menu

De Site / Gebruikers / Schrijf zelf eens wat

zoeken in:
Knettergek moeten ze geweest zijn, die oude Grieken. Probeer zo maar eens de Ilias te lezen...

avatar van Geralt of rivia
Hallo beste lezers van mijn verhalen op boekmeter van de oorlog van het lot komt een nieuwe versie met nieuwe elementen zoals parijs wordt vervangen door een gehele fantasy wereld toen ik verderschreef over mijn verhaal toen het zich nog in parijs afspeelden het werd nogal ongelovig dus vanaf nu komt de nieuwe versie wat vinden jullie van de nieuwe versie sorry van de leestekens heb nu haast dus had geen tijd om op de leestekens te leten . Ik zelfs voor de nieuwe versie hele talen verzonnen voor de dromers en de andere wezens die gaan komen groet geralt of rivia

avatar van ...stilte...
ongelovig

Ongeloofwaardig bedoel je zeker. Het valt ook niet mee om een mening te geven over de nieuwe versie die er nog niet is...maar we wachten in spanning af.

avatar van Geralt of rivia
...stilte... schreef:
(quote)

Ongeloofwaardig bedoel je zeker. Het valt ook niet mee om een mening te geven over de nieuwe versie die er nog niet is...maar we wachten in spanning af.
sorry tikte het met haast waarschijlijk komt morgen het eerste fragment online . Dit nieuwe is veel beter het werdt een beetje ongeloofwaardig over de dromers in parijs dus ik koos er voor een nieuwe wereld te creeren


Het is 1450 de wereld is eeuwen geleden gebroken dat wil zeggen dat een groot deel van de wereld vernietigd is sommige wereld delen bestaan nog die zijn een wereld geworden . Ik geef een paar dingen vrij er komt een veld slag mensen tegen dromers complotten aan het gof bij de mensen goede zwaard en schiet partijen de dromers hebben nu zelfs een eigen taal .

avatar van ...stilte...
Een nieuwe wereld creëren zal de geloofwaardigheid vast ten goede komen...

Doe vooral rustig aan Geralt...en doe de groeten aan je moeder.

avatar van Geralt of rivia
...stilte... schreef:
Een nieuwe wereld creëren zal de geloofwaardigheid vast ten goede komen...

Doe vooral rustig aan Geralt...en doe de groeten aan je moeder.
ja dacht ik ook dan zal het verhaal wel geloofwaardiger worden ja doe het rustig aan Met schrijven . Ben momenteel bezig met de eerste zinnnen in dromer taal verzinnen.

Marcel Mollemans

Op een dag gebeurde er helemaal niks. De zon scheen niet, de wind woei niet, en de regen regende niet. Geen hond blafte, geen vogel vloog, en geen mens stond op. Er gebeurde werkelijk niks.
De volgende ochtend bestond de krant dan ook uit dertig lege pagina’s. Tot grote ontevredenheid van Marcel Mollemans, die het niet pikte dat men hem anderhalve euro had aangesmeerd voor een dagblad waarin geen letter te lezen stond. Even overwoog hij een lezersbrief te schrijven, maar toen bedacht hij zich. Voor hetzelfde geld werd zijn brief niet gepubliceerd, en dat kon hij niet zo maar laten gebeuren; hij moest op de een of andere manier zijn stem laten horen. Ja, zo waren ze wel bij de redactie van zijn vaste krant; als je mening hun niet aanstond, werden je schrijfsels zonder boe of ba in de prullenbak gedeponeerd. Hij had het al een keer meegemaakt, in 1983 – hij herinnerde het zich nog goed – en daarop had hij prompt gereageerd met nóg een lezersbrief. Een lezersbrief waarin hij aanklaagde dat zijn vorige lezersbrief niet geplaatst was. Daar hadden ze niet van terug. Goed, ook die tekst verscheen niet in de krant, maar hij wist dat hij zijn punt wel had gemaakt. Ze wisten nu wie hij was. Iemand die niet met zich laat sollen. En daarom besloot hij zich per direct naar het redactielokaal van de krant te begeven; ze zouden het daar eens mogen horen, meneer! Rond een uur of tien nam hij de bus richting Gent en even later zat hij in het kantoor van de hoofdredacteur.
‘Zo, meneer… euhm… excuseert u mij, maar hoe heette u ook alweer?’
‘Mollemans,’ beet Marcel terug. ‘Marcel Mollemans.’ Hij snoof minachtend. Wie dachten ze wel dat ze waren? Een beetje doen alsof ze hem niet kenden... Alsof zijn lezersbrieven nooit hadden bestaan. Hoe durfden ze?
‘Juist ja, Mollemans, nogmaals mijn excuses. Waar kunnen wij u mee helpen, meneer Mollemans?’
Marcel greep naar de binnenzak van zijn winterjas en haalde daar de krant van die dag uit. Met de nodige minachting kwakte hij de krant op het bureau van de hoofdredacteur, alsof het een stuk zwerfvuil was dat hij in de vuilbak deponeerde, zijn hoofd afwendend vanwege de stank. Hij moest zich inhouden om niet te vragen of hij hier ergens zijn handen kon wassen. ‘Dit,’ sprak hij traag, ‘wat heeft... dit... te betekenen?’
‘Hoe bedoelt u?’ hield de hoofdredacteur zich van den domme. ‘Dit is een krant. Wat anders?’
‘Gevat, hoor, héél gevat. Je weet goed genoeg wat ik bedoel. Dit is een lege krant: er staat niks in.’
‘Tja, meneer Mollemans, er is gisteren niks gebeurd. Werkelijk niks. Waarover hadden mijn journalisten dan moeten schrijven?’
‘Net daarover, over het feit dat er niks gebeurd is! De hele wereld vraagt zich af hoe zoiets kan, dat er wereldwijd gedurende vierentwintig uur helemaal niks gebeurt. Ik en alle andere lezers van deze krant zitten met een hoop vragen, en we willen antwoorden.’
‘Kijk, wij zouden onze lezers graag een antwoord bieden op al hun vragen, maar de eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat wij het ook niet weten. We snappen er al net zo weinig van hier op de redactie.’
‘Maar trek dan op onderzoek uit! Jullie zijn toch journalisten, dat is toch jullie job!’
‘Daar zijn we volop mee bezig, meneer Mollemans, maakt u zich geen zorgen.’
‘En waarom staat er dan niks in de krant vandaag?’
‘Omdat we nog niks gevonden hebben. Voorlopig valt er niks te vertellen.’
‘Allemaal goed en wel,’ zei Marcel, en hij pakte de krant op van het bureau, ‘maar waarom brengen jullie dan een krant uit? Wat heeft dat voor zin als er geen nieuws is?’ Hij smeet de krant nogmaals op het bureau van de hoofdredacteur. ‘Ik heb hier dus wel voor betaald, hé! Voor een krant zonder artikels! Denk je dat een bakker veel klanten zou hebben als hij enkel broodzakken met lucht erin zou verkopen? Nee, toch?’
‘Laten we wel wezen, Marcel – is het goed als ik je Marcel noem? – niemand heeft jou een mes tegen de keel gedrukt en verplicht om vandaag een krant te kopen. We hebben er alleen een uitgebracht omdat we dachten dat het een unieke uitgave zou zijn. Iets om later aan de kleinkinderen te tonen – snap je? Een aandenken aan de dag dat er niks gebeurde.’
‘Eerst en vooral: blijf jij mij maar met meneer aanspreken, ik word graag meneer genoemd. Alleen mijn vrienden mogen me Marcel noemen, en jij en ik zijn tot nader order geen vrienden. Ten tweede: ik heb een abonnement en krijg de krant dus elke dag via de post geleverd. Ik had geen keuze! Had ik aan het begin van dit jaar geweten dat er een lege krant zou tussen zitten, dan zou ik nooit een abonnement hebben genomen – knoop dat maar in je oren!’
‘Al goed, al goed,’ bracht de hoofdredacteur geërgerd uit, en hij haalde zijn portefeuille boven. ‘Hier heb je anderhalve euro. Niet tevreden? Geld terug! Nu goed?’
Marcel stopte de twee muntstukken in zijn portemonnee. ‘Bedankt, maar dat lost lang niet alles op.
De hoofdredacteur keek hem fronsend aan.
‘Stel nu dat ik een rolstoelgebruiker was geweest, dan hadden jullie me mooi liggen, niet? Dan was het voor mij wellicht een veel te groot gedoe geweest om tot hier te geraken, en zat ik daar met mijn lege krant, zonder dat ik er iets aan kon doen. Hoeveel van jullie abonnees zitten eigenlijk in een rolstoel, hebben jullie daar cijfers van? Neem nu dat het er maar honderd zijn, dan nog haalt de krant 150 euro binnen die ze eigenlijk niet verdient. Handig gezien, dat moet ik je wel nageven.’
‘Wat wil jij impliceren? Dat ik bewust geld probeer te verdienen op de kap van mensen in een rolstoel? Straks ga je nog zeggen dat ik wist dat er een dag niks zou gebeuren, en dat ik daarom speciaal zoveel mogelijk abonnementen heb proberen verkopen aan krantenlezers die zichzelf minder goed kunnen verplaatsen. Alsof dit een groot complot is en ik een professionele oplichter ben die zich al jaren voordoet als krantenredacteur, geduldig en rustig wachtend, om op een dag mijn grote slag te slaan. Is het dat wat je wil zeggen?’
‘Neen, ik ben gewoon bezorgd over mijn medelezer, dat is alles.’
‘Onzin,’ snauwde de hoofdredacteur, ‘jij bent gewoon een irritant oud mannetje, meer niet.’
‘Dat neem je terug!’
‘Zie je van hier, en nu mijn bureau uit, Marcel!’
Marcel keek hem kwaad aan. ‘Dit pik ik niet, redacteurtje van mijn voeten, dit pik ik niet. Ik daag je voor de rechtbank; eens zien of je dan nog zo’n grote mond hebt.’ Hij pakte zijn winterjas, nam de lege krant en stapte nijdig naar de deur. Toen hij zijn hand naar de deurklink bracht, riep de hoofdredacteur: ‘Wacht even, Mollemans!’ Marcel draaide zich traag en zichtbaar geïrriteerd om. ‘Wat?’
‘Die krant in je handen, leg die maar terug op mijn bureau. Ik heb je daarnet anderhalve euro gegeven – weet je nog? Technisch gezien heb je niet betaald voor onze krant.’
‘Ik heb een abonnement, en ik heb dus recht op een krant, of jij me nu anderhalve euro hebt gegeven of niet. Punt. Tot in de rechtbank!’ Toen verliet hij de redactie met slaande deuren. Terug buiten was hij nog steeds zo woedend dat hij amper oog had voor zijn omgeving. Bij het oversteken van de straat werd hij dan ook aangereden door een bus.
De rouwadvertentie verscheen een week later – in zijn voorheen vaste krant.

avatar van metalfist
Ik zou het layout technisch nog een beetje 'leesbaarder' maken nEMO maar je bent er wel in geslaagd om me tijdens mijn werk even luidop te doen grinniken!

metalfist, bedankt voor de feedback! Wat zou je concreet veranderen? In word en pdf ziet de bladspiegel er iets beter uit, omdat ik daar kan centreren, maar hier bespeur ik die mogelijkheid niet direct.

avatar van Geralt of rivia
Het is duidelijk het nieuwe fragment komt zondag online dus beste lezer,s dan begint het echte verhaal pas . Groet geralt of rivia

avatar van Jason82
Ik heb je verhaal met plezier gelezen nEMO

avatar van Geralt of rivia
Heb een vervelend nieuwtje ik hou jullie een beetje op de hoogte van het verhaal ik liet het mijn oma vandaag lezen ze zij dat dit echt naar de uitgever moet als het af is dus ik zet er een fragment op niets meer niets minder het verhaal wordt is zo goed ik heb ook alles anders gedaan mijn bronnen voor het boek waren niet lord of the rings maar de oude sagen van de grieken en de kelten koning arthur de rozenoorlog beowulf en grendel en ook wel door andere fantasy boeken zoals mistborn of game of thrones . Dus over vijf jaar ofzo ga ik eens een mailtje tikken naar de uitgeverij dit is mijn keuze sorry dat ik misschien menig lezer van mijn verhalen hier heb teleur gesteld jullie horen nog veel van me als het boek af is of het uitgeven wil worden . Groet geralt of rivia en in de tussertijd blijf ik wel lekker actief op boekmeter

avatar van ...stilte...
Wel jammer dat je voor het grote geld kiest

avatar van Geralt of rivia
...stilte... schreef:
Wel jammer dat je voor het grote geld kiest
ik vind het leuk hier op boekmeter en ik zou jullie graag het hele verhaal laten lezen maar als het verhaal uitgeven zou worden en er staat al een staat al op boekmeter weet ik niet hoe het met copyright werkt want je mag volgens mij geen materiaal met copyright op boekmeter plaatsen dus daarom want dan wordt dat materiaal met copyrigt ik zou jullie graag meer willen laten lezen en vertellen maar ik zit een beetje met de coppyright ...stilte...

avatar van ...stilte...
We zijn wel nieuwsgierig naar je droomtaal...
Groetjes aan je oma en je moeder!

avatar van Geralt of rivia
...stilte... schreef:
We zijn wel nieuwsgierig naar je droomtaal...
Groetjes aan je oma en je moeder!
ja jullie horen nog wel wat in dromer taal begrijpen jullie nu de reden van mijn keuze . Groet geralt of rivia

De pyjama (1)

Toen Gustaaf zijn ogen opende, had hij geen idee waar hij zich bevond. Hij zat op een stoeltje in wat op een wachtkamer leek, met links en rechts van hem enkele mensen die in een tijdschrift zaten te lezen en aan de andere kant van de kamer een soort van balie. Aan de linkerkant van het vertrek ging een deur open en werd ene Paul De Vlieger opgeroepen. Een man die twee stoeltjes verder van Gustaaf zat, stond op en ging het andere vertrek binnen, zichzelf daarbij begeleidend met een wandelstok. Ineens viel het Gustaaf op dat er wel meer oude mensen aanwezig waren. Alleen het meisje dat rechts naast hem een kruiswoordraadsel aan het oplossen was, leek niet tot de derde leeftijd te behoren. Nog opvallender was het feit dat boven de deur naar de linkerkamer wel dertig klokken hingen. Een toonde hoe laat het nu was in Parijs, een andere gaf de lokale tijd in New York, nog een andere de plaatselijke tijd in Buenos Aires,… Echter geen klok met daarboven de naam Tienen, het geboortedorp van Gustaaf. Waar in ‘s hemelsnaam bevond hij zich toch? Misschien een ziekenhuis? Neen, iedereen in de kamer zag er redelijk gezond en ontspannen uit. Geen mensen met bebloede hoofden of verbrijzelde botten te zien. De wachtkamer deed hem eigenlijk nog het meest denken aan die van zijn tandarts. Maar hij zag geen enkele reden waarom iemand hem daar naartoe gebracht zou hebben, aangezien hij nu al een jaar of drie valse tanden droeg. En die klokken hingen er vroeger niet. Wat zou een tandarts uit Tienen ook zijn met de plaatselijke tijd in Buenos Aires?
Hij tikte het meisje naast hem op de schouder. ‘Sorry dat ik je stoor, maar zou ik je wat mogen vragen?’
Het meisje glimlachte. ‘Geen probleem. Doet u maar.’
‘Waarom hangen al die klokken hier?’
‘Tja, dat weet ik eigenlijk ook niet. Ze zullen hier graag een soort van overzicht hebben, zeker?’
‘Hoezo, overzicht? Waar zijn we eigenlijk?’
Ze glimlachte ongelovig en keek hem een moment fronsend aan. ‘Weet u dat dan niet? We zitten in het vagevuur. U weet wel: hier beslissen ze straks of je de hemel in mag of moet branden in de hel. U moet zich toch nog wel herinneren dat u bent doodgegaan?’
‘Doodgegaan?’ stamelde Gustaaf, ‘Ben ik doodgedaan? Je bent me toch niet voor de gek aan het houden, hé?'
‘Nee, helemaal niet. Kunt u het zich echt niet herinneren? Ik zit hier omdat ik tien minuten geleden van mijn fiets ben gemaaid. Ik was rustig aan het fietsen, draai het kruispunt op en plots… knal… de auto aan mijn linkerkant maakt een verkeerd manoeuvre en dat is dat. Ik vraag me af of die bestuurder hier nu ook zit? Of zou die nu ergens in het ziekenhuis liggen? Zou anders mooi zijn: hij kan zijn wagen niet besturen en ik mag het met mijn leven bekopen…’ Ze schudde met haar hoofd. ‘Nee, dat zou behoorlijk oneerlijk zijn.’
Ondertussen zat Gustaaf verbouwereerd voor zich uit te staren. Dood? Hij? Was ze echt niet de draak aan het steken met hem? Hij probeerde zich te herinneren hoe hij dan wel gestorven was. Hij pijnigde zijn hersenen, krabde zich in de haren, dacht na, probeerde nog harder na te denken, maar allemaal tevergeefs. Er kwam niks. Geen herinnering aan een auto-ongeluk, geen herinnering aan een aardbeving of andere natuurramp, geen herinnering aan een steekpartij met fatale afloop. Niks.
Ongelovig keek hij om zich heen. Was dit nu het vagevuur? Een vertrek dat eruitzag als de wachtkamer van een tandarts uit Tienen? Nee, hij had het zich toch anders voorgesteld. Opnieuw viel zijn blik op de dertig klokken. Rome, Madrid, Toronto, Sydney, Peking,… Van elke wereldstad kon je de lokale tijd zien. Een klok met daarboven een bordje ‘Hemel’ of ‘Vagevuur’ viel er echter niet te bespeuren.
Hij richtte zich weer tot het meisje naast hem. ‘In welke tijdzone zou de hemel eigenlijk zitten?’
Ze legde haar kruiswoordraadsel opzij en keek peinzend voor zich uit. ‘Geen idee. Misschien is er helemaal geen tijd in de hemel. Het is toch zo dat je je daar nooit zorgen hoeft te maken, nooit moet werken, nooit haast hebt? Dat je daar altijd op je gemak zit? Dan heb je toch geen klok nodig uiteindelijk?’
‘Ja, dat is waar,’ mompelde Gustaaf, ‘maar hoe spreek je daar dan af met elkaar? Je kan wel ’s middags of ’s avonds afspreken, maar dat zijn behoorlijk vage begrippen. Voor je het weet, zit je uren te wachten. Toch handig om te kunnen zeggen: we spreken af om één uur ’s middags – en ondertussen te weten dat je vriend of vriendin daar op dat uur gaat zijn, en niet drie uur later of zo?’
Het meisje knikte en wou net antwoorden toen de vrouw achter de balie opeens zei dat Charlotte De Petter zich naar de andere kamer mocht begeven.
‘Dat ben ik. Tot ziens, euhmm…’
‘Gustaaf.’
‘Tot ziens, Gustaaf.’
‘Tot ziens, Charlotte.’
En weg was ze, Gustaaf achterlatend met de seniorenclub en de dertig klokken. In Lissabon was het nu drie uur in de namiddag, en in New York tien uur ’s morgens. Hij zag dat Charlotte haar kruiswoordraadsel achtergelaten had, en besloot dan zelf maar een kijkje te nemen. Nog vijf woorden moesten er ingevuld worden. Een voor een bekeek hij de tips en het aantal letters waaruit het woord moest bestaan. Hij kwam evenwel geen stap vooruit, en begon dan maar wat willekeurig door het tijdschrift te bladeren. Geen interessante artikels echter. De een of andere atleet waarvan hij de naam niet kon uitspreken, had een nieuw wereldrecord gelopen op de honderd meter, ja, dat wel, en in Londen was er een nieuw museum geopend, dat ook, en op de beurs waren er voor de zoveelste dag op rij weer klappen gevallen, ook wereldnieuws. Alleen was Gustaaf nu blijkbaar dood – dat beweerde die Charlotte althans – en had hij wel andere zaken aan zijn hoofd dan wat er zoal op Aarde gebeurde – hij had daar immers niks meer te zoeken. ‘Zou de hemel ook een eigen krant hebben?’ vroeg hij zich nu af. ‘Hopelijk wel, ik zou anders mijn dagelijkse sudoku wel missen.’
Peinzend legde hij zijn tijdschrift terug op Charlottes stoel. Hij keek nogmaals rondom hem. Nu Charlotte weg was, waren er alleen maar oude mensen. Met zijn drieënvijftig jaar was hij waarschijnlijk de jongste in de hele kamer. ‘Dikke kans dat er in de hemel meer bejaardentehuizen zijn dan flats of gezinswoningen tezamen.’
Hij had zin in een sigaret, en tastte naar het borstzakje van zijn hemd. Leeg. Vreemd: normaal had hij daar altijd een pakje Marlboro zitten. Ongelovig keek hij naar zijn hemd… en constateerde dat hij daar niet in zijn dagdagelijkse kledij zat, maar in zijn pyjama. Geïrriteerd stond hij op en stapte gedecideerd, op zijn pantoffels, naar de balie.
‘Zeg, wat heeft dit te betekenen?’ vroeg hij kwaad aan de vrouw die daar bezig was enkele formulieren in te vullen op de pc.
Verbaasd keek ze op. ‘Hoezo, meneer? Wat heeft wat te betekenen?’
‘Waarom zit ik hier in mijn pyjama?’
‘U gaat de hemel binnen in de kleren waarin u bent gestorven. Dat is hier het beleid, meneer, niks aan te doen.’
‘Ben ik dan in mijn slaap gestorven?’
‘We zullen even kijken. Uw naam, meneer?’
‘Gustaaf Vervecken.’
Ze tokkelde wat op haar toetsenbord, klikte enkele keren op de muis en zei: ‘Ja, hier heb ik het: Gustaaf Vervecken, 53 jaar. U bent gisterennacht rond een uur of drie door een hartaanval geveld tijdens uw slaap. U bent daarna gereanimeerd en naar het ziekenhuis gebracht; maar een paar uur later bent u uiteindelijk bezweken aan een nieuwe hartaanval.’
Gustaaf keek teleurgesteld naar de computer. ‘En hoe zit dat dan? Moet ik de rest van mijn leven – ik bedoel: mijn dood – in mijn pyjama doorbrengen?’
‘Klopt, meneer. Nogmaals: in de hemel draagt u de kleren waarin u bent gestorven.’
‘En wat als ik nu was gestorven zonder iets van kleren aan... wat dan? Wat doen jullie met mensen die bijvoorbeeld uitglijden in bad en dan hun nek breken?’
‘Die komen hier binnen in de laatste kleren die ze aanhadden voor hun dood.’
‘Waarom mag ik dan niet gewoon de laatste kleren dragen die ik aanhad voor mijn pyjama?’ bracht Gustaaf geërgerd uit.
‘Sorry, meneer, dat is nu eenmaal het beleid.’
Gustaaf keek haar met ingehouden woede aan. ‘Maar ik wil mijn sigaretten die in het borstzakje van mijn hemd zaten, godverdomme!’
‘Wilt u alstublieft niet vloeken, meneer? Er wordt trouwens niet gerookt in de hemel; die sigaretten had u sowieso moeten achterlaten.’
‘Wat?’
‘Er wordt niet gerookt in de hemel.’
Gustaaf wou haar juist vragen waarom er dan wel niet gerookt mocht worden in de hemel, toen er uit haar computer plots een rinkelend geluid opsteeg. ‘Ah, meneer, het is uw beurt,’ zei ze. ‘U mag zich naar het volgende vertrek begeven. Daar wacht Sint Pieter op u om samen uw dossier door te nemen. Als u nog vragen hebt, kan u die aan hem stellen.’ Ze glimlachte vriendelijk en gebaarde hem naar de deur te gaan. Sakkerend deed hij wat er van hem verwacht werd, en ging het volgende vertrek binnen.

De pyjama (2)

Daar zat achter een ruim bureau Sint Pieter inderdaad op hem te wachten. Al had Gustaaf hem compleet anders voorgesteld. Netjes geknipt en verzorgd grijs haar, gladgeschoren, getooid in een modieus tweedelig pak met een pochet in het borstzakje van zijn vest, en met een leesbril op zijn neus. Geen lange baard, haar tot op zijn schouders, of pastoorachtig gewaad. Neen, hij zag er eerder uit als een boekhouder op jaren.
‘Gaat u zitten.’
Gustaaf knikte en nam plaats in de stoel tegenover het bureau.
‘Ik heb uw dossier net even in vogelvlucht doorgenomen en dat ziet er allemaal redelijk goed uit,’ begon Sint Pieter. ‘Geen strafblad; geen problemen met drank of drugs; u bent gedoopt; u heeft zowel uw eerste als plechtige communie gedaan,… Kortom, u heeft een vroom leven achter de rug, zonder escapades of Godslasterlijke praktijken. Nu, voor we u door de Hemelpoorten binnen kunnen laten, moet er eerst nog wat administratieve rompslomp gebeuren, dat begrijpt u ook wel.’
Gustaaf begreep er geen snars van. En het stond hem nog steeds niks aan dat hij daar in zijn pyjama zat. ‘Administratieve rompslomp? Zoals?’
‘Wel, om te beginnen is het natuurlijk van essentieel belang dat wij weten dat u wel degelijk het katholieke geloof bent toegedaan. U bent toch gelovig?’ Sint Pieter keek hem vriendelijk aan, alsof hij zich wou verontschuldigen dat hij zo’n domme vraag diende te stellen.
‘Tja, geen idee eigenlijk.’
Sint Pieters uitdrukking werd plots ongelovig. ‘Pardon?’
‘Dat ik het zelf niet zo goed weet,’ begon Gustaaf uit te leggen. ‘Ik kom uit een katholiek nest, zeer zeker, vandaar ook dat ik op zowel de lagere als de middelbare school telkens Godsdienst heb gevolgd. Maar om nu te zeggen dat die twaalf jaar Bijbelstudie veel indruk op me hebben nagelaten: neen, dat nu ook weer niet. Na het behalen van mijn diploma ben ik alleszins nooit meer naar de kerk geweest. Het heeft me altijd een beetje koud gelaten, of God al dan niet zou bestaan. En dan al die Bijbelverhalen met Mozes die de zee doet opensplijten en Jezus die met zijn sandalen op het water ging lopen... Nee, ik denk niet dat ik ze ooit geloofd heb. Misschien als zes- of zevenjarige, maar als dertiger of veertiger? Nee, niet echt.’
Sint Pieter zat daar nog steeds met dezelfde verbaasde blik. Hij zweeg.
Gustaaf ging dan zelf maar verder. ‘Aan de andere kant: ik zit hier nu, dus het moet allemaal wel waar zijn, zeker? Al kan het natuurlijk altijd dat u een product bent van mijn fantasie en ik thuis, in bed, gewoon rustig lig te slapen. Of dat ik wel degelijk een hartaanval heb gekregen en nu in het ziekenhuis lig te ijlen. Kan ook.’
Sint Pieter keek Gustaaf enkele seconden peinzend aan, nam zijn leesbril af, borg die zorgvuldig op in het brillendoosje dat rechts op zijn bureau lag, naast enkele A4-mappen, vouwde zijn handen en liet ze rusten op het bureaublad. Met zichtbare moeite bracht hij opnieuw een glimlach voort. ‘Nu, u zal hoe dan ook moeten kiezen. Katholiek of niet katholiek. Ongelovige mensen komen de hemel niet binnen.’
Gustaaf krabde zich in de haren. ‘Tja, mij goed, dan ben ik maar gelovig, zeker?’
Sint Pieter schudde misprijzend het hoofd. ‘Neen, neen, neen! We willen natuurlijk wel dat u het meent. Anders kan elke ketter zo maar de hemel in.’
‘OK,’ zei Gustaaf, ‘dan meen ik het.’
Sint Pieters zuchtte, gaf Gustaaf een formulier, en zei: ‘Goed, wilt u dan hier even tekenen?’
Gustaaf zette zijn krabbel onder het document en gaf het terug aan Sint Pieter.
‘Dank u wel. Als bewoner van de hemel zijn er natuurlijk wel enkele plichten die u dient na te komen. Net zoals op Aarde is er elke week een zondagse mis; deze neemt een aanvang om negen uur stipt en duurt een goed uur. Wie een week niet komt, krijgt een waarschuwing. Verkiest die persoon om een week later opnieuw zijn kat te sturen, dan volgt er een tweede en laatste waarschuwing. Wordt ook die waarschuwing in de wind geslagen, wel, dan kan de ketter in kwestie zijn koffers pakken en zit zijn verblijf in Hotel Hemel erop.’
Sint Pieter glimlachte vriendelijk terwijl hij het document opborg in een bureaulade. ‘Ik hoop dat we elkaar begrijpen? U ziet er een redelijk man uit; dat zou in orde moeten komen, niet waar? Verder verwachten we van iedereen dat hij of zij elke dag wat tijd vrijmaakt om te bidden en in de Bijbel te lezen. Het is uiteraard onmogelijk om elke hemelbewoner hierop dagelijks te controleren, maar we rekenen op uw goede wil.’ Hij vouwde opnieuw de beide handen. ‘Zo, dat was het dan. Heeft u zelf nog vragen?’
‘Ik heb er wel een paar, ja,’ zei Gustaaf, terwijl hij zich naar het bureau toe boog. ‘Ik ben in de wachtkamer al te weten gekomen dat je de hemel binnen gaat in de kleren die je het laatst aan had voor je dood.’ Hij keek even naar zijn pyjama en toen zuchtend naar Sint Pieter. ‘In mijn geval dus in deze pyjama. Is het dan ook zo dat mijn kleerkast mee verhuist naar de hemel en ik straks iets anders kan aantrekken?’
Sint Pieter schudde het hoofd. ‘Neen, het mooie aan de hemel is net dat we onszelf kunnen loskoppelen van al het materiële. Enkel het geestelijke telt in de hemel. Dus, verhuizen er geen kleerkasten mee.’
‘Maar,’ protesteerde Gustaaf, ‘waarom moet ik mezelf loskoppelen van het materiële in een pyjama en een paar pantoffels? Dat kan toch ook in een jeansbroek, een hemd en een paar degelijke stapschoenen? Dus ik ben verdoemd om tot het einde der tijden elke dag in dezelfde pyjama rond te lopen, als een onnozel stripfiguurtje? Dat kan je toch niet menen? En over het einde der tijden gesproken, klopt het dat je hier in de hemel voor eeuwig verder blijft leven?’
Sint Pieter knikte vriendelijk. ‘Dat is geen leugen.’
‘Serieus?’ vroeg Gustaaf, ‘voor eeuwig en altijd?’
‘Voor eeuwig en altijd, inderdaad. Wat is er? Je lijkt er niet helemaal gelukkig mee?’
‘Voor altijd,’ zei Gustaaf, ‘dat is wel héél lang, hé? Hoe zit dat met de mensen die hier al 500 of 1000 jaar wonen, beginnen die zich niet stilaan te vervelen? Mijn buurvrouw bijvoorbeeld lost graag kruiswoordraadsels op. Ik kan me moeilijk voorstellen dat ze dat nog 600 jaar gaat doen. Op den duur heeft ze die toch allemaal opgelost? Of hebben jullie daarvoor iemand speciaal in dienst, iemand die elke dag 50 nieuwe kruiswoordraadsels bedenkt? En zo ja: raakt die zijn werk dan niet beu op den duur? Ik kan me voorstellen dat die kruiswoordraadsels je na een eeuw of drie de strot beginnen uit te komen – of dat je creativiteit na verloop van tijd gewoon op is.’
‘De Hemel is het Paradijs, meneer Vervecken... maakt u zich maar geen zorgen. U zult het er vast en zeker naar uw zin hebben.’
‘Ja, maar voor hoelang? Zijn er al mensen geweest die zich hier op den duur gingen vervelen?’
Sint Pieter aarzelde een moment. ‘Ja, dat is al gebeurd, maar dat waren uitzonderingen. In uw plaats zou ik me geen zorgen maken.’
‘En hoe hebben jullie dat opgelost?’
‘Dat, meneer Vervecken,’ zei Sint Pieter met klem, ‘zijn onze zaken. OK? Zijn er nog vragen?’
‘Als ik dan de hemel binnen kom in de kleren die ik het laatst aan had, dan behoud ik wellicht ook mijn huidige leeftijd?’
‘Dat klopt.’
‘En eenmaal in de hemel verouder je waarschijnlijk niet meer?’
‘Ja, natuurlijk. Anders zou u er na duizend jaar behoorlijk belabberd uitzien. Waarom?’
‘Zou ik niet van leeftijd kunnen veranderen, en bijvoorbeeld als mijn twintigjarige zelf in de hemel rondlopen?’
‘Neen, sorry, onmogelijk. Als we alle mensen toelieten zelf hun leeftijd te kiezen, wordt het hier één grote warboel. Waarschijnlijk zouden ze anders om de haverklap van gedachte willen veranderen en de ene maand twintig zijn, de volgende vijftig en een week later weer achttien. En ongetwijfeld krijg je dan te maken met grapjassen die op dertigjarige leeftijd zijn gestorven en het dan leuk vinden om af en toe eens een weekje als tachtiger rond te lopen, gewoon om te zien wat dat geeft in de spiegel. Neen, als we mensen die vrijheid zouden geven… dat zou enkel chaos opleveren.’
‘En nu niet, misschien? Kijk, mijn moeder is gestorven toen ze veertig was. En ik, ik ben vandaag gestorven op mijn drieënvijftigste. Tijdens ons weerzien zal ik dus dertien jaar ouder dan haar zijn. Mannen en vrouwen die ouder dan hun ouders zijn... dat is geen chaos?’
Sint Pieter zweeg, en keek hem strak aan.
‘En baby’s?’ ging Gustaaf verder. ‘Die blijven hier ook voor altijd baby’s? zeker? Ook leuk voor de ouders: die mogen voor eeuwig en altijd elke dag pampers verversen. Om maar te zwijgen over mensen die seniel zijn geworden op het einde van hun leven. Waarom laten jullie die hier eigenlijk binnen? Ze hebben er toch niks aan?’
Sint Pieter wreef vermoeid in zijn ogen. ‘Kijk, u zal mij niet horen beweren dat ons huidige beleid er een zonder fouten is. Het moet inderdaad best bevreemdend zijn om een moeder te hebben die dertien jaar jonger is – of zelfs dertig of veertig jaar in het geval van andere mensen – maar van alle opties die we destijds hebben bekeken, leek deze ons het beste. Als u met een betere oplossing op de proppen weet te komen, zeg het ons. Tot dan blijft alles zoals het is. Daar heeft u toch begrip voor?’
‘Ik zal wel moeten, zeker? Vreemde plaats, die hemel… Mag ik nog één vraag stellen?’
‘Goed,’ zuchtte Sint Pieter, ‘doet u maar.’
‘Begint het hier niet overbevolkt te geraken? Hoelang bestaat de hemel al?’
‘Sinds het begin der tijden.’
‘Wel, als sindsdien elke gestorven katholiek in jullie zogenaamde Paradijs is opgenomen, dan moet het intussen toch propvol zitten?’
‘Dat is allemaal geen probleem, meneer Vervecken. Het zit namelijk zo dat de hemel – net zoals het heelal dat ook doet – steeds uitdijt. Hoe meer mensen er bijkomen, hoe groter de hemel wordt. Daar heeft God voor gezorgd.’
‘Hij heeft de hemel betoverd?’
‘Neen,’ antwoordde Sint Pieter geërgerd, ‘God heeft de hemel zo geschapen. Hij schiep haar en zorgde er toen voor dat er nooit een plaatstekort zou zijn.’
‘Zoals een tovenaar dat zou doen?’
Toen was de maat vol voor Sint Pieter.

‘Godverdomme,’ dacht Gustaaf terwijl hij in de spiegel zag hoe het zweet in bakken van zijn hoofd gutste, ‘misschien had ik toch wat beleefder moeten zijn.’ En terwijl de lift verdieping na verdieping de grond in daalde – min twee, min drie, min vier, min vijf, min zes – werd het alsmaar warmer en warmer in de kleine ruimte. ‘Hopelijk vliegt mijn pyjama hier niet ter plekke in de fik,’ zei hij zwak tegen zijn spiegelbeeld. Ondertussen kon hij tussen het gerammel en gekraak van de lift al de eerste geluiden van daar diep beneden ontwaren. Geschreeuw en gekrijs, gedempte kreten en zweepslagen. Hij stak zijn wijsvingers in zijn oren en vervloekte zichzelf.
En dat allemaal vanwege een pyjama...

watmeertekstenuitlegomzoenkelemisverstandenuitdewereldtehelpen


hallohierzijnweweerdebondtegenhoofdlettersenleestekenstotonsgroteongenoegenisonseerstepamfletvooralop

hoongelachonthaaldsommigemensendachtenblijkbaardathetomeengrapginganderenverklaardenonsgekgestoord

krankzinnigvanderattenbesnuffeldzelfbegrijpenwijnietzogoedwaaromenwewillenerdanookgeenmisverstandover

latenbestaanwijzijngeengrappenmakersditisgeenpogingomuaanhetlachentebrengennaaronzebescheidenmening

valternamelijkheelwattezeggenvoordeafschaffingvanhoofdlettersenleestekensdebedoelingvandezetekstisdanook

omwatmeertekstenuitlegtebiedenenwezullenbijdezedanookenkelevoorbeeldengevendienaaronsgevoelperfectaan

tonenwaaromhetabsurdisomgebruiktemakenvanhoofdlettersenleestekensneemdevolgendeconversatiebijdebakker

dieerindeklassiekemaniervanschrijvenongeveerlalsvolgtzouuitzien:*


'Goedemiddag, zeg het maar.'

'Een volkorenbrood, graag.'

'Groot of klein?'

'Groot, graag.'

'Gesneden?'

'Doe maar een gesneden, ja.'


blablablaerwordennogwatgemeenplaatsenuitgewisseldoverdeburenenhetweerendevoetbalenwaaromallepolitici

zakkenvullerszijnenondertussenwordthetbroodgesnedenenineenbroodzakgestoptendaarnavolgtdeafrekening:**


'Dat is dan 2,50 euro, alsjeblieft.'

'Kan ik met proton betalen?'

'Uiteraard, doet u maar.'


hopdaarwordtdebankkaartbovengehaaldeninhetapparaatgestokenwaarnatiktiktiktikdecodewordtingegevenenvoila:***


'Dankjewel, doe ze thuis de groeten, hé!'

'Merci, zal ik doen, tot ziens!'

'Tot ziens!'


eenronduitabsurdemanieromeenmondelinggesprekschriftelijkweertegevendievraagtekensenuitroeptekenskomen

namelijkvollediguithetnietsnochdebakkernochdeklantheeftinditgesprekeenzinafgeslotendooruitroeptekentezeggen

ofvraagtekenofpuntsteltuzichvoordatweechtzozoudenpraten:****


'Goedemiddag komma zeg het maar punt'

'Een volkorenbrood graag punt'

'Groot of klein vraagteken'

'Groot komma graag punt'

'Gesneden vraagteken'

'Doe maar een gesneden komma ja punt'

'Dat is dan 2 komma 50 euro komma alsjeblieft punt'

'Kan ik met proton betalen vraagteken'

'Uiteraard komma doet u maar punt'

'Dankjewel komma doe ze thuis de groeten komma hé uitroepteken'

'Merci komma zal ik doen komma tot ziens uitroepteken'

'Tot ziens uitroepteken'


geeftoeniemanddiezopraatiemanddiedatwelzoudoenzouonmiddellijknaareenpsychiaterzielenknijperofgekken

huisgestuurdwordenenvolkomenterechtdevraagisdanookwaaromwehetwelnormaalvindenompuntenkommasen

vraagtekenstegebruikeningeschreventeksteneerlijkiseerlijkhoofdlettersenleestekenszorgenervoordateentekstvlotter

leestmaaraandeanderekantpoetsenzeonzegedachtenengevoelensopdoorzeeenbepaaldestructuuropteleggen

daardoorwordenzealshetwareminderpersoonlijkomdatzedooreengrammaticalefilterverwerktwordenvoorzeoppapier

belandenendatisnatuurlijkzondeaangezieneenteksteenvormvanzelfexpressieisnaaronzemeningzouhetdanookveel

logischerzijnalswezoudenschrijvenophetritmewaarinwedenkenomdatwedanpasopeenwaarachtigeennatuurlijkemanier

weergevenwaterzichzoalinonshoofdafspeeltzodatwasonzeuitlegenwijhopendatuonzemissienuwatbeterbegrijpt

hoogachtenddebondtegenhoofdlettersenleestekens



*zoalsukanzienhebbenwehiertocheendubbelepuntneergezetwatregelrechttegenonzeprincipesingaatweesechtergerust

wezijnnietvanplantoegevingentedoenhetisalleendaterindezeteksteenvormvanovergangnodigistussenonzemanierschrijven

endeklassiekemaniervannotereneneendubbelepuntleekonshiervoordemeestgeschiktemaniereenkleintekenvangoodwill

zouwilofeenbrugtussenhethedenenhetverledenvoorwiehoudtvaneenmooiemetafoor

**zieeerstevoetnoot

***idemditto

****vanhetzelfdelakeneenpakalsookvanhetzelfdelakeneenbroek

P.S. Wees gerust: dit is de laatste keer dat jullie van de bondtegenhoofdlettersenleestekens horen, maar dit moesten ze dus nog even kwijt.

avatar van PQV00
In datzelfde kader:
Oh schone maagd oh kommapunt
Waarom mij uw liefde niet gegund
Uw weigering doet mij het harte breken
Ik schiet me dood met een uitroepteken

Het leven van een kommaneuker is niet alleen maar rozengeur en maneschijn. Dat is geweten.

avatar van Ted Kerkjes
Ted Kerkjes (moderator)
nEMO schreef:
P.S. Wees gerust: dit is de laatste keer dat jullie van de bondtegenhoofdlettersenleestekens horen
jammer
(hoe staat de bond eigenlijk tegenover emoji? )

De bond is van mening dat een kundig geschreven tekst geen emoji behoeft. Gerard Reve zette ook geen knipoog achter elke grap of grol. Stel je voor hoeveel duurder zijn romans wel niet uit zouden vallen, als ze vol gele en rode inkt zouden staan. Dat geeft toch geen pas voor een Volksschrijver!

avatar van Geralt of rivia
Dit is geen roman dit verhaal wordt per deel heftiger dus je bent gewaarschuwd deze verhalen ga ik noemen DON het gaat over de opkomst en de ondergang van de maffia groet geralt of rivia


DON deel 1 de reis





1940

Het enigste  wat Ik herinderde was het geluid van de wind  als ik in slaap viel  . dat was  het enigste . Ik kwam was een itiliaanse immigrant we woonde n in nederland een land dat in 1940 bezet werd door de duisters onder leiding van adolf hitler een verschrikkelijke man . En geloof me ik heb veel verschrikkelijke mensen gekend maar adolf was de ergste omdat hij zo sadistich was en zo hatend tegenover joden . de duitsers hadden een nieuw fenomeen ontdekt  drugs De duitsers waren dol op de drugs ze hadden een favoriet    de naam van het product  die  we destijds voor het product gebruikten ben ik al lang vergeten maar tegenwoordig heet deze soort crystal meth we gaven onze gehele voraad aan de duitsers  en ze lieten ons vluchten  ondanks onze joodse identiteit tegenover een voorwaarde we moeste iedereen die we kenden en joods was verraden mijn vader deed dit want hij vocht voor onze familie   .   We werkte in nederland voor onze zaak oftewel de cosa nostra een orginisatie in italie waar we ook vandaan kwamen . We verbouwde drugs en wie ons tegenhield kwam er niet zomaar mee weg .
We vluchte naar italie . Op een ezel met de hele familie mijn vader kocht er uiteindelijk ook nog een kar bij. Na een lange tocht door de bergen
Waren ze in italie

Wordt vervolgt .

Wat vonden jullie ervan laat je menig graag weten

avatar van PQV00
Geralt of rivia
Een veel gemaakte fout in het Nederlands, heb ik me laten vertellen.
"Het enigste wat" bestaat niet. "Enig" is al uniek en daarvan bestaat dan ook geen overtreffende trap. Moet dus zijn: "Het enige dat" (het betrekkelijk voornaamwoord is in eerste instantie 'dat', maar onder invloed van het 'moderne taalgebruik' vervormd tot 'wat'); zie ook hier1 en hier2.

avatar van Geralt of rivia
DON DEEL 2 het dorp


Mijn naam is fredrico gangi ik heb mensen vermoord goede mensen kwade mensen en mensen die er net tussen in zaten ik deed het niet voor mezelf maar voor onze zaak .

don Fredrico gangi de verteller van dit verhaal

1940
Toen mijn vader carlito gangi weer in ons geboorte dorp kwam gangi onze achternaam was ernaar vernoemd . Ging hij naar de heersende don hij praate even over of hij zijn dorp weer mocht innemen de don weigerden het was don savoca . Een dikke oude man dik in de tachtig . Carlito praate maar het hielp niks don savoca was de don van savoca geweest totdat de politie hem wegjaagden en hij don van gangi werd dat was wel twintig jaar geleden carlito trok  trok zijn revolver en hij schoot op don savoca .  Het was de lucht van brandend vlees wat de don rook . De man lag krijsend in zijn stoel de mannen kwamen carlito schoot ze beide in een klap dood hij liep naar de andere mannen van savoca en hij kocht de mannen om en gangi was weer in het bezit van don carlito gangi . Er kwamen betere tijden voor gangi onder het regime van don savica was veel armoede en angst en omdat carlito weer terug was hield het volk zelfs een feest . Ze vierden tot diep in de nacht door toen de morgen schemering kwam ruimde de mannen van de don het terrein op . De volgende morgen was er een vergadering tussen don carlito en zijn mannen over wat carlito van plan was carlito,s antwoord daar op was dat hij een goede man wou zijn. Een van de mannen  vicenzo parami een van de belangrijkste mannen van de don die zorgde voor de beveiliging .  zei mijn heer ik denk dat het een goed idee is om te beginnenmet het bestrijden van de mannen die don savoca nog steunen . Dat lijkt mij ook zij de don . Hij stuurde er tien jonge gasten opaf . Ze hadden het gevecht gewonnen de mannen van savoca
Waren in werkelijkheid niet meer dan een paar zuurpruimen die in de tuin van de villa van savoca een wijntje aan het drinken waren .
Een dag na het gevecht kwam er een jamaicaanse koopman met een nieuw product cannabis de don keek aandachtig naar het product en hij besloot een klein aandeel op het bedrijf te kopen . Wordt vervolgd

De Zuivere Waarheid (1)

Lieve ouders,

Net zoals iedereen op deze planeet zullen jullie al een week of twee in de ban zijn van het mysterie rond de Mona Lisa van Leonardo Da Vinci. Net zoals iedereen zullen jullie de eerste krantenberichten met ongeloof hebben gelezen, en hebben gedacht dat het om een flauwe grap ging. Tot het Louvre begin vorige week de geruchten bevestigde: Mona Lisa is wel degelijk verdwenen; ze zit niet meer in haar schilderij, en lijkt uit het museum weg te zijn gelopen.
Laat ik het maar meteen zeggen: ik weet wat er met haar is gebeurd. Ze is vermoord. Door mij. Per ongeluk. Ik heb al op verschillende plaatsen de theorie horen opduiken dat een kunstdief het echte werk gestolen zou hebben en daarna vervangen door het schilderij waarover alle kranten het momenteel hebben – als een soort visitekaartje, om de bewakers nog wat extra zout in de wonde te strooien – maar zo zit het dus niet. Geschiedkundigen en kunstkenners aller lande kunnen hun hele trukendoos bovenhalen om na te gaan hoe de vork in de steel zit, en ze zullen allemaal dezelfde conclusie moeten trekken: het is nog steeds hetzelfde schilderij dat daar in het Louvre hangt. Zelfde verf, zelfde doek, zelfde omlijsting. Alleen is Mona Lisa dus verdwenen. Omdat ik haar heb vermoord…
Wellicht zijn jullie deze brief intussen hoofdschuddend aan het lezen en staan jullie op het punt mij gek te verklaren. Maar ik zweer het jullie: alles wat ik jullie nu ga vertellen, is de zuivere waarheid. Dus probeer me alsjeblieft te geloven.
Tot nog toe heb ik het altijd geheim gehouden, maar ik ben destijds geboren met een unieke gave. Ik kan in schilderijen stappen en er vervolgens in rondlopen. Je moet het zo zien: in zo’n schilderij schuilt een hele wereld en wat jij en ik zien in het museum, dat is als een foto ervan. Een momentopname. Maar wanneer je die foto (dat schilderij) binnenstapt, komt die wereld binnenin tot leven en kun je praten met de personages. Als er huizen op het schilderij staan, kan je die huizen binnengaan en zien hoe de bewoners – net als ons – om twaalf uur aan tafel gaan voor het middagmaal en rond zes uur ’s avonds opnieuw rond diezelfde tafel verzamelen voor het avondmaal. Want ook in de werken van Rembrandt en Hopper gaan dag en nacht voorbij. Jullie kennen vast de term slice of life? Wel, zo is het exact, het is alsof Rubens en Goya stukjes verleden voor eeuwig en altijd hebben vastgelegd, en ik die nu opnieuw kan bezoeken. Alleen is het zo dat het verleden daar altijd het verleden blijft. De geportretteerden gaan niet dood en krijgen geen kinderen en als het schilderij een tafereel afbeeldt uit 1595, blijft het daar voor altijd 1595. Meestal gaat er op zo’n doek een dag of zeven voorbij, waarin jij dan kunt rondwandelen. Na die zevende dag begint alles gewoon opnieuw, alsof het een plaat is die door de DJ in een eeuwige loop is gezet. Natuurlijk heeft iemand als Mona Lisa of eender welke andere schilderijbewoner dat niet door. Je kan een meesterwerk tien keer binnenstappen en tien keer exact dezelfde taferelen zien en tien keer exact dezelfde gesprekken horen. Geloof me, ik heb het destijds uitgeprobeerd.
En ik kan niet alleen in schilderijen rondwandelen: ook in foto’s, striptekeningen, filmaffiches – noem maar op. Geef mij eender welke afbeelding en ik kan erin verdwijnen. Trouwens interessant: als je in een schilderij of striptekening rondwandelt, dan stap je in een soort van nieuwe tijdzone. Het is te zeggen, alles duurt langer. Terwijl er zich in de werkelijkheid – de zogenaamd echte wereld – zeven dagen afspelen, gaat er gelijktijdig maar één dag voorbij in een strip. Dat heeft me enorm geholpen tijdens mijn studententijd. Het hele jaar voerde ik geen klop uit en als de examens er dan plots weer waren, stapte ik gewoon een schilderij binnen en studeerde daar mijn cursussen. Ik genoot volop van het studentenleven, en kwam toch goed voorbereid naar elk examen. Heerlijk was dat. Mijn favoriete studeerplekje was de bar in Nighthawks, van Edward Hopper: het is daar altijd lekker rustig, en die barman is een geweldig sympathieke kerel – hij heeft me destijds zelfs geholpen bij het schrijven van mijn thesis.
Maar die gave heeft nog voordelen, hoor. Zo ben ik altijd al enorm goedkoop op reis kunnen gaan. Vliegtickets kopen, een hotelkamer reserveren, verzekeringen in orde brengen – heb ik allemaal geen last van als ik er eens tussenuit wil. Neen, ik koop me gewoon een reisbrochure van mijn gewenste bestemming, sla het vodje open, zoek een foto van een vijfsterrenhotel, en stap erin. Zo simpel is het. Parijs, Londen, Rome, New York – ik heb ze allemaal gezien, de grote steden.
Ook heb ik Vincent Van Gogh en Pablo Picasso kunnen ontmoeten door in hun zelfportretten te stappen.
Een andere bezigheid die ik een tijdje heb volgehouden, was het opzoeken van oude krantenartikels over legendarische voetbalmatchen. Als er dan foto’s naast de verslagen stonden, sprong ik erin en kon op die manier de grote matchen van weleer helemaal herbeleven. Ik heb Pelé gezien, Cruijff, Maradonna – en ik heb de Rode Duivels zien winnen van Argentinië! En in diezelfde kranten ging ik ook op zoek naar recensies van historische en minder historische concerten. Vooral jazz. Trane, Miles, Monk, Mingus – ik heb ze allemaal kunnen zien in hun hoogdagen. Het grappige is wel dat je telkens een zwart-witte wereld binnenstapt omdat de foto’s in kwestie zwart-wit zijn. Daarom dat ik meestal een smoking aantrok vooraleer ik de krant opensloeg. Tijdens mijn eerste optreden in de Village Vanguard had ik namelijk een rood hemd aan; en wisten de andere (zwart-witte) concertgangers niet wat ze zagen.

De Zuivere Waarheid (2)

Een keer heb ik zelfs het geluk gehad Charlie Parker tegen te komen in de wc’s van Birdland. Ik had net doorgespoeld, verliet mijn hokje, en daar stond hij: naast de wasbakken, tegen de muur geleund, terwijl hij een sigaret opstak.
Hij moet mijn verbaasde blik meteen gezien hebben en leek zich te willen verontschuldigen. ‘Ik ben even naar hier gekomen omdat ik nergens anders op mijn gemak kan zitten. Overal willen ze wat van me... Soms wil een mens even met rust gelaten worden – begrijp je? Het geeft toch niet als ik rook hier?’
‘Euh, nee hoor, mij geen probleem. Ik was gewoon even mijn handen en dan ben ik toch weer weg.’
‘Bedankt.’
Toen viel er even een stilte. Ongelooflijk, ik stond daar met de enige echte Charlie Parker in dezelfde ruimte en ik zweeg. Ik zweeg. Terwijl mijn grote held daar een paar meter verder stond. Maar wat moest ik dan tegen hem zeggen? Dat zijn laatste plaat weer fantastisch was? Alsof hij dat zelf niet wist…
‘Je weet toch wel dat het gevaarlijk is?’ bracht ik uiteindelijk uit.
‘Wat?’
‘Roken.’
‘Hoezo?’
‘Je krijgt er kanker van. Longkanker.’
‘Wat? Meen je dat nu?’
Juist ja, vergeten, ik bevond me in de jaren dertig van de vorige eeuw, toen roken nog gezond was. Ondertussen keek Bird zijn sigaret achterdochtig aan en nam toch nog maar een trekje. Jezus, waar was ik mee bezig? Dan krijg ik de kans om met een jazzlegende te praten en begin ik over longkanker…
‘Nou ja, maakt niet uit.’
‘Pardon?’ zei ik , nog steeds half in gedachten verzonken.
‘Liever longkanker op mijn vijftigste dan dement op mijn tachtigste. Wat heb je aan je oude dag als je er toch niet meer van kan genieten? Ik wil geen levende plant worden, man. Ik wil swingend de pijp uitgaan. Weet je dat trouwens wel helemaal zeker?’
‘Nou, ik heb het eens ergens gelezen, in een of ander krantenartikel.’
Bird glimlachte, nam een laatste trekje, doofde zijn peuk en smeet die in de papiermand. ‘Ach ja, wat maakt het ook uit.’ Hij gaf me nog een vriendelijke hoofdknik en ging ervandoor. Terug uit de krant gestapt, ben ik onmiddellijk sigaretten gaan kopen. Achter jullie rug uiteraard.
Op mijn zeventiende deed ik ook de geweldige ontdekking dat ik andere mensen mee kon nemen door hun hand vast te houden op het moment dat ik in een foto of tekening stapte. En dat bleek de ideale manier om meisjes te verleiden. Natuurlijk kon je niet zo maar op eender wie in de trein afstappen en dan vertellen over je gave. Neen, dan bekijken ze je eens alsof je net uit een gekkenhuis bent weggelopen en gaan daarna ergens anders zitten. Geloof me, ik heb het destijds empirisch onderzocht en weet waarover ik praat... Datzelfde jaar ontdekte ik wel dat meisjes op feestjes en in cafés heel wat geduldiger zijn. De truc was te wachten tot iedereen al redelijk wat op had. Als je er dan eentje aansprak en over je gave begon te vertellen, geloofde ze je natuurlijk niet direct, maar ze liep tenminste niet meteen weg. Meestal keek ze je wat lacherig aan, alsof ze elk moment verwachtte dat er een verborgen camera tevoorschijn zou komen. Ze vond je wel amusant: een grappige jongen met iets te veel fantasie die haar aan het lachen kon brengen. En zo kwam er een gesprek op gang. Glimlachjes, tikjes op je schouder, lekker leuk allemaal. En jij maar vertellen over je unieke talent. Tot de vraag kwam.
‘OK, bewijs me dan maar wat je kan.’
En dat deed je dan. Een paar minuten later sprong ze enthousiast in je armen omdat je haar had meegenomen naar de Oscaruitreiking van twee avonden daarvoor. En dan had je weer een liefje voor een paar weken.
Het meisje uit die periode dat me altijd het meest zal bijblijven, is waarschijnlijk Sofie. Sofie ging op de een of andere manier nogal graag naar begrafenissen. Telkens we afspraken, had ze een nieuw stapeltje krantenknipsels bij: allemaal artikels over de begrafenissen van bekende figuren. Filmsterren, schilders, muzikanten, schrijvers – het maakte haar niet uit, als ze maar een lijkkist kon zien. We zijn naar de begrafenis van Grace Kelly geweest – zonder dat Sofie ook maar één van haar films had gezien – we waren bij de uitvaart van Picasso – zonder dat ze ook maar één van zijn schilderijen kon opnoemen – en we hebben de plechtigheid voor Sam Cooke bijgewoond – zonder dat ze ook maar één van zijn tekstregels mee kon lippen. Maar wel opzichtig huilen tijdens de ceremonie natuurlijk, tranen met tuiten, net een fontein in rouwkledij. Man, die kledij… ze zag er altijd op haar paasbest uit, en haar make-up was al even goed verzorgd. Tijdens het schoolbal in het zesde middelbaar had ze niet half zoveel moeite gestoken in haar outfit. Neen, het was alsof ze leefde voor die begrafenissen… Het spreekt natuurlijk voor zich dat ik het maar een zieke bedoening vond. Maar dumpen kon ik haar niet. Daar was ze veel en veel te mooi voor. Door gewoon al naar een foto van haar te kijken, kon ik mijn geluk niet op. Jezus, had je me voor het altaar gezet met haar pasfoto... ik had die pasfoto het jawoord gegeven. In voor- en tegenspoed. Amen. Uiteindelijk heeft het toch niet mogen zijn. Zij heeft mij gedumpt. En het ergste is: ze heeft mij gedumpt voor een man die ze op één van die begrafenissen heeft ontmoet...

De Zuivere Waarheid (3)

Maar goed, wanneer jullie dit lezen, zal ik al een paar dagen verdwenen zijn – en jullie vragen zich waarschijnlijk af waar ik me verscholen heb. Voorlopig wil ik daar niet te veel over kwijt, omdat ik schrik heb dat deze brief in verkeerde handen kan vallen. Ik heb me in een schilderij verstopt – meer info durf ik momenteel niet prijsgeven.
(Uit veiligheid heb ik een beroemd werk gekozen. Stel nu dat ik me in De Sterrennacht van Van Gogh heb verscholen en mijn vrees waarheid wordt: ik stap eruit en daar staan ze, de mannen van de politie, met geweren en alles. Dan heb ik één groot voordeel: ze kunnen me niet direct overhoop knallen, want ik sta voor een schilderij dat miljoenen waard is. Een kogel door het doek en er breekt een gigantisch schandaal los.)

Neen, ze mogen me sowieso niet te pakken krijgen, zelfs al kom ik er heelhuids vanaf. Natuurlijk, het is niet eens zeker of ik voor de rechtbank zal moeten verschijnen, want ik heb technisch gezien niet eens een bestaand mens vermoord – niemand die in het bevolkingsregister staat – maar een personage in een schilderij. Voorlopig staan er in het wetboek geen artikels over het vermoorden van schilderijbewoners en de straffen die daarop staan, maar ik wil het zekere voor het onzekere nemen en hoe dan ook op vrije voeten blijven. Wie weet, krijgen ze me daadwerkelijk voor de rechter en scheppen ze een precedent.
Net zoals ik er echt in geslaagd ben Mona Lisa te vermoorden. Al weet ik niet zeker of het nu moord was, misschien zou ik er in de rechtbank met onopzettelijke doodslag vanaf komen. Ik zal uitleggen hoe het allemaal is gebeurd. Een week of twee geleden kwam ik op het idee om dat vervloekte schilderij van Da Vinci binnen te stappen. Iedereen heeft het altijd over de enigmatische glimlach van Mona Lisa en ik wou eens zien of ze ook werkelijk zo’n enigmatische persoon is. Viel wel mee. Ik heb de indruk dat zij mij veel enigmatischer vond dan ik haar. Waarschijnlijk omdat ik met mijn eenentwintigste-eeuwse kledij redelijk uit de toon viel in die omgeving.
Tijdens onze eerste ontmoeting merkte ik dat het niet zo makkelijk is om het gesprek gaande te houden wanneer je met iemand uit de zestiende eeuw aan het praten bent. Dus begon ik maar over het weer.
‘Veel regen, hé, de laatste tijd?’
Wat geknik. ‘Ja, best wel.’
‘Maar volgens het weerbericht wordt het vanaf volgende week stukken beter.’
‘Weerbericht?’
‘Oh juist,’ mompelde ik, ‘de tv is nog niet uitgevonden… ’
‘De wat?’
En toen heb ik haar moeten uitleggen hoe de vork in de steel zat: waar en wanneer ik vandaan kwam. Waardoor ze natuurlijk nieuwsgierig werd en wou dat ik haar eens meenam naar de echte wereld, naar het heden. Wat ik ook gedaan heb: begin vorige week hebben we samen zitten wachten tot het Louvre zijn deuren sloot en daarna zijn we samen uit haar schilderij gestapt. In de dagen daarop heb ik haar een outfit bij elkaar gezocht waardoor ze incognito over straat kon lopen en vervolgens zijn we allerlei bezienswaardigheden in Parijs gaan bekijken. Een dag of vier geleden heb ik haar uiteindelijk terug meegenomen naar het Louvre. Ze wou het lege schilderij zien, haar lege huis, en de belangstelling die het trok. Je had haar moeten zien, onwennig in een modieuze zomerjurk, met een zonnebril op om zeker te zijn dat niemand haar zou herkennen. Zeker tien minuten heeft ze daar gestaan zonder een woord uit te brengen. En toen we later op de middag in een café vlakbij het museum wat koffie zaten te drinken, kon ze er nog steeds niet bij.
‘Dus ik kom uit dat schilderij? Daar woon ik zogezegd al mijn hele leven, in een schilderij, in een afbeelding van de werkelijkheid?’
‘Klopt.’
‘En ik beleef daar telkens dezelfde zeven dagen opnieuw en opnieuw, keer op keer? Al vijf eeuwen lang?’
‘Klopt.’
‘Dat is verschrikkelijk.’ Ze schudde het hoofd. ‘Gewoonweg verschrikkelijk.’
‘Nu ja, niet noodzakelijk, toch?’
Ze keek me vragend aan terwijl ze met haar lepel door de koffie roerde. ‘Hoezo?’
‘Voor sommige schilderijbewoners zou het misschien een enorme opluchting kunnen zijn als ze wisten dat ze zich niet in de werkelijkheid bevonden. Neem nu een arm gezin dat ooit is vereeuwigd op een of ander doek: voor hen kan het toch een troost zijn dat hun miserie en armoede niet echt zijn. Ik bedoel: hoe kan je nu ongelukkig zijn, als je niet eens bestaat?’
‘Denk jij dat? Denk jij dat werkelijk? Stel nu dat jij een schilderij binnenstapt waarop Sisyfus staat afgebeeld en jij hem vertelt dat hij maar een figuurtje op een doek is. Dat de situatie waarin hij zich bevindt, geen deel uitmaakt van de werkelijkheid, en dat zijn ellende dus volgens jou niet echt is… wat heeft hij daaraan? Want dat schilderij is zijn werkelijkheid. Hij leeft namelijk niet in jouw wereld, in de zogenaamde echte wereld. Hij leeft in dat schilderij en in dat schilderij alleen. Dat inzicht helpt hem dus niks vooruit, want hoewel hij nu weet dat zijn pijn niet echt is, voelt die pijn nog steeds behoorlijk echt aan. Allemaal mooie praatjes die je verkoopt, maar uiteindelijk ben je er in de praktijk niks mee. Of stel nu dat jij een personage in een kortverhaal bent, wat zou jij er dan aan hebben te weten dat je maar verzonnen bent? Je weet nu misschien dat er iets anders bestaat, de Werkelijkheid, maar die andere wereld blijft voor jou onbereikbaar. Dat kortverhaal is jouw werkelijkheid. Punt.’
‘En dan nog... de zeven dagen die jij telkens opnieuw beleeft, zijn toch mooi?’
‘Maar alles is toch voorgoed veranderd nu ik me bewust ben van de situatie? Het besef dat ik gedoemd ben om voor eeuwig en altijd rondjes te lopen, dat gaat me toch doen doordraaien?’
‘Denk ik niet. Als je straks weer terugkeert en je je leven in dat schilderij hervat, dan zal je je bewust zijn van de situatie tot de loop opnieuw begint. Daarna niet meer, dan begint die week weer opnieuw en ben jij alles vergeten wat je in de dagen ervoor hebt geleerd. Zoals altijd.’
‘Maar ik ben er me nu van bewust, en ik wil er iets aan doen! Weet je wat? Ik keer niet meer terug, ik blijf hier, in de echte wereld!’

De Zuivere Waarheid (4)

Daar had ik niet op gerekend. Tegenstribbelend zei ik haar dat ik niet wist of dat wel zo’n goed idee was.
‘Waarom niet?’
‘Zou een hele aanpassing zijn, volgens mij hoor je hier niet echt thuis.’
‘Nogmaals: waarom niet? Heb je geen zin om me te helpen misschien – is dat het? Maak je geen zorgen, ik red me wel zonder jou.’
‘Ja? Ben je daar zeker van? Hoe ga jij hier overleven dan? Hoe ga je aan eten geraken? Hoe ga je geld verdienen? In dit tijdperk sta je nergens zonder diploma. En geloof me, het onderwijs uit de eenentwintigste eeuw is behoorlijk anders dan het onderwijs uit jouw periode.’
‘Alsof ik niemand anders zal vinden die me gaat willen helpen… Ik ben Mona Lisa – weet je nog? Je hebt me zelf verteld hoe beroemd ik hier ben.’
‘Nou, wat ga je de mensen dan vertellen? Dat de geruchten kloppen en je daadwerkelijk uit dat schilderij bent gestapt? Succes ermee, maar ik denk dat je vooral op heel veel ongeloof gaat stuiten. De tijd van de sprookjes en het bijgeloof is voorbij. Dit is de eenentwintigste eeuw: mensen willen bewijs zien vooraleer ze iets geloven. Wetenschappelijk bewijs. En hoe ik in en jij uit dat doek bent geraakt, dat valt met geen wiskunde te verklaren. Kijk, mijn gave is redelijk uniek – snap je? Niet iedereen kan zomaar in en uit schilderijen uit de zestiende eeuw stappen. Sorry als dit nogal bot klinkt, maar er is geen hond die je zal geloven.’
‘Volgens mij vergeet jij één ding,’ beet ze terug, ‘mensen hebben ogen in hun kop. Laat ze naar een replica van Da Vinci’s origineel kijken, en daarna naar mij, en ze zullen toch zien dat ik Mona Lisa ben?’
‘Weet je wat ze zullen zeggen? Dat je op de Mona Lisa van Leonardo Da Vinci lijkt. Je moet jezelf eens in een spiegel bekijken; qua kleding ben je al helemaal aangepast aan deze eeuw, en je nieuwe kapsel is ook behoorlijk modieus. Dat je verre familie bent van de vrouw op dat schilderij, dat gaan ze wel geloven. Maar dat je dé Mona Lisa bent, dat is een ander verhaal. In onze cultuur ben jij namelijk een personage uit de kunstwereld, geen persoon van vlees en bloed. En zolang je het tegendeel niet wetenschappelijk kan bewijzen, sta je nergens.’
Maar denk je dat ze wou luisteren? Nee hoor, natuurlijk niet. Ze wou en zou per se hier blijven. En haar verhaal vertellen. Een potentiële nachtmerrie, want hoewel ik er vrij zeker van was dat niemand haar ooit zou geloven, wist ik even goed dat ze redelijk wat aandacht zou krijgen. De kranten zouden smullen van haar getuigenissen en overal op tv zou ze uitgenodigd worden om alle gebeurtenissen van de laatste twee weken uit de doeken te doen. En zo zou mijn naam dus ook vallen en ik ook in de spotlights komen te staan. En daar had ik geen zin in. Vandaar mijn plan: om op een avond, terwijl we ergens op een terrasje iets aan het drinken waren, te wachten tot ze even naar het toilet zou gaan, en dan een paar slaappilletjes in haar koffie of wijn te doen. Niet één slaappilletje, maar een paar, zodat ze in een diepe slaap zou wegzakken en de volgende vierentwintig uur niet meer wakker zou worden. Dan zou ik haar ergens midden in de nacht het Louvre proberen binnen te smokkelen en terug het schilderij in dragen. Maar goed, zo ver ben ik nooit geraakt. Toen ik een paar uur na onze avond op het terrasje haar kamer binnendrong om te kijken of de slaappillen werkten, deed ik een verschrikkelijke ontdekking: ze ademde niet meer. Blijkbaar heb ik haar een te grote dosis toegediend en moet ze aan een overdosis gestorven zijn, of misschien was haar zestiende-eeuwse lichaam nog niet klaar voor eenentwintigste-eeuwse pillen. Nu, ik weet niet wat er precies is gebeurd, maar ik had er duidelijk een boeltje van gemaakt. In een vlaag van paniek ben ik achtereenvolgens haar hotel, Parijs en Frankrijk uit gevlucht. En nu heb ik me dus verborgen in een beroemd schilderij, wachtend op wat er verder gaat gebeuren. Gaat de politie het lijk in die troosteloze hotelkamer in verband brengen met de verdwijning van Mona Lisa uit haar schilderij? Gaan ze de gelijkenis zien? Zullen ze getuigen vinden die mij op het terras in haar gezelschap hebben gezien? Als ik eerlijk ben, doe ik het haast in mijn broek van de schrik. Waarom kon ze niet gewoon naar me luisteren? Waarom wou ze niet gewoon terugkeren naar dat schilderij, waar ze thuishoort? Tenslotte deed ik het ook voor haar. In het begin zou iedereen haar wel grappig hebben gevonden, een leuk fait divers in het journaal van zeven uur – kijk papa, ze is weer op tv, die mevrouw die beweert dat ze Mona Lisa is – maar na verloop van tijd zouden de mensen haar wel beu geraakt zijn. En wat dan? Dan zou ze misschien in handen zijn gevallen van een psychiater die zijn kans zag om een nieuwe aandoening te ontdekken die hij kon vernoemen naar zichzelf. Terwijl het Mona Lisasyndroom dan eigenlijk een veel betere naam zou zijn: correcter en makkelijker te onthouden. En als die psychiater met haar klaar was... hopsakee naar het gekkenhuis natuurlijk. Was ze het dat wat ze wou? Het is toch beter om zeven fijne, zeven mooie dagen telkens opnieuw te moeten beleven, dan elke dag iets nieuws mee te maken in een instelling? Of zie ik dat dan zo mis?

Maar goed, ik heb jullie nu alles verteld en hopelijk geloven jullie me. We gaan elkaar alleszins een tijdje niet meer zien. Misschien wel nooit meer. Sorry dus. Duizendmaal sorry.

Jullie zoon,
Michel

avatar van Geralt of rivia
Ben bezig een boek te schrijven over het paranormale met info en de waarheden er achter geloof zelf sterk in dit soort dingen zijn er geintresserden op deze site voor een fragment . ik behandel
Waargebeurde zaken zoals het verhaal van de perron familie en ga proberen de feiten te achter halen
Bestaan entiteiten of verbeelden we ins die dingen maar

Gast
geplaatst: vandaag om 22:32 uur

geplaatst: vandaag om 22:32 uur

Let op: In verband met copyright is het op BoekMeter.nl niet toegestaan om de inhoud van externe websites over te nemen, ook niet met bronvermelding. Je mag natuurlijk wel een link naar een externe pagina plaatsen, samen met je eigen beschrijving of eventueel de eerste alinea van de tekst. Je krijgt deze waarschuwing omdat het er op lijkt dat je een lange tekst hebt geplakt in je bericht.

* denotes required fields.