menu

Hier kun je zien welke berichten Theunis als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Babbitt - Sinclair Lewis (1922)

4,0
Het was een deel van de tekst op de blurb die me overhaalde om het boek te gaan lezen. Babbitt werd vergeleken van met het meesterwerk van Richard Yates: Revolutionary Road. Lewis was alleen eerder, las ik. Hij was eerder met het blootleggen van de zwakheden en de twijfels van de opkomende klasse.

Lewis schreef in 1922 al over Babbitt, de hoofdpersoon het boek. Een rijke veertiger, een succesvol zakenman die ziet dat zijn tuin volmaakt is waardoor hij zelf ook volmaakt moet zijn. Een man die zich langzaam maar zeker bewust wordt van de bekrompenheid van de wereld waarin hij leeft. Een wereld waarin hij voorzien is van de modernste snufjes, zoals een eersteklas kwaliteitswekker (met) een klokkenspel, repeterend alarm en oplichtende wijzerplaat. Even was ik bang dat het boek gedateerd zou zijn, maar ik kwam er al snel achter dat dat niet het geval was.

Het duurt wel even voordat het boek aan kracht wint. Dat komt omdat het even tijd nodig heeft voordat de hoofdpersoon aan zichzelf gaat twijfelen. Op een gegeven moment merkt hij dat hij uitvalt tegen zijn vrouw, iets wat hem zelden overkomt en als zijn vrouw dan rustig en begripvol reageert – ‘wij ruimen het hier wel op’ – en als hij dan eenmaal boven op bed ligt zijn er daar de eerste scheurtjes.

Vele minuten, vele uren, een eeuwigheid lang lag hij wakker, rillend van een primitief soort angst, met de prangende vraag wat hij met zoiets onbekends en verwarrends als zijn zojuist verworven vrijheid aan moest.

De wereld waarin Babbitt leeft is een beklemmende wereld. Een wereld waarin de ander, altijd de ander bepaalt hoe je je moet gedragen. Babbitt en zijn vrouw nodigen belangrijke gasten uit voor een etentje, maar de avond verloopt niet zoals hij zou moeten verlopen. Ze houden zich dapper, zeggen tegen elkaar dat ze hadden genoten, maar het is overduidelijk dat er iets niet goed is gegaan, want ‘vanuit zijn slaapveranda (hoort) hij haar huilen, zachtjes, zonder hoop’. Maar zelfs als hij de stad even uit is, voelt hij de aantrekkingskracht van zijn woonplaats. ‘Groot is de macht van een stad om haar verloren zoon terug te winnen. Nog meer dan de bergen of de kust verslindende zee behoudt een stad haar karakter, onverstoorbaar, cynisch, terwijl ze achter oppervlakkige veranderingen haar ware doel verbergt.’ Op een gegeven moment is de beklemming bijna ondraaglijk. ‘Zijn onafhankelijkheidsgevoel sijpelde uit hem weg en hij liep alleen door de straten, bang voor cynische blikken en het onophoudelijke sissende gefluister.’ Geweldige literatuur!

De twijfels worden groter, onoverkomelijk. ‘Hij zag de jaren, de stralende winterdagen en alle mooie middagen bedoeld voor zomerse wieden, verloren gaan in holle pretenties.’ Maar dan? Wat moet je dan? ‘Eigenlijk wil ik helemaal niet meer terug naar mijn werk’, zei hij klaaglijk. ‘Het liefst zou ik… Ik weet het niet.’

Oké, misschien zijn sommige scènes een beetje gedateerd, zijn sommige dialogen ietwat oubollig, maar daar kun je vrij gemakkelijk doorheen kijken. En misschien eindigt het boek wat te abrupt. Misschien had het einde over meer pagina’s kunnen worden uitgesmeerd, want het verloor niets van haar kracht richting het einde. Sterker nog: het werd steeds krachtiger, het zat onder mijn huid. Maar gaandeweg het boek dacht ik steeds vaker: dit had in deze tijd geschreven kunnen worden. Natuurlijk, die moderne snufjes, daar moet je even doorheen kijken, maar dat zullen ze over honderd jaar ook met de meesterwerken van nu moeten doen. Het zou me niets verbazen als dit boek dan ook nog steeds gelezen zal worden. Ik hoop het in ieder geval.

Ballad of the Sad Café, The - Carson McCullers (1951)

Alternatieve titel: De Ballade van het Trieste Café

3,5
Prachtig klein boekje. Een variatie op een driehoeksverhouding met een verrassende ontknoping. McCullers schrijft over de zwakkeren, zonderlingen, outsiders. Zo ook in deze ballade. De context, een klein dorpje aan de rand van de wereld, in niemandsland, waarin het leven zwaar is, wordt mooi beschreven. Te kort, te fragmentarisch voor een hoge score. Prima verhaal voor tussendoor.

Battleborn - Claire Vaye Watkins (2012)

Alternatieve titel: Battleborn: Nevada Verhalen

4,0
De laatste weken ben ik me aan het verdiepen in de snapshot literatuur: de korte verhalen. In een tijdsbestek van luttele pagina’s moet de lezer worden meegenomen in de wereld van de protagonist. Een overkoepelend thema helpt de schrijver het totale beeld te schetsen en geeft de lezer een reddingsboei, zodat hij niet verloren gaat in de golf van verhalen. De reddingsboei van de verhalenbundel van Watkins is Nevada. De verhalen gaan over de staat in het westen van de Verenigde Staten. De Battle Born State. Dit is de slogan van de staat en herinnert eraan dat Nevada lid werd van de Union tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog.

De verhalenbundel van Watkins, wiens vader de rechterhand van Charles Manson was, start met een verhaal over haar vader. Ze veegt de vloer aan met lezers die op zoek zijn naar sensatie en drukt meteen haar stempel, waarbij ze zichzelf distantïeert van haar achtergrond. Ze doet dit zonder moreel oordeel of sensatielust, waarbij ze de ongenode lezer verbluft achterlaat. Hiermee creeert ze de ruimte om haar verhalen te vertellen. Verhalen over verlies ("Graceland" over het verlies van een moeder) eenzaamheid ("Man-o-War" over de kluizenaar in de woestijn), het zoeken naar geluk (waar Vegas veelal op de achtergrond veelal een melancholieke rol speelt) en het uitgestrekte landschap en haar klimaat. De verhalen verhouden zich tot het laatste: heet, stoffig, onherbergzaam, desolaat.

Het ene verhaal is sterker geschreven dan het andere. Zo heeft Watkins 60 pagina’s nodig voor “The Diggings” (het verhaal over goudzoekers in 1848) en dit lijkt net te lang, waardoor het minder sterk is dan veel van de andere verhalen. Het lukt Watkins om je in de eerste regels het verhaal in te slepen en je niet weer los te laten tot het einde. De luttele pagina’s die volgen zijn een snapshot, maar wel een snapshot die doet hunkeren naar meer beelden. Als lezer kun je je 200 pagina’s meer voorstellen. En soms is die voorstelling mooier dan als iets geschreven is. Dat maakt een verhalenbundel zo mooi en ook deze bundel van Watkins zeer de moeite waard.

Bekeerlinge, De - Stefan Hertmans (2016)

4,5
En zo komt het dorp, als een zwerver uit oude tijden, de eenentwintigste eeuw binnen.

Deze zin, ergens op de eerste bladzijden van dit prachtige boek, als Hertmans me al te pakken heeft, bij de strot heeft gegrepen, deze zin is typisch voor de stijl van Hertmans. Moeiteloos maakt hij sprongen in de tijd, zoals hij dat in Oorlog en Terpentijn ook deed. Moeiteloos ook, weet hij met zijn stijl beelden op te roepen, beelden van een tijd, rond het jaar 1090, of beelden van het landschap van Zuid Frankrijk.

Dan is er het spannende verhaal van de hoofdpersoon, de bekeerlinge. In tijden waar de spanningen hoog waren, waarin godsdiensten (of mensen) elkaar opjaagden, uitmoorden, moet ze vluchten. Hertmans fantaseert over haar avonturen met behulp van enkele gevonden documenten. Zijn verbeelding en zijn historische kennis vullen de rest in. Het is spannend, goed geschreven. Je wilt verder lezen.

Daarbij geeft Hertmans zijn hoofdpersoon een karakter. Ze denkt na met de fantasie van de schrijver.

's Nachts zijn de sterren helderder dan Hamoutal ze ooit heeft gezien. De donkere koepel lijkt eindeloos te wiegen terwijl het eentonig ruist rondom de boeg. Zijn de sterretjes gaatjes die licht doorlaten uit de hemel boven de zwarte koepel van hun sterfelijke nacht?

Bovendien is het boek natuurlijk ook nu relevant. In een tijd waarin veel vluchtelingen doelloos ronddwalen, vreemdelingenhaat opnieuw van alle tijden blijkt te zijn, is het zeer welkom om een boek te lezen waarbij de geschiedenis het heden een beetje in context plaatst, om weer te beseffen hoe klein we zijn. Stof in de wind, gevangen in de moderne tijd. Even tilde Hermans me op. Dat mag hij vaker doen.

Bell Jar, The - Victoria Lucas (1963)

Alternatieve titel: De Glazen Stolp

3,0
Mijn kennismaking met Plath. Dubbele gevoelens. Het duurde lang voordat het boek me wist te grijpen. De eerste 100 pagina's waren weinig boeiend op wat mooie beeldspraak na. Verder gebeurt er erg weinig. Dat hoeft geen probleem te zijn, ware het niet dat het weinig tot de verbeelding sprekende scènes zijn, waarin weinig diepgang zit.

Het werd gaandeweg het boek wat interessanter. Ergens halverwege het boek werd ik opeens gepakt door een paar beklemmende en ijzersterke passages. Daarna blijft het interessant. Dit komt vooral vanwege haar onstilbare wil tot zelfdoding. Zonder opsmuk, en nog steeds zonder gepsychologiseer, blijft Esther zoeken naar manier om zichzelf van het leven te beroven. Door kiertjes zie je als lezer de wanhopige pogingen van haar omgeving om haar van haar ideeën af te brengen.

Ik had meer van het boek verwacht. Wellicht kan een herlezing over een tijdje me op een ander been zetten.

Berg Mens onder Witte Lakens, Een - Erik Vlaminck (2019)

4,0
Vlaminck doet wat hij zo goed kan: het leven van een gewone Belg omschrijven en met liefde doordringen tot de kern ervan. In deze roman ligt Vlaminck zelf in een ziekenhuisbed en leert hij noodgedwongen zijn kamergenoot kennen. De man vertelt dat zijn vrouw opgenomen is. Het is illustratief voor het boek:

‘Enfin, het is toen rap van kwaad naar erger gegaan. Ze zit nu in de Bijster. Kent ge dat, De Bijster? Dat is een instelling voor mensen die niet weten dat ze er zitten. Ik kan u verzekeren dat haar verblijf daar in De Bijster een klein fortuin kost. Volgens mij is het Hiltonhotel goedkoper. Maar het kan mij niet schelen. Ik kan het betalen.’

De schrijver ergert zich en laat dat in de volgende vraag goed merken. ‘Waarom hebt ge hier dan geen eenpersoonskamer genomen?’
‘Omdat ik liever gezelschap heb.’


Tegen de zin van de schrijver in vertelt de man vervolgens over zijn leven. In sommige hoofdstukken laat Vlaminck de dialoog los. Dan is een verteller aan het woord. Altijd keert hij weer terug in de ziekenhuiskamer.

Vlaminck weet binnen alle lompheid prachtig haar romantiek en liefde naar voren te brengen. Een liefde die diep onderhuids zit en vanwege het onvermogen tot fatsoenlijk communiceren geen moment naar elkaar wordt uitgesproken, maar altijd voelbaar is.

Big Hunger. Stories 1932-1959, The - John Fante (2002)

4,5
geplaatst:
Vlak na de eeuwwisseling werd deze verhalenbundel uitgebracht. Stephen Cooper, biograaf, vond de verhalen en paar jaar eerder tussen ander schrijfwerk dat de weduwe van Fante had gevonden. Het was alsof hij een lang verborgen schat vond. Misschien is dat wel wat meerdere lezers vinden als ze, vaak bij toeval, op het werk van Fante stuiten. Nog steeds is Fante een vergeten grootheid wat mij betreft. Ook deze bundel is weer een bevestiging van zijn uitmuntend schrijverschap.

Toegegeven, niet elk verhaal is even sterk, zoals ook elk schot op doel niet tussen de palen belandt, maar Fante scoort vaker wel dan niet en op de momenten dat hij scoort, zijn het treffers, om maar in voetbalsferen te blijven, van Bergkampiaanse schoonheid. Wat de verhalen zo mooi maakt zijn de karakters, veelal underdogs, onschuldige stumpers, kinderen soms. Allemaal kijken ze op een naïeve, hoopvolle manier de onverbiddelijke wereld in waarin ze zich bevinden. Zo is er de jonge Jakie die zijn kleine broertje heeft verloren na een ongeluk. Hij wordt door z’n moeder geslagen, maar z’n moeder belooft beterschap na de dood van haar andere zoon. Een ander thema in het oeuvre van Fante is de katholieke kerk, die is, ook lijkt hij soms onzichtbaar, altijd alom vertegenwoordigd. Zo staat een jonge tiener naar een dansend meisje en haar partner te kijken.

“The girl and her partner circled the floor three times. Not for a breath did I flick my eyes from her waist. The waltz ended, she disappeared in a thong at the entrance, and I had not so much as glanced at her face. If I saw her again, wearing a coat, I would not recognize her. And, I thought, according to the religion of my baptism, I had committed a mortal sin, and I know I was ticketed for hell more than ever. I cursed all priests.”

Alles wat Fante zo goed maakt komt in scènes als deze samen. Pronkstukjes als deze toverde tijdens het lezen weer regelmatig een lach op mijn gezicht.

De proloog van Ask the Dust is subliem en spoort me aan dat geniale boek snel weer te herlezen. Een ander hoogtepunt in deze bundel is The Sins of the Mother. Donna Martino is de vrouw des huizes en ze is de baas thuis, zoveel is na deze eerste zinnen wel duidelijk: “Dinner was served. Donna Martino, big and menacing, sat down at the head of the table. The chair squealed a protest…. “Shaddup!”roared Donna Martino.” Er is onenigheid in de familie omdat een van Donna’s dochters wil trouwen met iemand die niet zo welgesteld is. Donna is het hier niet mee eens. In de loop van het verhaal wordt duidelijk dat moeder en dochter niet veel voor elkaar onder doen. De laatste zin van het verhaal, die ik hier niet ga prijsgeven, kon niet beter gekozen zijn. Weergaloos.

Als afsluiting wil ik nog een gedeelte uit het titelverhaal, The Big Hunger, citeren. Het is geschreven vanuit het standpunt van een jongetje en laat prachtig zien moeilijk het voor volwassenen is zich te verplaatsen in de gedachtes van een kind. Fante toont zijn kunde door compleet vanuit het kind te schrijven. In deze scène lijken we opeens in het Wilde Westen terecht te komen, maar bevinden we ons in het hoofd en in de tuin van Danny Crane die Johnny, zijn buurjongen, ziet aankomen.

“A slinking figure at the corner of the garage caught his attention. (…) He was armed to the teeth, a rubber knife in his jaws, a rifle in his hands, and two Gene Autry . 45s strapped to his hips. John Stribling was the sworn enemy of the law and order in the West. Day and night he roamed the plains, shooting down constables, knifing sheriffs, ambushing marshals. For two weeks, since the beginning of summer vacation, Stribling had left a trail of blood and murder in his wake…”

Er rest mij nog een boek. Dan heb ik alles van Fante gelezen en is de grote honger naar ieder verhaal, naar ieder hoofdstuk, naar iedere letter, vrees ik, in ieder geval voorlopig even gestild.

Boek (256 blz.) - Robert van Eijden (2015)

4,0
Wat een geweldig boek heeft Robert van Eijden geschreven. De grootste kracht van het boek is ongetwijfeld de gortdroge humor. Alleen een blik op de eerste bladzijden (een quote van Al Bundy en de inhoudsopgave met hoofdstuktitels) zegt voldoende. Maar er is meer dan dat, veel meer dan dat wat het boek zo goed maakt.

Van Eijden schrijft over een hoofdpersoon met de naam Robert van Eijden. Een man zonder al te veel kracht, iemand die niet of nauwelijks weet om te gaan met onverwachte situaties en die vasthoudt aan een aantal vastigheden die je bijna rituelen zou kunnen noemen. Als lezer voelde ik onmiddellijk mee met van Eijden. Hij heeft iets ontwapenends over zich. Wellicht heeft dat iets te maken met de kwetsbaarheden die zo op de oppervlakte liggen. Of is het die gezonde afkeer tegen de maatschappij die zo aanlokkelijk is? Of is toch gewoon die prachtige humor:

"Toen ik een van de uien optilde omdat hij niet netjes naast de andere lag, zag ik dat hij aan de onderkant verrot was, meer dan verrot zelfs - er kwam een bruine vloeistof uit waarin een groep maden lag te krioelen alsof ze net grote vakantie hadden gekregen. Ik hoorde ze al juichen.Hoera! Zes weken niet naar die kutmadenschool!"

"Op het stalen bankje dat de gemeente een paar jaar geleden naast de glasbak voor mij flat heeft neergezet, zat een man die eruitzag als een gigantische gesmolten kaars."

De terugkerende elementen in het verhaal zijn ook zo treffend: de eindeloze herhaling van dezelfde liedjes bij Arrow Classic Rock, de hilarische mailtjes naar bedrijven, Hitler, Wikipedia. Ook de bijfiguren, Paalman, de bouwvakker en de blinde buurman zijn mooi gekozen.

Om af te sluiten nog een gedeelte uit een mooi scène: Van Eijden staat in de supermarkt op een vakantieadres op de Veluwe. Hij rekent een reep af bij de kassa. Er wordt gevraagd of hij toch niet toevallig een tweede reep wil pakken: het is immers twee halen en een betalen. Van Eijden vindt een reep voldoende. Maar zo gemakkelijk komt hij hier niet mee weg:

"'Pakt u dan nog even een tweede?' Nog nooit had ik iemand een alledaagse vraag horen uitspreken als een dreigement van een moslimterrorist, maar deze caissière had het zojuist gepresteerd. Mijn linkerooglid begon te trillen.
(...)
Achter mij stond een man met zijn mandje in mijn rug te duwen. Ik draaide me om. Hij droeg een grijze Gaastra-jas, een kleur die ik in mijn tijd op het vakantiepark nog niet had gezien. De rebel.
'Wat begrijpt u niet aan het woord gratis? ' vroeg hij. 'De gra of de tis? Pak die klotereep, dan kunnen we door hier.
'Nou, nou,' zei ik, 'wat een agressie. U moet nodig eens naar een vakantiepark op de Veluwe.'

Born to Run - Bruce Springsteen (2016)

Alternatieve titel: Born to Run: Mijn Verhaal

5,0
Het is 14 juni 2016. Ik loop door het centrum van Den Haag. Het is niet heel warm voor de tijd van het jaar. Als ik omhoog kijk zie ik grijs wolkendek dreigend over de stad hangen. Ik vraag me af of we het droog kunnen houden vanavond. Alsof regen deze avond zou kunnen verpesten. Het zal hoe dan ook memorabel worden. Al weken kijk ik hier naar uit. Alsof ik in een ’69 Chevy 396 op een lange Amerikaanse snelweg de horizon tegemoet rijd. De ramen naar beneden gedraaid, de warme zon tegemoet. Alsof de hemel op het asfalt op me ligt te wachten. Als ik op het veld om me heen kijk vraag ik me af of het ook tegen zou kunnen vallen. Duizenden mensen met hoge verwachtingen. Bruce zal het wel even laten zien. De grootste valkuil voor hoge verwachtingen is dat ze moeilijk waar te maken zijn. Langzaam begint het op te klaren. Als Bruce met zijn E Street Band het podium beklimt om half acht, schijnt de zon.

Vier maanden later, op een donkere herfstavond, zit ik naar het scherm van mijn laptop te staren, op zoek naar woorden voor de autobiografie van Bruce Springsteen die ik even daarvoor heb uitgelezen. De zon is al een tijdje onder. Het zou net zo goed het holst van de nacht kunnen zijn. In anderhalve week ben ik door het leven van Springsteen gereisd. Het is maar een verhaal van het verhaal, schrijft Bruce. Alles is een momentopname. Hij heeft het in het tijdsbestek van zeven jaar geschreven, met lange tussenpozen waarin het boek weglegde. Ik moet proberen zijn woorden, zijn verhaal, zijn leven, recht te doen in een kleine hoeveelheid woorden. Het zullen ongetwijfeld vooringenomen, partijdige, subjectieve woorden worden. Over iemand die je leven zo heeft beïnvloed (want dat durf ik wel te stellen) kun je nauwelijks nog objectief oordelen.

Bruce start zijn verhaal bij het begin. Hij beschrijft zijn jeugd in Freehold, New Jersey. Vrij snel wordt duidelijk dat het een heel persoonlijk verhaal wordt, dat hij zichzelf en zijn omgeving niet zal sparen. Je voelt dat je als lezer heel dichtbij gaat komen. Als je het oeuvre van Springsteen kent, weet je dat zijn vader een grote rol heeft gespeeld in zijn leven. Bruce is echter, zo zegt hij nu, in zijn liedjes niet altijd even eerlijk voor zijn vader geweest. In het boek nuanceert hij het beeld dat we tot nu toe van zijn vader hadden. De man bleek geestesziek te zijn. Bruce beschrijft dat hij op een avond boos uit bed stapte. Zijn vader stond dreigend tegenover zijn moeder te schreeuwen. Bruce had een honkbalknuppel meegenomen, besloop zijn vader van achteren en sloeg hem hard tussen zijn schouderbladen. Bang voor de reactie wachtte Bruce af. Zijn vader draaide zich rustig om, keek zijn zoon en na een korte weifeling zei hij: “Je moet je moeder altijd blijven beschermen.” Was er eindelijk iets van respect voor de onzekere, jonge Bruce?
Die onzekerheid, of de zoektocht naar zichzelf, is een andere rode draad in het boek. Nadat hij “Born to Run”, het album, na een slopende studiosessie voor het eerst heeft beluisterd walgt hij ervan. Pas nadat men lang op hem heeft ingepraat laat hij het rusten. Het zal de grote doorbraak worden. Het liedje, het album, zijn autobiografie. Ze heten niet voor niets “Born to Run”. Bruce lijkt voor iets of iemand op de vlucht te zijn: “… in life all I could find was a present I could take no comfort in, a future with harsh limits, a past I was struggling to come to terms with … “. Zo lang er opgetreden kan worden, zo lang er platen kunnen worden gemaakt, zo lang er gewerkt kan worden, is het relatief rustig in zijn hoofd. Maar altijd is er die vlucht. Als er iemand te dichtbij komt, laat hij het niet toe. Bruce beschrijft halverwege het boek hoe hij op een avond de donkere slaapkamer in gaat waar zijn toenmalige vrouw vredig ligt de slapen. Het lampje op het nachtkastje veroorzaakt een glinstering op zijn trouwring. Op een of andere manier is er iets dat hem zegt dat hij de ring nooit zou moeten afdoen. “I sat on the edge of the bed, gave it a light tug and watched as it slid off my finger. An ocean of despair swept over me and I felt faint. My pulse leapt and I could feel my heart threatening to push through my chest.” Bruce vraagt zich in het boek af of het zijn bindingsangst veroorzaakt is doordat hij de eerste jaren van zijn leven heel vrij opgevoed is door zijn grootouders. Misschien ook, lijkt hij meer op zijn vader dan hij gedacht heeft, en is hij bang om zelf een relatie aan te gaan, bang om anderen pijn te doen.

De vroege zomeravond valt langzaam over Den Haag. Bruce bespeelt zijn mondharmonica, zet even later de eerste regels van “The River” in. “I come from down in the valley.” De duizenden zingen mee. Opeens realiseer ik me dat hij het toch weer voor elkaar aan het krijgen is. Het is alsof je langzaam omhoog getrokken wordt, alsof je je niet meer op het veld bevindt, maar dat je er enkele millimeters gewichtloos boven zweeft. Het gebeurt niet onmiddellijk, het heeft even tijd nodig, maar als het concert een tijdje onderweg is begint de hypnose te werken. Het laat je pas los als hij het podium heeft verlaten. Of misschien zelfs enkele dagen later.
Het is hem toch weer even gelukt om de tijd stil te zetten. Voor ons, maar zeker ook voor zichzelf. Iets wat zijn vele en lange optredens zou kunnen verklaren. “Better off in that lovely timeless world inside my head.”
De outro van “The River” is waanzinnig. De regisseur beleeft hier zijn finest moment. Minutenlang, terwijl we Bruce op zijn mondharmonica zien spelen, zien we op het scherm naast hem het gezicht van een jonge vrouw die vol bewondering en lichte ontroering naar het podium staart. De regisseur laat het beeld van de jonge vrouw overlopen in de het beeld van de intens spelende zestiger. In het boek lezen we dat Bruce het nummer heeft geschreven voor zijn zus die destijds heel jong zwanger raakte. Terwijl we de zon langzaam onder zien gaan, wordt en Haag stil, alsof iedereen voelt dat er iets in het lied is dat tijdloos is, dat het, misschien wel meer dan ooit, iets zegt over onze levens. “Is a dream a lie if don’t come true or it something worse?”

Je zou het niet zeggen als je hem op zijn zesenzestigste op deze manier op het podium ziet bewegen, maar Bruce beschrijft dat hij een moeilijke tijd achter de rug heeft. Zonder medicatie zou hij het misschien nooit gered hebben. “The fire in me felt like it had gone out and I felt dark and hollow inside.” Op een gegeven moment kan hij niets anders dan huilen. Wat er ook gebeurde, wat er ook gezegd werd, er kwamen alleen maar tranen. Het leven van zijn vader lijkt hem te achtervolgen. De laatste anderhalf jaar schijnt het goed te gaan, maar hij is op zijn hoede. Bruce toont vaker deze onweerstaanbare kwetsbaarheid in het boek. Hij is open, is op geen enkele vorm van zelfmedelijden te betrappen en durft zijn ware zelf ook in al zijn ellende te tonen. Het raakte me diep. Meerdere keren was ik tot tranen toe geroerd. Misschien heeft dit te maken met het feit dat zijn verhaal, zijn liedjes diep onder mijn huid zijn gekropen. Misschien raakte het me ook zo omdat hij zijn strijd zo zichtbaar en intens heft geuit. Misschien ook, heeft dit te maken met het feit dat ik zijn strijd herken. “I fought my whole life, studied played, worked, because I wanted to hear and know the whole story, my story, our story, and understand as much of it as I could.” Maar het zou er ook mee te maken kunnen hebben dat dit boek gewoon heel goed geschreven is, dat de passages goed gekozen zijn en dat hij, zoals we van hem gewend zijn, zijn hele ziel en zaligheid in dit project heeft gestopt. Alles wat hij doet, doet hij met een waanzinnige intensiteit. Hij zou, zo schrijft hij, ook genoegen nemen met twee woorden op zijn grafsteen: “Soul Man”.
Voor mij zijn de mooiste momenten in het boek, de kleine momenten. De momenten waarop hij heel dicht bij zichzelf en de mensen in zijn omgeving komt. Als hij naast het sterfbed van The Big Man, Clarence Clemons, zit en “Land of Hope and Dreams” voor hem speelt. Als hij na de dood van zijn vader twee weken niet binnen wil slapen. Als zijn huidige vrouw, en lid van de E Street Band, hem van bed roept omdat hij de ochtenden met zijn jongere kinderen niet mag missen. Als hij op een roadtrip door Amerika opeens terug wil naar een dorpje waar hij even daarvoor was, omdat het tafereel daar iets in hem losmaakte. Tijdens die fragmenten waan je je als lezer heel dichtbij, ook al blijft het verhaal dat Bruce heeft opgeschreven is maar een verhaal van zijn levensverhaal. Zoals mijn verhaal over de autobiografie ook maar een tip van de sluier is. Voor de rest kan ik verwijzen naar het boek en natuurlijk naar de muziek. Mijn bewondering voor Bruce Springsteen is na het lezen van het boek alleen nog maar groter geworden. Dat zal ongetwijfeld te maken hebben met mijn eigen levensverhaal.

In Den Haag spreekt Bruce het publiek amper toe, iets wat hij normaal gesproken wel doet. Misschien vond hij dat de muziek boekdelen sprak, misschien had hij een slecht moment. Hoe het ook zij, de hoge verwachtingen heeft hij opnieuw kunnen waarmaken. Bruce eindigt het optreden in zijn eentje, alsof hij nog even wil benadrukken dat het Bruce Springsteen & The E Street Band is. Hij is The Boss. Hij is geen frontman van de band, de band begeleidt hem. In het eerste deel van het boek komt de jeugd naar voren, de manier waarop hij van band naar band uiteindelijk de E Street Band om hem heen verzamelde. De enige manier waarop een band volgens Bruce zo lang bij elkaar kan blijven is door een dictatoriale democratie. Iedereen mag inbrengen wat hij wil inbrengen, maar ik bepaal wat we gaan doen. Het zorgt voor strubbelingen, voor conflicten, maar het heeft er ook voor gezorgd dat we nog steeds bestaan. Het liedje waar hij in Den Haag mee eindigt is: “This Hard Land”. “Stay hard, stay hungry, stay alive, if you can, and meet me in a dream of this hard land.” Zijn stem galmt over het Malieveld. Duizenden mensen luisteren ademloos, alsof iedereen in zijn eentje staat te luisteren.
Op een nacht droomde Bruce dat zijn vader, die al een tijdje was overleden, in het publiek naar zijn zoon zit te kijken. Bruce knielt naast hem neer en samen kijken ze naar wat er op het podium gebeurt. Dan raakt hij zacht de arm van zijn vader aan. “Look, Dad, look … that guy onstage … that’s you … that’s how I see you.”
Als hij dan toch echt weg is, loop ik samen met mijn ouders door de Haagse nacht naar het hotel. Het was een lange avond, het is nog een heel eind lopen. Mijn vader, iets jonger dan Bruce, is doodop. We zoeken snel een terrasje op, zodat we even kunnen uitrusten. Mijn vader en ik bestellen een biertje. Mijn moeder wil een jus d’orange. “Wel stom dat hij dat mooie liedje niet speelde”, zegt mijn moeder. “Tougher than the Rest”, bedoelt ze. Verder hebben ze genoten vanavond. Met volle teugen. “Proost, jongen”, zegt mijn vader. Glazen klinken. We drinken nog een tweede biertje, hebben elkaar niet veel meer te vertellen. Een aantal terrassen verderop zingt een groep mensen “The River”. De klanken lijken ergens op het lege, donkere plein te verdwijnen, maar bereiken toch onze tafel. We glimlachen naar elkaar. Als we na een tijdje op staan besef ik dat een wandeling naar het hotel er niet meer in zit. “Zullen we maar een taxi nemen?” stel ik voor. Ik verbaas me als ze allebei snel toestemmen. Plotseling realiseer ik me weer dat ze ook niet meer zo jong zijn. Even later stap ik alleen mijn hotelkamer binnen. Als ik in het donker op het iets te harde hotelbed lig, zweven er nog een tijdlang flarden van de avond voorbij in mijn gedachten. De nacht lijkt eindeloos, maar ergens tegen de ochtend val ik nog in slaap. Als ik ’s ochtends wakker wordt weet ik even niet meer waar ik ben.

Boven het Dal - Nescio (1961)

Alternatieve titel: Boven het Dal en Andere Verhalen

4,5
Als er dan toch een nostalgisch Hollands verleden mag zijn, een verleden waar we met elkaar wel naar zouden mogen hunkeren, waar we wel in zouden willen verdwalen, laten we het dan gaan zoeken in de wereld die Nescio schept. Met een prachtige stijl, waari bijvoorbeeld zoo zijn woorden gekozen heeft, en waarin i de decors schildert waarbij je als lezer het gevoel hebt alsof je je erin begeeft, en waarin i betovert.

Het is een bundel met hele korte mijmeringen en iets langere verhalen. Melancholisch. Wonderschoon. Bij vlagen deed dit bundeltje me denken aan Pessoa (al is het werk aanmerkelijk ieler en kan het alleen al om die reden, nooit aan de Portugees tippen - en dat hoeft ook niet).

Brieven aan Koos: Avonturen van een Zolderkamerfilosoof - Tim Fransen (2018)

4,0
Een aantal jaren geleden zag ik Tim Fransen’s Het Failliet van de Moderne Tijd. Een filosofische cabaretvoorstelling waarin Fransen op zoek gaat naar de zin van het leven. Dat klinkt nogal zwaar en ambitieus voor een cabaretvoorstelling, maar het was een schot in de roos. Recensies waren, zeer terecht, lovend. Nu is er dit boek: Brieven Aan Koos waarin Fransen min of meer hetzelfde probeert. De ondertitel is: Avonturen van een Zolderkamerfilosoof. Op aanraden van wijlen René Gudde trekt Fransen de wereld in, weg van zijn veilige zolderkamer, om de wereld te ontdekken. Vanuit de plaatsen waar hij naar toe gaat schrijft tien brieven die het boek vormen.

Wat het boek zo geslaagd maakt is de combinatie van een aantal dingen. Ten eerste kom je terecht in het hoofd van een authentieke figuur die je volledig meeneemt in zijn gedachtekronkels. Je ontmoet iemand met de nodige kennis en een daarmee gepaard gaande onzekerheid waarmee maar weer eens duidelijk wordt waarom je met kennis alleen niet zozeer het geluk vindt. Met de nodige regelmaat zet Fransen je aan het denken als hij weer een prachtig idee formuleert, maar tussendoor is daar steeds die nuchtere en droge humor die alle ernst onmiddellijk weer relativeert. Die combinatie, van de geestige lichtheid en de diepzinnige overpeinzingen, werkt heel goed.

Zo is Fransen in het Louvre en komt hij bij een bekend schilderij terecht: ‘uiteindelijk was daar dan de Mona Lisa. Wat kan ik ervan zeggen? Ze hing er. En ze leek als twee druppels water op de foto’s die ik weleens van haar had gezien. Ze was niks veranderd. Voor dit kleine schilderijtje was een gigantisch stuk muur beschikbaar gesteld, een nogal inefficiënt gebruik van de ruimte. Er hadden makkelijk nog een paar schilderijen naast gekund. Dat irriteert me ook aan chipszakken, die voor meer dan de helft gevuld zijn met lucht. Stop ze gewoon vol met chips.’

Maar Fransen relativeert niet alles. Je hebt het gevoel dat je heel dichtbij hem komt als hij spreekt over wat ons bestaan zin geeft. Namelijk dat het pas zin krijgt in relatie tot iets anders. Hij spreekt over de schaduwzijde hiervan, dat we de controle verliezen als we iets geven, dat we kwetsbaar zijn, zeker als datgene wat we geven niet toereikend zal zijn. We zouden zo graag soeverein willen zijn, dat is een ‘verleidelijk ideaal’, maar de prijs hiervoor kan wel eens hoog uit kunnen vallen, ‘in de vorm van vervreemding (..) of in de vorm van waanzin.’ Nietzsche is hiervan een ‘lichtend’ voorbeeld.

En Fransen slaat de spijker op zijn kop als hij concludeert dat het communisme en het kapitalisme veel meer gemeen hebben dan je op het eerste gezicht zou denken. ‘De hypocriete communistische slogans in vitrines zijn simpelweg vervangen door reclameborden met valse beloftes; door collectieve leugens zoals het geloof dat iedereen krijgt wat hij verdient als hij maar hard genoeg werkt; de leugen dat de markt simpelweg een weerspiegeling is van wat mensen willen, terwijl marketeers precies weten hoe ze onze neuronen en synapsen tegen ons kunnen gebruiken om nieuwe begeertes te kweken’.

Ik hoop dat Tim Fransen brieven aan Koos, of aan wie dan ook, blijft schrijven. Ze zijn zeer de moeite waard.

Brotherhood of the Grape, The - John Fante (1977)

Alternatieve titel: De Broederschap van de Druif

4,5
Wat een overdonderend sterk eerste hoofdstuk. Prachtig geschreven introductie die me het boek in deed stromen. Pas op het einde, tijdens de laatste hoofdstukken, weet Fante dit niveau te benaderen, maar dit betekent niet dat de rest van het boek niet goed is. Een prachtige, rauwe weergave van de relatie tussen vader en zoon en een familie die aangetast is door de tand des tijds.

De passage waarin vader het ziekenhuis bed verlaat voor de dranktafel bij zijn vrienden, waardoor hij een keuze maakt tegen het leven, is één van de mooiste passages uit het boek.

Butcher's Crossing - John Williams (1960)

4,5
Na Stoner, mijn tweede John Williams. Een prachtboek. Ik las het boek in het Engels en ik moest er even inkomen, omdat Williams heel gedetailleerd schrijft. En dat is meteen waardoor je, anderzijds, ook vrij snel het boek bent ingezogen. De beelden die Williams weet op te roepen doen niet alleen qua decor, Kansas in 1870, denken aan de oude westerns, maar ook door de traagheid die Williams weet op te roepen door heel uitvoerig en in detail te beschrijven wat er zich rondom Will Andrews afspeelt. Geuren, geluiden, beelden. De personages, Will en de drie anderen, worden uitvoerig beschreven. Het onderlinge contact tussen de personages is prachtig beschreven en voegt een mooie spanning toe. Het verhaal is simpel en in een paar zinnen na te vertellen. De kracht ligt vooral in de beleving, want je kunt je bijna voorstellen dat je samen met de vier mannen, in Amerika in 1870, op bizonjacht bent geweest.

Buzz Aldrin, Hvor Ble Det av Deg i Alt Mylderet? - Johan Harstad (2005)

Alternatieve titel: Buzz Aldrin, Waar Ben Je Gebleven?

3,5
Dit is het derde boek van Harstad wat ik in korte tijd heb gelezen en, achteraf gezien, had ik beter met het eerste boek kunnen eindigen. Want Max, Mischa en het Tet-offensief staat op eenzame hoogte en laat Ambulance en dit boek enigszins vertwijfeld achter. Het is absoluut geen slecht boek, laat ik daarover heel helder zijn, integendeel. Het boek leest als een trein, dendert in volle vaart voorbij, wringt zich door grillige heuvels, langs scherpe bochten en als lezer ben je op je hoede. Je wordt meegesleurd en denkt niet aan uitstappen. Maar zo nu en dan dreigt de trein te ontsporen, het schuurt zo af en toe net iets te dicht langs een diepe afgrond, het verliest even de kracht en de snelheid die de rit tijdens grote delen zo interessant maken.

Hoofdpersoon in het verhaal Mattias. Je bevindt je las lezer voortdurend in de gedachtewereld van Mattias, een wereld waarin realiteit en fantasie voortdurend in elkaar lijken over te lopen. Mattias heeft Buzz Aldrin, de tweede man op de maan, als grote inspiratiebron. Waarom moet je altijd voorop lopen? Hij wil zo weinig mogelijk opvallen, zou soms liever verdwijnen. Gaandeweg het boek begrijp je als lezer steeds beter waarom. Heel mooi gedaan.

De stijl van Harstad is zoals ik van hem gewend was: snel, golvend. Het vliegt soms alle kanten op en leest als het luisteren naar jazz. En als lezer liet ik me meevoeren. Ik las het boek binnen no-time uit. Maar waar het bij Max, Mischa & het Tet-offensief allemaal lijkt te kloppen, komt het hier soms nog iets te gekunsteld, iets te geforceerd over. Maar, dat realiseer ik me wel, misschien heeft dat te maken met het feit dat ik te veel van hem heb gelezen de afgelopen weken. Misschien had ik even pauze, even afstand moeten nemen. Wellicht was ik dan milder voor Harstad geweest. Zoals een astronaut vanaf de maan ook alleen maar milder kan worden voor alles wat er zich op Aarde afspeelt.