Incest, homoseksualiteit, antiklerikalisme en collaboratie: Claus zou Claus niet zijn, als hij niet tegen verschillende schenen tegelijk zou proberen schoppen. Centraal behandelt ‘Het Verdriet van België’ evenwel de collaboratie, bezien vanuit de anekdotische realiteit van een gemiddeld Vlaams gezin. Wat blijkt? Mee heulen met de Duitsers is geen morele anomalie, maar ontstaat vanuit een overgeërfd flamingantisme, waarin rancune smeult tegen kerk, staat en bourgeoisie. Staf Seynaeve als gefrustreerde kleinburger, die het belgicisme als kwaal ervaart en de zwarten als bevrijders van dit juk. Met Jodenhaat heeft dit allemaal weinig van doen, en al evenmin met andere verlinken om ze op transport te laten zetten richting een gewisse dood. Claus laat kortom ragfijn zien hoe banaal het kwade zich in de levens van doorsnee Vlamingen nestelt – cfr. de moeder van protagonist Louis, die in Duitse armen vlucht om aan die van haar slappe echtgenoot te kunnen ontkomen. En of dat geloofwaardig is…!
‘Het Verdriet van België’ behandelt trouwens ook de naoorlogse periode: de buitenproportionele represailles, de opgepookte polariteit, de sfeer van opportunisme waarin weer andere kleine lui zich menen te kunnen opwerken. Het “nie wieder!” is alleszins niet tot dit Vlaanderen doorgedrongen, een landschap vervult van de onmogelijke wens eindelijk het kaf van het koren te scheiden, door komaf te maken met al wie ook maar in de verte naar de zogenaamde zwarten zou hebben omgekeken. Hoeveel complexer is de werkelijkheid echter, want hoeveel tinten liggen verscholen tussen het wit en het zwart dat men naoorlogs meende te ontwarren?
Dit alles verhaalt Claus evenwel niet zomaar. Hij kiest doelbewust de uiterst subjectieve beleving van Louis Seynaeve – naar verluidt een alter ego? Erg Clausiaans – althans voor wat ’s mans toneelwerk betreft – zijn de dialogen, weggelopen uit huiskamers of cafés, waarin volkse opinies en absurde wederwaardigheden de boventoon voeren. ‘Het Verdriet van België’ als klankkast, als polyfonie van en voor het Vlaamse volk, als meerstemmige symfonie waaruit zich geen heldere ethische lijn laat boetseren, integendeel: moraal wordt flou en wispelturig, en wel omdat de genadeloze noodlottigheid van het leven zelf toeslaat. Mensen maken (verkeerde) keuzes omdat ze er alles aan doen een confrontatie met de spiegel hunner middelmatigheid uit de weg te gaan, in de vaste overtuiging van hun eigen gelijk. Ah, van dat onverdraaglijke geleuter dat “gelijk” heet, bulkt het doorheen dit boek!
Dus…de roman als fenomenologisch artefact, of, nog nauwkeuriger: literatuur geconcipieerd vanuit een virtuoos solipsisme. Louis Seynaeve als navel van de wereld, waarbij de lezer willens nillens op diens lip blijft zitten, en veroordeeld is tot een realiteit die de zijne is, en louter die van hem. Trouwens door Ron Cornet ingelezen als een lang, ademloos parlando – allicht zoals de roman ook leest?
Kortom, een oordeel: uniek in zijn soort, en als idee bewonderenswaardig. Maar in de hoedanigheid van (voorlees)boek: te lang en iets te veel van hetzelfde, ondanks het taalvuurwerk waar Claus immer, immer, immer garant voor stond.
3,25*