De cultuur-historische context
À Rebours (1884) is de geschiedenis van een geesteszieke, die afstamt van een door incest gedegenereerd adellijk geslacht en zo’n beetje aan alle denkbare kwalen lijdt, van neuroses tot door te veel seksuele uitspattingen veroorzaakte impotentie. De rationaliteit van de Verlichting en de opkomst van de moderne Staat hadden in de 18de eeuw een wetenschappelijke fascinatie voor het abnormale en perverse – wat niet natuurlijk, rationeel of nuttig is – voortgebracht en in de romantische 19de eeuw werd de ziekte als voorwaarde voor artistieke genialiteit zelfs op een voetstuk gezet terwijl de pessimistische wilsfilosofie van Schopenhauer elk vooruitgangsdenken en geloof in de rede de grond in boorde. Tegelijk was er in Frankrijk tegen het einde van de 19de eeuw (la fin-du-siècle) een maatschappelijk ondergangsdenken ontstaan: Frankrijk was stervende zoals het oude Rome was gestorven zodat we ons in een laatste fase van verval, dood en ontbinding bevinden. À Rebours is de ultieme uitdrukking van dit levensgevoel waarin de hoofdpersoon levensmoe is – niets wil ondernemen – en zich koortsig laat meevoeren door zijn herinneringen en dromen waardoor de roman ook de eerste belangrijke symbolische roman is en de surrealisten hem zagen als voorloper. In feite wil de hoofdpersoon niet genezen van zijn geestesziekte maar koestert hij deze om erin te zwelgen: hij wil in volmaakte afzondering slechts genieten van en mijmeren over de schoonheid van het verval waarmee hij zich in de vorm van decadente kunst heeft omringd.
De Bijbel van de decadentie
À Rebours is een vreemde roman: het heeft nauwelijks plot maar is meer een encyclopedie van decadente smaak – waardoor het niet alleen de eerste decadente roman was die radicaal brak met het naturalisme (of zuiverder: deze transformeerde) maar ook makkelijk de definitieve bijbel van de decadentie kon worden; de experimentele, essayistische vorm past bij het decadente streven naar grensverleggende kunst – waarmee het wel doet denken aan het werk van De Sade, al is hier het doel van alle perversies niet zozeer een sadisme (als keerzijde van de gevierde vrijheid door de Verlichting) maar een maximalisering en voortdurende vernieuwing van de meest verfijnde genietingen met een voorkeur voor ziekte en verval – een “geparfumeerde bloedarmoede” (p. 153) – want een overrijpe, bedorven vrucht smaakt rijker dan een rijpe, gezonde vrucht. Het schone (het ideaal) en het kwade (het aardse) staan niet tegenover elkaar maar zijn juist verbonden zoals in de femme fatale of de bleke, vampiristische schoonheid: het giftige en dodelijke is het schone en extatische dat de mens verheft uit de grauwheid van het banale, utilitaristisch bestaan waarin mensen slechts om geld in plaats van kunst geven. Kenmerkend voor de wereld van de roman is dat alles door elkaar loopt: de ene sensatie wekt synesthetisch de andere op (bv. een wijnsmaak veroorzaakt muziek in de keel), zijn katholieke opvoeding of het mystieke gaat vanzelf over in het godslasterlijke of liederlijke en zo ook lopen het mannelijke en vrouwelijke bewust door elkaar (de roman is al volmaakt ‘queer’) ondanks een diepe verachting voor vrouwen als domme, burgerlijke en dus saaie wezens. De ‘saaie’ want kleurloze en monotone werkelijkheid wordt in de roman uitdrukkelijk inferieur geacht aan de imitatie – het nieuwe en kunstmatige product van het menselijk vernuft – en de droom van de werkelijkheid, in welke zin de roman ook zeer bewust is van de verwantschap met het katholicisme ondanks de rebellie tegen elk burgerlijke geloof of smaak: de hoofdpersoon streeft naar een geluk ver weg van hier – hoe exotischer en buitenissiger de ervaring hoe beter – en in wezen naar een extase die hem verlost van de wereld en de verveling waarbij hij zich omringt met katholieke attributen en kunst want het katholicisme heeft het schone (en nutteloze) bewaard – dat de hoofdpersoon bijna op religieuze wijze vereerd – in een moderne wereld die alleen nog nut (maar geen schoonheid) kent, zodat hij de inhoud van het katholicisme afwijst maar de vorm omarmt. Het gebrek aan plot reflecteert de positie van de hoofdpersoon die zich heeft teruggetrokken uit de wereld in een ‘monnikscel’.
Bedwelmende poëzie
Ondanks de uitputtende encyclopedische stijl die geheel past bij het onderwerp want de decadentie viert de weelde en de overdaad in plaats van zuinigheid waarachter een horror vacui schuilgaat want de leegte of verveling is de grootste vijand (waardoor voortdurend nieuwe prikkels moeten worden gezocht met uitputting als gevolg), waarbij enorme aantallen bloemen, kleurnuances, Latijnse dichters, etc voorbij trekken (je krijgt de indruk dat Huysmans via de hoofdpersoon op quasi-naturalistische wijze de complete kunst- en literatuurgeschiedenis en zelfs de hele wereld heeft doorgespit om alle ‘fleurs du mal’ om met Baudelaire, de poëtische voorloper van Huysmans die schoonheid lokaliseerde in het verval en het kwaad, te spreken op te sporen en bijeen te brengen in dit ene boek), blijft de roman boeiend doordat de stijl aldoor bijzonder eloquent en regelmatig decadent-poëtisch is, bv. “haar charmes die als van een grote venerische bloem waren, opgeschoten uit godslasterlijke bodem en getrokken in een broeikas van goddeloosheid” (p. 97) of “een lorrig proza, waarvan de versleten stof op de hoek van elke zin bleef haken en scheurde” (p. 208), waarmee de roman laat zien dat de verbeelding van de werkelijkheid inderdaad rijker en indrukwekkender is dan de werkelijkheid zelf en zo als het ware de daad bij het woord voegt. De hoofdpersoon is een immense liefhebber van de decadente poëzie van zijn tijd: Baudelaire, Poe en Mallarmé lijken zijn grootste helden en wellicht ook de grootste voorbeelden voor Huysmans zelf die in wezen hun decadente, symbolische poëzie met dit boek heeft omgezet in proza (de doorvoelde wijze waarop de hoofdpersoon hun poëzie bejubelt heeft me zelfs een gevoeligheid voor poëzie geleerd die ik eerder niet bezat). Ook als het documentarisme en het gebrek aan plot van het boek het lezen ervan een wat stroef begin kan geven, is de stijl dermate betoverend dat je gelijk een werk dat de hoofdpersoon op die manier bewierookt toch wordt meegezogen in die decadente wereld en geeft het uit hebben van het boek onvermijdelijk een kater omdat de bedwelmende droom daarmee ten einde is. Tegelijk heeft het beetje plot ook spanning omdat je toch ook wilt weten hoe het afloopt met de erudiete maar geesteszwakke en levensmoeë hoofdpersoon, die vlucht in dromen en langzaam gek wordt in zijn zelfgekozen kluizenaarschap uit walging voor de wereld en de mensen (in welke maatschappij hij wordt gegeseld door “de gure storm van domheid” (p. 279)) om er een bewust onnatuurlijk bestaan te leiden van “uitsluitend mijmering en contemplatie” (p. 279).
De vuurmond van een pistool of de voeten van het Kruis
Het pessimisme van Schopenhauer en de daarmee samenhangende esthetiserende houding van de hoofdpersoon – en al toen hij nog naturalistische romans schreef waren Huysmans’ boeken al semi-autobiografisch – kunnen hem echter niet verlossen van zijn lijden dat steeds intenser wordt met de troost van de kunst steeds leger (gelijk drugs geeft kunst slechts tijdelijk verlossing, wordt het verlangen niet gestild en put het de beoefenaar uit): zoals Huysmans zich tot het katholicisme zou bekeren, richt ook de hoofdpersoon in À Rebours zich uiteindelijk tot God als zijn enige redding, ook al lukt het hem (nog) niet om te geloven:
“Heer, heb medelijden met de christen die twijfelt, met de ongelovige die zou willen geloven, met de galeislaaf van het leven die alleen scheep gaat, in de nacht, onder een firmament, dat niet meer wordt verlicht door de vertroostende bakens van de oude hoop!” (p. 288)
Zoals Huysmans in het na z’n bekering geschreven voorwoord tot het boek opmerkt is de roman een katholiek werk in nog onbewuste vorm waarbij d’Aurevilly het toen al zag aankomen: “’Na zo’n boek blijft de auteur slechts de keus tussen de vuurmond van een pistool en de voeten van het Kruis.’ Die keus is gemaakt.” (p.28) Na het wetenschappelijke vooruitgangsgeloof en het naturalisme, dat Huysmans met dit boek doorbrak in de vorm van een pessimistische vlucht in de droom en de kunst, is er slechts nog de mogelijkheid te sterven of de sprong in het geloof te maken dat de droom een transcendente werkelijkheid geeft. De roman is de uitdrukking van Huysmans’ gemoed waarin hij in de intimiteit van het afgezonderde zelf een mooiere wereld probeert te vinden dan die erbuiten te vinden is en de roman is ongetwijfeld zo’n invloedrijk sleutelwerk van de moderne literatuur omdat in wezen elk mens verlangt naar zo’n schuilplek waarin onze intieme relatie met het geheel wordt hersteld, ons zo zelf weer heel maakt en welke sfeer die van de religie is. De vernietiging van ons wezen en de wereld in de vorm van de geestesziekte van de hoofdpersoon van À Rebours is in dat opzicht slechts een noodzakelijke en voor de lezer buitengewoon indrukwekkende fase van het genezingsproces in zowel persoonlijk als cultureel opzicht.