ThomasVV schreef:
Met name hoofdstuk 3 is er me inderdaad wel eentje,
eRCee. [...] Ik zou voorlopig enkel willen opmerken dat er tot nu toe voor mij absoluut geen afbreuk werd gedaan aan het kunstenaarschap of de persoon van Goethe, wel integendeel! Lotte neemt weliswaar inderdaad het woord "klaploper" in de mond (ik zou wel eens willen weten wat het Duitse woord hier is), maar ten eerste doet ze dit met veel reserves, en is het juist dat vage gevoel dat haar zo intrigeert en zelfs naar Weimar trekt, en ten tweede wordt dit woord door Riemer (Mann zelf?) onmiddellijk genuanceerd, en zelfs regelrecht gesublimeerd tot "goddelijke klaploperij"!
Dat is voor mij dan ook de samenvatting van wat ik tot hier toe gelezen heb: Goethe wordt in eerste instantie
vermenselijkt, maar uiteindelijk en eigenlijk juist van daaruit
vergoddelijkt. De vergelijking met het goddelijke, tot zelfs met Jezus himself, klinkt voortdurend door in hoofdstuk 3!
Het Duitse woord dat Charlotte hier gebruikt en door Riemer wordt hernomen, vertaald als "klaploper", is blijkbaar "Schmarotzer", een oud-Duitse voorloper van het woord "Parasit". "Parasiet" komt uit het Grieks, en betekent letterlijk "mee-eter". Interessant daarbij is dat het bij de Grieken oorspronkelijk om een priester ging die bepaalde graanoffers begeleidde, en daarbij "mee-at" van het offer. Maar ik vond nog een interessante link. De voorstelling van Goethe die Mann ons hier aanreikt, verwijst blijkbaar naar die van de parasitaire Jupiter-Amphitryon zoals die wordt uitgebeeld in de toenmalig beroemde komedie van Heinrich von Kleist: Goethe wordt vergeleken met het goddelijk genie dat uit de hemel neerdaalt, met de mensen speelt, zich menselijke identiteiten toe-eigent, deze vormelijk usurpeert en de mensen dus voor zijn kunst uitbuit. Net als Jupiter is ook Goethe ertoe gedoemd uiteindelijk eenzaam en alleen achter te blijven: net als Jupiter heeft Goethe uiteindelijk geen deel aan de liefhebbende menselijke gemeenschap die ze beiden door hun werk bevorderd hebben. Wat een ironie is het dan - en wat een creatieve uitwerking van dit thema - als aan het einde van de roman, net als in de komedie van Kleist, dat genie, waaraan heel het lustige scheppingswerk is ontsproten, tegenover zijn publiek in een
dienende rol komt te staan...