Mijn vijfde Fante en opnieuw ben ik enthousiast. Arturo Bandini, de hoofdpersoon in veel andere boeken van Fante, is in dit boek opstandig, zelfingenomen en laatdunkend tegenover alles en iedereen. Arturo walgt van de domheid, de van iedereen om zich heen. "Broeinest(en) van stupiditeit." Hij is een Übermensch, een groot schrijver die door de wereld nog ontdekt moet worden. Of zoals hij het zelf zegt: Het instinct om te schrijven is altijd latent in mij aanwezig geweest. Nu is het bezig met het proces van de metamorfose. Het tijdperk van overgang is nu ten einde. Ik sta op de drempel van expressie."
Bandini gebruikt continu grootse woorden, moeilijk taalgebruik, zinnen waar zijn omgeving nog niet eens de helft maar kan begrijpen. Het levert vaak hilarische dialogen op. Waar er in eerdere boeken nog onschuldiger gedroomd werd van een glorieuze toekomst, heeft Bandini nu geen enkel ontzag voor zijn omgeving. Voor het eerst zie ik heel duidelijk hoe hij Bukowski heeft geïnspireerd.
Er moet na de dood van zijn vader geld verdiend worden, dus moet hij aan het werk. En als hij dan weer een baan heeft, duurt het maar even voordat hij weer op zoek moet. Hij heeft geen enkel ontzag voor de fabrieksarbeiders en zijn bazen. Zo is het ook als hij Shorty Naylor ontmoet, baas in een fabriek. "Hij leek deel uit te maken van de vreemde, uitgestrekte eenzaamheid van de fabriek. Hij hoorde erbij als een dwarsbalk in het dak." Prachtig, zoals de stijl bij Fante altijd prachtig is. Met een paar simpele woorden weet hij een gevoel op te roepen dat boekdelen spreekt. Ik sluit af met een laatste voorbeeld over het verstrijken van de tijd. "De dagen wilden maar niet in beweging komen. Ze stonden daar als grijze stenen."
Fante is en blijft een van mijn favoriete schrijvers.