De weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens. Franz Biberkopf is een tragische figuur die z'n leven wil beteren maar een zwak karakter heeft. Alcohol, geldnood en foute vrienden brengen hem tot beslissingen die naar z'n ondergang leiden.
Een ideologie heeft hij niet. Hij verkoopt nazistische krantjes, maar gaat ook om met joden en communisten. Ondanks z'n criminele verleden wekt hij sympathie op, in tegenstelling tot de weerzinwekkende Reinhold. Vrouwen behandelen ze als inwisselbare objecten. Mieze bedoelt het goed, maar ze is naïef en emotioneel labiel.
In navolging van andere modernisten plaatste Döblin z'n roman in een grootstad. Berlijn in het interbellum was een oord van decadentie, met veel armoede, misdaad en prostitutie. De titel verwijst naar het centrale plein met een politiekantoor, warenhuizen, veehandelaars en louche figuren. Het is ook de naam van een metrostation, dat toen nieuw was.
De toon is somber, afstandelijk en nihilistisch, maar met zin voor humor. De alwetende verteller kan in het hoofd van de protagonist kijken en geeft ongecensureerd diens stroom van gedachten weer. In de directe rede wordt Berlijns dialect gebruikt. Als intermezzo dienen krantenartikelen, wetenschappelijke stukjes, stadse anekdotes, drinkliederen en bloedige passages uit de Bijbel en Griekse tragediën. Zo ontstaat een panoramisch tijdbeeld, met een afwisseling tussen een subjectieve en een objectieve verteltrant. Het is geen gemakkelijk boek, maar je kunt er helemaal door opgeslorpt raken.