menu
poster

Max Havelaar, of De Koffij-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij - Multatuli (1860)

Alternatieve titels: Max Havelaar | Max Havelaar, of De Koffieveilingen der Nederlandse Handelsmaatschappij

mijn stem
3,58 (187)
187 stemmen

Nederlands
Sociaal / Autobiografische Roman

296 pagina's
Eerste druk: Jacob van Lennep, Amsterdam (Nederland)

'Max Havelaar' is een aanklacht tegen het misbruik van het cultuurstelsel, tegen herendiensten en tegen plichtsverzuim door Nederlandse ambtenaren in Nederlands-Indië. In de vorm van een raamvertelling begint het verhaal door de ogen van Droogstoppel, een gierige man van de hogere klasse, die door een zekere Sjaalman een manuscript in zijn handen krijgt gedrukt. Hij besluit het te lezen, waarop het verhaal overspringt naar Max Havelaar, die zojuist een baan heeft gekregen als assistent-resident in Nederlands-Indië. Al gauw komt hij hier achter het onrecht dat de inwoners wordt aangedaan, waarop hij besluit hier tegen te strijden.

zoeken in:
avatar van frankmulder
4,5
Tien jaar geleden zat ik op de middelbare school, midden in de "tweede fase" (in de tijd dat die bijvoorbeeld nog een vak "Frans 1" bevatte waarbij je die taal alleen hoefde te kunnen lezen, en niet spreken, schrijven of beluisteren). Misschien mag ik van geluk spreken dat mij toen bij Nederlands niet verplicht werd Max Havelaar te lezen; wie weet of ik er dan ook niet een weerzin tegen gevormd had? Of moet ik er juist rouwig om zijn dat ik hierdoor een gat in mijn algemene ontwikkeling had? In dat geval komt het goed uit dat ik nu mijn literaire (re)naissance doormaak en van dit meesterwerk heb mogen genieten.

Een meesterwerk... Wordt dat niet bepaald door zogenoemde geleerden, die vervolgens nagepraat worden door docenten die zelf niet kunnen aangeven wat er dan zo goed aan is? Ik besloot het boek zelf maar te gaan lezen en zou dan wel ontdekken of er misschien toch niet een intrinsieke kwaliteit in zit die een dergelijk predicaat rechtvaardigt.

Al vanaf de eerste pagina wordt duidelijk dat Multatuli wel wat meer kon dan alleen een beetje Frans lezen. Ik vraag me af of hij niet verbaasd zou zijn als hij zou horen hoe het nu met het onderwijssysteem in Nederland gesteld is... Door het hele boek blijkt hoe belezen en ontwikkeld de schrijver is; om jaloers op te worden!

De eerste paar hoofdstukken zijn gelijk al om te genieten. Erg grappig hoe dhr. Droogstoppel op de onwaarheden in poëzie wijst ("De lucht is guur, en 't is vier uur"). Bij de lijst met de inhoud van het pak van Sjaalman maak ik als het ware het pak zelf open en ben ik nieuwsgierig wat er allemaal in zit (terwijl Droogstoppel zijn droge opmerkingen erbij maakt). En dan nog de meningsverschillen die hij met Frits heeft, die liever "shawl" zegt dan "sjaal". Toen ik de eerste 30 pagina's van een PDF las was ik dan ook geen moment verveeld, en ben ik gelijk maar naar de bibliotheek gegaan om de rest ouderwets op papier te lezen. Daarna heb ik elk vrij uur dat ik had, besteed aan het lezen van dit boek...

Het negentiende-eeuwse taalgebruik maakt het allemaal nog mooier. Toen ik vandaag een reclameposter zag met de tekst "vet makkelijk overstappen", bedacht ik dat Multatuli het eerder zou hebben over "zeer gemakkelyk" of "byzonder eenvoudig". Dat is toch veel mooier? En waarom zouden we in deze eenentwintigste eeuw niet in staat zijn om wat langere zinnen te begrijpen?

In de hoofdstukken na de Droogstoppel-inleiding is Multatuli nog steeds in staat om zijn passages te kruiden met ironie. Geniaal hoe hij in hoofdstuk 5 zegt dat hij de lezer niet wil vermoeien met uitwijdingen, om vervolgens toch meer dan een pagina te wijden aan hersenspinselen over de bouw van torens... En de passages die sommigen "wijdlopig" noemen zie ik vaak als noodzakelijk en zeker niet als straf. De beschrijving van plaatsen en gebeurtenissen doet hij prachtig. De conversaties zijn vlijmscherp, de redevoeringen tot nadenken stemmend. Ik noem nog maar even de klinkende toespraak van Havelaar in hoofdstuk 8, het sarcasme bij de beschrijving van de preek van Wawelaar in hoofdstuk 9, het betoog over de saaiheid van schilderijen in hoofdstuk 11, etc.

De opbouw van het boek is fantastisch. Hoewel ik verbaasd was dat Multatuli al in hoofdstuk 5 het hoofdthema van zijn boek te berde brengt, gaat het daar nog kalmpjes aan. Je begrijpt in de loop van het boek steeds beter de ernst van de situatie, het bedrog dat er wordt gepleegd... Je krijgt een steeds grotere afkeer van Droogstoppel, en meer waardering voor Havelaar. De stemming wordt alsmaar grimmiger, en het leed van de Javaan komt steeds dichterbij, zodat je welhaast zelf de onderdrukking en knevelarij ervaart. Er is geen ontkomen meer aan.

De schrijver blijft steeds in de buurt; als je even in de veronderstelling verkeert dat je een werk van fictie in je hand hebt, haalt hij je weer uit de droom. Hij maakt zelfs expliciet hoe hij met de lezer speelt, bijvoorbeeld aan het begin van hoofdstuk 9: "Ik gaf er veel voor, met juistheid te weten, lezer, hoe lang ik nu een heldin in de lucht zou kunnen laten zweven, voor ge, by de beschryving van een kasteel, myn boek moedeloos uit de hand zoudt leggen, zonder te wachten tot het mensch op den grond kwam?" Dit gebeurt steeds indringender naarmate het boek vordert. Meestal vond ik dit een verfrissende stijl, maar af en toe vond ik het onnodig of zelfs wat bot (zoals waar hij het verhaal met enige regelmaat "eentonig" noemt).

Dat is dan ook het enige probleem dat ik heb met dit boek. Telkens wanneer je denkt dat je een "leuk verhaal" aan het lezen bent, vindt Multatuli het nodig om je te verzekeren dat dit allemaal de keiharde waarheid is. Ik ga me haast schuldig voelen om dit een literair meesterwerk te noemen; het is immers slechts een aanklacht tegen de misstanden in Indië? Als dat punt je niet raakt, is Multatuli niet tevreden. En hij laat ook behoorlijk de context waar hij in verkeerde doorschemeren: de gespannen situatie met zijn vrouw (die hij kennelijk probeert te compenseren door haar in het boek al te rooskleurig voor te stellen) en zijn verontwaardiging over de situatie op Java in combinatie met zijn sterke rechtvaardigheidsgevoel (waardoor hij het continu nodig vindt om te melden dat "de stukken hier voor my liggen!").

Toch maakt juist het feit dat het hier om waargebeurde zaken gaat, de vertellingen in het boek extra krachtig. De briefwisselingen met Havelaars meerderen zijn al schrijnend, maar als je beseft dat die woorden ook in werkelijkheid aan dovemansoren gericht waren...

Rest mij nog te vermelden dat ik de versie met commentaar van Annemarie Kets gelezen heb. De voetnoten in die uitgave zijn zeer verhelderend. Of het verstandig is om de inleiding van Kets te lezen, weet ik niet. Ik heb het wel gedaan, maar er gaat van de spanning verloren op die manier (omdat daarin bijvoorbeeld al onthuld wordt dat Sjaalman dezelfde is als Havelaar, en dat die weer dezelfde is als Multatuli, iets wat Multatuli zelf pas minder dan 5 pagina's voor het eind onthult). Voor iemand die het boek niet eerder gelezen heeft is het dus te overwegen om die inleiding over te slaan; je kunt hem altijd nog lezen. Hetzelfde geldt voor de Aantekeningen en Ophelderingen van Multatuli zelf, die helaas door elkaar gemengd zijn. De Ophelderingen zijn zeer nuttig omdat die bepaalde Indische zaken verklaren. De Aantekeningen (veelal onderbouwingen van de feiten in het boek) hebben echter hetzelfde probleem als de inleiding van Kets: er wordt te vroeg wat van de spanning weggenomen omdat je te veel aanvullende informatie krijgt. Wellicht is het dus beter om het verhaal te lezen zonder naar achteren te bladeren als je een cijfer tussen haakjes ziet.

Een meesterwerk! 4,5*

avatar van mjk87
3,5
Interessant stuk, vooral ook over je schooltijd (Frans 1 ). Ik heb hem wel moeten lezen toen, de gruwel! Ik wil hem nog weleens lezen. Ik durf zelfs wel te stellen dat ik dit nu een geweldig boek zal vinden. Je stukje maakt het wel dat ik hem wellicht er eens bijpak binnenkort.

avatar
Ted Kerkjes
'Max Havelaar' een matig boek noemen, is vloeken in de kerk - het boek is immers een meesterwerk! - en ik zou het dan ook zeker niet durven als ik mij niet in die opvatting gesteund voelde. Namelijk door Multatuli zelf. Want schrijft hij aan het eind van het boek niet "Als dit doel bereikt wordt, zal ik tevreden zyn. Want het was me niet te doen om goed te schryven... ik wilde zóó schryven dat het gehoord werd." Nou, en dat is hem zeker gelukt: zijn boodschap is duidelijk. Maar ik kan me nauwelijks voorstellen dat mensen die dit boek een meesterwerk vinden daadwerkelijk spreken over het boek zelf en niet per ongeluk over de invloed ervan.
Want ik vind het boek op veel punten gewoon bijzonder slecht geschreven. Multatuli wilde dat iedereen zijn noodkreet hoorde en begreep, maar om dit doel te bereiken voelde hij zich kennelijk genoodzaakt om alles, maar dan ook alles uitleggen. Dit resulteert in paginalang gewauwel: een veel te lange uitweiding over het rechtssysteem et cetera... En ja, het spreekt vanzelf dat dat geen al te best boek oplevert. Maar is het überhaupt een boek? Nee, eigenlijk is het een verpakt pamflet. Aan het einde doorbreekt Multatuli ook de fictie van de roman om zijn boodschap (voor de mensen die het nog niet doorhadden) letterlijk uit te roepen: "De JAVAAN WORDT MISHANDELD!"
Op zich hoeft een pamflet natuurlijk niet noodzakelijkerwijs een slecht boek op te leveren, maar door de uitleggerige stijl waarmee alles tot in de puntjes uitgelegd wordt, is het boek gewoon saai en vaak irritant.

En eerlijk gezegd vind ik het heel jammer dat op veel middelbare scholen leerlingen dit boek verplicht moeten lezen, want het is niet echt het beste voorbeeld van literatuur, wat mij betreft. Ik kan mij levendig voorstellen dat dit werk veel scholieren afschrikt, terwijl het qua stijl en vertelstructuur niet representatief is voor de Nederlandse letteren.

‘Het boek is belangrijk... het heeft een grote invloed gehad... historisch besef... canon van de Nederlandse literatuur... verplichte kost... leerzaam...'

Goed, goed, alles goed! Maar... DE SCHOLIER WORDT MISHANDELD!

avatar
Ik zie dat nut ook niet zo, maar zo zijn er nog wel meer.

avatar van eRCee
4,0
Er zitten natuurlijk wel schitterende, literaire passages in. Saidja en Adinda, het moment dat Multatuli zijn personage Droogstoppel de mond snoert, de raamvertelling op zich.

Verder past het boek goed in de roep om meer aandacht te besteden aan de vele negatieve aspecten van het koloniale verleden in Nederland. Het is tegelijk literatuuronderwijs en geschiedenisles.

(Ik heb het zelf overigens niet hoeven lezen op de middelbare school geloof ik, en het scholieren zelfstandig laten lezen is misschien ook niet de beste strategie, maar het behandelen van dit boek juich ik wel toe.)

avatar
Ted Kerkjes
eRCee schreef:
Er zitten natuurlijk wel schitterende, literaire passages in. Saidja en Adinda, het moment dat Multatuli zijn personage Droogstoppel de mond snoert, de raamvertelling op zich.
Het verhaal van Saïdjah en Adinda is inderdaad wel goed, maar daar gaan pagina's van uitleg aan vooraf en er komt nog een uitleg achteraan... En dat is gewoon erg jammer. Het moment dat Multatuli het woord neemt is wel iconisch en de wanhoop spat dan ook wel van de laatste pagina's, maar dat uitleggerige verpest voor mij veel.
In mijn bericht hierboven was ik wellicht iets te negatief: er is naar mijn mening wel degelijk een aantal goede passages in het boek aanwezig -Droogstoppel en zijn onderbrekingen vond ik fantastisch- maar het merendeel van het boek ervoer ik toch als een worsteling.
eRCee schreef:
Verder past het boek goed in de roep om meer aandacht te besteden aan de vele negatieve aspecten van het koloniale verleden in Nederland. Het is tegelijk literatuuronderwijs en geschiedenisles.
De historische waarde van het boek zie ik zeker in! Wat dat betreft snap ik de aandacht wel.
Maar ik snap literair gezien niet waarom dit boek koste wat het kost de scholieren de strot door moet worden gedouwd, al dan niet met zombies, als er zoveel andere -en betere- Nederlandse literatuur te lezen is.

Ik ga trouwens zeker een keer Woutertje Pieterse, want ik ben wel benieuwd naar ander werk van Multatuli.

avatar van dallben
Ik vond dit dus echt niet door te komen en dat heeft niets te maken met de leeftijd van het boek want Het Scheepsjournaal van Willem IJsbrantszoon Bontekoe las ik in een ruk uit en Camera Obscura vind ik een van de meest vermakelijke boeken die ik ooit gelezen heb. Na enkele hoofdstukken ben ik al afgehaakt. Die irritante ik-persoon die om de 5 regels even aan de lezer moet vertellen dat hij voor een koffie-firma werkt en wat zijn adres is, als het een typetje van Van Kooten en de Bie was geweest had het gewerkt, maar een boek lang wordt zoiets dodelijk vermoeiend. Alles van de hak op de tak. Het leek in mijn ogen haast satire. Wellicht dat ik de film van Rademakers ooit nog eens kijken.

avatar van LimeLou
dallben schreef:
Na enkele hoofdstukken ben ik al afgehaakt. Die irritante ik-persoon die om de 5 regels even aan de lezer moet vertellen dat hij voor een koffie-firma werkt en wat zijn adres is, als het een typetje van Van Kooten en de Bie was geweest had het gewerkt, maar een boek lang wordt zoiets dodelijk vermoeiend. Alles van de hak op de tak. Het leek in mijn ogen haast satire.


Droogstoppel is dan ook een satire van de typische calvinistische koopman van destijds.

avatar van eRCee
4,0
Ook de schrijver vindt de ik-persoon hoogst irritant, dus je bevindt je qua mening in dat opzicht in goed gezelschap.

avatar
4,0
LimeLou schreef:
(quote)


Droogstoppel is dan ook een satire van de typische calvinistische koopman van destijds.


Het lijkt erop dat dallbens onkunde om ironie te lezen op zichzelf een product is van de calvinistische koopmansgeest. Dat is enigszins ironisch, maar ook dat zal er bij hem moeilijk ingaan.

avatar van LimeLou
memorable schreef:
(quote)


Het lijkt erop dat dallbens onkunde om ironie te lezen op zichzelf een product is van de calvinistische koopmansgeest. Dat is enigszins ironisch, maar ook dat zal er bij hem moeilijk ingaan.


Wees niet al te hard op mensen omdat ze een andere ervaring dan jij hebben bij het lezen van een roman.

avatar
4,0
LimeLou schreef:
(quote)


Wees niet al te hard op mensen omdat ze een andere ervaring dan jij hebben bij het lezen van een roman.


Het kan zijn dat het niet aansloeg, maar uit zijn reactie blijkt niet dat hij moeite had ondernomen zich in te leven in de bedoeling van de schrijver. Haal je die er zelf niet zo snel uit, moet je wellicht op zoek gaan naar de vele beschouwingen erover.

avatar van LimeLou
memorable schreef:
(quote)


Het kan zijn dat het niet aansloeg, maar uit zijn reactie blijkt niet dat hij moeite had ondernomen zich in te leven in de bedoeling van de schrijver. Haal je die er zelf niet zo snel uit, moet je wellicht op zoek gaan naar de vele beschouwingen erover.


Ik begrijp je punt. Maar een grotere kennis over de achtergrond van het boek en de schrijver zijn niet noodzakelijk redenen om het werk meer te waarderen. Met achtergrondkennis leert men een boek beter te begrijpen, maar die kennis leidt niet meteen tot meer leesgenot voor sommigen.

avatar
4,0
LimeLou schreef:
(quote)


Ik begrijp je punt. Maar een grotere kennis over de achtergrond van het boek en de schrijver zijn niet noodzakelijk redenen om het werk meer te waarderen. Met achtergrondkennis leert men een boek beter te begrijpen, maar die kennis leidt niet meteen tot meer leesgenot voor sommigen.


Ja, maar er zijn schrijvers waar je van goede huize moet komen om hem te bekritiseren, die je niet zomaar achteloos kunt afdoen. Dan kun je eventueel best een aantal argumenten bij elkaar verzamelen om je intuïties te staven. Dostojesvki is ook zo iemand, ik kan me best voorstellen dat hij er bij sommigen moeilijk ingaat, want die schrijft niet mooi. Maar als over zo'n statement verder niet doorgedacht is, en dat sprak behoorlijk uit zijn bericht, is het tamelijk banale en verwaarloze mening.

avatar
4,0
Maar goed, ik zie nu dat hij 19 is. Dat is nog een leeftijd waarop je smaak nog kan omslaan, godlof.

avatar van LimeLou
memorable schreef:
(quote)


Ja, maar er zijn schrijvers waar je van goede huize moet komen om hem te bekritiseren, die je niet zomaar achteloos kunt afdoen. Dan kun je eventueel best een aantal argumenten bij elkaar verzamelen om je intuïties te staven. Dostojesvki is ook zo iemand, ik kan me best voorstellen dat hij er bij sommigen moeilijk ingaat, want die schrijft niet mooi. Maar als over zo'n statement verder niet doorgedacht is, en dat sprak behoorlijk uit zijn bericht, is het tamelijk banale en verwaarloze mening.


Geen een mening is verwaarloosbaar, mits je goede argumenten neerpent. We zijn het oneens over of dallben wel of niet zijn mening goed onderbouwde. Maar hij gaf toch duidelijk aan waarom hij niet van 'Max Havelaar' genoot? (lees: 'vervelende ik-persoon', 'hak op de tak'). Of iemand wel of niet zijn mening aanpast op basis van een herlezing of het opzoeken van analyses / recensies, is dan maar de vraag. Ik heb ook opgezocht over wat Dostojevski volgens velen zo geweldig maakt, maar toch heb ik uit frustratie en verveling gerust twee boeken van hem terzijde gelegd. Zoals ik reeds zei: voorkennis en inzicht vóór het lezen helpt bij het waarderen van een werk (net als met elke vorm van kunst), maar is niet vormend voor waar je wel of geen genot vandaan haalt (wederom mijn eigen mening, uiteraard).

En wat je zegt over dat je smaak kan omslaan: je hebt helemaal gelijk! Er zijn altijd nieuwe genres en schrijvers te ontdekken die je wereld verbreden. Plus, wellicht verandert dallben van mening bij een eventuele herlezing!

avatar
4,0
LimeLou schreef:
(quote)


Geen een mening is verwaarloosbaar, mits je goede argumenten neerpent. We zijn het oneens over of dallben wel of niet zijn mening goed onderbouwde. Maar hij gaf toch duidelijk aan waarom hij niet van 'Max Havelaar' genoot? (lees: 'vervelende ik-persoon', 'hak op de tak').


De discussie begon er mee dat dat een ironische zet van de auteur was. In dit geval wil dat zeggen dat de schrijver precies weet wat voor een effect die zagende ik-persoon op zijn lezers heeft. (Dit is geen roman, maar een aanklacht!) dallben gaf er geen blijk van zich daarvan bewust te zijn.

avatar van mjk87
3,5
Stem nummer 100 van dit kalenderjaar. Die zat er al een tijdje aan te komen en ik dacht: ga ik nog iets bijzonders ervoor lezen of niet? Daar was ik niet helemaal over uit nog maar in de Bieb viel m'n oog op dit boek, redelijk bij toeval als stond dit werk al jaren op de nominatie herlezen te worden. Meegenomen dus, in een versie in de oorspronkelijke taal. Dus menschen, koffi, hy, zyn, fiskaal en meer van dat al.

Ik zeg herlezen, maar van die eerste lezing weet ik weinig meer, behalve dat ik enkele bladzijden nog las op een vakantiepark in Duitsland en ik de tweede helft vooral ben doorgebladerd - samenvattingen op Scholieren.com waren voldoende voor het boekverslag. En nu, ruim 800 boeken verder toch maar eens met aandacht volledig lezen.

Enfin, het boek is me niet tegengevallen en ook niet meegevallen. De hele opzet waardeer ik enorm. Ook literair vooral. De raamvertelling, meerdere vertellers, het hele idee erachter dat dit ook autobiografisch is, zo’n vertelling (van Saïdjah en Adinda in het hele verhaal) stukken poëzie – dit boek is wat dat betreft echt rijk en veelgelaagd. Ook het begin rond Droogstoppel is enorm vermakelijk. Alleen al dat steeds vermelden hoe zoon Frits iets zou schrijven, of dat hij in koffie doet, Last en Co zo heet sinds de Meyers zijn vertrokken. En die enorme lijst van opstellen is lichtjes geweldig (ik ben altijd liefhebber van opsommingen).

Maar dan het verhaal van Havelaar zelf is soms om niet doorheen te komen. Eindeloze dialoog in veelal wollig taalgebruik. Ik vond het vaak al niet boeiend verteld (het leest allemaal te veel alsof de schrijver zijn ideeën kwijt wil, niet dat hij een roman maakt met mensen van vlees en bloed – op dat vlak is de roman mislukt) maar de stijl leidt ook nog eens af. Sommige stukken tussendoor zijn dat weer mooier of leuker, maar als geheel biedt dit stuk te weinig leesplezier.

Al met al op momenten geweldig maar vaak ook saai. Met een afronding naar boven 3,5*.

avatar
Benjamin2026
geplaatst:
Dit is voor mij een van de slechtste boeken die ik ooit heb gelezen. Als je de jeugd van het lezen wilt afhouden, dan moet je ze dit laten lezen op de middelbare school. Ik denk dat ik hem op de havo heb moeten lezen (snapte er niets van toen) en heb hem een jaar geleden nogmaals gelezen.

Het begint alleraardigst en grappig maar zodra het richting Nederlands-Indië gaat is er geen doorkomen meer aan. Ik had als lezer geen idee waar ik mij bevond, wat er gebeurde, wat het doel was. Totaal niets.

avatar
4,0
geplaatst:
De stijl: levend Nederlands

Max Havelaar geldt als de beste roman uit de Nederlandse geschiedenis maar heeft ook een beruchte versiegeschiedenis. Ik heb de Salamander-versie uit 1983 gelezen dat de laatste versie is die Multatuli zelf heeft herzien als de vijfde druk uit 1881 en waarbij Multatuli een fors notenapparaat heeft toegevoegd om Javaanse termen en Indische gebruiken te verklaren maar ook bij wijze van reactie op critici en politieke ontwikkelingen. Zoals bekend hekelde Multatuli de Nederlandse schrijfconventies, zowel qua de ‘juiste’ spelling als qua verheven, plechtig taalgebruik met veelal lange zinnen in de literatuur, om die te vervangen door een meer natuurlijk en ‘levend Nederlandsch’ waarin woorden fonetisch worden gespeld en de vaak korte zinnen uitdrukken hoe mensen echt praten. Die stijl is zeker verfrissend en zou een revolutionaire invloed hebben waarbij met name Nescio, bekend van de drie klassieke novellen De uitvreter (1911), Titaantjes (1915) en Dichtertje (1918), die spreektaal van Multatuli zou perfectioneren. De meest in het oog springende taalkundige eigenaardigheid van de roman is – naast het consequent vervangen van ‘ij’ door ‘y’ omdat Multatuli vond dat de combinatie van ‘i’ en ‘j’ niet de bedoelde klank voortbrengt – de plaatsing van het hulpwerkwoord achteraan hetgeen taalpuristen in verzet tegen de invloed van het Duits overigens pas vanaf de tweede helft van de 19de eeuw en met name in de 20ste eeuw (ten onrechte) zijn gaan aanmerken als germanisme.

De structuur: de raamvertelling

Max Havelaar is een raamvertelling van het ‘gevonden manuscript’-type hetgeen een beproefd stijlmiddel was in de 19de eeuw waarmee de auteur de illusie van echtheid wekt en tegelijk afstand schept tussen hemzelf en de inhoud. Bekende voorbeelden van het genre zijn Shelley’s Frankenstein (1818), Hawthorne’s The Scarlet Letter (1850) of qua het Nederlandse taalgebied Beets’ Camera Obscura (1839) onder het pseudoniem van Hildebrand. Reeds de basistekst van de moderne literatuur – Cervantes’ Don Quichot (1605) – stoelt op dit ‘gevonden manuscript’-raamwerk en Don Quichot was een grote invloed op Multatuli waarbij Havelaar – de alter ego van Multatuli zelf – als een eenzame ridder die tegen de hele wereld strijdt zelf een Don Quichot wordt genoemd in Multatuli’s roman. Maar de invulling die Multatuli eraan geeft in zijn Max Havelaar lijkt in eerste instantie misschien nog het meest op die van Kierkegaards filosofische werk Of/Of (1843) (onder het pseudoniem Eremita). In dat laatste werk heeft ene Ermita bij toeval een doos vol manuscripten gevonden die hij ordent en daarbij tot de conclusie komt dat ze het werk zijn van twee verschillende auteurs, de een een romantisch estheet en de ander een burgerlijke moralist. In Max Havelaar heeft de koffiehandelaar Droogstoppel een doos manuscripten in handen gekregen (het pak van Sjaalman) en die om zakelijke redenen met zijn employee ordent om er een boek van te maken vanwege het belang ervan voor de koffiehandel (waarnaar de ondertitel De koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy schertsend verwijst): omdat Droogstoppel de moralist en Stern de romanticus (volgens Droogstoppel: een Schwärmer) is ontstaat er eenzelfde ironische spanning om op twee radicaal verschillende wijzen naar de zaak te kijken als in Kierkegaards boek (met in het geval van Max Havelaar meer specifiek de Hollandse koopman en dominee tegenover de Duitse romanticus en idealist). Wel blijkt Multatuli het ‘gevonden manuscript’-concept radicaal om te keren: de manuscripten verwijzen naar echte stukken van Eduard Douwes Dekker, ambtenaar in Nederlands-Indië, die na z’n ontslag besloot om onder het pseudoniem Multatuli Max Havelaar te schrijven waarin hij de waarheid ogenschijnlijk als fictie presenteert om zo met literaire middelen het publiek het boek in te lokken.

Postmodernisme: metalagen

Multatuli gebruikt deze structuur om bovenal de burgerman – die de macht heeft in Nederland en daarom moet worden betrokken – in zijn boek te trekken: Droogstoppel is een karikatuur van de calvinistische, zelfvoldane burgerman die zijn onhandigheid als schrijver en z’n kleingeestig egoïsme tevergeefs tracht te verhullen in zakelijke dus ‘solide’ opmerkingen en in ‘fatsoen’ en ‘principes’ (wat de rechtse politiek natuurlijk nog steeds kenmerkt) waarmee Multatuli zelf de hem kenmerkende bijtende spot meesterlijk hanteert en het werk direct bij aanvang bijzonder geestig is. Maar zoals Droogstoppel zijn slecht geweten sust met schijnheilige principes, zal de lezer zelf ontdekken dat hij zelf Droogstoppel is in zoverre hij eveneens om zuiver egoïstische redenen wegkijkt bij het onrecht in Nederlands-Indië (maar anders dan de linkse politiek van onze tijd is het beeld dat Multatuli neerzet niet zwart-wit met onszelf alleen maar slecht en de ander alleen maar goed maar doet deze de werkelijkheid recht). Tegelijk is er een belangwekkende overeenkomst tussen Droogstoppel en Multatuli zelf in de zin dat veel van Droogstoppels kenmerkende stokpaardjes – bv. “omdat er zoveel by ons omgaat” (ofwel: ik ben voor veel verantwoordelijk), "Ik houd van de waarheid" (poëzie is voor hem ‘leugens’), “dit is een principe van me” en “Frits schrijft het met een z, maar ik met een s...” – ook op Multatuli betrekking hebben zoals op diens verantwoordelijkheidsgevoel, waarheidsliefde, morele principes en eigenzinnige spelling, maar waar het bij Droogstoppel geestig is omdat het lege stokpaardjes zijn die zijn werkelijke aard moeten verbergen, neemt Multatuli ze serieus: Droogstoppel en Multatuli hanteren in woord dezelfde (christelijke) waarden maar Droogstoppel is schijnheilig – zoals het Nederlands bestuur in Nederland-Indië ook goede beloften doet maar ze niet nakomt – en Multatuli is integer en zo ook in Nederlands-Indië slechts het recht wil laten geschieden.

In lijn hiermee is de roman opmerkelijk complex in zijn metalagen en voortdurend ingeslagen zijwegen waarin fictie en non-fictie door elkaar lopen, zoals bv. dat Stern in het begin schrijft dat hij de lezer niet zal afschrikken met langdradige beschrijvingen maar daarmee zal wachten tot hij de lezer te pakken heeft in een spannende situatie om dan er bv. een gebouw te plaatsen als “voorwendsel tot een veelbladzydig betoog over middeleeuwse architectuur” (p. 42) om daarna een bladzijde lang over het kasteel als “dichtstuk in marmer” te oreren (p.43). En iets later bekritiseert Stern auteurs die voor het ‘komisch effect’ een persoon ‘scheppen’ die “zyn stokpaardje maakt van een paar telkens wederkerende woorden (…) ik ben boos op u als ge zo-iets grappig vindt” (p.62) terwijl Multatuli natuurlijk zelf precies op die manier van Droogstoppel een komisch figuur had gemaakt. Daar komt bij dat Max Havelaar een alter ego is van Multatuli zelf dus de roman eigenlijk over Multatuli zelf gaat (en als Stern hem in het boek introduceert, besteedt hij maar liefst vier bladzijden van lofuitingen aan Havelaar waarin je duidelijk de auteur Multatuli herkent, bv. “dat hy de belachelijke en de ernstige zyde der dingen met dezelfde snelheid en te-gelykertyd opvatte” (p. 65) waarbij z’n vrouw hem veelzeggend haar ‘genie’ noemt. Deze stapeling van metalagen met het aldoor aanspreken van de lezer en de bonte, chaotische mengeling van fictie, reflecties en non-fictie (want zoals Stern op p. 60 opmerkt: “er zyn weinig omstandigheden in de stoffelyke wereld, die de denkende mens geen aanleiding geven tot het maken van opmerkingen op verstandelyk gebied” (p.60)), maakt het boek opmerkelijk postmodern.

Een autobiografie: de vernedering van Multatuli

Uit ander werk van Multatuli weet ik dat zijn eruditie, humor en filosofische scherpte bijna garant staan voor even geestige als interessante observaties, ongeacht welk onderwerp wordt aangesneden, maar juist in zijn zo hooggeprezen Max Havelaar lijkt dat zo goed als afwezig vanwege een al te serieuze en persoonlijke ondertoon waarin hij een bittere strijd tegen zijn critici meent te moeten voeren om zijn gelijk aan te tonen (“overwinnen zàl ik!” (p. 251)). Zo zijn de eerste hoofdstukken van Stern, waarin Max Havelaar wordt geïntroduceerd als de nieuwe adsistent-resident van regentschap Bantan-Kidoel, taai omdat ze slechts een inleiding tot het verhaal zijn waarin uitvoerig Havelaar als heilige, engel en profeet wordt beschreven die zelfs elk diertje in nood redt met gevaar voor eigen leven (Stern verafgoodt Havelaar tot in die volkomen mate dat zelfs elke onvolkomenheid van Havelaar wordt uitgelegd als bewijs van zijn volkomen goedheid zoals dat als hij onvriendelijk is tegen zijn vrouw Tine hij uit volkomen liefde zichzelf verwart men haar en dus eigenlijk onvriendelijk tegen zichzelf is hetgeen Tine uit dezelfde volkomen liefde onmiddellijk begrijpt) die vastbesloten is iets aan het onrecht in deze arme streek te gaan doen hetgeen echter bij voorbaat praktisch ondoenlijk lijkt omdat de corruptie van de inlandse regent onstopbaar lijkt en z’n voorganger, die ook wilde optreden tegen het onrecht, zelfs is vermoord. In het negende hoofdstuk toont Stern zich vanuit het metaperspectief zich bewust dat hij het geduld van de lezer op de proef stelt maar belooft hij de lezer dat er iets moois komt maar ook vreest hij dat het boek geen indruk maakt. Dan grijpt Droogstoppel in die – met verwijzing naar de zondagspreek van dominee Wawelaar (Multatuli’s gekozen pseudoniemen zijn niet altijd erg subtiel) – betoogt dat de heidenen op Java om ‘zalig te kunnen worden’ koffie zouden moeten produceren voor Nederland.

Na deze korte interruptie keren we terug naar Havelaar die inmiddels gasten op zijn nieuwe verblijf heeft uitgenodigd en waar hij zich laat kennen als een zeer zelfingenomen, onaangename man die zichzelf graag hoort praten en aankondigt te gaan vertellen over zijn conflict met de generaal Vandamme (pseudoniem voor generaal Michiels) toen hij op Sumatra was gestationeerd, maar over van alles en nog wat uitweidt inclusief theorietjes te berde brengt als dat de vrouw de ultieme belichaming van schoonheid is. Erg interessant is het eindeloze gewauwel van Havelaar niet (ik had denk ik liever de zondagspreek gehoord), maar ook nu grijpt de verteller naar het metaniveau (“een uitweiding over uitweidingen’) om zich te verdedigen: de uitweidingen zijn nodig om de lezer de juiste indruk van de situatie te geven zodat de aankomende ‘catastrofe’ op z’n juiste waarde zal kunnen worden geschat. Als lezer word je zo overweldigd door een stortvloed aan bestuurlijke feitjes en namen – met een en al politieke intriges met al dan niet valse beschuldigingen naar elkaar toe – dat je aldoor dreigt door de vele bomen het bos niet meer te zien, maar het lijkt erop neer te komen dat Havelaar (dus Multatuli) zich vernederd voelt door de wijze waarop de generaal hem heeft behandeld (gelet op zijn verleden van bijna dagelijks duelleren is Havelaar duidelijk een man van eer), zodat de roman in de eerste instantie niet eens lijkt te gaan over het onrecht dat de lokale bevolking ten deel valt maar over het onrecht dat een zeer arrogante Multatuli zelf meent te zijn aangedaan. Dat dit ook echt betrekking heeft op Multatuli zelf, blijkt dat hij bereid was van publicatie van het boek af te zien als hem eerherstel werd geschonken in de zin dat hij op Java tot resident werd benoemd met herstel van zijn diensttijd zodat hij gewoon pensioen zou krijgen over die jaren, een ruim voorschot kreeg en een benoeming in de orde van de Nederlandse Leeuw zou ontvangen (bron: Wikipedia). De pseudoniem Multatuli (‘ik heb veel geleden’) slaat ook op het feit dat hijzelf veel geleden heeft in Nederlands-Indië.

Politiek: Max Havelaar en Das Kapital

Als we na z’n verhaal over wat hem is misdaan in Sumatra weer terug zijn in z’n nieuwe (luxe-)residentie op Java, worden we getrakteerd op een uitvoerige en gedetailleerde tirade tegen de uitbuiting van de Javanen. Wat opvalt is dat die niet zozeer is gericht tegen individuen maar tegen het systeem ofwel Nederlands staatsbestuur dat onderdrukking en uitbuiting praktisch onvermijdelijk maakt (waarbij in wezen de Nederlandse wetten en plechtige eden om misstanden tegen te gaan niets uithalen vanwege het feodale systeem rond de inlandse Hoofden dat nu eenmaal functioneert door middel van machtsmisbruik) en dat zo doet denken aan Marx’ nog uitvoeriger gemotiveerde kritiek op het systeem van het kapitalisme dat onvermijdelijk uitbuiting voortbrengt, ook als de kapitalisten moreel goede mensen zijn (Marx’ hoofdwerk Das Kapital stamt uit 1867 dus uit dezelfde tijd). En net als bij Marx voorspelt dat de arbeidersklasse in opstand zal komen, voorspelt Multatuli dat zelfs de zo gedweeë Javanen uiteindelijk niet anders kunnen dan in wanhopige razernij uitbarsten en de Nederlanders doden. Wel ziet Multatuli deze revolutie niet als onontkoombaar maar is het een waarschuwing: de verantwoordelijkheid ligt bij de Nederlandse regering (de noten vallen herhaaldelijk ook Thorbecke en diens Grondwet aan) en het onverschillige Nederlandse volk, niet om het systeem of wetten te veranderen maar om de controlefuncties beter te bewaken zodat het misbruik wordt beperkt (“Wetten en bepalingen baten niets, zolang men de uitvoering daarvan en het toezicht daarover, opdraagt aan schelmen.”(p. 312) en toen als gevolg van het boek men nieuwe wetten aannam zelfs: “Ik blyf erbij dat de oude bepalingen wat de hoofdzaken aangaat zo slecht niet waren. Maar men verkoos ze niet op te volgen. Dáár ligt de kwestie!” (p. 254))). De houding van Multatuli is dan ook wat dubbelzinnig: aan de ene kant haatte hij het calvinisme dat over de uitbuiting een vroom deken legt maar lijkt hij zelf calvinistisch in zijn morele donderpreek tegen Nederland die zich moet bekeren van zijn zonden en de rechte lijn der wet moet volgen in Nederlands-Indië en aan de andere kant blijft hij de van huis uit doopsgezinde, welke protestantse stroming sterk gelooft in de vrije wil en de eigen verantwoordelijkheid zodat hij – ook al werd hij atheïst – instinctief op die verantwoordelijkheid van ons allemaal aanspreekt.

Zoals Multatuli zelf opmerkt in het boek (p. 160) is machtsmisbruik echter inherent aan Azië (eerder had Hegel dat continent wereldhistorisch al geplaatst in de eerste fase der staatkundige ontwikkeling, gekenmerkt door tirannie) en het vergt in wezen een White Saviour Complex om de bevolking er tegen de feodale traditie en elke gewoonte in door de Nederlands recht afgedwongen transitie naar de moderniteit waarin alle mensen vrij en gelijk zijn (volgens de wetten althans: Marx observeerde dat deze moderne, liberale vrijheid en gelijkheid slechts de vrijheid behelst om je eigen arbeid te verkopen tegen een bestaansminimum hetgeen wel een stap voorwaarts is in vergelijking met de vrijheid uit plichtsbesef van de Javaan om zijn arbeid te schenken aan zijn feodale heer zonder daarvoor überhaupt betaald te krijgen en dus het risico loopt zelf te sterven van de honger). Wat Multatuli in wezen hekelt is de huichelarij van de Nederlandse houding jegens haar kolonie waarbij het in woord machtsmisbruik tegen gaat maar deze in de praktijk tolereert omdat het anders niet kan besturen en profiteren van haar gezag: voor haar gezag is het afhankelijk van dat van de inlandse adel die formeel functionaris van de Nederlandse staat is geworden en daarvoor ook zelf ‘cultuurprocenten’ ontvangt van de koffieopbrengsten welk cultiveren van koffie ten koste gaat van de rijstbouw en zo de bevolking in honger stort maar die tegelijk feitelijk haar gezag nog steeds uitoefent op grond van haar adellijke privileges, dat is een leven in onbegrensde weelde waarbij het vrijelijk de beschikking heeft over het leven en bezittingen van zijn onderdanen (een maatregel die Multatuli voorstelt is daarom een hoger loon voor deze regenten zodat ze minder noodzaak hebben tot roof en de ‘cultuurprocenten’). De systeemfout is dat iedereen wordt verleid tot corruptie: zo heeft bv. de dienstwoning van Havelaar zelf zo’n grote erf dat hij dat met zijn loon niet kan onderhouden terwijl zijn gezag wordt ondermijnd door een verwilderd erf en als hij misbruik maakt van zijn macht om arbeiders van de rijstplantages te halen om zijn erf te onderhouden dan kan hij het inlandse Hoofd niet meer aanspreken om diens machtsmisbruik etc. Inlanders die klagen maken geen kans serieus genomen te worden, worden gemarteld en vermoord als ze hun klacht niet intrekken en de Nederlandse regering knijpt zijn ogen dicht omdat het liever de rust bewaart – en liever een klokkenluidende Hollandse beambte overplaatst dan een inlands Hoofd waarop al het gezag dus orde berust aan te pakken – dan het recht te doen gelden hetgeen het hele systeem aan het wankelen zou brengen. Maar vanwege die in wezen doopsgezinde verantwoordelijkheid accepteert Multatuli niet de zwakte van Nederlandse bestuurders om te bezwijken voor de verleiding van corruptie, welke makkelijke weg van – in Multatuli’s ironische woorden – ‘schipperen’ (dus uiteindelijk niet optreden) ten behoeve van het behoud van de ‘rustige rust’ de moeilijke zal blijken omdat ze tot opstand en bloedvergieten zal leiden. Multatuli is dan ook niet antikoloniaal: hij wenst niet dat de bevolking in opstand komt tegen de Nederlandse overheersing (“Reeds te Lebak had ik al mijn invloed nodig om de bevolking in rust te houden.” (p. 311)) maar dat de Nederlandse bestuurders het (Nederlands) recht handhaven en als goed bestuurder het leven van de Javanen verbeteren.

Literatuur: Max Havelaar en Uncle Tom's Cabin

Uit zijn pure goedheid (in bv. een brief aan de Gouverneur-generaal schrijft hij dat hij “met ongekende zelfverloochening het goede beoogde” (p. 245)) kan Havelaar daarom niet anders dan geheel alleen – hij wordt tegelijk als de Messias als als Don Quichot geportretteerd – tegen deze corrupte stroom in te zwemmen en eenzaam de strijd tegen het onrecht aan te gaan (corruptie vereist voor zijn goed karakter meer moed dan om standvastig de rechte weg te volgen (p. 176)), ook als dat tot zijn eigen ondergang zal leiden. De uiteenzetting, die eindigt in een metafoor van de verschillende fasen van de ziekte der Nederlands-Indisch bestuur, leest prettiger dan het voorgaande waarop het eindigt in een metareflectie over de stijl: “Vervloekt, dat verontwaardiging en droefheid zo vaak zich moeten kleden in ‘t lappendeken van de satire!” (p. 181) en Stern uitlegt dat hij zoekende is naar de juiste stijl (en dus afwisselt) om het bedoelde effect te vinden omdat Havelaars volmaakte stijl hem niet heeft gebaat: “Als ik dus wil worden gehoord – en verstaan vooral! – moet ik ànders schrijven dan hy. Maar hoe dan?” (p. 182) Na een moeizaam begin lijken we nu echter op de goede weg, al verliest hij zich erna in een wat saaie uitweiding over het gebrek aan kennis van Nederlands-Indië bij de Nederlandse bestuurders. Met name de metareflecties zijn mooi geschreven, zoals dat het verhaal dat hij nu gaat vertellen net zo monotoon is als de mier die telkens met zijn last van het heuveltje valt. Als hij sarcastisch uitspreekt dat dat verhaal over een Javaan gericht is aan de blanke die z’n superieure deugd ook kan uitstrekken tot de donkere medemens, ook al verwacht hij niet veel medegevoel van de Nederlanders voor iets dat zo ver weg gebeurt terwijl de koffieprijs dreigt te zakken, grijpt Droogstoppel in op de bekende geestige wijze: de koffie staat heel goed en waarom zou hij zich bekommeren om wat ver weg is terwijl z’n eigen zoon onder invloed van het pak van Sjaalman het geloof afvalt? Volgens Droogstoppel is het Gods wil dat wij rijk en de Javanen arm zijn omdat wij in God geloven en de Javanen niet. Dan volgt het aangekondigde verhaal en dat is meesterlijk geschreven en hartverscheurend. Multatuli toont zich opeens een groots prozaschrijver die het hart kan raken waarbij hij in de erop volgende metareflectie uiteenzet dat hij wel een sentimenteel verdichtsel moet gebruiken opdat mensen over het onrecht zullen lezen (zoals Beecher Stowe haar aanklacht tegen de slavernij in 1852 verpakte in een roman: de Negerhut van Oom Tom) want een dorre lijst misdaden tegen de Javaanse bevolking leest niemand (zoals hij aldoor in de noten bitter opmerkt: “Nooit gaf iemand blyk van begeerte om bewysstukken als de hier bedoelde in te zien” (p. 305).

Pas tegen het einde van de roman komt eindelijk de ‘catastrofe’ in zicht die al eerder was aangekondigd en die de spanningsboog van de roman vormt: terwijl de voorganger van Havelaar was vergiftigd nadat hij zich had beklaagd over de corruptie, schrijft Havelaar al een maand nadat hij is overgeplaatst naar Java een brief aan de resident waarin hij meedeelt dat gebleken is dat de regent zich schuldig maakt aan machtsmisbruik (knevelarij) en maatregelen voorstelt, zodat ook zijn ondergang onvermijdelijk lijkt. “Die van Havelaar, bedoel ik” zou Droogstoppel erbij zeggen die nog even interrumpeert om Havelaar een ‘gemene schoft’ te noemen want onware verhalen vertelt (zoals in het gedicht van Saïdjah) en z’n schulden niet betaalt. Tegelijk wordt de burgerlijk-calvinistische hypocrisie hier het scherpst naar voren gebracht: Droogstoppel stelt dat het zijn vast principe is om nooit post te lezen die niet aan hem gericht is om in adem te schrijven “Ik doe het dan ook nooit als ik er geen belang by heb.” (p. 223) en in het verlengde van eigenbelang in het mantel van fatsoen heeft hij alle vertrouwen in de woorden van de resident die puissant rijk is uit corruptie maar wiens rijkdom voor Droogstoppel een bewijs is voor diens rechtschapenheid zoals de armoede van de Sjaalman (Havelaar) een bewijs is van zijn leugens, want God beloont de rechtschapenen (zoals Max Weber later in Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus (1905) zou betogen: de strenge predestinatieleer van het calvinisme zorgde ervoor dat men economisch succes ging zien als een teken voor Gods genade, waarbij men werelds genot afwees en dus de vergaarde rijkdom ging herinvesteren waardoor de kapitalistische accumulatie van kapitaal – de ‘ijzeren kooi’ – ontstond). Gelijk een 19de eeuwse Peter R. de Vries houdt Havelaar zijn rug recht – hij wil van het gangbare beleid van ‘schipperen’ en ‘aboucheren’ niets weten – en eist zijn onderzoek te mogen doen naar de misstanden die hem ter ore zijn gekomen, maar dat kan het hoogste Nederlands bestuur natuurlijk niet laten gebeuren want dan zou aan het licht komen dat de resident en andere hoge bestuurders die misstanden oogluikend hebben toegestaan: na een escalatie van wederzijdse brieven wordt hij aldus ontslagen waarna de Gouverneur-generaal (Van Twist) hem ook niet wil horen zodat Havelaar zijn onschuld niet kan bewijzen.

Het slot: Multatuli zelf neemt het woord

Het einde van de roman is beroemd: Multatuli grijpt zelf in, jaagt z’n bedachte personages Stern en Droogstoppel weg en neemt zelf het woord in de vorm van een laatste metareflectie over het doel van het boek, dat – naast persoonlijk eerherstel – in wezen “Ik wil gelezen worden” is om zo de aandacht te vestigen op de mishandeling en uitbuiting van de bevolking van Nederland-Indië. De stijl is uitdrukkelijk ondergeschikt aan dat doel en Multatuli laat weten dat hij op alle mogelijke manieren zal doorgaan om dat doel te bereiken. Ook het motto van het boek – een aan Lessing ontleend toneelstukje met het beroemde “Barbertje moet hangen” – is een metareflectie op de kritiek die Multatuli al had verwacht: ook als alle bewijzen hem vrijpleiten van wat hem is verweten, dan nog zullen mensen hem veroordelen op grond van zijn “eigenwaan”, juist omdat hij een goed mens is en z’n critici niet. In zekere zin berust dit op een bekend strafrechtelijk paradox: als de verdachte zijn misdaad ontkent, dan kan hem bovendien worden verweten zijn verkeerd doen niet in te zien welk tweede verwijt in Multatuli’s versie blijft staan als de eerste, eigenlijke aanklacht vervalt. Zijn critici hebben evenwel gelijk dat Multatuli een zeer zelfingenomen man was: overeenkomstig de 19de eeuwse romantische traditie achtte Multatuli zich een genie, een profeet en de Messias. Dat hij dat in extenso benadrukt in Max Havelaar zou de bedoeling hebben om zich als de goede partij maximaal te contrasteren met de foute partij van zijn superieuren, maar het wekte ook bij mij veel ergernis op. Multatuli zou dat echter worst zijn (hij schrijft daarbij de aanvallen van sommige publicisten op zijn werk en persoon toe aan jaloezie): hij beproeft bewust elk middel – van vriendelijkheid tot felle aanklacht, zoals hij de regenten op het goede pad poogde te krijgen door zachtheid en dan door dwang – en blijkbaar was met het schrijven van dit boek het punt bereikt dat hij er met gestrekt been in ging en zichzelf moest ophemelen voor maximaal effect. Bovenal kiest Multatuli ervoor niet in een voor- of nawoord mee te delen wat hij met het boek beoogt en de verbinding met de werkelijkheid te maken, maar als sluitstuk van het verhaal zelf: de lezer die het boek is ingetrokken met literaire middelen is in de val gelopen en kan nu niet meer z’n medeverantwoordelijkheid voor de situatie in Nederlands-Indië ontkennen. Volgens Multatuli is hij met de Max Havelaar in ieder geval geslaagd een zedelijke dus morele invloed uit te oefenen op het Nederlandse publiek, tegen de schijnheilige kanselmoraal van de Droogstoppels en voor een zelfstandig nadenken.

Conclusie

Max Havelaar is de eigenaardigste roman die ik tot nu toe heb gelezen. Ofschoon Multatuli de grootste Nederlandse schrijver is en ook Max Havelaar daarvan getuigt, wordt dat schitterend proza veelal overschaduwd door zijn persoonlijke wrok tegen de Nederlandse autoriteiten die hij op detailniveau aanklaagt waardoor het grootste deel van de roman taai is om door te kunnen. De term ‘roman’ is dan ook wat misleidend als je een verhaal verwacht: er is nauwelijks plot, buiten het aldoor aangekondigde slot waarin Multatuli als Havelaar verhaalt hoe hij is ontslagen omdat hij het machtsmisbruik in Lebak aankaartte, en het is in wezen een alsmaar herhaalde aanklacht tegen het Nederlands bestuur in en over Indië met eindeloos veel uitweidingen over de feitelijke gang en stand van bestuurlijke zaken met Multatuli die zichzelf bij pseudoniem Havelaar opvoert als getuige à charge (waarbij ook Multatuli zelf al een pseudoniem is). Hooguit het begin, waarin Droogstoppel vertelt hoe hij ertoe kwam van een pak manuscripten, afkomstig van Havelaar (Multatuli), dit boek te laten schrijven en het zeventiende hoofdstuk met de vertelling over de lotgevallen van Saïdjah is fictie. Deze bonte afwisseling van fictie, nonfictie, nonfictie gepresenteerd als fictie en alle kleuren daartussen in maar ook de doorlopende metareflecties waarin de vermeende auteur(s) Droogstoppel en Stern – en uiteindelijk Multatuli zelf – aldoor reflecteren op het boek om de lezer te sturen in de nogal taaie beschrijvingen van de bestuurlijke zaken, zoekend naar de juiste toon en inhoud om de lezer in beweging te krijgen, verheft het boek zich boven de normale literatuur: het is bovenal een boek over het boek zelf met de paradox dat het de grootste Nederlandse roman is omdat het een antiroman is in de zin dat om ‘de zaak’ en niet om mooischrijverij gaat. En deze recensie is natuurlijk zelf ook weer een toegevoegd metaniveau aan het boek, zoals Multatuli dan weer noten toevoegde om te reageren op de reacties op het boek. Die stapeling van metalagen in combinaties met eindeloze uitweidingen – waardoor het verhaal zelf maar niet vooruit komt – maakt het boek opvallend postmodern, al hanteert Multatuli deze opmerkelijke vorm omdat hij geen verhaal te vertellen heeft maar een aanklacht wil indienen en experimenteert met de vorm om die aanklacht gehoord te krijgen.

Volgens mij is hij in die opzet geslaagd want zijn aanklacht is luid en duidelijk gehoord, toentertijd (ook al is hij bitter over de weinige feitelijke gevolgen van het boek voor de Javanen, deels omdat men het als slechts een roman dus als amusement opvatte en deels omdat men wel wetten veranderde maar niets deed aan de corruptie bij de uitvoering ervan) en nog steeds als het boek opnieuw wordt gekozen tot de beste Nederlandse roman dat zoals gezegd nauwelijks een roman is maar juist daarom zo bijzonder is. Ik vermoed dat de antikoloniale strekking van het boek mede de reden is van de hoogste status: in dat opzicht noemt Havelaar om dezelfde reden op zijn beurt De Negerhut van Oom Tom “onsterfelyk, niet om kunst of talent, maar door strekking en indruk” (p. 216). Maar Max Havelaar is ook nog bijzonder kunstig waarbij Multatuli toont dat hij vol talent zit want uit elk vaatje kan tappen. Eerlijk gezegd vind ik de ‘experts’ die Max Havelaar vooral tot beste Nederlandse roman verklaren vanwege zijn politieke inhoud die toen heel aanstootgevend was (zelfs resulterend in door de uitgever verminkte eerste versies) wat hypocriet: de experts lijken zo met hun keuze te willen deugpronken door met terugwerkende kracht Multatuli’s verzet te steunen. Maar paradoxalerwijs maakt deze politieke correctheid hen juist tot de nieuwe Droogstoppels – de huidige ‘woke’-ideologie, die aldoor de ‘witte man’ wil dwingen tot zondebesef over het koloniale verleden z’n ‘white privilege’ en tot publieke biecht (met de ‘wakkere’ mensen zelf als uitverkorenen die de maatschappij moreel moeten zuiveren), is ook slechts de meest recente vorm van het calvinisme – die simpelweg meelopen met de laatste politieke positie die het meest veilig is voor de eigen positie. Van bv. het werk van Houellebecq, die als een hedendaagse Multatuli politieke heilige huisjes omver werpt, moeten ze dan ook niets hebben. Wat dat betreft mag je hopen dat de zedelijke, meer doopsgezinde invloed van Multatuli, gericht op eigen verantwoordelijkheid en zelf nadenken, eens het nog altijd zo dominante calvinistische deuglegioen in Nederland zal overwinnen.

avatar
4,0
geplaatst:
AI-chatbots vinden mijn zinnen te lang. Google heeft ze opgeknipt hetgeen volgens de bot de leesbaarheid van mijn tekst enorm verhoogt (maar ik zie dat hij stiekem ook de tekst zelf wat heeft aangepast):

Recensie: Multatuli – Max Havelaar (1860)

De stijl: levend Nederlands

Max Havelaar geldt als de beste roman uit de Nederlandse geschiedenis. Het boek kent echter een beruchte versiegeschiedenis. Voor deze recensie is de Salamander-versie uit 1983 gebruikt. Dit is de laatste versie die Multatuli zelf heeft herzien als de vijfde druk uit 1881. Multatuli voegde hierin een fors notenapparaat toe. Hiermee verklaart hij Javaanse termen en Indische gebruiken. Ook reageert hij in deze noten op critici en politieke ontwikkelingen.

Zoals bekend hekelde Multatuli de Nederlandse schrijfconventies. Hij verzette zich tegen de 'juiste' spelling en het verheven, plechtige taalgebruik met lange zinnen. In plaats daarvan introduceerde hij een natuurlijk en 'levend Nederlandsch'. Hierin worden woorden fonetisch gespeld. De korte zinnen drukken uit hoe mensen echt praten. Die stijl is verfrissend en had een revolutionaire invloed. Met name Nescio zou deze spreektaal later perfectioneren in zijn drie klassieke novellen: De uitvreter (1911), Titaantjes (1915) en Dichtertje (1918).

De meest in het oog springende taalkundige eigenaardigheid van de roman is het consequent vervangen van 'ij' door 'y'. Multatuli vond namelijk dat de combinatie van 'i' en 'j' niet de bedoelde klank voortbrengt. Daarnaast valt de plaatsing van het hulpwerkwoord achteraan op. Taalpuristen gingen dit vanaf de tweede helft van de 19de eeuw ten onrechte aanmerken als germanisme, uit verzet tegen de invloed van het Duits.

De structuur: de raamvertelling

Max Havelaar is een raamvertelling van het 'gevonden manuscript'-type. Dit was een beproefd stijlmiddel in de 19de eeuw. De auteur wekt hiermee de illusie van echtheid en schept tegelijk afstand tot de inhoud. Bekende internationale voorbeelden zijn Mary Shelley’s Frankenstein (1818) en Nathaniel Hawthorne’s The Scarlet Letter (1850). Binnen het Nederlandse taalgebied is Nicolaas Beets’ Camera Obscura (1839) onder het pseudoniem Hildebrand een bekend voorbeeld.

Zelfs de basistekst van de moderne literatuur, Cervantes’ Don Quichot (1605), stoelt op dit raamwerk. Don Quichot was een grote invloed op Multatuli. Havelaar, het alter ego van de auteur, vecht als een eenzame ridder tegen de hele wereld. Hij wordt in de roman dan ook letterlijk een Don Quichot genoemd.

De concrete invulling die Multatuli aan zijn raamvertelling geeft, lijkt in eerste instantie sterk op het filosofische werk Of/Of (1843) van Søren Kierkegaard. In dat werk vindt het personage Eremita bij toeval een doos vol manuscripten. Hij ordent ze en concludeert dat ze het werk zijn van twee verschillende auteurs: een romantische estheet en een burgerlijke moralist.

In Max Havelaar krijgt de koffiehandelaar Droogstoppel een doos manuscripten in handen: het pak van Sjaalman. Om zakelijke redenen ordent hij dit pakket samen met zijn werknemer Stern. Ze willen er een boek van maken dat nuttig is voor de koffiehandel. De ondertitel De koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy verwijst hier schertsend naar. Omdat Droogstoppel de moralist is en Stern de romanticus, ontstaat er een ironische spanning. Het boek dwingt de lezer om op twee radicaal verschillende wijzen naar de zaak te kijken. Het toont de Hollandse koopman en dominee tegenover de Duitse romanticus en idealist.

Wel keert Multatuli het concept van het gevonden manuscript radicaal om. De manuscripten verwijzen naar echte stukken van Eduard Douwes Dekker. Als ambtenaar in Nederlands-Indië besloot hij na zijn ontslag om onder het pseudoniem Multatuli zijn meesterwerk te schrijven. Hij presenteert de werkelijkheid ogenschijnlijk als fictie om het publiek met literaire middelen het boek in te lokken.

Voorloper van het postmodernisme: metalagen

Multatuli gebruikt deze structuur om de machtige Nederlandse burgerman in zijn boek te trekken. Droogstoppel is een karikatuur van de calvinistische, zelfvoldane burger. Hij tracht zijn onhandigheid als schrijver en zijn kleingeestige egoïsme te verhullen in zakelijke opmerkingen, fatsoen en principes. Multatuli hanteert hierbij een meesterlijke, bijtende spot. Het werk is direct vanaf de introductie bijzonder geestig.

Droogstoppel sust zijn slechte geweten met schijnheilige principes. De lezer ontdekt gaandeweg dat hij zelf ook een Droogstoppel is. De burger kijkt immers om zuiver egoïstische redenen weg bij het onrecht in Nederlands-Indië. Toch is het beeld dat Multatuli neerzet niet zwart-wit. De werkelijkheid wordt recht gedaan.

Tegelijk is er een belangwekkende overeenkomst tussen Droogstoppel en Multatuli zelf. Veel van Droogstoppels kenmerkende stokpaardjes zijn ook op de auteur van toepassing. Denk aan uitspraken zoals: "omdat er zoveel by ons omgaat" (verantwoordelijkheidsgevoel), "Ik houd van de waarheid" (waarheidsliefde), of "dit is een principe van me". Zelfs de eigenzinnige spelling komt overeen: "Frits schrijft het met een z, maar ik met een s...". Bij Droogstoppel zijn dit lege frases die zijn werkelijke aard moeten verbergen. Multatuli neemt deze waarden daarentegen volstrekt serieus. Beiden hanteren in woord dezelfde christelijke waarden. Droogstoppel is echter schijnheilig, net als het Nederlands bestuur in Nederlands-Indië. Multatuli is integer en wil slechts het recht laten geschieden.

In lijn hiermee is de roman opmerkelijk complex in zijn metalagen. Er zijn voortdurend zijwegen waarin fictie en non-fictie door elkaar lopen. Stern schrijft in het begin dat hij de lezer niet zal afschrikken met langdradige beschrijvingen. Hij wacht tot hij de lezer te pakken heeft in een spannende situatie. Pas dán plaatst hij een gebouw als "voorwendsel tot een veelbladzydig betoog over middeleeuwse architectuur" (p. 42). Vervolgens oreert hij een bladzijde lang over het kasteel als een "dichtstuk in marmer" (p. 43).

Iets later bekritiseert Stern auteurs die voor het komisch effect een persoon scheppen die "zyn stokpaardje maakt van een paar telkens wederkerende woorden (…) ik ben boos op u als ge zo-iets grappig vindt" (p. 62). Dit is ironisch, want Multatuli maakt Droogstoppel op precies die manier tot een komisch figuur.

Daarnaast is Max Havelaar een alter ego van Multatuli zelf. De roman gaat dus eigenlijk over de auteur. Als Stern hem introduceert, besteedt hij maar liefst vier bladzijden aan lofuitingen. De lezer herkent hierin duidelijk de auteur: "dat hy de belachelijke en de ernstige zyde der dingen met dezelfde snelheid en te-gelykertyd opvatte" (p. 65). Havelaars vrouw noemt hem veelzeggend haar 'genie'. Deze stapeling van metalagen, het aldoor aanspreken van de lezer en de bonte mengeling van fictie en reflectie maken het boek een sterke voorloper van het postmodernisme. Zoals Stern op pagina 60 opmerkt: "er zyn weinig omstandigheden in de stoffelyke wereld, die de denkende mens geen aanleiding geven tot het maken van opmerkingen op verstandelyk gebied".

Een autobiografie: de vernedering van Multatuli

Uit ander werk van Multatuli blijkt dat zijn eruditie, humor en filosofische scherpte garant staan voor interessante observaties. Juist in het hooggeprezen Max Havelaar lijkt die luchtigheid soms afwezig. Er klinkt een bittere strijd in door tegen zijn critici om zijn gelijk aan te tonen: "overwinnen zàl ik!" (p. 251).

De eerste hoofdstukken van Stern waarin Max Havelaar wordt geïntroduceerd als de nieuwe adsistent-resident van Bantan-Kidoel zijn taai. Het is een lange inleiding waarin Havelaar als een heilige, engel en profeet wordt beschreven. Hij redt elk diertje in nood met gevaar voor eigen leven. Stern verafgoodt Havelaar volkomen. Zelfs zijn onvolkomenheden worden uitgelegd als bewijs van zijn goedheid. Als hij onvriendelijk is tegen zijn vrouw Tine, komt dat voort uit volkomen liefde. Hij verwart zichzelf met haar en is dus eigenlijk onvriendelijk tegen zichzelf. Tine begrijpt dit onmiddellijk.

Havelaar is vastbesloten iets aan het onrecht in deze arme streek te doen. Dat lijkt praktisch ondoenlijk. De corruptie van de inlandse regent is onstopbaar en Havelaars voorganger is vermoord. In het negende hoofdstuk toont Stern zich bewust van dit metaperspectief. Hij weet dat hij het geduld van de lezer op de proef stelt. Hij belooft beterschap, maar vreest tegelijk dat het boek geen indruk zal maken. Dan grijpt Droogstoppel in. Met een verwijzing naar de zondagspreek van dominee Wawelaar betoogt hij dat de heidenen op Java koffie moeten produceren voor Nederland om zalig te kunnen worden.

Na deze korte interruptie keert het verhaal terug naar Havelaar. Hij heeft inmiddels gasten uitgenodigd op zijn nieuwe verblijf. Hier laat hij zich kennen als een zelfingenomen en onaangename man die zichzelf graag hoort praten. Hij kondigt aan te gaan vertellen over zijn conflict met generaal Vandamme (pseudoniem voor generaal Michiels) op Sumatra. Hij weidt echter uit over allerhande theorietjes, zoals de stelling dat de vrouw de ultieme belichaming van schoonheid is.

Dit eindeloze gewauwel van Havelaar is weinig interessant. De zondagspreek van Wawelaar was wellicht boeiender geweest. Ook nu grijpt de verteller naar het metaniveau om zich te verdedigen via een 'uitweiding over uitweidingen'. De uitweidingen zijn volgens hem nodig om de lezer de juiste indruk van de situatie te geven. Alleen zo kan de aankomende 'catastrofe' op waarde worden geschat.

Als lezer word je overweldigd door een stortvloed aan bestuurlijke feitjes, namen en politieke intriges. Je dreigt aldoor door de bomen het bos te verliezen. De kern is dat Havelaar zich vernederd voelt door de generaal. Gezien zijn verleden van bijna dagelijks duelleren is Havelaar een man van eer. De roman lijkt daardoor in eerste instantie niet te gaan over het onrecht jegens de lokale bevolking, maar over het onrecht dat een arrogante Multatuli zelf meent te zijn aangedaan.

Dat dit echt over Douwes Dekker zelf gaat, blijkt uit historische bronnen. Hij was bereid van publicatie af te zien als hem eerherstel werd geschonken. Hij eiste een benoeming tot resident op Java, herstel van zijn diensttijd voor zijn pensioen, een ruim voorschot en een benoeming in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Het pseudoniem Multatuli ('ik heb veel geleden') slaat in de eerste plaats op zijn eigen lijden in Nederlands-Indië.

Politiek: Max Havelaar en Das Kapital

Na het verhaal over Sumatra volgt in de residentie op Java een uitvoerige tirade tegen de uitbuiting van de Javanen. Deze kritiek is niet gericht tegen individuen, maar tegen het systeem. Het Nederlandse staatsbestuur maakt onderdrukking en uitbuiting praktisch onvermijdelijk. De Nederlandse wetten en eden om misstanden tegen te gaan halen niets uit. Het feodale systeem rond de inlandse Hoofden functioneert nu eenmaal door middel van machtsmisbruik.

Dit doet sterk denken aan Karl Marx’ kritiek op het kapitalisme, dat eveneens onvermijdelijk uitbuiting voortbrengt. Zelfs als de kapitalisten moreel goede mensen zijn, dwingt het systeem hen tot uitbuiting. Marx’ hoofdwerk Das Kapital stamt uit 1867 en is dus van dezelfde tijd. Marx voorspelde dat de arbeidersklasse in opstand zou komen. Multatuli voorspelt op gelijke wijze dat de gedweeë Javanen uiteindelijk in wanhopige razernij zullen uitbarsten en de Nederlanders zullen doden.

Multatuli ziet deze revolutie echter niet als onontkoombaar, maar als een waarschuwing. De verantwoordelijkheid ligt bij de Nederlandse regering en het onverschillige volk. In zijn latere noten valt hij herhaaldelijk Thorbecke en diens Grondwet aan. Zijn oplossing is niet om het systeem of de wetten te veranderen, maar om de controlefuncties beter te bewaken: "Wetten en bepalingen baten niets, zolang men de uitvoering daarvan en het toezicht daarover, opdraagt aan schelmen." (p. 312). Toen men naar aanleiding van het boek nieuwe wetten aannam, reageerde hij bitter: "Ik blyf erbij dat de oude bepalingen wat de hoofdzaken aangaat zo slecht niet waren. Maar men verkoos ze niet op te volgen. Dáár ligt de kwestie!" (p. 254).

De houding van Multatuli is dubbelzinnig. Aan de ene kant haatte hij het calvinisme dat de uitbuiting met een vroom deken bedekt. Aan de andere kant is zijn morele donderpreek tegen Nederland doorspekt met calvinistische retoriek over zonde en bekering. Tegelijkertijd blijft zijn van huis uit doopsgezinde achtergrond merkbaar. Deze protestantse stroming gelooft sterk in de vrije wil en de eigen verantwoordelijkheid. Hoewel hij atheïst werd, spreekt hij instinctief die individuele verantwoordelijkheid aan.

Zoals Multatuli zelf opmerkt, is machtsmisbruik inherent aan Azië (p. 160). Eerder had Hegel dat continent wereldhistorisch al geplaatst in de eerste fase van de staatkundige ontwikkeling, gekenmerkt door tirannie. Het vergt in wezen een paternalistische houding om de bevolking door Nederlands recht te dwingen tot een transitie naar de moderniteit, waarin alle mensen vrij en gelijk zijn. Marx observeerde later dat deze moderne, liberale vrijheid slechts de vrijheid behelst om je eigen arbeid te verkopen tegen een bestaansminimum. Dat is een stap voorwaarts in vergelijking met de feodale plicht van de Javaan om zijn arbeid gratis aan zijn heer te schenken, met het risico te sterven van de honger.

Wat Multatuli hekelt is de huichelarij van de Nederlandse houding. De staat gaat in woord machtsmisbruik tegen, maar tolereert het in de praktijk om te kunnen besturen en profiteren. Het koloniale gezag is afhankelijk van de inlandse adel. Deze hoofden zijn formeel functionaris van de Nederlandse staat geworden en ontvangen 'cultuurprocenten' van de koffieopbrengsten. Het cultiveren van koffie gaat ten koste van de rijstbouw en stort de bevolking in hongersnood. Tegelijkertijd oefent de adel haar gezag uit op grond van adellijke privileges. Dit stelt hen in staat te leven in onbegrensde weelde en vrijelijk te beschikken over het bezit van hun onderdanen. Multatuli stelt daarom voor om deze regenten een hoger loon te geven, zodat de noodzaak tot roof en cultuurprocenten verdwijnt.

De systeemfout is dat iedereen wordt verleid tot corruptie. De dienstwoning van Havelaar heeft zo’n groot erf dat hij dat met zijn loon niet kan onderhouden. Een verwilderd erf ondermijnt echter zijn gezag. Als hij vervolgens arbeiders van de rijstplantages haalt om zijn erf te onderhouden, maakt hij zelf misbruik van zijn macht. Hij kan het inlandse Hoofd dan niet meer aanspreken op diens misbruik.

Inlanders die klagen maken geen schijn van kans. Ze worden gemarteld en vermoord als ze hun klacht niet intrekken. De Nederlandse regering knijpt haar ogen dicht om de rust te bewaren. Men verplaatst liever een klokkenluidende Hollandse beambte dan een inlands Hoofd waarop de koloniale orde berust. Het handhaven van het recht zou het hele systeem immers doen wankelen. Vanuit zijn doopsgezinde verantwoordelijkheidsgevoel accepteert Multatuli deze zwakte van de bestuurders niet.
De makkelijke weg van het 'schipperen' ten behoeve van de 'rustige rust' zal de moeilijke weg blijken. Het leidt onvermijdelijk tot opstand en bloedvergieten.

Multatuli is dan ook niet antikoloniaal. Hij wenst niet dat de bevolking in opstand komt tegen de Nederlandse overheersing: "Reeds te Lebak had ik al mijn invloed nodig om de bevolking in rust te houden." (p. 311). Hij eist simpelweg dat de Nederlandse bestuurders het recht handhaven en als goede voogden het leven van de Javanen verbeteren.

Literatuur: Max Havelaar en Uncle Tom's Cabin

Vanuit zijn pure goedheid kan Havelaar niet anders dan geheel alleen tegen deze corrupte stroom inzwemmen. In een brief aan de Gouverneur-generaal schrijft hij dat hij "met ongekende zelfverloochening het goede beoogde" (p. 245). Hij wordt tegelijkertijd als de Messias en als Don Quichot geportretteerd. Hij gaat eenzaam de strijd aan, ook als dat tot zijn eigen ondergang leidt. Corruptie vereist volgens hem immers meer moed van een goed karakter dan het standvastig volgen van de rechte weg (p. 176).

De uiteenzetting over de misstanden eindigt in een metafoor over de ziekte van het Nederlands-Indische bestuur. Dit deel leest prettiger dan het voorgaande. Het sluit af met een metareflectie over de stijl: "Vervloekt, dat verontwaardiging en droefheid zo vaak zich moeten kleden in ‘t lappendeken van de satire!" (p. 181). Stern legt uit dat hij zoekt naar de juiste stijl om het bedoelde effect te bereiken. Havelaars volmaakte stijl heeft hem immers niet gebaat: "Als ik dus wil worden gehoord – en verstaan vooral! – moet ik ànders schrijven dan hy. Maar hoe dan?" (p. 182).

Na een moeizaam begin is de roman nu op de goede weg, al volgt er direct weer een taai betoog over het gebrek aan Indische kennis bij Nederlandse bestuurders. Met name de metareflecties zijn prachtig geschreven. Stern vergelijkt zijn vertelling met een mier die telkens met zijn last van een heuveltje valt. Hij spreekt sarcastisch uit dat dit verhaal over een Javaan gericht is aan de blanke man, die zijn superieure deugd immers ook kan uitstrekken tot de donkere medemens. Stern verwacht echter weinig medegevoel van de Nederlanders voor iets wat zo ver weg gebeurt, zolang de koffieprijs dreigt te zakken.

Op dat moment grijpt Droogstoppel in op de bekende, geestige wijze. Met de koffie gaat het immers uitstekend. Waarom zou hij zich bekommeren om verre landen, terwijl zijn eigen zoon onder invloed van Sjaalmans manuscripten het geloof afvalt? Volgens Droogstoppel is het Gods wil dat de Nederlanders rijk zijn en de Javanen arm, omdat de Nederlanders wél geloven.

Dan volgt het aangekondigde verhaal van Saïdjah en Adinda. Dit is meesterlijk geschreven en hartverscheurend. Multatuli toont zich opeens een groots prozaschrijver die het hart weet te raken. In de metareflectie die daarop volgt, legt hij uit waarom hij dit sentimentele verdichtsel moet gebruiken. Alleen zo gaan mensen over het onrecht lezen. Een gortdroge lijst met misdaden leest immers niemand. Harriet Beecher Stowe hanteerde in 1852 dezelfde strategie met haar aanklacht tegen de slavernij in De negerhut van Oom Tom. Multatuli merkt in zijn noten bitter op: "Nooit gaf iemand blyk van begeerte om bewysstukken als de hier bedoelde in te zien" (p. 305).

Pas tegen het einde van de roman komt de langverwachte 'catastrofe' in zicht die de spanningsboog vormt. Havelaars voorganger werd vergiftigd nadat hij klaagde over corruptie. Desondanks schrijft Havelaar al een maand na zijn aanstelling een brief aan de resident. Hij meldt dat de regent zich schuldig maakt aan knevelarij en stelt drastische maatregelen voor. Hiermee bezegelt hij zijn eigen ondergang.

"Die van Havelaar, bedoel ik" zou Droogstoppel hieraan toevoegen. Droogstoppel interrumpeert de vertelling nog eenmaal om Havelaar een 'gemene schoft' te noemen die onware verhalen vertelt en zijn schulden niet betaalt. De burgerlijk-calvinistische hypocrisie wordt hier op het scherpst van de snede gepresenteerd. Droogstoppel stelt dat het zijn vaste principe is om nooit post te lezen die niet aan hem gericht is, om in dezelfde adem te schrijven: "Ik doe het dan ook nooit als ik er geen belang by heb." (p. 223).

Vanuit dit eigenbelang heeft hij alle vertrouwen in de resident. Deze man is puissant rijk door corruptie, maar voor Droogstoppel is rijkdom het ultieme bewijs van rechtschapenheid. De armoede van Sjaalman bewijst daarentegen zijn leugens, want God beloont de vromen. Max Weber zou dit mechanisme later analyseren in Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus (1905). De strenge predestinatieleer van het calvinisme zorgde ervoor dat men economisch succes ging zien als een teken van goddelijke genade. Men wees werelds genot af en ging de vergaarde rijkdom herinvesteren, waardoor de kapitalistische kapitaalaccumulatie ontstond.

Als een compromisloze onderzoeksjournalist houdt Havelaar zijn rug recht. Hij wil niets weten van het gangbare beleid van 'schipperen' en 'aboucheren'. Hij eist een officieel onderzoek naar de misstanden. Dat kan het hoogste Nederlandse bestuur niet toestaan. Dan zou immers aan het licht komen dat de resident en andere hoge functionarissen de misstanden oogluikend hebben goedgekeurd. Na een escalatie via brieven volgt zijn ontslag. Aangezien ook de Gouverneur-generaal (Van Twist) hem weigert te horen, kan Havelaar zijn onschuld niet bewijzen.

Het slot: Multatuli zelf neemt het woord

Het einde van de roman is beroemd. Multatuli grijpt zelf in, jaagt zijn bedachte personages Stern en Droogstoppel weg en neemt het woord. In deze laatste metareflectie formuleert hij het hoofddoel van het boek. Naast persoonlijk eerherstel is dat in wezen: "Ik wil gelezen worden". Hij wil de aandacht vestigen op de uitbuiting van de Javanen. De literaire stijl is uitdrukkelijk ondergeschikt aan dat doel. Multatuli laat weten dat hij op alle mogelijke manieren zal doorgaan om zijn recht te halen.

Ook het motto van het boek, een aan Lessing ontleend toneelstukje met het beroemde "Barbertje moet hangen", is een voorafschaduwing van de kritiek. Multatuli verwachtte al dat men hem zou veroordelen. Zelfs als alle bewijzen hem vrijpleiten, zullen mensen hem veroordelen op grond van zijn 'eigenwaan'. Dit berust op een bekende strafrechtelijke paradox. Als een verdachte de misdaad ontkent, wordt hem bovendien verweten dat hij zijn misstap niet inziet. Dit tweede verwijt blijft in Multatuli’s versie staan wanneer de eigenlijke aanklacht vervalt.

De critici hadden overigens gelijk dat Multatuli een zeer zelfingenomen man was. Overeenkomstig de 19de-eeuwse romantische traditie achtte hij zichzelf een genie, een profeet en een Messias. Dat hij dit zo uitgebreid benadrukt in de roman, had waarschijnlijk als doel om zichzelf als de goede partij maximaal te contrasteren met zijn corrupte superieuren. Het wekt bij de moderne lezer echter ook irritatie op.

Multatuli zou die kritiek overigens worst wezen. De aanvallen van publicisten schreef hij steevast toe aan jaloezie. Hij beproeft bewust elk middel, van vriendelijkheid tot de felle aanklacht. Met het schrijven van dit boek was het punt bereikt dat hij er met gestrekt been in ging. Hij moest zichzelf ophemelen voor een maximaal retorisch effect.

Bovenal kiest Multatuli ervoor om zijn doel niet in een voor- of nawoord toe te lichten. Hij maakt de verbinding met de werkelijkheid tot het sluitstuk van het verhaal zelf. De lezer die door literaire middelen het boek is ingetrokken, is in de val gelopen. Hij kan zijn medeverantwoordelijkheid voor de situatie in de kolonie niet langer ontkennen. Volgens Multatuli is hij erin geslaagd een morele invloed uit te oefenen op het Nederlandse publiek, tégen de schijnheilige kanselmoraal van de Droogstoppels en vóór het zelfstandig nadenken.

Conclusie

Max Havelaar is de eigenaardigste roman in de Nederlandse literatuur. Ofschoon Multatuli een van de grootste Nederlandse schrijvers is, wordt zijn schitterende proza veelal overschaduwd door persoonlijke wrok. Hij klaagt de autoriteiten op detailniveau aan, waardoor het grootste deel van de roman taai is om door te komen.

De term 'roman' is dan ook misleidend als je een traditioneel verhaal verwacht. Er is nauwelijks een plot. Het verhaal draait enkel om het aldoor aangekondigde slot waarin Havelaar verhaalt hoe hij is ontslagen omdat hij machtsmisbruik aankaartte. Het boek is in wezen een herhaalde aanklacht tegen het Nederlands bestuur met eindeloze uitweidingen over bestuurlijke zaken. Multatuli voert zichzelf onder het pseudoniem Havelaar op als getuige à charge.

Hooguit het begin met Droogstoppel en het zeventiende hoofdstuk met de lotgevallen van Saïdjah en Adinda zijn fictie. Deze bonte afwisseling van fictie en non-fictie, gecombineerd met doorlopende metareflecties, verheft het boek boven de normale literatuur. De vermeende auteurs reflecteren voortdurend op het schrijfproces om de lezer door de taaie kost te loodsen. Het is een boek over het boek zelf. De paradox is dat het de grootste Nederlandse roman is omdat het een antiroman is. Het gaat om 'de zaak' en niet om mooischrijverij.

Deze recensie voegt zelf ook weer een metaniveau toe aan het werk, net zoals Multatuli later noten toevoegde om te reageren op recensenten. Deze stapeling van metalagen en eindeloze uitweidingen maakt het boek opvallend modern. Multatuli experimenteert met de vorm om zijn aanklacht gehoord te krijgen.

In die opzet is hij destijds geslaagd. Zijn aanklacht werd luid en duidelijk gehoord. Wel was hij bitter over de weinige feitelijke gevolgen voor de Javanen. Men beschouwde het boek deels als puur amusement, of men veranderde wel de wetten maar deed niets aan de corruptie bij de uitvoering ervan. Dat het werk nog steeds wordt gekozen tot de beste Nederlandse roman, komt mede door deze engagement. Havelaar noemt De negerhut van Oom Tom om dezelfde reden "onsterfelyk, niet om kunst of talent, maar door strekking en indruk" (p. 216). Toch is Max Havelaar ook bijzonder kunstig geschreven. Multatuli toont dat hij uit elk literair vaatje kan tappen.

De experts die Max Havelaar louter vanwege de destijds aanstootgevende politieke inhoud tot de beste roman uitroepen, handelen echter wat hypocriet. Zij lijken met hun keuze vooral te willen deugpronken door met terugwerkende kracht Multatuli’s verzet te steunen. Paradoxaal genoeg maakt deze politieke correctheid hen tot de nieuwe Droogstoppels. De huidige 'woke'-ideologie, die de blanke man wil dwingen tot zondebesef over het koloniale verleden, is in feite de modernste variant van het calvinisme. Men loopt simpelweg mee met de veiligste morele doctrine van de eigen tijd.

Van het werk van Michel Houellebecq, die als een hedendaagse Multatuli politieke heilige huisjes omverwerpt, moeten deze critici dan ook niets hebben. Wat dat betreft mag men hopen dat de doopsgezinde invloed van Multatuli, gericht op eigen verantwoordelijkheid en zelf nadenken, het dominante morele deuglegioen in Nederland ooit zal overwinnen.

avatar

Gast
geplaatst: vandaag om 01:08 uur

avatar

geplaatst: vandaag om 01:08 uur

Let op: In verband met copyright is het op BoekMeter.nl niet toegestaan om de inhoud van externe websites over te nemen, ook niet met bronvermelding. Je mag natuurlijk wel een link naar een externe pagina plaatsen, samen met je eigen beschrijving of eventueel de eerste alinea van de tekst. Je krijgt deze waarschuwing omdat het er op lijkt dat je een lange tekst hebt geplakt in je bericht.

* denotes required fields.

Let op! Je gebruikersnaam is voor iedereen zichtbaar, en kun je later niet meer aanpassen.

* denotes required fields.