Novellen en Gedichten - Bertus Aafjes, A. Marja, Hendrik de Vries, Gerard den Brabander, Theun de Vries, H.W.J.M. Keuls, Ed. Hoornik, Gerrit Achterberg, D.A.M. Binnendijk, Anton van Duinkerken, Clara Eggink, Han G. Hoekstra, Pierre Kemp, Henriëtte van Eyk, Jac. van Hattum, M. Vasalis, Eddy Evenhuis, Louis Th. Lehmann, Anna Blaman, Robert Franquinet, Pierre H. Dubois, Maurits Mok, Max Nord, Hanno van Wagenvoorde, Eric van der Steen en Hidde Heringa (1941)
Nederlands
Verhalenbundel / Gedichtenbundel
Sociaal
118 pagina's
Eerste druk: Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels,
Amsterdam (Nederland)
Boekenweekgeschenk 1941. De bundel ‘Novellen en Gedichten’ bestaat overeenkomstig de naam uit drieëndertig dergelijke bijdragen, die in dit boek voor het eerst zijn gepubliceerd. Enkele van de schrijvers, die aan het boek meewerken, nemen daarbij twee bijdragen voor hun rekening. Het boek werd bij aankoop van tweeënhalve gulden aan Nederlandse of Duitse boeken aan de koper ten geschenke gegeven. Het werd al gauw als ‘niet Arisch genoeg’ door de Duitse bezetter bestempeld: bij de samenstelling van het boek waren een aantal personen, met een Joodse achtergrond, betrokken. Door de geest van verzet, die uit sommige bijdragen blijkt, zal er bij die bezetter ook daarom weerzin zijn gerezen. Van de oorspronkelijke oplage van 67.000 exemplaren werden er 47.000 vernietigd. De rest was al uitgereikt aan lezers. Na het voorwoord opent Bertus Aafjes de bundel met het gedicht ‘Het Lyrische Moment’, dat met de oproep ‘Sterk u mijn pen en trouwe bondgenote!’ onder andere stelt dat men geen Muze oproept met een kort bevel. ‘Muziek voor Potemkin’ van Theun de Vries is een verhoudingsgewijs wat langer verhaal. Het speelt zich af in 1785 met als hoofdpersoon de adjudant Radistsjef, die zijn kamer heeft in een paleis van Potemkin. Bij het averechts uitvoeren van een opdracht, lijkt Radistsjef naar Siberië te zullen worden verbannen, maar hij krijgt een opmerkelijke genade van Potemkin…De dichter Pierre Kemp levert twee korte bijdragen. ‘Trots’ vertelt hoe hij in de nacht een toren wordt en neerkijkt op de bomen. Liever blijft hij echter een ‘menschkind’, dan tot een stenen god te verstijven. ‘Gewoon’ merkt op dat anderen ook iets van het licht weten maar zij niet, zoals een dichter, opschrijven wat er in hun binnenste gebeurt.
