menu

Hier kun je zien welke berichten Theunis als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Halvbroren - Lars Saabye Christensen (2001)

Alternatieve titel: De Halfbroer

4,0
Ooit was er Knut Hamsun, toen een hele tijd niets en nu is het alsof Hamsun’s achterkleinkinderen de literaire wereld overvallen. Noorse schrijvers doen het goed de laatste decennia. Jan Kjærstad, Karl Ove Knausgård en ook Lars Saabye Christensen. Het boek is uitgekomen in 2001 dus wellicht loop ik, zoals wel vaker, gigantisch achter. Toch valt het me op dat ik het fijn vind om zo nu en dan terug te keren naar Noorse schrijvers. Wat opvalt aan de boeken van de drie eerder genoemde schrijvers is de lengte. Halfbroer telt meer dan zevenhonderd bladzijden met slechts hier en daar een leegte om ruimte te maken voor een nieuw hoofdstuk. Maar er zit een moordend tempo in het boek. Eenmaal in de flow is het lastig om het boek zonder tegenzin aan de kant te leggen. Het is dat het lichaam soms slaap en de plank af en toe brood nodig heeft, anders zou je het boek in een ruk uit willen lezen.

Christensen heeft het omvangrijke boek kundig opgedeeld. De centrale figuur in het boek is eigenlijk Barnum, maar de eerste honderden twintig pagina’s zijn geschreven vanuit het oogpunt van zijn moeder. Pas later schakelen we naar het perspectief van Barnum om af en toe nog een uitstapje te nemen naar een van de anderen, om de lezer voldoende bij de hand te nemen. Het boek beschrijft een groot deel van de jeugd van Barnum, het inferno van de puberteit, de onschuldige eerste liefde en zo zou je kunnen zeggen dat een groot deel van het boek een coming-of-age is, om pas richting het einde de sprong naar de volwassenheid te nemen. Veel draait om de familie en de vrienden van Barnum. Halfbroer Fred is het belangrijkste. Alle hoofdpersonen hebben om allerlei redenen moeite om de dagen door te komen waarbij Barnum’s familie niets bespaard blijft. Ze zitten gevangen in hun geschiedenis en hun toekomst, ondanks alle goede bedoelingen. Een voorbeeld van hoe de schrijver dit op treffende wijze beschrijft is wanneer Barnum voor het eerste een vriendje mee naar huis neemt. Hij mag blijven eten. Moeder haalt het goede servies uit de kast, nooit eerder gebruikt, maar voor deze speciale gelegenheid uit de kast gehaald.

“Ik hoorde dat moeder de tafel in de woonkamer dekte, het witte kleed, de hoge glazen, de servetringen, het Chinese servies, het zilveren bestek, nu werd het grootse verleden op tafel gelegd, dat nooit toekomst was geworden.”

Zo zijn er meer mooie passages waar ik als taalliefhebber van smul. Barnum ligt in bed. Hij filosofeert voordat hij in slaap valt. Hij denkt na over de lach, want hij heeft een lachmachine gekregen en die ligt onder het bed. Hij luistert erna maar komt erachter dat de “lach niet werkt als je alleen bent”. Een vondst, denkt Barnum. Hij moet het opschrijven voordat hij het vergeet, dat “de lach gezelschapsziek is.” Maar dat lukt niet en terwijl hij de lachmachine nog ergens vaag hoort wordt hij langzaam maar zeker door de slaap ingehaald.

“… ik viel in slaap voordat ik zover kwam, terwijl de batterijen in de machine opraakten en de lach langzaam dieper en dieper werd, tot hij helemaal wegstierf met een kort klikje en er slechts een laag, ver geruis over was, als wind in een allang verlaten huis, stelde ik me zo voor, en toen verdween dat ook, de ruis, en liet een dun draadje achter, gesponnen van niets, waar mijn dromen aan te drogen konden hangen.”

Is er iets op het boek aan te merken? Ja, misschien toch de lengte. Het verhaal krachtiger geweest kunnen zijn als boek iets dunner was geweest. Aan de andere kant moet ik toegeven dat ik me tijdens het lezen geen moment heb verveeld. En het schrijfplezier stijgt vanuit de pagina’s omhoog. De auteur laat Barnum in het boek het volgende zeggen:

“Ik wilde mijn verhalen hoog en verheven maken, niet laag en traag, nee, ik zou ze hoger tillen dan de strepen op de deurpost (Barnum is een klein kereltje en heeft hier moeite mee), hoger dan mezelf. Was dat te veel verlangd? Op zo’n moment, als mijn hand die het potlood vasthoudt het papier nadert, als mijn vinger naar een letter op het toetsenbord daalt, ben ik in mijn element. Vanaf nu is alles mogelijk. Ik ben de kleine God.”

Barnum raast nog even door. De schrijver raast nog even door. En eigenlijk was dat helemaal niet erg. Er zouden nog meer dan honderd pagina’s volgen, fantastische pagina’s die op grandioze wijze naar het overweldigende einde meanderen, de lezer happend naar adem achterlatend. Ooit was er Knut Hamsun. Christensen noemt hem in zijn boek, iets wat ook Knausgård vaak heeft gedaan. Ze bewijzen hem de eer die hij verdient. Het is Hamsun die in zekere zin de weg heeft geplaveid, de weg waar schrijvers als Christensen figuren als Barnum overheen laten zweven om lezers als mij te laten dromen. Ik wil een van de mooiste zinnen uit het boek voor het laatst bewaren, als aanmoediging om het boek te gaan lezen.

“Ik verspreid het stof van het verhaal en laat het in ieders mond bloeien als boeketten van de fraaiste leugens.”

Heart Is a Lonely Hunter, The - Carson McCullers (1940)

Alternatieve titel: Het Hart Is een Eenzame Jager

5,0
Vijf verschoppelingen, alle vijf op zoek naar iets van houvast, naar contact en begrip in het diepe zijn van Amerika eind jaren '30. Mick Kelly, tiener, hoort constant muziek in haar hoofd. Wanhopig zoekt ze naar mogelijkheden om die muziek vast te houden. Wat als ze het vast kon houden? Op een gegeven moment loopt ze naar een huis waar ze wel vaker naar toe loopt om stiekem naar de radio te luisteren. Dan hoort ze Mozart.

De muziek duurde niet lang en niet kort. Hij had helemaal niets te maken met het voorbijgaan van de tijd. (...) Niet droevig, maar het was net of de hele wereld donker en duister was. (...) Zulke prachtige muziek was de ergste pijn die er was.


Het boek geeft het tijdsbeeld uitstekend weer: de crisis in Europa, Hitler die aan de macht komt en voor onrust zorgt en, natuurlijk, de onderdrukking van de zwarte bevolking. Ergens is het boek angstig tijdloos. Copeland, een zwarte dokter, is een verbitterd man die geen aansluiting meer kan krijgen bij zijn eigen kinderen. Hij kan zijn principes niet op zij zetten. Ergens in het boek zit hij in een kamer als hij een oude man hoort spreken.

Als ik aan het ploegen (..) ben (..) filosofeer ik over de dag dat Jezus terug op aarde zal komen. (..) ik sta voor Jezus (..) en zeg tegen hem: "Jezus Christus, wij zijn allemaal verdrietige zwarte mensen." En dan legt Hij zijn hand op ons hoofd en dan worden we zo wit als katoen.'


Copeland probeert mensen bijeen te brengen, vertelt ze dat ze moeten opstaan, in actie moeten komen. Twintig jaar voor Martin Luther King het uiteindelijk voor elkaar krijgt, zou je denken dat het een echo van Copeland, van McCullers, moet zijn geweest.

Biff Brannon is de kroegbaas die toekijkt. Ergens schommelt hij op zijn stoel heen en weer en vraagt zich een en ander af.

Wat begreep hij? Niets. Waar ging hij heen? Nergens. Wat wilde hij? Weten. Wat? Een betekenis. Waarom? Een raadsel.


Ja, de melancholiek druipt van de regels af. Het boek ademt melancholie. Maar het is een schitterende melancholie. Troostend zelfs, bitterzoet. Wat wil je ook met zinnen als deze:

En nu, als een zomerbloem die in september verwelkt, was het afgelopen. Er was niemand meer.


McCullers zet haar scènes in een prachtig decor, waar je bijna kan voelen dat je aanwezig bent. De ruimtes waarin de hoofdpersonen bewegen, het stadje, de hete zomers of de ijskoude winters, maar je ook de gedachtewerelden van de hoofdpersonen waarin je eindeloos kunt ronddwalen.

Het was alsof ze de hele tijd boos was. Niet zomaar een opvliegende bui die snel weer overgaat, maar anders. Alleen was er niets om boos over te zijn. (..) Ze voelde zich bedrogen. Alleen had niemand haar bedrogen.'


En dan is er nog Jake, een alcoholistisch marxist, op zoek naar mensen die willen luisteren naar iets wat toch zo duidelijk is. Hij wil dat mensen nu eindelijk gaan inzien dat ze worden gebruikt, dat het kapitalistische systeem niet deugt, dat men er slaaf van is. Als ze het maar zouden begrijpen, dan zou het allemaal wel een anders kunnen worden.

Ik eindig met Singer, maar over hem ga ik niets vertellen, behalve dat hij doofstom is en dat de andere hoofdpersonen hun hoop in hem vestigen. De rest mag je gaan lezen in dit prachtige, tijdloze en actuele meesterwerkje.

Heilige Rita, De - Tommy Wieringa (2017)

3,5
Mooi boek van Tommy Wieringa. Ooit, lang geleden, in 2011, las ik Joe Speedboot. Ik las zelden destijds. Ik moest het lezen nog ontdekken. Joe Speedboot sleepte me de boeken in. Het begin van het einde.

Vele leeskilometers verder lees ik mijn tweede Wieringa. Een prettig weerzien. Vooral in het eerste gedeelte van het boek werd ik gegrepen door de prachtige schrijfstijl. Treffende beeldspraak. Krachtige, rauwe woorden, hard als de dood gevolgd door de meest tedere metaforen, lief en zacht soms, maar altijd raak.

Soms echter merk ik dat de stijl te veel de boventoon gaat voeren. Dat het belangrijker wordt dan het verhaal over de eenzame, aan de grens met Duitsland wonende Paul Krüzen. Dan lijkt het alsof de hoofdpersoon van je wordt verwijderd terwijl het tegenovergestelde me de bedoeling lijkt. Op het einde lijkt Wieringa die stijl weer iets los te laten om het verhaal weer de ruimte te geven.

Het was niet storend genoeg om mijn plezier in het boek volledig te bederven. Daarvoor schrijft Wieringa gewoon te goed.

Het Smelt - Lize Spit (2016)

4,5
Zelden loop ik achter een hype aan. Als "iedereen" iets zo mooi vindt, klopt er iets niet. Toch is de ene hype, de andere niet en moet je niet met je oogkleppen op iedere hype bij voorbaat afwijzen. Naarmate ik steeds meer goed beargumenteerde redenen zag om het boek te lezen, vond ik het tijd om het te proberen.

Tijdens de eerste bladzijden was ik niet meteen overtuigd. Het decor, een klein Vlaams dorpje, en een meisje dat opgroeit in lastige omstandigheden, was goed. Het meisje had bovendien een plan.
Na ongeveer 300 pagina's is het boek niet meer weg te leggen en dan weet je nog niet eens wat de weergaloze finale gaat brengen. Even, in het midden van het boek, vreesde ik dat het boek wel eens iets te lang kon zijn. Misschien boet het boek daar een moment aan kracht in. Uiteindelijk is het te verwaarlozen.

Diep onder de indruk laat Lize Spit me achter. Wat een boek, wat een debuut ook. En de conclusie dat de uitzondering de regel van de hype bevestigd.

Hiob: Roman eines Einfachen Mannes - Joseph Roth (1930)

Alternatieve titel: Job: Roman over een Eenvoudige Man

4,0
Roth is een geweldige verteller. Meteen vanaf de eerste zinnen wordt je in schitterende eenvoud bij de hand genomen om het leven van de hoofdpersoon in te duiken. Meteen ook voel je de warmte en de bitterheid die gepasrd gaan met zijn bescheiden, goedgelovige karakter. Roth doet dat op een hele mooie manier.

Het is vooral de manier waarop Roth in weinig woorden veel kan zeggen wat indruk maakt.

Mendel, het hoofdpersonage, heeft het in het boek niet gemakkelijk. Hij zoekt bijna noodgedwongen zijn heil in Amerika. Zijn geloof wordt op de proef gesteld. Het boek geeft een doorkijkje in het leven van die tijd, de tijd van het opbloeiende Amerika ('het nieuwe beloofde land') en de eerste wereldoorlog.

Hjemme Borte - Karl Ove Knausgård en Fredrik Ekelund (2014)

Alternatieve titel: Uit & Thuis

3,5
Het was alweer een tijdje geleden. Ik kan me niet heel goed herinneren wanneer het was dat ik mijn laatste Knausgård las. Ik merkte tijdens het lezen dat ik het fijn vond om weer even in zijn hoofd te zitten. In de Mijn Strijd-reeks kwam ik als lezer zo dichtbij. Zijn filosoferende manier van schrijven, het intieme relaas van het gezinsleven. Hij liet, in ieder geval voor mijn gevoel, weinig voor zichzelf over.
Ook in dit boek, een briefwisseling tijdens het WK van 2014 tussen Knausgård en de Zweedse schrijver Fredrik Ekelund, laat hij me weer meevoeren in zijn gedachtestroom.

“Hier thuis zoeken we voortdurend naar stabiliteit, naar rust en regelmaat – de routines zijn als een weg door het onoverzichtelijke en chaotische leven heen, en dat lukt prima, we hebben het goed met elkaar. Maar doordat een mens die je door en door kent, zoals je alleen iemand kunt kennen met wie je al vele jaren samenleeft, plotseling ander wordt, plotseling in beweging is, rijst de vraag wat persoonlijkheid eigenlijk is, wat karakter eigenlijk is. Voor mij is dat iets, een kern, iets onveranderlijks. Uiteraard met variaties – we kennen allemaal wel iemand die plotseling een tweede jeugd beleeft, en die dan heel andere, voorheen ondenkbare dingen doet – maar toch, overzichtelijk en in relatieve samenhang. Strikt genomen weet ik niet veel over de mensen die ik ken, van de meeste heb ik een duidelijk beeld (…) en vanuit die vereenvoudiging leef ik met hen samen. De afstand die dergelijk generalisaties creëren, is noodzakelijk opdat het sociale leven kan functioneren. Daarom leggen we onze ziel nooit bloot wanneer we iemand ontmoeten, en gebeurt het wel – want het gebeurt toch – dan wordt het ongemakkelijk, ondraaglijk (…).”

Zoals eerder in zijn andere boeken lukt het ook hier om een balans te vinden tussen de alledaagse werkelijkheid en dieper liggende structuren, van analyses over een voetbalwedstrijd, over de voetballers zelf om even verderop in te gaan op de geschiedenis en de cultuur van een land. Zo ontstaan er schitterende gesprekken over wat de schrijvers tijdens het WK zien en beleven, Knausgård vanuit huis. Ekelund vanuit Brazilië.

“Ik heb nooit genoten van het schouwspel van Messi”, zegt Knausgård ergens en ik vraag me af wat hij niet ziet. “Ongeacht hoe bovenaards goed hij is. (…) Ik bewonder intelligentie. Ronaldo is niet intelligent. Messi, niet intelligent. Ook Neymar niet. Maar Pirlo wel. En Maradona.”

Zo komen er meerdere spelers voorbij. Beide schrijvers hekelen Arjen Robben. Zijn schwalbes, zijn getergde, bijna kinderlijke blik als hij zijn zin niet krijgt. Ekelund staat ergens stil bij de Britten. “Rooney’s gezicht is voor mij heel Brits, typisch voor de opstandige arbeidersklasse van Liverpool. Nu is hij gedomesticeerd, maar vroeger was hij wild.” Ook typisch Brits voor Ekelund is iets wat hij ”mannelijkheidsstress” noemt, “een ziekte die haar wortels heeft in het Imperium, uiteraard, maar ook in de keiharde Engelse klassenmaatschappij”.

Na de levendige verhalen van Ekelund concludeert Knausgård het volgende: “Brazilië is een opera. Noorwegen en Zweden zijn een strijkkwartet.”

Zo ligt de geschiedenis van de voetballende landen in de brieven steeds op de loeren. Knausgård sprak zijn Duitse vertaler en hij schrijft hoe de tranen “blonken in zijn ooghoeken toen hij vertelde over zijn zoon en diens vrienden, dat ze niet bang waren om met de Duitse vlag te zwaaien, maar dat heel natuurlijk deden, zoals alle supporters van andere landen. Het heeft drie generaties geduurd tot dat weer kon.”

En dan kunnen ze er niet meer onderuit. Het huidige maatschappelijke klimaat in Zweden wordt onder de loep genomen. Knausgård schrijft over “ouders die hun kinderen te veel aan zich binden”. Dat het “een merkwaardige grens” is. “Het is de grens van de liefde: te veel liefde is verstikkend. Levensgevaarlijk.” Hij refereert aan zijn vorige boeken waarin hij schreef over de ander die niet bestaat bij bijvoorbeeld Hitler en Breivik. Zij kennen alleen “ik, een wij en een zij, maar geen jij.”

Nog twee overpeinzingen die ook voor Nederland (en een groot deel van Weste Europa) kunnen worden geschreven.

“Het is opvallend dat men in Zweden gelooft dat het debat daar, de Zweedse opvattingen en ideologieën, universeel zijn. Als die niet in een cultuur worden aangetroffen, als de opvattingen van een cultuur anders zijn, dan is die cultuur achterlijk. “

“Ik heb vrienden die hun kinderen op een andere school hebben gedaan vanwege het hoge aantal immigrantenkinderen en de grote problemen die daar mee gepaard gaan. Die problemen vragen overduidelijk om een politiek antwoord, maar dan moeten ze ter discussie worden gesteld. En dat gebeurt niet. Waarom niet? Ik geloof dat het vooral komt door een opvatting over fatsoen, dat je door te praten over de problemen die immigranten met zich meebrengen, ook praat over de problemen met de cultuur waar ze vandaan komen end at je door dat te doen, de doos van Pandora openmaakt, vol racisme, intolerantie, angst en haat die je aantreft in de zogenaamde onderbuik van de samenleving. Het resultaat is dat er een afstand ontstaat die alleen maar groeit en voor je het weet hebben we fronten die niet meer doorbroken kunnen worden. Die afstand is gevaarlijk. En, goed geschouwd, ook elitair en arrogant. Die zegt: ik heb het bij het juiste eind, ik maak geen fouten, wat ik wil is het enige goed, juiste en moreel aanvaardbare.”

Om op het einde ook zichzelf weer onder de loep te nemen. “Ik zoek het levende op, open de kanalen naar de wereld door te schrijven. Maar wat ik eigenlijk wil, denk ik, is mezélf openen naar het levende, en niet dat wat ik schrijf. In elk geval was dat wat ik wilde toen ik twintig was. Maar zo is het niet gegaan, het is anders gegaan. Zo werd het niet, dus werd iets anders, en hier zit ik dan. Kinderen, ze maken wakken in het ijs en geven alles warmte, leven en betekenis. Dat mogen ze nooit te weten komen, bedenk ik nu, dat ik hen nodig heb.”

Een prettig weerzien met Knausgård en een fijne kennismaking met Ekelund.

Hoe Gaan We Dit Uitleggen: Onze Toekomst op een Steeds Warmere Aarde - Jelmer Mommers (2019)

4,0
Gebeurtenissen van historische betekenis en van buitengewoon belang voor de mensheid, of het nou immense rampen zijn of taferelen van uitzonderlijk geluk, komen zelden uit het niets. Zelden komen ze onaangekondigd. Er is altijd wel iemand die het noodlot ziet aankomen, iemand met een vooruitziende blik, iemand die de signalen oppikt. Het vervelende is dat we, als mensheid, diegene vaak pas naderhand kunnen aanwijzen. Of misschien treffender: durven aanwijzen. Er zijn voorbeelden te over, de een wezenlijker dan de ander: de kernramp van Chernobyl, de Watersnoodramp, de zaak Armstrong, de opkomst van het nationaal socialisme en de daaropvolgende Holocaust. Pas na afloop, als het kwaad geschied is, kan het hele verhaal geschreven worden, is het opeens duidelijk wie goed was en wie als de geschiedenisboeken ingaat als de schuldige.

In realiteit is het nooit zo simpel om aan te wijzen wie het gelijk aan zijn zijde heeft. In de alledaagse werkelijkheid hangt alles nauw met elkaar samen en rolt het verhaal zich uit door de acties van individuen die de waarheid gezamenlijk bepalen. Karl Ove Knausgård wijdt in Vrouw, zijn laatste boek uit de Mijn Strijd-reeks, bijna driehonderd pagina’s aan het leven van Hitler totdat hij de macht kreeg. Met de wetenschap van nu kunnen we nauwelijks nog objectief kijken naar de jonge man die een monsterlijke Führer zou gaan worden. Maar Knausgård doet een poging en schetst het beeld van een ongelukkige jongeman die in een context leeft waarin er door een ongelukkige samenloop van omstandigheden ruimte ontstaat voor het beest wat hij zou gaan worden. Alleen door hem op deze manier weer menselijk te maken, door haarfijn te kijken naar wat hem tot zijn wandaden dreef, door op deze manier te erkennen dat het in de toekomst weer zou kunnen gebeuren, kunnen we mogelijk een nieuwe tiran voorkomen.

Ook nu is er onrust. Velen konden nauwelijks geloven dat Trump president van de Verenigde Staten zou kunnen worden, zelfs op de dag van de verkiezingen was menigeen ervan overtuigd dat hij nooit zou kunnen winnen. We zijn vergeten te luisteren naar de signalen die er zijn. Geert Mak zei in een interview onlangs dat Trump het slechts het resultaat is van onze eigen fascinatie met narcisme. Oftewel: je kunt de leider niet los zien van de tijdsgeest. Wat heeft dit allemaal met dit boek over klimaatverandering te maken, zul je je afvragen. Wel, alles. Ik zal proberen uit te leggen waarom en daarin begin ik bij mezelf.

Jaren geleden, in 2006, sloeg dankzij Al Gore de ongemakkelijke waarheid bij mij in als een bom. Nooit eerder had ik me zorgen hoeven maken over de opwarming van de Aarde, maar ineens hadden we er een immens probleem bij. Door het fantastische werk van David Attenborough en de BBC is steeds vaker de desastreuze impact van klimaatverandering op de natuur zichtbaar. Inmiddels is klimaatverandering een, vergeef me mijn woorden, hot issue. Je kunt geen krant openslaan, geen nieuwssite openen of je stuit op nieuws over de opwarming van onze Aarde. En, zoals dat gaat bij een veelvoud aan informatie, wordt je je er zo mee om de oren geslagen dat het je bijna verdoofd met als gevolg dat je niet weer waar je moet beginnen als je je erin wilt gaan verdiepen. Daarbij komt dat we in een snelle wereld van oneliners leven, een wereld van likes, feelgood en instant pleasure waar nauwelijks ruimte is óm je echt te verdiepen in een complex onderwerp als ons veranderde klimaat. En dan is er dat inmiddels eeuwenoude, permanente geloof in de Vooruitgang, nu vertegenwoordigd in de kracht van de vrije markt en bovenal in de wetenschap dat we als mens in staat zijn om de natuur naar onze hand te zetten. We zien onszelf hierbij vertegenwoordigd door optimistische politici als Trump die met een positieve boodschap de opwarming van de Aarde zelfs durven en kunnen ontkennen of bagatelliseren. Sterker nog, de wetenschappelijke waarheid staat wereldwijd ter discussie omdat mensen het er gewoon niet mee eens zijn. En ze komen er mee weg! Ik ben vast niet de enige die zich aan de huidige tijdsgeest irriteert, maar ik moest voor het lezen van dit boek erkennen dat ik zelf deelgenoot ben. Ook ik kende de mogelijke gevolgen en de schrijnende situatie onvoldoende.

Het eerste hoofdstuk was daarom ook om depressief van te worden. Ik keek naar mijn onschuldige, spelende kinderen en was me opeens pijnlijk bewust dat zij de zorgeloze tijd waarin hun grootouders en ouders nu nog leven hoogstwaarschijnlijk niet gaan meemaken. Om terug te komen op het begin: Jelmer Mommers zou best eens een van de mensen kunnen zijn die een noodlot zien aankomen. Hij stelt heel duidelijk: we gaan een hittetijd tegemoet. We kunnen alleen de schade nog beperken. Mocht je, doordat stompzinnige politici je nog zand in de ogen hebben gestrooid of dat je je er gewoon nog niet zo in hebt verdiept, nog twijfelen aan klimaatverandering en de noodlottige rol hierin van de mens, dan zul je tijdens het lezen van de eerste hoofdstukken ervaren hoe het is als de grond onder je voeten weg wordt geblazen. Maar het boek staat vol openbaringen waar we ons allen bewust van zouden moeten zijn als we onze planeet willen beschermen. Zo waarschuwden de eerste mensen in 1850 al dat we voorzichtig met de natuur moesten omgaan, dat er een balans is tussen alles wat leeft en dat we daar respect voor zouden moeten hebben. Zo wordt maar weer eens genoemd dat ook de vervuilers al decennia weten hoeveel schade ze aanrichten. Al in de jaren ’60 van de vorige eeuw wisten oliemaatschappijen dat ze schade toebrachten aan het milieu. Mommers toont maar weer eens dat het probleem van CO₂ in de atmosfeer ons eeuwenlang zal blijven achtervolgen. En dan is er nog dit feitje: “Trump (…) heeft een muur van grasbalen laten bouwen aan de rand van zijn Ierse golfbaan. Om het steeds hoger kruipende zeewater tegen te houden. In de bouwaanvraag verwees Trumps golfbedrijf expliciet naar wetenschappelijk studies over de wereldwijde opwarming en stijgende zeespiegel”.

Mommers beschrijft vervolgens twee scenario’s voor de situatie in 2050. Het eerste is een gruwelijk scenario, eentje die angstvallig realistisch overkomt en lijkt op de situatie van nu, maar dan on steroids. “De samenleving onder hoogspanning.” Nee, er zullen zich geen apocalyptische taferelen voordoen. De Aarde zal niet zó snel vergaan. Doomsday zal nog lang niet komen. Wat dan wel? De vluchtelingencrisis van nu is een lachertje bij wat er gaan komen. Zomers zullen er vele doden kunnen vallen door de hitte. Extreme weersomstandigheden van nu zullen ieder jaar intensiveren. Nederland zou een regenseizoen kennen. Vele diersoorten zullen uitsterven. Moet ik nog verder gaan? Maar voordat je je meteen aan je testament begint, Mommers heeft ook een optimistisch scenario geschreven. Hierbij zijn het met name de technologische ontwikkelingen die een rol zullen spelen. Welk scenario is het meest aannemelijk? Dat is Afhankelijk van de keuzes die wij in de komende periode gaan maken.

Waar veel boeken stoppen, bij het inkaderen van het probleem, gaat Mommers door. Hij biedt mogelijke oplossingen. En hij raakt hierbij een aantal sterke punten. Zo spuugt hij op klimaatbeleid dat veelal wordt gevoerd: er zit geen visie achter. “De enige boodschap die we nu voortdurend horen is dat er iets gaan verdwijnen. Niet omdat het leuk is, maar omdat het moet, omdat Nederland anders onder water komt te staan. Dat is geen aantrekkelijk perspectief”, zegt de schrijver. “Dat is wanhoop.” We hebben een nieuw verhaal nodig en een duidelijk “nee” tegen de huidige, gevaarlijke weg. Er zijn volgens Mommers een miljoen goede redenen om te kiezen voor “het groene toekomstverhaal”. Hij schetst er vele en ze klinken heel aannemelijk en bovenal zijn ze positief. Daar ligt een oplossing zodat het politieke speelveld niet kan worden gekaapt door een de ontkenning. Want hoe gemakkelijk is het om te zeggen dat klimaatverandering een leugen is? En hoe fijn is het om dat iemand te horen zeggen? Dan hoef je je opeens geen zorgen meer te maken. Maar dat is niet het eerlijke verhaal. Er is wel een probleem, maar er zijn oplossingen, zegt Mommers. Oplossingen waar iedereen van kan profiteren, ook de grote bedrijven die nu nog in een impasse zitten en afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen. Maar Mommers is ook realistisch en schetst duidelijk waarom het voor deze partijen, ook al willen ze graag, lastig is om de transformatie te maken. Ze hebben daarbij overheden nodig en ook consumenten die keuzes maken.

Het boek wordt in stijl afgesloten door af te rekenen met twaalf gangbare misverstanden en onwaarheden die vaak naar voren komen in klimaatdebatten. Een voorbeeld: “Het klimaat verandert altijd, dus de huidige opwarming is niet erg.” Mommers: “Dat is alsof je je auto in de fik steekt en daarna zegt dat de temperatuur van de motor weleens eerder is veranderd.” Bam! Nog eentje dan: “Geld uitgeven aan klimaatbeleid is zonde: wat als het meevalt met die opwarming?” De reactie: “De betere vraag is: wat als het tegenvalt? Dan hebben we geen tweede planeet.” Bam!

Ik kan nog veel meer woorden aan dit boek vuil maken. Laat ik dat niet doen. Misschien ben je al afgehaakt. Was er niet die instant pleasure en nam je genoegen met een snelle like. Laat me de cirkel nog wel even rondmaken. Hoe gaan we dit uitleggen, luidt de titel. Om maar eens voor mezelf antwoord te geven: na het lezen van dit boek moet ik mijn verantwoordelijkheid nemen. Mommers bood daarvoor ook oplossingen (eet minder vlees, bekijk je pensioenfonds kritisch etc.). Maar ook dit: ik ga over dit boek praten, ik schrijf er nu over en ik hoop dat jij hierover leest. Ik blijf me verdiepen, ik blijf luisteren naar diegene die denken dat ze het noodlot zien naderen. Ik wil niet alleen achteraf kunnen verklaren hoe de rampen die zich steeds meer gaan voltrekken hebben kunnen gebeuren. Ik wil doen wat in mijn macht ligt en ik wil zeker geen schuldige zijn. Daarvoor is de Aarde en de toekomst van mensheid mij te kostbaar.

Hunters, The - James Salter (1956)

Alternatieve titel: De Jagers

3,5
Jaren na dit boek zou Salter zijn beste werk schrijven. Hier, in De Jagers, laat hij al tekenen van zijn grootsheid zien. Hij beschrijft van binnenuit over Amerikaanse piloten in de Korea oorlog. Het werd zijn doorbraak. Hij kon ontslag nemen bij de luchtmacht. Jaren later, in het voorwoord van dit boek, schrijft hij over de trots die hij dan nog steeds voelt, terugdenkend aan zijn tijd als gevechtpiloot.

Het is een menselijk, een eerlijk boek dat een mooi inkijkje geeft in de onderlinge strijd tussen de piloten om de meeste kills, alsof dat is waar het omgaat. Voor hen wel dus. We volgen Cleve, een steeds minder succesvolle piloot, in een verhaal over moed, twijfel, eenzaamheid en broederschap. Knap geschreven.