Geerard schreef:
Zegt Kant dat we een schilderij kunnen waarderen omdat we bewust weten dat het een representatie van iets is, maar dat onze waardering kan verdwijnen als we iets eerst voor echt houden en pas later ontdekken dat het een imitatie is?
Dat zou je zo ongeveer wel kunnen stellen ja, hoewel hij de schilderkunst en imitatie zelf niet zo concreet tegenover elkaar zet.
Het gedeelte dat ik in mijn opmerking aanhaalde, was de vergelijking tussen natuur en imitatie. Het is pas later dat hij de 'schone kunsten' zoals schilderen erbij haalt.
§42: “Wie alleen […] de mooie vorm van een wilde bloem, van een vogel, van een insect enz. bekijkt om die vorm te bewonderen en lief te hebben […] hecht een direct en wel een intellectueel belang aan de schoonheid van de natuur. […] Opmerkelijk hierbij is echter dit: wanneer we deze liefhebber van het schone in het ooitje nemen en kunstbloemen (die zo kunnen worden gemaakt dat ze heel erg op echte lijken) in de aarde steken of kunstig uitgesneden vogels op boomtakken zetten, en hij ontdekt het bedrog, dan verdwijnt meteen de directe belangstelling die hij er eerst voor had, om wellicht plaats te maken voor een ander belang, namelijk dat van de ijdelheid.”
Hoewel de genoemde ‘kunstig uitgesneden vogels’ gerust beeldhouwkunst genoemd kunnen worden, zet Kant later in zijn
Kritiek van het Oordeelsvermogen deze kunstvorm niet in het kader van bedrog.
Sterker nog, bij het later beschrijven van de verschillende kunstvormen (dichtkunst, schilderkunst en beeldhouwkunst) beschrijft hij dit in het kader van de schone kunsten, een kunst die juist ‘genoegen geeft’. De schilderkunst heeft hierbij zijn voorkeur:
§53: “Onder de beeldende kunsten zou ik de voorkeur geven aan de schilderkunst: deels omdat ze als tekenkunst aan alle overige beeldende kunsten ten grondslag ligt, deels omdat ze veel verder tot de sfeer der ideeën kan doordringen en het veld van de aanschouwing overeenkomstig is die ideeën verder kan uitbreiden dan de andere kunsten gegeven is.”
Hij ziet de schilderkunst dus niet als een imitatie, maar iets waarvoor je verbeeldingskracht nodig hebt om de natuur te reproduceren.
§45: “Bij mooie kunst moeten we ons ervan bewust zijn dat het kunst is, maar moet het tegelijkertijd lijken alsof het natuur is.”
AI, daarentegen, wat hij natuurlijk niet kende, is wel een imitatie, en iets wat ik meer zou vergelijken met de eerder aangehaalde kunstbloemen. Je kunt er van genieten, maar op een heel ander niveau, namelijk de bewondering van het gecreëerde ‘bedrog’. Ik heb zelf ook zeer veel bewondering voor AI, maar dan op een technisch vlak: ik kan er met mijn hoofd niet bij hoe je een complete afbeelding kunt realiseren op basis van een prompt - hoe je zoiets programmeert (met mijn beperkte programmeerkennis) gaat mij de pet te boven. Maar zodra ik weet dat een schilderij niet met mensenhanden is gecreëerd, verdwijnt bij mij de bewondering op het artistieke vlak.
Heb ik je zo goed begrepen?