is heel knap gedaan.

Our Story Begins: New and Selected Stories - Tobias Wolff (2008)

Alternatieve titel: Hier Begint het Verhaal

4,5
Kort geleden las ik de essaybundel van Joost Zwagerman, Americana. Een gedeelte uit deze bundel ging over het korte verhaal, een in Amerika belangrijk onderdeel binnen de literatuur. Eén van de namen die hierin werd genoemd door Zwagerman was Tobias Wolff. Hij zou één van de betere schrijvers zijn op dit gebied, vaak worden vergeleken met Raymond Carver en, als liefhebber van Carver en het korte verhaal, was ik erg nieuwsgiering naar deze schrijver. Ik leende deze bundeling van oude en nieuwe verhalen, begon met lezen en had de bundel in een zucht uitgelezen. Het was een prettige kennismaking.

De schrijver van het korte verhaal heeft relatief weinig woorden tot zijn beschikking om de lezer een verhaal in te zuigen. Wolff had me vaak al in de openingszin(nen) te pakken. Een greep openingszinnen uit de verhalen:

'Mijn moeder las alles behalve boeken.'

'Ze waren de vaat aan het doen, zijn vrouw waste af, hij droogde. Hij had de avond ervoor afgewassen.'

'Mijn vriend Clark en ik besloten een straaljager te bouwen.'

'Brian Gold stond boven aan de heuvel toen de hond aanviel.'

En wat steeds weer opvalt: het gemak waarin je als lezer je door een verhaal heen leest, zonder dat het aan diepgang of emotie ontbreekt. In sommige verhalen staat de karakteruitdieping van een hoofdpersonage centraal, in andere verhalen een gebeurtenis. Bovenal lijkt Wolff geïnteresseerd in de mensen over wie hij schrijft. Zijn stijl past zich aan, aan de hoofdpersoon. Meestal gaat het over mensen die zoekende zijn, vaak uit middenklasse van de samenleving, mensen die het even niet meer weten en tegen de harde realiteit van het dagelijkse bestaan aanlopen. Niet voor niets wordt zijn werk vergeleken met het werk van (goede vriend) Raymond Carver. Ook Wolff behoort tot de zogenaamde dirty realists.

Er is geen enkel verhaal dat me op een of andere manier niet aansprak. Wel steken er enkele verhalen bovenuit. Zo is er het korte verhaal 'Haardvuur', over een man die terugkijkt op een gebeurtenis van jaren geleden, waarin hij met zijn moeder op zoek was naar een pension om te gaan wonen. Ze komen in een huis waarin hij een meisje voor het haardvuur ziet zitten. Het haardvuur, de warmte, de vlammen, het doet iets met de jongen. Op het einde zit hij zelf, inmiddels vader, thuis met zijn kinderen als zijn vrouw komt thuis. Ze prijs het vuur dat hij in de open haard heeft aangestoken. Dit verhaal ademt zoveel sfeer uit. Dit komt vooral door het gebruik van details. Dit is wat vaker terugkomt in de sterkere verhalen. Alles wat Wolff schrijft kun je als het ware zien, voelen, horen en proeven.

Verhalen die er voor mij uitspringen: Haardvuur (zoals boven beschreven), Soldatenhart (over een soldaat die tijdens het eeuwenlange wachten in het leger een zenuwinzinking krijgt en dreigt zelfmoord te plegen), Pech in de Woestijn, 1968 (over een man en een vrouw die in 'the middle of nowhere' autopech krijgen) en Innige Zoen. Innige Zoen is tevens het laatste verhaal en misschien wel het allerbeste verhaal. Het is doordrenkt met melancholie. En het zijn weer de details die het doen.

Een laatste voorbeeld: de hoofdpersoon, een jonge puber, is zijn liefje kwijtgeraakt, maar zit nog bij haar in de klas en ziet haar vlakbij hem zitten.

'Nu draaide ze zich niet om, maar ze moest het weten - zoals ze nog eens geeuwde, met beide handen het haar van haar nek optilde en het weer liet vallen - ze moest weten dat hij naar keek. Zoals ze één voet uit haar instapper schoof en er langzaam haar andere enkel mee krabde - het was allemaal om de pijn nog erger te maken. De lijn van haar hals terwijl ze haar nagels inspecteerde. Haar lippen, getuit van ongeduld terwijl de les maar voortduurde.'

Over het Water - H.M. van den Brink (1998)

3,5
Prachtige novelle die gevoel en de meest kleine details met elkaar vermengt. Ook al heb ik zelden geroeid, zeker niet op het water, heb je tijdens het lezen van het boek af en toe het gevoel alsof je samen met de hoofdrolspelers in de boot zit. Als wielrenner kon ik me heel goed identificeren met de pijn die je als roeier kan lijden, de trance waarin je verzeilt kunt raken en het oppermachtige gevoel dat je kunt krijgen van een lichaam die in topvorm lijkt te komen. Dit is De Renner voor de roeiers. En dan nog dat prachtige extra stukje: de oorlog die amper benoemt wordt maar die langzaam een donkere schaduw over de hoofdrolspelers slaat.