Dit is m’n favoriete verhalenbundel van de laatste halve eeuw. Het is een verzameling van zeventien kortverhalen die vanaf 1981 in tijdschriften verschenen. Als je ze chronologisch rangschikt, kun je de evolutie van Murakami gedurende een decennium zien. De vroegste verhalen zijn speels en kolderiek; in de latere verhalen sluipt meer ernst en psychologische diepgang binnen, al blijft het absurde element aanwezig. Zo ontwikkelde hij z’n eigen vorm van magisch realisme.
Drie verhalen (5, 7, 9) hebben een vrouwelijke protagonist, maar meestal gaat het over een ordinaire knul met karaktertrekken van Murakami zelf. Hij is flegmatisch, ligt thuis op de sofa, luistert naar westerse muziek en drinkt vrij veel alcohol. De absurde dingen die hij meemaakt, kunnen soms uitgelegd worden als een droom of een delirium.
De verdwijning van een dier, variërend van een kat tot een olifant, kan de aanleiding vormen tot een zoektocht
die leidt naar een andere dimensie of naar z’n eigen onderbewustzijn. In drie verschillende verhalen (1, 10, 17) komt de naam Noboru Watanabe voor. Dat zou een
inside joke zijn met een grafisch ontwerper met die familienaam.
Het openingsverhaal zou hij later “uitrekken” tot de roman
De Opwindvogelkronieken. Elk verhaal heeft iets origineels, maar dit is mijn top 8:
1. Schuurtjes in Brand Steken (1983)
2. De Tweede Broodjesroof (1985)
3. De Olifant Verdwijnt (1985)
4. TV People (1989)
5. Opwindvogels en Dinsdagse Vrouwen (1986)
6. Kangoeroecorrespondentie (1981)
7. Slaap (1989)
8. De Dansende Dwerg (1984)