Ik pik niet gauw wat van anderen om mijn eigen indruk of mening te geven, maar dit keer kwam ik bij toeval (ik zocht iets anders) een stuk tegen van
Joost Zwagerman, waarin hij o.a. iets over dit boek schrijft. Dat valt zo volkomen samen met mijn eigen beleving dat ik dat stukje maar gewoon quote (wat natuurlijk gewoon maar een mooi woord voor jatten is).
Als er éen twintigste-eeuwse schrijver is die zich vasthoudend en consequent heeft bekend tot een l’art pour l’art-purisme, dan toch Nabokov: ‘The violent, vulgar novel, the novelistic treatment of social or political problems, and in general novels consisting mainly of dialogue or social comment – these are absolutely banned from my bedside.’
Reading Lolita in Teheran maakt aanschouwlijk wat er met Lolita gebeurt zodra zich een leesclubje van onderdrukte vrouwen in een islamitsche natie zich erover buigt. Wel drie of vier keer onderstreept Azar Nafisi dat zij en haar medelezers Lolita eerst en vooral lezen als een autonoom kunstwerk: ‘Ik wil nogmaals benadrukken dat wij niét Lolita waren, dat de ayatollah niét Humbert was en deze republiek niet wat Humbert zijn koninkrijk bij de zee noemde. Lolita was geen kritiek op de islamitische republiek, maar ging wel dwars tegen alle totalitaire standpunten in.’ Dat subversieve element in Lolita verbonden Nafisi en haar medelezers met het verlangen naar een subversieve toets in hun eigen leven. Maar nog steeds projecteerden zij niet hun eigen morele maatstaven op Lolita. Zij legden het boek niet hun wil op. In plaats daarvan onderzochten zij of de ‘wil’ die Nabokov met Lolita de lezer oplegt ook iets te vertellen kon hebben en van waarde kon zijn búiten de autonomie van de roman. De lezer is de motor, literatuur de brandstof.
Ergens in Reading Lolita in Teheran schrijft Nafisi dat Humbert Humbert met Lolita omgaat zoals Nabokov dat zelf deed met de vlinders die hij verzamelde en bestudeerde: ‘De vlinder is geen voor de hand liggend symbool,’ erkent Nafisi ‘maar suggereert wel dat Humbert Lolita vastpint op dezelfde manier als de vlinder gefixeerd is; Humbert wil dat zij, een levend, ademend menselijk wezen, stationair wordt, haar leven opgeeft voor het stilleven dat hij haar ervoor in de plaats biedt.’ En dát is precies wat het regime in Iran met haar vrouwelijke inwoners doet, aldus Nafiri, die vervolgens bekent: ‘Zo lees ik Lolita. Telkens wanneer we in de klas over Lolita spraken, werden onze discussies gekleurd door de verholen persoonlijke vreugde en het verdriet van mijn studenten. (...) En ik dacht hoe langer hoe meer aan de vlinder: wat ons [lezer en romanpersonage Lolita, JZ] zo nauw verbond was die onnatuurlijke intimiteit tussen slachtoffer en cipier.’
Lolita als allegorisch traktaat; als een boek dat indirect iets te zeggen heeft over de vernederingen in een islam-fundamentalistisch nowhere land – het zijn morele noties die Afisi ontleent en dus niet oplegt aan Lolita. Azar Nafisi ontleent soevereine betekenissen aan Lolita in dezelfde mate als waarop Lolita zich soeverein onttrekt aan Nafisi’s interpretaties.
Met dat besef van tweerichtingsverkeer in het achterhoofd kan Nafisi nog meer pregnante uitspraken doen. Deze bijvoorbeeld: ‘De verschrikkelijke waarheid van Lolita’s verhaal is niet de verkrachting van een meisje van twaalf door een vieze oude man, maar de confisquatie van het leven van het ene individu door het andere. (..) Toch is de roman, het voltooide werk, optimistisch, (..) , een pleidooi niet alleen voor de schoonheid maar voor het leven, voor alle normale genoegens waarvan Lolita (...) was beroofd.’
Lolita als een ‘pleidooi voor het leven’? Als een pledooi voor ‘normale vrouwengenoegens’ waarvan Dolores Haze, alias Lolita, zich zag beroofd? Nabokov in de rol van een soort kosmopolitische Hannemieke Stamperius of Anja Meulenbelt avant la lettre? Dié lezing vereist een slangenmensachtige flexibiliteit. Voor de zekerheid nog maar een uitspraak van Nabokov, uit een befaamd geworden radiogesprek in 1962 voor de BBC: ‘Why did I write any of my books, after all? For the sake of the pleasure (..) I have no social purpose, no moral message (..). Toch maken de interpretaties van Afisi allesbehalve een bedilzieke indruk, juist omdat zij haar interpretaties duidelijk loskoppelt van de autonomie van de roman. Nafisi en haar medelezers willen Lolita niet reduceren tot een boek met een in weerwil van de maker ‘verborgen sociaal-maatschappelijke agenda’. In plaats daarvan gedraagt Nafisi zich overeenkomstig een leeshouding die Gerrit Kouwenaar ooit uitdrukte in de bundel de stem op de 3e etage :
ik ben geen geleerde, geen raadgever
verklaar je niet de onmogelijkheden van aarde en lucht
ik maak ze
De schrijver als de schepper van de ‘onmogelijkheden’ van ‘aarde en lucht’ – met andere woorden: het gedicht, de tekst, het kunstwerk vertegenwoordigt een wereld op zichzelf die evenveel betekenissen kan genereren als de wereld zélf. Die notie over de oneindigheid van betekenissen van een roman wordt in Reading Lolita in Teheran in praktijk gebracht. Met alle égards voor de bedoelingen en de poetica van de schrijver ontlenen Nafisi en haar mede-lezers een bepaalde betekenis aan de roman die zij bewonderen.
Volledige stuk van Joost Zwagerman is
hier te vinden en draagt de titel "Tegen de literaire quarantaine" (Frans Kellendonklezing 2006).
Oh ja... lezen dit boek!!