Vorige week eindelijk uitgelezen

. Het heeft even geduurd, niet omdat het me niet beviel, maar omdat ik het voor het slapengaan heb gelezen en meestal maar een of twee hoofdstukken per keer. Maar (voor degenen die het hele bericht niet willen lezen

) : in ieder geval een aanrader!
In vergelijking met zijn andere Zamonië-boeken is dit misschien wel het soberste: alles speelt zich af in één stad, en eigenlijk zelfs grotendeels in hetzelfde gebouw. Maar het zou geen boek van Walter Moers zijn mocht dat ene gebouw dan niet kolossaal groot geweest zijn en vol steken met geheimen, rare personages en bizarre verhalen

.
Het boek wordt gedragen door drie prachtige hoofdpersonages. Echo, de Kratze (omdat ik niet weet hoe ik het moet vertalen neem ik maar de oorpsronkelijke benaming over), is een vrij 'normaal' wezen, de andere twee zijn dat absoluut niet. De Schrecksenmeister is een boosaardige alchemist die de hele stad terroriseert door er ziektes te verspreiden, maar tegelijk een vrij charmant persoon, die zijn nieuwe huisdier uitermate goed verzorgd. In de eerste helft van het boek lijkt het ook niet veel verder te gaan dan dat, maar naarmate het boek vordert duiken er meer bizarre elementen op aan deze man, en uiteindelijk blijkt dat hij (en zo hoort het ook natuurlijk! ) een wel heel onverwachte voorgeschiedenis heeft, waardoor het verhaal ineens een andere draai krijgt. De derde persoon wordt pas halverwege geïntroduceerd in de gedaante van de laatst overgebleven Schreckse uit de stad (al de rest is door Eißpin weggepest), die Echo probeert te helpen om aan zijn dramatische lot te ontsnappen. Zij is een beetje een zotte fluit, en brengt met haar komst ineens ook een pak humor en leven in het boek, dat tot dan toe een beetje sober (zeker voor Walter Moers) was gebleven. De relatie tussen deze drie komt mooi tot uiting in het voorlaatste stuk van het boek, meteen ook het leukste en beste.
Doordat het boek zich zo toespitst op één verhaal met een handvol personages, is Moers verplicht dat helemaal uit te werken, en komt hij niet meer weg met wat hij in Blauwbeer zo geweldig deed: elk verhaal op een vijftigtal pagina's afwikkelen en dan meteen overgaan naar een volgende, nog originelere context met opnieuw nieuwe wezens en elementen. Daar zit ook het probleem in dit boek: echt helemaal overtuigen doet het verhaal niet. Zelfs voor kolderfantasy als dit is het niet echt geloofwaardig op sommige punten, en raak je als lezer maar laat in het boek echt betrokken.
De hoogtepunten zijn de paar culinaire uitstapjes die gemaakt worden, waarin Moers op een paar bladzijden zoveel mogelijk onzin op je afvuurt: zo is er de scene waarin Eißpin Echo introduceert in de wereld van het wijn-proeven, wat begint bij een gewoon rood wijntje, maar eindigt bij de meest onwaarschijnlijke smakencombinaties (wat te denken van een rode wijn met smaaktoetsen van kaarsvet, vochtig tapijt, verse sneeuw en kalkoengebraad van je dode oma, met een rijpe voorsmaak als een oude viool die een slaapliedje speelt, en een stevige
body, niet echt dik, maar eerder volslank, met te grote voeten

) en ontstaansgeschiedenissen. Het boek is ook schitterend als een van de personages een verhaal vertelt: opnieuw op een paar bladzijdes afgerond, maar vaak aangrijpender en boeiender dan het echte verhaal van dit boek.
Boeken als dit bouwen langzaam op naar een einde waarvan je in het eerste hoofdstuk al weet dat het spectaculair zal moeten zijn: na alle moeite die hij gedaan heeft om zijn Kratze zo vet en intelligent mogelijk te maken, komt uiteindelijk het gevreesde moment waarop Eißpin het vet zijn huisdier gaat uitkoken. Wat in veel boeken (zoals veel van de Discworld-romans) vaak een teleurstelling blijkt, is hier echter een waar genot : in plaats van één ontknoping met happy end, creëert Moers een krankzinnige opeenvolging van minstens vier spectaculaire ontknopingen. Dat einde, samen met de door het boek verspreide stukjes waar Moers echt op dreef komt (zo heb je ook een tocht doorheen de wereld van de kaas, het bezoek aan Eißpins vet-opslagplaats en de daar opgesloten 'Sneeuwwitte Weduwe' (het meest angstaanjagende en dodelijke wezen dat ik al in Zamonië ben tegengekomen

), en vooral niet te vergeten de twee uitstapjes van Echo in het lichaam van een ander dier (in ware Once and Future King-stijl

), waar vooral zijn belevenissen als bij in een compleet hersengespoelde de zon aanbiddende sektemaatschappij geweldig leuk zijn om te lezen.
Dus: plezier genoeg te beleven, een spannend boek met veel humor, personages die degelijk zijn uitgewerkt en gevoelens en onverteerde herinneringen meetorsen, een aantal vlagen van pure knotsgekke genialiteit: zeker geen teleurstelling. Ik blijf Moers korte verhaallijnen beter vinden dan de lange, maar ook dit boek is een perfecte ontspanning, bovendien een schitterende manier om je Duits te oefenen, want hij gebruikt woorden die je nergens anders zult terugvinden

.