De Site / Gebruikers / Schrijf zelf eens wat
zoeken in:
6
psyche (crew)
geplaatst: 22 januari, 17:39 uur
Dagkamer
De trein vertrekt uit het station, gaat harder rijden tot de wielen een gelijkmatige candans bereiken. In een hoek van een tweedeklascoupé toetst ze op een gedateerde inklapbare telefoon een nummer in, heel geconcentreerd kijkt ze naar een briefje op het tableau bij het raam. Het nummer stond op het bord voor een hotel. Ze is vijfendertig en heeft blosjes en sproetjes op haar wangen. Ze schuift haar rode krullen achter haar oren. “Hallo, ik vraag me af of ik bij jullie een dagkamer kan boeken voor volgende week maandag? Nee, ik wil niet de avond ervoor er al zijn, alleen voor maandag vanaf een uur of tien. Lunch of diner? Uuuhm, dat weet ik nog niet. Ik weet niet wat mijn afspraak wil. Mag ik dat maandag zeggen? Dankuwel. O, o.k., aanstaande maandag niet, over twee weken wel. Goed ja, als het maar op een maandag is. Ja, tot maandag over twee weken om tien uur dus. Doei.” Ze klapt de telefoon dicht en stopt het kleine toestel met ronde randen in het linnen tasje en bestudeert haar nagels. Zal ze ze over twee weken zondags lakken? Heeft ze nog wel nagellak? Straks even naar de HEMA.
Maandagochtend twee weken later heeft ze thuis uitgebreid alle hangertjes in haar kast heen en weer geschoven. Na lang wikken en wegen heeft ze voor een pastelgroene blouse uit de kringloop gekozen en erna wel tien keer voor de spiegel gestaan. Achterkant o.k. Zijkanten? Ze hoeft haar platte buik niet in te houden, de blouse valt soepel omlaag. Aan de voorkant ziet ze hoe de kleur op haar ogen lijkt, alleen zijn die wat donkerder. Ze borstelt haar haren en bekijkt haar nagels nog eens, gelakt lijken ze net wat langer. Ze heeft al twee weken niet gebeten. “Ja hoor, daar heb ik wel wat voor,” zei de vrouw bij de drogist. Ze pakte een wit-rood doosje en las hardop voor: “Nagelbijten en Duimzuigen.”
Hij hoeft dat niet te weten. Ze wil er alleen zo goed mogelijk uitzien, ze heeft al zo’n vervelend gevoel bij haar maag, net zoals vroeger wanneer ze op schoolreisje ging, of als ze bij de tandarts is. Eenmaal in het hotel kijkt ze nog een paar keer in de spiegel. Naar het bed dat best groot is. Zo’n groot bed heeft ze nog nooit gezien. Als hij de kamer maar goed vindt. Hun afspraak was totaal onverwacht. Ze begreep niet goed wat hij bedoelde met ‘neutrale plek”. Ze kijkt naar het bureautje. Naar de stoeltjes en het tafeltje. Ze schuift de stoeltjes iets dichter naar elkaar toe, het tafeltje iets naar voren en gaat zitten. Moet ze met haar benen naast elkaar zitten of kan ze ze beter over elkaar heen slaan? Terwijl ze afwisselend beide opties uitprobeert wordt er op de deur geklopt.
Hij is veel langer dan zij, zijn haren donker met grijs er doorheen. Zijn ogen zijn ook grijs en lijken net als zijn mond altijd te lachen. Boven zijn bovenlip en bij zijn kin ziet ze een schaduw van piepkleine stipjes. Hij kijkt vriendelijk. Eigenlijk is hij altijd vriendelijk maar waarom is ze nu dan zo zenuwachtig? “Ik wist niet zeker wat je bedoelde met neutrale plek, is dit goed?” Hij knikt, trekt zijn jas uit en legt hem op het bed. De hoed die hij draagt er bovenop. Het koffertje zet hij op het bureautje. Hij draagt anders nooit een hoed. Ze had hem ook nog nooit in een spijkerbroek en shirt gezien. Hij draagt altijd een pak als ze werken. “Zullen we eerst wat drinken?” vraagt hij en kiest een van de stoeltjes. Ze hoeft niet na te denken over hoe ze gaat zitten. Ze slaat haar benen over elkaar, net als hij. Hun voeten raken elkaar aan. Ze giechelt. “O, sorry. Ja, lekker. Ja, doe maar. Ik heb nog niets voor tussen de middag besteld. Wil jij?”
“We zien wel hoeveel tijd we nodig hebben vandaag.” Zijn voet tikt weer tegen de hare aan, hij lijkt het niet te merken. Het tandartsgevoel komt weer omhoog. Ze slikt. Ze wil zich niet meer zo voelen. Maar zonet, toen hij bij het bed stond en knikte dat de kamer goed was leek het of hij wat anders wilde zeggen.
Toen zijn koffiekopje en haar theeglas leeg waren ging hij staan. “Ben je er klaar voor?” Ze knikt, maar het tandartsgevoel is nu zo erg dat ze wel kan huilen. Ze ziet hoe hij zijn jas en hoed ophangt bij de kast naast de deur. De sloten van het koffertje klikken. Ze ziet hoe hij verschillende spullen op het bed neerlegt. “Jij mag kiezen… Waarmee wil je beginnen?”
Ze kijkt naar het leesboek, een notitieblok en pennen; een telefoon en een laptop zoals ze die op het werk ook hebben. Haar lip trilt. “Hoe wist je het? Hoe wist je het nou?” Hij gaat weer zitten. Schuift zijn stoel wat verder, zijn benen naast elkaar. Hij spreekt rustig en zacht en toch precies luid genoeg om hem te verstaan.
“Toen je over je leesbril begon, wist ik het bijna zeker. Je bent nog jong, Lotte, ik dacht hè, nu al? En de formulieren die je aan het eind van de dag moet invullen, toen ik een paar nog eens bij je neerlegde leek het alsof je ze niet las. De mails waarop je geen of alleen met enkele woorden antwoord gaf. Ik dacht ineens aan mijn buurman, hij heeft moeite met alles wat digitaal is, met het invullen van formulieren. Soms help ik hem. Ik dacht, ik vraag haar gewoon “Hoe is het om de formulieren in te vullen? Hoe is het om met de computer te werken?”
“Ik schaam me zo…”
“Dat is nergens voor nodig.”
“Ik wil het zo graag leren …”
“Ja. Zeg maar waarmee je wilt beginnen.”
(Bovenstaand verhaal is een oefening zoals enkele schrijvende dames en ik soms voor elkaar bedenken. Het gegeven van het telefoongesprek in het begin van dit verhaal – het informeren naar een dagkamer en tijd - hoorde één van de dames werkelijk in de trein, de rest is mijn uitwerking uit de losse pols. Wie volgt? Wie heeft een variatie op dit gegeven?).
De trein vertrekt uit het station, gaat harder rijden tot de wielen een gelijkmatige candans bereiken. In een hoek van een tweedeklascoupé toetst ze op een gedateerde inklapbare telefoon een nummer in, heel geconcentreerd kijkt ze naar een briefje op het tableau bij het raam. Het nummer stond op het bord voor een hotel. Ze is vijfendertig en heeft blosjes en sproetjes op haar wangen. Ze schuift haar rode krullen achter haar oren. “Hallo, ik vraag me af of ik bij jullie een dagkamer kan boeken voor volgende week maandag? Nee, ik wil niet de avond ervoor er al zijn, alleen voor maandag vanaf een uur of tien. Lunch of diner? Uuuhm, dat weet ik nog niet. Ik weet niet wat mijn afspraak wil. Mag ik dat maandag zeggen? Dankuwel. O, o.k., aanstaande maandag niet, over twee weken wel. Goed ja, als het maar op een maandag is. Ja, tot maandag over twee weken om tien uur dus. Doei.” Ze klapt de telefoon dicht en stopt het kleine toestel met ronde randen in het linnen tasje en bestudeert haar nagels. Zal ze ze over twee weken zondags lakken? Heeft ze nog wel nagellak? Straks even naar de HEMA.
Maandagochtend twee weken later heeft ze thuis uitgebreid alle hangertjes in haar kast heen en weer geschoven. Na lang wikken en wegen heeft ze voor een pastelgroene blouse uit de kringloop gekozen en erna wel tien keer voor de spiegel gestaan. Achterkant o.k. Zijkanten? Ze hoeft haar platte buik niet in te houden, de blouse valt soepel omlaag. Aan de voorkant ziet ze hoe de kleur op haar ogen lijkt, alleen zijn die wat donkerder. Ze borstelt haar haren en bekijkt haar nagels nog eens, gelakt lijken ze net wat langer. Ze heeft al twee weken niet gebeten. “Ja hoor, daar heb ik wel wat voor,” zei de vrouw bij de drogist. Ze pakte een wit-rood doosje en las hardop voor: “Nagelbijten en Duimzuigen.”
Hij hoeft dat niet te weten. Ze wil er alleen zo goed mogelijk uitzien, ze heeft al zo’n vervelend gevoel bij haar maag, net zoals vroeger wanneer ze op schoolreisje ging, of als ze bij de tandarts is. Eenmaal in het hotel kijkt ze nog een paar keer in de spiegel. Naar het bed dat best groot is. Zo’n groot bed heeft ze nog nooit gezien. Als hij de kamer maar goed vindt. Hun afspraak was totaal onverwacht. Ze begreep niet goed wat hij bedoelde met ‘neutrale plek”. Ze kijkt naar het bureautje. Naar de stoeltjes en het tafeltje. Ze schuift de stoeltjes iets dichter naar elkaar toe, het tafeltje iets naar voren en gaat zitten. Moet ze met haar benen naast elkaar zitten of kan ze ze beter over elkaar heen slaan? Terwijl ze afwisselend beide opties uitprobeert wordt er op de deur geklopt.
Hij is veel langer dan zij, zijn haren donker met grijs er doorheen. Zijn ogen zijn ook grijs en lijken net als zijn mond altijd te lachen. Boven zijn bovenlip en bij zijn kin ziet ze een schaduw van piepkleine stipjes. Hij kijkt vriendelijk. Eigenlijk is hij altijd vriendelijk maar waarom is ze nu dan zo zenuwachtig? “Ik wist niet zeker wat je bedoelde met neutrale plek, is dit goed?” Hij knikt, trekt zijn jas uit en legt hem op het bed. De hoed die hij draagt er bovenop. Het koffertje zet hij op het bureautje. Hij draagt anders nooit een hoed. Ze had hem ook nog nooit in een spijkerbroek en shirt gezien. Hij draagt altijd een pak als ze werken. “Zullen we eerst wat drinken?” vraagt hij en kiest een van de stoeltjes. Ze hoeft niet na te denken over hoe ze gaat zitten. Ze slaat haar benen over elkaar, net als hij. Hun voeten raken elkaar aan. Ze giechelt. “O, sorry. Ja, lekker. Ja, doe maar. Ik heb nog niets voor tussen de middag besteld. Wil jij?”
“We zien wel hoeveel tijd we nodig hebben vandaag.” Zijn voet tikt weer tegen de hare aan, hij lijkt het niet te merken. Het tandartsgevoel komt weer omhoog. Ze slikt. Ze wil zich niet meer zo voelen. Maar zonet, toen hij bij het bed stond en knikte dat de kamer goed was leek het of hij wat anders wilde zeggen.
Toen zijn koffiekopje en haar theeglas leeg waren ging hij staan. “Ben je er klaar voor?” Ze knikt, maar het tandartsgevoel is nu zo erg dat ze wel kan huilen. Ze ziet hoe hij zijn jas en hoed ophangt bij de kast naast de deur. De sloten van het koffertje klikken. Ze ziet hoe hij verschillende spullen op het bed neerlegt. “Jij mag kiezen… Waarmee wil je beginnen?”
Ze kijkt naar het leesboek, een notitieblok en pennen; een telefoon en een laptop zoals ze die op het werk ook hebben. Haar lip trilt. “Hoe wist je het? Hoe wist je het nou?” Hij gaat weer zitten. Schuift zijn stoel wat verder, zijn benen naast elkaar. Hij spreekt rustig en zacht en toch precies luid genoeg om hem te verstaan.
“Toen je over je leesbril begon, wist ik het bijna zeker. Je bent nog jong, Lotte, ik dacht hè, nu al? En de formulieren die je aan het eind van de dag moet invullen, toen ik een paar nog eens bij je neerlegde leek het alsof je ze niet las. De mails waarop je geen of alleen met enkele woorden antwoord gaf. Ik dacht ineens aan mijn buurman, hij heeft moeite met alles wat digitaal is, met het invullen van formulieren. Soms help ik hem. Ik dacht, ik vraag haar gewoon “Hoe is het om de formulieren in te vullen? Hoe is het om met de computer te werken?”
“Ik schaam me zo…”
“Dat is nergens voor nodig.”
“Ik wil het zo graag leren …”
“Ja. Zeg maar waarmee je wilt beginnen.”
(Bovenstaand verhaal is een oefening zoals enkele schrijvende dames en ik soms voor elkaar bedenken. Het gegeven van het telefoongesprek in het begin van dit verhaal – het informeren naar een dagkamer en tijd - hoorde één van de dames werkelijk in de trein, de rest is mijn uitwerking uit de losse pols. Wie volgt? Wie heeft een variatie op dit gegeven?).
5
geplaatst: 23 januari, 15:23 uur
Niet alleen willen zijn met mijn gedachten. Drank verdooft. Het mobieltje verstrooit. Sociale media een slap substituut voor menselijke warmte. Twitter kwettert door mijn geest met absurditeit, kijf en harde grappen. Facebook voelt als een veilige koestering in een eeuwige roep om bevestiging. Instagram is hersenloos scrollen langs mooi of schattig. Gemakkelijk en zonder risico verdwijnen in een veilige cocon.
Maar met mijn veranderende lichaam wil ik ook mijn onrustige geest aanpakken. Niet offline verdwijnen door continu online te zijn. Meer betekenisvolle contacten met nieuwe mensen. Erop uitgaan in plaats van blijven hangen in het bekende. Risico's nemen. Meer boeken lezen in plaats van inwisselbare meningen hebben over alles en niets. Meer tijd met mezelf en me niet meer vastbijten in digitale gokmachines die het leven eerder in de weg staan dan verrijken.
Laat 2023 het jaar zijn dat ik een volgende verslaving achter me laat. Ik heb al bewezen dat ik die kracht in mezelf kan vinden. Geluk is in het hier en nu te vinden. Offline.
Maar met mijn veranderende lichaam wil ik ook mijn onrustige geest aanpakken. Niet offline verdwijnen door continu online te zijn. Meer betekenisvolle contacten met nieuwe mensen. Erop uitgaan in plaats van blijven hangen in het bekende. Risico's nemen. Meer boeken lezen in plaats van inwisselbare meningen hebben over alles en niets. Meer tijd met mezelf en me niet meer vastbijten in digitale gokmachines die het leven eerder in de weg staan dan verrijken.
Laat 2023 het jaar zijn dat ik een volgende verslaving achter me laat. Ik heb al bewezen dat ik die kracht in mezelf kan vinden. Geluk is in het hier en nu te vinden. Offline.
2
geplaatst: 23 januari, 19:11 uur
Donkerwoud schreef:
Geluk is in het hier en nu te vinden. Offline.
Geluk is in het hier en nu te vinden. Offline.
En op Boekmeter.
2
geplaatst: 5 maart, 12:44 uur
Strade Bianche 2023 - Een wat abstracte nabeschouwing van een wielerwedstrijd:
Voor de aardigheid ben ik er op gaan letten. Het viel me op dat de spanning nog in mijn lijf zat. Dat mijn hartslag op een iets hoger niveau was komen te liggen. Niet alleen ten tijde van het hele gebeuren, maar ook nadien nog even. Nou ja, even… Na met een schuin oog de klok wat in de gaten te hebben gehouden stelde ik vast dat je een kilo aardappelen had kunnen schillen én koken in de tijd die ik nodig had weer tot bedaren te komen.
Een wielerwedstrijd. Meer was het niet. Zo’n anderhalf uur ervan tenminste; het eerste deel werd niet interessant genoeg bevonden om aan de luie bankhanger te vertonen. Bij dat wat wel vertoond werd ontsproot interesse al gauw als vanzelf in een ongekende fixatie. Het fascinerende zat met name in het wonderlijke contrast tussen het oogstrelende, rustieke landschap enerzijds en de anderzijds zeldzaam zinderende strijd tussen enkele uitermate gedreven topsporters die ieder hun voorwiel als eerst de finale millimeter van het uitgetekende parcours wilden laten voorbijsteken.
Vol overtuiging en met voorbedachte rade werden diverse trekpleisters en hoogtepunten van het rondom aanwezige natuurschoon in beeld gebracht door de regisseur van dienst, maar nooit was de neiging zo groot de Toscaanse landerijen te negeren en uitsluitend de aandacht te vestigen op een aantal niet bepaald geruisloze fietsers die met een haast respectloze snelheid het zonovergoten geheuvelte doorkruisten. Een losgebroken paard, dat het nodig achtte zich te mengen in het voortdenderende geweld, bracht als vertegenwoordiger van de omgeving een effect teweeg dat averechts werkte en maakte alles dat buiten de grind- en asfaltwegen plaatsvond des te meer tot een oninteressant gebeuren.
De tijdsverschillen tussen de verschillende groepjes en/of eenlingen maakten dat de neiging zo nu en dan groot was de ene na de andere voorbarige conclusie te trekken over het al dan niet voorspelbare of onontkoombare verloop van de wedstrijd. Waar degene die eenzaam voorop reed onverstoord een onveranderlijk ritme te pakken had, was in de achtervolging de ene na de andere tempowisseling merkbaar en werd na een vluchtige versnelling het momentum binnen de kortste keren verstoord of verloren.
Dat de wielen ronddraaien dient door eenieder al sinds jaar en dag zelf te worden gerealiseerd, maar wie niet alleen is mag zich af en toe gelukkig prijzen met het feit dat achter andermans rug de wind minder tot last is en dat men niet in de kaarten kan kijken van iemand die het tempo door een ander laat bepalen. Zij die dezelfde sponsor en gelijke doelen hebben, kunnen zich echter niet permitteren te wachten tot de voorligger een langzamere tred begint te krijgen of een willekeurig iemand hen uit de wind zal houden. Van hen wordt een samenwerking verwacht zolang er niemand voor hen rijdt dat hetzelfde kamp vertegenwoordigd als zijzelf.
Niet bij alles in het leven wordt een slotfase merkbaar aangevangen maar bij meetbare bezigheden raakt een eind langzaamaan meer en meer in zicht. Wie kilometers lang tegen een achterstand heeft moeten aankijken maar voelt dat het verschil aan een forse krimp onderhevig is, krijgt vertrouwen dat het mogelijk is de op zichzelf aangewezen voorganger te achterhalen en voorbij te stevenen, zeker als het loont daarbij vol overgave te werk te gaan en er, op een enkele ploeggenoot na, geen ander in de buurt is die al profiterend in het kielzog meeglipt.
De onbeantwoorde vraag waarmee Boudewijn de Groot een van zijn bekendste hits aanvangt, doemt meer dan eens op tijdens een seizoen vol wielerwedstrijden. De eenzame fietser die zich kromgebogen over het stuur, dan wel staand op de pedalen, een weg poogt te banen door de wind of richting de top van een heuvel, is de ene maal sterker dan de andere. Nog wat complexer wordt het doordat de sterkte afneemt naarmate de tijd en duur van de inspanning vorderen, waarbij slechts het mentale aspect nog enig invloed kan uitoefenen, in de vorm van enige compensatie of volledige ineenstorting.
Soms is er gewoon pech voor de een, geluk voor de ander. Een niet te verwaarlozen deel ervan kan weliswaar worden afgedwongen, maar een achtervolger blijft altijd afhankelijk van de kundigheid en prestatie van de voorganger en vanuit diens perspectief geldt dezelfde afhankelijkheid van de verrichtingen van degenen die van achteren naderen. Even belangrijk is daarbij de samenhang tussen tijd en afstand, die vanzelfsprekend definiëren in welke rangorde de prestaties van de dag voor de eeuwigheid worden vastgelegd.
Een gat dat gedicht wordt geeft natuurlijkerwijs een bepaalde voldoening. Een ontstane oneffenheid is van de baan en de situatie is weer als nieuw. Wie echter baat heeft bij dit gat en al gravend merkt hoe het gat waaraan zo hard gewerkt is met evenveel overgave van twee kanten weer wordt aangevuld, blijft verslagen achter zodra het gedichte gat opbolt en de twee dwarsliggers een ander gat hebben doen ontstaan.
Wanneer een gezamenlijk doel bereikt is, persoonlijke doelen een gelijke status hebben en je als duo niets te verliezen hebt, is de kansverdeling zo eerlijk als die zijn kan. De een kan dan enkel nog van buitenaf meer gehinderd of benadeeld worden dan de ander, maar is in principe aan diegene gelijk als het aankomt op de uitgangspunten voor het definitieve verdict dat in het verschiet ligt.
Zolang het kwartje niet steeds dezelfde kant opvalt, moet het hebben van een gelijkwaardige partner een aangename ervaring zijn. Zeker als met die samenwerking een grotere hoeveelheid kwartjes kan worden verzameld dan met het vergeven van een bevoorrechte positie of een individualistischere werkwijze. Vele handen maken licht werk, maar vele kwartjes maken dit werk de moeite waard. Vooral als deze niet worden weggegeven maar volgen als loon na werken en eerlijk worden verdiend.
Strade Bianche 2023 - lucaszondergja.blogspot.com
Voor de aardigheid ben ik er op gaan letten. Het viel me op dat de spanning nog in mijn lijf zat. Dat mijn hartslag op een iets hoger niveau was komen te liggen. Niet alleen ten tijde van het hele gebeuren, maar ook nadien nog even. Nou ja, even… Na met een schuin oog de klok wat in de gaten te hebben gehouden stelde ik vast dat je een kilo aardappelen had kunnen schillen én koken in de tijd die ik nodig had weer tot bedaren te komen.
Een wielerwedstrijd. Meer was het niet. Zo’n anderhalf uur ervan tenminste; het eerste deel werd niet interessant genoeg bevonden om aan de luie bankhanger te vertonen. Bij dat wat wel vertoond werd ontsproot interesse al gauw als vanzelf in een ongekende fixatie. Het fascinerende zat met name in het wonderlijke contrast tussen het oogstrelende, rustieke landschap enerzijds en de anderzijds zeldzaam zinderende strijd tussen enkele uitermate gedreven topsporters die ieder hun voorwiel als eerst de finale millimeter van het uitgetekende parcours wilden laten voorbijsteken.
Vol overtuiging en met voorbedachte rade werden diverse trekpleisters en hoogtepunten van het rondom aanwezige natuurschoon in beeld gebracht door de regisseur van dienst, maar nooit was de neiging zo groot de Toscaanse landerijen te negeren en uitsluitend de aandacht te vestigen op een aantal niet bepaald geruisloze fietsers die met een haast respectloze snelheid het zonovergoten geheuvelte doorkruisten. Een losgebroken paard, dat het nodig achtte zich te mengen in het voortdenderende geweld, bracht als vertegenwoordiger van de omgeving een effect teweeg dat averechts werkte en maakte alles dat buiten de grind- en asfaltwegen plaatsvond des te meer tot een oninteressant gebeuren.
De tijdsverschillen tussen de verschillende groepjes en/of eenlingen maakten dat de neiging zo nu en dan groot was de ene na de andere voorbarige conclusie te trekken over het al dan niet voorspelbare of onontkoombare verloop van de wedstrijd. Waar degene die eenzaam voorop reed onverstoord een onveranderlijk ritme te pakken had, was in de achtervolging de ene na de andere tempowisseling merkbaar en werd na een vluchtige versnelling het momentum binnen de kortste keren verstoord of verloren.
Dat de wielen ronddraaien dient door eenieder al sinds jaar en dag zelf te worden gerealiseerd, maar wie niet alleen is mag zich af en toe gelukkig prijzen met het feit dat achter andermans rug de wind minder tot last is en dat men niet in de kaarten kan kijken van iemand die het tempo door een ander laat bepalen. Zij die dezelfde sponsor en gelijke doelen hebben, kunnen zich echter niet permitteren te wachten tot de voorligger een langzamere tred begint te krijgen of een willekeurig iemand hen uit de wind zal houden. Van hen wordt een samenwerking verwacht zolang er niemand voor hen rijdt dat hetzelfde kamp vertegenwoordigd als zijzelf.
Niet bij alles in het leven wordt een slotfase merkbaar aangevangen maar bij meetbare bezigheden raakt een eind langzaamaan meer en meer in zicht. Wie kilometers lang tegen een achterstand heeft moeten aankijken maar voelt dat het verschil aan een forse krimp onderhevig is, krijgt vertrouwen dat het mogelijk is de op zichzelf aangewezen voorganger te achterhalen en voorbij te stevenen, zeker als het loont daarbij vol overgave te werk te gaan en er, op een enkele ploeggenoot na, geen ander in de buurt is die al profiterend in het kielzog meeglipt.
De onbeantwoorde vraag waarmee Boudewijn de Groot een van zijn bekendste hits aanvangt, doemt meer dan eens op tijdens een seizoen vol wielerwedstrijden. De eenzame fietser die zich kromgebogen over het stuur, dan wel staand op de pedalen, een weg poogt te banen door de wind of richting de top van een heuvel, is de ene maal sterker dan de andere. Nog wat complexer wordt het doordat de sterkte afneemt naarmate de tijd en duur van de inspanning vorderen, waarbij slechts het mentale aspect nog enig invloed kan uitoefenen, in de vorm van enige compensatie of volledige ineenstorting.
Soms is er gewoon pech voor de een, geluk voor de ander. Een niet te verwaarlozen deel ervan kan weliswaar worden afgedwongen, maar een achtervolger blijft altijd afhankelijk van de kundigheid en prestatie van de voorganger en vanuit diens perspectief geldt dezelfde afhankelijkheid van de verrichtingen van degenen die van achteren naderen. Even belangrijk is daarbij de samenhang tussen tijd en afstand, die vanzelfsprekend definiëren in welke rangorde de prestaties van de dag voor de eeuwigheid worden vastgelegd.
Een gat dat gedicht wordt geeft natuurlijkerwijs een bepaalde voldoening. Een ontstane oneffenheid is van de baan en de situatie is weer als nieuw. Wie echter baat heeft bij dit gat en al gravend merkt hoe het gat waaraan zo hard gewerkt is met evenveel overgave van twee kanten weer wordt aangevuld, blijft verslagen achter zodra het gedichte gat opbolt en de twee dwarsliggers een ander gat hebben doen ontstaan.
Wanneer een gezamenlijk doel bereikt is, persoonlijke doelen een gelijke status hebben en je als duo niets te verliezen hebt, is de kansverdeling zo eerlijk als die zijn kan. De een kan dan enkel nog van buitenaf meer gehinderd of benadeeld worden dan de ander, maar is in principe aan diegene gelijk als het aankomt op de uitgangspunten voor het definitieve verdict dat in het verschiet ligt.
Zolang het kwartje niet steeds dezelfde kant opvalt, moet het hebben van een gelijkwaardige partner een aangename ervaring zijn. Zeker als met die samenwerking een grotere hoeveelheid kwartjes kan worden verzameld dan met het vergeven van een bevoorrechte positie of een individualistischere werkwijze. Vele handen maken licht werk, maar vele kwartjes maken dit werk de moeite waard. Vooral als deze niet worden weggegeven maar volgen als loon na werken en eerlijk worden verdiend.
Strade Bianche 2023 - lucaszondergja.blogspot.com
2
geplaatst: 8 maart, 17:01 uur
Verwarde mensen
Ze willen hem niet horen. Forenzen haasten zich op maandagochtend naar hun trein om bijtijds op kantoor te geraken. Studenten dralen katerig rond om ‘fashionably late’ nog in hun collegebanken neer te zakken. Ouders pakken hun kinderen beschermend vast om hen te behoeden voor deze intimiderende figuur. Allemaal stappen ze in Den Haag Centraal uit de tram als hij plotsklaps opduikt als een duveltje uit een doosje. Met bloeddoorlopen ogen en een verbeten blik rond zijn lippen krijst hij ‘ik zal jullie allemaal in je reet neuken!’ naar passanten. Ze weten niet gauw hoe snel ze van hem weg moeten komen als ze in groepjes langs hem heen proberen te komen. Niet te dichtbij komen. Geen oogcontact zoeken. Niks meer of minder dan zo’n verwarde man waar de kranten vol mee staan. Opnieuw buldert hij ‘Ik zal jullie allemaal in je reet neuken!’ naar de mensenzee die hem kunstig probeert te vermijden.
En toch heb ik ’t met hem te doen als ik, als één van de laatste tramreizigers, het bijzondere tafereel van een afstandje heb kunnen aanschouwen. Veilig achter glas, zonder oordelen. Misschien steekt er achter zijn woede of waanzin een oprecht verlangen om contact te leggen met die anderen? Erkenning dat hij mag bestaan, ook al weet hij zelf misschien niet waar hij vandaan komt of waar hij moet zijn. Een vonkje menselijke interactie in een leven waar anderen hem niet kunnen of willen begrijpen.
Ik stap uit en hoor hem voor een derde maal ‘Ik zal jullie allemaal in je reet neuken!’ roepen. Licht-geamuseerd kijk ik hem recht in de ogen als ik hem erop aanspreek: ‘Dat is ook niet vriendelijk. Waarom zou je mij nou in mijn reet willen neuken!?’ Zichtbaar geschrokken door deze plotselinge weerspraak, stamelt hij terug: ‘Mijn excuses, meneer. Ik heb het tegen anderen, niet tegen u.’ We wensen elkaar alsnog een fijne ochtend.
Op de roltrap naar beneden hoor ik hem nog altijd ‘Ik zal jullie allemaal in je reet neuken!’ bulderen naar een nieuwe lading trampassagiers. Met een glimlach denk ik terug aan onze beleefde uitwisseling. Voor even twee mensen die het niet nodig hebben om contact te leggen middels obsceniteiten. Gewoon door oog te hebben voor elkaars aanwezigheid.
Ze willen hem niet horen. Forenzen haasten zich op maandagochtend naar hun trein om bijtijds op kantoor te geraken. Studenten dralen katerig rond om ‘fashionably late’ nog in hun collegebanken neer te zakken. Ouders pakken hun kinderen beschermend vast om hen te behoeden voor deze intimiderende figuur. Allemaal stappen ze in Den Haag Centraal uit de tram als hij plotsklaps opduikt als een duveltje uit een doosje. Met bloeddoorlopen ogen en een verbeten blik rond zijn lippen krijst hij ‘ik zal jullie allemaal in je reet neuken!’ naar passanten. Ze weten niet gauw hoe snel ze van hem weg moeten komen als ze in groepjes langs hem heen proberen te komen. Niet te dichtbij komen. Geen oogcontact zoeken. Niks meer of minder dan zo’n verwarde man waar de kranten vol mee staan. Opnieuw buldert hij ‘Ik zal jullie allemaal in je reet neuken!’ naar de mensenzee die hem kunstig probeert te vermijden.
En toch heb ik ’t met hem te doen als ik, als één van de laatste tramreizigers, het bijzondere tafereel van een afstandje heb kunnen aanschouwen. Veilig achter glas, zonder oordelen. Misschien steekt er achter zijn woede of waanzin een oprecht verlangen om contact te leggen met die anderen? Erkenning dat hij mag bestaan, ook al weet hij zelf misschien niet waar hij vandaan komt of waar hij moet zijn. Een vonkje menselijke interactie in een leven waar anderen hem niet kunnen of willen begrijpen.
Ik stap uit en hoor hem voor een derde maal ‘Ik zal jullie allemaal in je reet neuken!’ roepen. Licht-geamuseerd kijk ik hem recht in de ogen als ik hem erop aanspreek: ‘Dat is ook niet vriendelijk. Waarom zou je mij nou in mijn reet willen neuken!?’ Zichtbaar geschrokken door deze plotselinge weerspraak, stamelt hij terug: ‘Mijn excuses, meneer. Ik heb het tegen anderen, niet tegen u.’ We wensen elkaar alsnog een fijne ochtend.
Op de roltrap naar beneden hoor ik hem nog altijd ‘Ik zal jullie allemaal in je reet neuken!’ bulderen naar een nieuwe lading trampassagiers. Met een glimlach denk ik terug aan onze beleefde uitwisseling. Voor even twee mensen die het niet nodig hebben om contact te leggen middels obsceniteiten. Gewoon door oog te hebben voor elkaars aanwezigheid.
1
geplaatst: 12 maart, 11:55 uur
Eigenzinnigheid
Anders zijn dan anderen hoort er best wel een beetje bij tegenwoordig. Wij anderen zijn inmiddels dan ook al met velen. We zijn bovendien allemaal lekker anders op onze eigen manier. Liever nog noemen we onszelf uniek trouwens, want er is altijd wel een bijzonder punt waarop we ons weten te onderscheiden van de ander. Toch wordt in die overbodige trots op het menszijn best vaak overdreven. Een opmerkelijk groot deel van ons doet namelijk gewoon normaal zodra dat even uitkomt en valt nauwelijks uit de toon in een menigte. En als we goed nagaan is daar maar weinig mis mee.
Echt onontkoombaar anders zijn dan anderen, bijvoorbeeld door ontbrekende eigenschappen die als beperkingen worden neergezet, of misschien door een ongegeneerde tegendraadse blik op de wereld, is vaak meer een lot dan een keuze. Niet per se een noodlot natuurlijk, maar ook lang niet altijd een lot dat enkel leidt tot vreugde en succes. Wie zich met negen van de tien mensen die hij tegenkomt kan identificeren heeft niet half in de gaten hoe genoegzaam die herkenbaarheid kan zijn, waar een onvrijwillige zonderling die verstandhouding met gepaste jaloezie kan aanzien.
Rebellie is niet toevallig een benaming die gebruikt wordt voor een minderheid. Een persoon die ogenschijnlijk schijt heeft aan de wereld, behoort voor het gevoel simpelweg niet zo thuis in die wereld als het merendeel dat zich erin bevindt en doet welbewust geen moeite dit feit te verhullen. Het is zo vreemd nog niet dat zo nu en dan wat wrijving ontstaat tussen buitengeslotenen en degenen die hen, bewust of niet, buitensluiten, want wie buiten de boot valt en niet het idee krijgt terug de boot in te worden geholpen is logischerwijs gefrustreerd of tenminste verbaasd.
Nu zal het streven van de eigenzinnige eenling niet gauw een speciale behandeling of benadering zijn. Juist bij degene die voelt onveranderbaar te verschillen van de medemens is er eerder de wens gewoon in de normaliteit van de mensenmassa te worden opgenomen en te ontkomen aan doortastende blikken van ongewenste onderscheiding. Het is het soms voelbare onbegrip waarmee men wordt benaderd dat kan doen hopen dat daar een einde aan mag komen.
Aan de andere kant van het spectrum der verstandhoudingsbeleving is er natuurlijk de minderheidsgroepering die, wars van objectieve zelfreflectie, neerkijkt op de doorsnee medemens, omdat die met geen mogelijkheid aan diens ridicule maatstaven kan voldoen. Dat is geenszins een groepering die beter af is, gezien het dedain dat hun typeert afbreuk doet aan de gepaste trots die in hun geval allicht gerechtvaardigd is puur op basis van die aspecten die hen doen verschillen van die allesbehalve minderwaardige ander.
Een oproep tot verbroedering kan stilletjes aan de kant worden geschoven wanneer deze een theoretische en droge toon krijgt of heeft, maar er gaat een bepaalde kracht uit van verhalen en metaforen die met andere middelen nauwelijks kan worden benaderd. Het leren kennen van een buitenbeentje draagt bij aan het begrip dat er voor hem of haar kan zijn, maar de constatering dat deze kennismaking nodig is voor het hebben van respect is tegelijkertijd betreurenswaardig, want als er één menselijke eigenschap de wereld uit zou moeten worden geholpen is het wel die ergerlijke neiging onbekend tot onbemind te bestempelen.
Willi Carlisle - Tulsa's Last Magician | YouTube
Anders zijn dan anderen hoort er best wel een beetje bij tegenwoordig. Wij anderen zijn inmiddels dan ook al met velen. We zijn bovendien allemaal lekker anders op onze eigen manier. Liever nog noemen we onszelf uniek trouwens, want er is altijd wel een bijzonder punt waarop we ons weten te onderscheiden van de ander. Toch wordt in die overbodige trots op het menszijn best vaak overdreven. Een opmerkelijk groot deel van ons doet namelijk gewoon normaal zodra dat even uitkomt en valt nauwelijks uit de toon in een menigte. En als we goed nagaan is daar maar weinig mis mee.
Echt onontkoombaar anders zijn dan anderen, bijvoorbeeld door ontbrekende eigenschappen die als beperkingen worden neergezet, of misschien door een ongegeneerde tegendraadse blik op de wereld, is vaak meer een lot dan een keuze. Niet per se een noodlot natuurlijk, maar ook lang niet altijd een lot dat enkel leidt tot vreugde en succes. Wie zich met negen van de tien mensen die hij tegenkomt kan identificeren heeft niet half in de gaten hoe genoegzaam die herkenbaarheid kan zijn, waar een onvrijwillige zonderling die verstandhouding met gepaste jaloezie kan aanzien.
Rebellie is niet toevallig een benaming die gebruikt wordt voor een minderheid. Een persoon die ogenschijnlijk schijt heeft aan de wereld, behoort voor het gevoel simpelweg niet zo thuis in die wereld als het merendeel dat zich erin bevindt en doet welbewust geen moeite dit feit te verhullen. Het is zo vreemd nog niet dat zo nu en dan wat wrijving ontstaat tussen buitengeslotenen en degenen die hen, bewust of niet, buitensluiten, want wie buiten de boot valt en niet het idee krijgt terug de boot in te worden geholpen is logischerwijs gefrustreerd of tenminste verbaasd.
Nu zal het streven van de eigenzinnige eenling niet gauw een speciale behandeling of benadering zijn. Juist bij degene die voelt onveranderbaar te verschillen van de medemens is er eerder de wens gewoon in de normaliteit van de mensenmassa te worden opgenomen en te ontkomen aan doortastende blikken van ongewenste onderscheiding. Het is het soms voelbare onbegrip waarmee men wordt benaderd dat kan doen hopen dat daar een einde aan mag komen.
Aan de andere kant van het spectrum der verstandhoudingsbeleving is er natuurlijk de minderheidsgroepering die, wars van objectieve zelfreflectie, neerkijkt op de doorsnee medemens, omdat die met geen mogelijkheid aan diens ridicule maatstaven kan voldoen. Dat is geenszins een groepering die beter af is, gezien het dedain dat hun typeert afbreuk doet aan de gepaste trots die in hun geval allicht gerechtvaardigd is puur op basis van die aspecten die hen doen verschillen van die allesbehalve minderwaardige ander.
Een oproep tot verbroedering kan stilletjes aan de kant worden geschoven wanneer deze een theoretische en droge toon krijgt of heeft, maar er gaat een bepaalde kracht uit van verhalen en metaforen die met andere middelen nauwelijks kan worden benaderd. Het leren kennen van een buitenbeentje draagt bij aan het begrip dat er voor hem of haar kan zijn, maar de constatering dat deze kennismaking nodig is voor het hebben van respect is tegelijkertijd betreurenswaardig, want als er één menselijke eigenschap de wereld uit zou moeten worden geholpen is het wel die ergerlijke neiging onbekend tot onbemind te bestempelen.
Willi Carlisle - Tulsa's Last Magician | YouTube
1
geplaatst: gisteren om 15:15 uur
Het lot kent geen moraal of symboliek. Tijdens het boodschappen doen zit ik te wachten tot mijn moeder uit de ACTION komt. Geen zin in een overweldigende hoeveelheid goedkope zooi die je eigenlijk niet nodig hebt, maar louter wil aanschaffen uit een oerbehoefte om te bezitten. Lichtelijk verveeld zak ik neer op een regenboogbankje, waar ik 't goed kan zien als mijn moeder naar buiten komt. Opeens hoor ik 'floetssssjjj' en zie ik een wittige substantie ter aarde storten. Vogelpoep van een zeemeeuw. Ik denk bij mezelf: 'Dat onheil is me bespaard gebleven. Zou het God's straf zijn als het raak was geweest? Omdat ik uitgerekend hier moest gaan zitten.' Grinnikend denk ik dat veel mensen dat werkelijk zouden geloven.
Niet veel later hoor ik wat rumoer naast mij. Er heeft zich een groepje mensen verzameld rond een oudere heer. Een paniekerige en geschrokken sfeer. De omstanders begeleiden hem naar het regenboogbankje waar ik zit. Ik begrijp 't niet helemaal, maar schuif mijn eigen spullen opzij om ruimte te maken voor meneer. Hij gaat naast mij zitten met zijn vrouw. Een jongeman zet zijn boodschappentas tussen ons in en snelt terug de Jumbo in. Uit de nerveuze woorden van een omstander maak ik op dat de oudere man net op een nare manier is gevallen. Nu pas zie ik zijn verbogen bril en nare gezichtswonden.
De jongeman van eerder keert terug met WC-papier om het bloed te stelpen. Ondertussen praten verschillende omstanders op de oudere man in om een ambulance te bellen of in elk geval langs de Eerste Hulp te gaan. Vooral één specifieke man op leeftijd lijkt geëmotioneerd door wat er net is voorgevallen. Met een huilerige snik in zijn stem blijft hij benadrukken hoe belangrijk het is dat er een dokter kijkt naar de verwondingen. Als het gaat infecteren ben je immers vééél verder van huis. Maar de oudere heer lijkt zelf niet erg onder de indruk van het voorval. Hij zegt stoïcijns tegen zijn vrouw: 'Ik ben bijna tachtig en heb wel erger overleefd. Dit kan er óók wel bij.'
Eindelijk zien omstanders in dat hij niet te bewegen is om een arts in te schakelen. Eén voor één druipen ze af en hij blijft alleen achter met zijn vrouw. De bezorgde omstander loopt weg en keert nogmaals terug. Hij pakt de verwonde man bij zijn hand en drukt hem voor een laatste maal op het hart dat hij écht naar een dokter moet. Dan geeft hij 't ook op. Zijn vrouw zegt tegen de oudere man: 'Allemaal mensen die met jou bezig zijn. Dat is best lief, toch?' Hij mompelt terug dat die overdreven aandacht voor hem niet zo hoeft. Zij besluit dat er nog wat boodschappen gedaan moeten worden en loopt weg.
We blijven met zijn tweeën achter op het regenboogbankje. Misschien is mij wel iets bespaard gebleven omdát ik hier ben gaan zitten. In de verte zie ik mijn moeder aanlopen met haar gekochte spullen. Ik sta op van het bankje en wens de man beterschap. Hopelijk heeft hij terecht vertrouwen in zijn overtuiging dat hij geen medische hulp nodig heeft.
Niet veel later hoor ik wat rumoer naast mij. Er heeft zich een groepje mensen verzameld rond een oudere heer. Een paniekerige en geschrokken sfeer. De omstanders begeleiden hem naar het regenboogbankje waar ik zit. Ik begrijp 't niet helemaal, maar schuif mijn eigen spullen opzij om ruimte te maken voor meneer. Hij gaat naast mij zitten met zijn vrouw. Een jongeman zet zijn boodschappentas tussen ons in en snelt terug de Jumbo in. Uit de nerveuze woorden van een omstander maak ik op dat de oudere man net op een nare manier is gevallen. Nu pas zie ik zijn verbogen bril en nare gezichtswonden.
De jongeman van eerder keert terug met WC-papier om het bloed te stelpen. Ondertussen praten verschillende omstanders op de oudere man in om een ambulance te bellen of in elk geval langs de Eerste Hulp te gaan. Vooral één specifieke man op leeftijd lijkt geëmotioneerd door wat er net is voorgevallen. Met een huilerige snik in zijn stem blijft hij benadrukken hoe belangrijk het is dat er een dokter kijkt naar de verwondingen. Als het gaat infecteren ben je immers vééél verder van huis. Maar de oudere heer lijkt zelf niet erg onder de indruk van het voorval. Hij zegt stoïcijns tegen zijn vrouw: 'Ik ben bijna tachtig en heb wel erger overleefd. Dit kan er óók wel bij.'
Eindelijk zien omstanders in dat hij niet te bewegen is om een arts in te schakelen. Eén voor één druipen ze af en hij blijft alleen achter met zijn vrouw. De bezorgde omstander loopt weg en keert nogmaals terug. Hij pakt de verwonde man bij zijn hand en drukt hem voor een laatste maal op het hart dat hij écht naar een dokter moet. Dan geeft hij 't ook op. Zijn vrouw zegt tegen de oudere man: 'Allemaal mensen die met jou bezig zijn. Dat is best lief, toch?' Hij mompelt terug dat die overdreven aandacht voor hem niet zo hoeft. Zij besluit dat er nog wat boodschappen gedaan moeten worden en loopt weg.
We blijven met zijn tweeën achter op het regenboogbankje. Misschien is mij wel iets bespaard gebleven omdát ik hier ben gaan zitten. In de verte zie ik mijn moeder aanlopen met haar gekochte spullen. Ik sta op van het bankje en wens de man beterschap. Hopelijk heeft hij terecht vertrouwen in zijn overtuiging dat hij geen medische hulp nodig heeft.
* denotes required fields.