Ik ken de opera van Richard Strauss met het libretto naar de tekst van Wilde’s toneelstuk en de slotaria is het meest bloedstollende, decadente stukje muziek dat ik ken. Hier weet Strauss – als het prinsesje Salomé haar zin heeft gekregen en het hoofd van Johannes de Doper op een schaal krijgt waarna ze dat kust – volmaakt het gruwelijke (het dissonante, het perverse) en het wonderschone (het hoogromantische, het mierzoete) tot eenheid te brengen, zoals ook de tekst die combineert:
Ah, ich habe deinen Mund geküßt, Jochanaan.
Ich hab' ihn geküßt, deinen Mund.
Es war ein bitterer Geschmack auf deinen Lippen.
Hat es nach Blut geschmeckt?· Nein.
Doch schmeckte es vielleicht nach Liebe.
Sie sagen, das die Liebe bitter schmecke.
In de kringloop kwam ik een boekje met toneelstukken van Oscar Wilde tegen zodat ik nu eindelijk ook de originele tekst heb gelezen, dat wil zeggen: Wilde schreef het stuk in het Frans (!) en het is niet zeker of de Engelse vertaling van Wilde zelf is… Ik denk het wel want Wilde wees in ieder geval een geleverde vertaling door Douglas af en ik zou denken dat de vertaling die wij kennen Wilde’s goedkeuring kan wegdragen: voor Wilde moest de tekst zelf al muzikaal zijn met terugkerende motieven en een Bijbels ritme (een subtiele monotonie zoals in bovenstaande zinnen uit het Duits libretto) en dat is zeker gelukt.
De tekst is in welke vertaling dan ook is denk ik een hoogtepunt van de decadente, symbolische kunst uit die tijd. Zoals bekend vertelt de Bijbel het verhaal in een paar zinnen waarbij Salomé slechts het instrument is van haar moeder: ze danst voor haar vader, koning Herodes, waarop ze een cadeau mag kiezen en ze tot de schrik van haar vader het hoofd van Johannes de Doper kiest om die aan haar moeder te geven die beledigd is door Johannes omdat hij haar huwelijk met Herodes – de broer van haar door Herodes vermoorde echtgenoot – afwijst. Wilde maakt – in navolging van anderen – van Salomé, die in de Bijbel niet eens een naam heeft, een femme fatale, een giftige ‘maagdhoer’, wier seksuele reinheid een perverse uitweg zoekt, en uitdrukkelijk het (visuele) middelpunt van aandacht.
Wat meteen opvalt in het stuk is dat iedereen de dingen verschillend ziet, bv. de maan ziet er voor de een uit als een dode vrouw, voor de ander als een dansende prinses etc (de maan symboliseert natuurlijk Salomé) en dat bv. Salomé zelfs hetzelfde ding op tegengestelde wijzen ziet: zo beschrijft ze het lichaam van Johannes de Doper als volmaakte schoonheid en direct erna als afschuwelijk (“The body is hideous. It is like the body of a leper.”). Het geeft uitdrukking aan het filosofische idee dat we zelf de werkelijkheid construeren in onze geest op basis van onze persoonlijkheid en zoals de dialogen in het toneelstuk tonen maakt dat contact met de ander nauwelijks mogelijk, anders dan bij wijze van vergelijking. Daarbij streeft het decadentisme van Wilde naar het ervaren van deze gehele veelheid, in het bijzonder het volmaakte dat tegelijk het giftige is zoals volgens koningin Herodias – die als enige nuchter is en voor wie de maan gewoon de maan is – dromen (verbeelding) een symptoom van ziekte is. De koning geeft overigens de raad niet te veel symbolen te zien dan wel ze om te keren van horror naar vreugde: in plaats van rode rozenblaadjes te interpreteren als bloedvlekken kun je beter bloedvlekken interpreteren als lieflijke rozenblaadjes. Op dezelfde wijze gaat het Wilde niet om de dramatiek maar om de lyriek (en daarmee het muzikale): de werkelijkheid wordt uitgebeeld als de uitdrukking van gevoelens (dat is het symbolisme ervan). Hoe heftiger de beleving (gevoelens) hoe interessanter en op de voet daarvan is het stuk een (Griekse) tragedie: het draait om de personen die onbeheerst zijn in hun passie en daarmee de natuurlijke orde schenden en zichzelf en de wereld vernietigen. In al dit esthetisch verfraaide en lyrische tumult van passie en droomtoestanden is er Johannes de Doper die dit alles een gruwel is en die het einde der tijden aankondigt: de zon zal dan zwart worden, de maan bloedrood en de sterren zullen uit de hemel vallen.
Dat brengt ons naar de inhoudelijke kern. Door het stuk heen open twee vreemde verboden: de koning heeft verboden naar Johannes de Doper te luisteren terwijl de koningin verbiedt naar Salomé te kijken. Of echt vreemd is dat niet: het is het kijken naar (de schoonheid van) Salomé – die haar lichaam onthult in een dans van de zeven sluiers – dat alle onheil veroorzaakt omdat ze de koning ermee dwingt in te stemmen met haar pervers verzoek (waarmee de macht van de vrouwelijke seksualiteit over de man wordt gesymboliseerd) en het luisteren naar Johannes wekt de woede van de koningin op terwijl de koning in hem een echte profeet vermoedt die wel eens de waarheid kan spreken. Of Johannes echt een profeet is wordt bediscussieerd door de joden in het stuk (naar het gezegde ‘twee joden, drie meningen’): zoals het hof van Herodes naar Grieks-Romeinse snit draait om het zintuigelijk-esthetische met eindeloos veel perspectieven op die uitwendige wereld , draait het bij de joden om de moraal (innerlijke wereld) en de heilsverwachting met eindeloos veel opvattingen daarover. Het contrast krijgt met name de vorm van Gods vorm: voor de joden is God onzichtbaar hetgeen voor de heidenen absurd is (hoe kan iets goddelijke macht uitoefenen als het er niet eens is in een tastbare vorm?). De joodse God heeft geen beeld maar wel de macht van het Woord (en de profeten zijn zijn spreekbuis).
De confrontatie tussen het beeld en het woord (tussen zien en horen) krijgt concrete vorm in de confrontatie tussen Salomé en Johannes: tegen het verbod in spreekt Salomé met Johannes maar hij wil haar niet zien en wijst haar af (hij noemt haar onder meer de dochter van Babylon). Geen man kan zijn ogen van Salomé afhouden behalve de man die Salomé begeert of mogelijk begeert ze Johannes omdat hij de enige man is die haar niet wil zien waardoor hij haar vrouwelijke trots schendt. Hoe dan ook accepteert Salomé zijn afwijzing niet en door zijn hoofd op een schaal te eisen krijgt zij hem toch (hetgeen de destructieve obsessie van de liefde symboliseert en waarmee Salomé na eerst haar schone lichaam nu haar verdorven binnenkant toont), maar uiteindelijk wint het woord in de vorm van het bevel (machtswoord) van Herodes om Salomé te doden omdat hij het perverse schouwspel niet kan aanzien. De maan is gedurende het stuk veranderd van een dode vrouw naar een wellustige vrouw naar een moordzuchtige vrouw die bloedrood kleurt. Met de dood van Johannes als ‘de stem van God’ is de zon als het ware verduisterd en is het koningshuis gevallen als sterren uit de hemel: de profetie van Johannes is uitgekomen.