Eerste smart
Dit korte verhaal gaat over een trapezewerker die aldoor hoog in de trapeze wil zijn en dan ontredderd is en een tweede trapeze nodig heeft; de betekenis is denk ik dat als je naar het hoogste – het volmaakte – streeft, je altijd nog hoger wilt klimmen hetgeen nooit naar geluk voert en je zelfs te gronde richt. Kenmerkend voor Kafka’s stijl wordt het bizarre – een leven hangend aan de touwen – uiterst rationeel beschreven.
Een klein vrouwtje
Het korte verhaal is een lange overpeinzing van een man die een vrouw eindeloos tot het ziekmakende ergert terwijl hij daar geen grond voor ziet (zijn natuur staat haar simpelweg tegen maar zij is erg fel in haar woede): het absurde is dat hij het klein wil houden maar er niet los van kan komen waardoor het groot wordt. Het roept de vraag op naar de relatie tussen de twee – volgens hem zijn ze nota bene vreemden – maar aan het eind is er de suggestie dat hij verliefd is op de vrouw die mogelijk een bediende is van een winkel waar hij, waarschijnlijk vanwege haar, elke dag bezoekt. Zijn beschrijving van haar irrationele haat tegen hem zoals hij is en zijn angst voor de publieke opinie die zich vanwege haar lijden tegen hem kan keren, doet ook denken aan Jodenhaat of aan Kafka’s eigen paranoia dat iedereen hem als individu afstotend acht.
Een hongerkunstenaar
Het korte verhaal verhaalt over een ‘hongerkunstenaar’, dat is een man die zich voor publiek uithongert (en deze kunstenaars hebben overigens werkelijk bestaan), waarbij hij eerst veel succes had en onder meer wordt beschreven hoe het publiek ondanks zijn succes wantrouwend was naar zijn kunst maar hijzelf toch ook ongelukkig was omdat hij altijd na 40 dagen moest stoppen (want de ervaring leerde dat de belangstelling bij het publiek na 40 dagen stopte) terwijl hij langer zou kunnen doorgaan, maar dan verdwijnt de belangstelling voor zijn kunst en kwijnt hij letterlijk weg in een circus bij de stallen voor de dieren waar mensen slechts verbaasd zijn over het feit dat er nog belangstelling is voor een hongerkunstenaar. Het doet wat denken aan het eerste verhaal: ook de hongerkunstenaar kan niet anders dan zijn kunst uitvoeren en drijft die tot het uiterste, zelfs als niemand het interesseert en het zijn dood wordt. Het verhaal lijkt een tot het absurde doorgetrokken weergave van hoe de kunstenaar in het algemeen voor zijn succes of falen afhankelijk is van de grillen van het publiek – nu weer gefascineerd door het skeletachtige lichaam en dan weer door de gezonde levenslust van een wild dier – dat de kunst nooit op zijn ware waarde kan schatten en nooit meer ziet dan een kunstje of zelfs oplichterij en in die zin elke kunstenaar uithongert.
Josefine, de zangeres of het muizenvolk
Opnieuw beschrijft Kafka in dit verhaal zeer uitvoerig en diepgaand – geen facet blijft onbelicht en onuitgewerkt – iets ogenschijnlijk belachelijks, in dit geval de bijzondere positie die Josefine, een zangeres die niet kan zingen, inneemt in haar gemeenschap, welke gemeenschap we ons kunnen voorstellen als een muizenvolk (maar alleen in de titel wordt verwezen naar muizen). Het belachelijke of raadselachtige betreft het fenomeen dat Josefine zichzelf zangeres waant, die nota bene meent met haar zingen haar volk de kracht geeft om vol te houden in moeilijke tijden, maar de verteller meent dat het geen zingen is: ze fluit alleen maar en zelfs dat kan ze niet beter dan anderen, zodat de verteller zich uitput in het overwegen wat de reden kan zijn dat het volk – inclusief hijzelf – zich wel telkens rond haar verzamelt als zij aangeeft te gaan zingen terwijl zij allen onmuzikaal zijn en alleen maar oninteressant gefluit horen. Sowieso is hun bestaan zo hard en gevaarlijk dat muziek helemaal geen plaats kan hebben in hun leven. Na het dagelijkse ploeteren of oorlog voeren zijn ze alleen maar moe en wensen ze hooguit stilte, maar al met al lijkt dat de reden van de aantrekkingskracht van Josefine’s gefluit te zijn dat men vanwege haar optredens even samen kan zijn en kan genieten van de stilte die er dan even is (de suggestie is dat ze niet eens naar Josefine luisteren en ze zijn haar ook weer snel vergeten als ze uit protest stopt met zingen en sterft).
Zoals gebruikelijk bij Kafka’s verhalen zijn er verschillende interpretaties mogelijk. Aanvankelijk deed het me denken aan het fenomeen van charismatische, populistische leiders zoals Hitler (die toen al aan de weg timmerde als hypnotiserende redenaar en toen Kafka dit verhaal schreef in de gevangenis aan Mein Kampf werkte): het enige wat Josefine onderscheidt is dat ze zichzelf een groot kunstenares acht en niet gewoon onbewust fluit zoals de anderen maar er een performance van maakt waarmee ze het fluiten losmaakt van het dagelijkse leven en omgekeerd zij ook de toeschouwer even losmaakt van het dagelijkse leven waarmee ze een sterke behoefte vervult van de massa in zeer moeilijke, onzekere tijden. Cynisch merkt de verteller op dat zij denkt het volk te redden maar dat in werkelijkheid zij het volk in gevaar brengt want juist tijdens haar optredens is het volk even weerloos voor de vijand met grote slachtingen als gevolg, hetgeen men echter haar niet kwalijk neemt want men gunt haar die bevoorrechte positie. In een apolitieke interpretatie weerspiegelt het verhaal ook iets van de Dada-beweging (met bv. Fountain: een urinoir die men in 1917 als kunstwerk tentoonstelde zoals ook later de popart consumptieartikelen zoals een blik soep in het museum legde): zelfs het banale wordt kunst als je het als kunst presenteert. Tot slot lijkt het net als andere verhalen in de bundel ook interpretabel als een klaagzang over de onbegrepen kunstenaar die Kafka zich wellicht zelf ook voelde: misschien had Josefine gelijk en kon ze echt zingen maar beschikt de massa (het door het ploeterende bestaan afgestompte ‘muizenvolk’) niet de fijne zintuigen om dat op te merken en trekt ze alleen publiek omdat ze een aura van kunst brengt die in ieder geval opvalt (en zijn haar aanhangers als snobs die pochen graag naar musea te gaan waar ze zich eigenlijk alleen maar vervelen).