Is Johan Harstads houding ten aanzien van kunst onverdroten romantisch? Verheerlijkt hij theaterproducties die, ondanks hun maandenlange voorbereiding, na twee weken al worden afgevoerd? Oh, heroïek van de onbegrepen artiest...! Prijst hij onwereldse beeldende kunst de hemel in, kortom neemt hij hedendaagse artisticiteit veel te serieus op? En dweept hij niet wat al te graag met muzikale en cinematografische iconen – van jazz over The Doors tot ‘Apocalypse Now’...is dat gegrabbel in de ton met collectieve klassiekers niet al te gemakkelijk en doorzichtig?
Nou, nee. Harstad lijkt het huidige kunstmilieu immers aardig op de korrel te nemen. Zijn mijmeringen over Mischa’s creaties – lees: uittreksels uit hopeloos hoogdravende catalogi – zijn om duimen en vingers vanaf te likken, zo abstract-bewierokend van wat eigenlijk semi-banale ideeën zijn. Ook protagonist en verteller Max Hansen ziet het hele wereldje overigens met lede ogen aan. Nee, Harstad schreef geen lofzang, maar een soort persiflage van binnenuit – tegelijk een liefdesverklaring én een pastiche op een milieu dat zichzelf maar al te graag heel erg ernstig neemt.
Buitengewoon intrigerend dus, wat Harstad met ‘Max, Mischa & Het Tet-Offensief’ neerzet. Er is alleszins iets bijzonders met zijn personages aan de hand, allicht samen te vatten als: ze zijn ongemeen sympathiek. De hoofdstukken gewijd aan en verteld vanuit Max Hansen zijn onderkoeld geschreven, vol zwarte humor en met talloze geestige accenten – hoe een gedroomd observator en een geboren verteller elkaar kunnen ontmoeten, gewoonweg weergaloos...! Het perspectief van Owen is naakter, soberder, meer rechtoe rechtaan verhalend, waarbij Harstad een majeur trauma uit de 20e helft van de 20ste eeuw zijn roman binnenloodst: Vietnam. Via Max’ fascinatie voor ‘Apocalyps Now’ verknoopt hij dit element met de loop van het hele boek, wat op zich knap gedaan is.
Tegelijk heeft een lijvig boek als dit een meer omvattende dimensie nodig dan louter het psychologisch-narratieve, en dat gegeven werkt Harstad uit via het karakter Owen – wiens levensverhaal zeer intrigerend vanuit het middelpunt wordt verteld, eerst achterwaarts en dan voorwaarts. Alleen al die structuur laat zien dat het een personage op de dool is, iemand die wegloopt voor wat zijn leven eigenlijk zou moeten zijn, een personage dat er maar niet in slaagt om ‘juiste’ keuzes te maken, althans keuzes die hem datgene opleveren waar hij eigenlijk naar verlangt…al valt dat o zo moeilijk onder woorden te brengen. En is dat dan weer niet metaforisch voor ons aller levens, of anders gezegd: onze poging te leven?
Owen, Max, Mischa, Mordecai, Max’ beide ouders…eigenlijk zijn ze allemaal “in beweging” (om het slot van de roman te parafraseren), of nauwkeuriger: ze zoeken beweging maar stranden, lopen schipbreuk, en vinden geen taal voor de wijze waarop ze vast zijn komen te zitten in hun eigen bestaan. Middenin wat een pauze in hun relatie lijkt, expliciteert Mischa dat ze een eigen plek nodig heeft, een mentale/fysieke ruimte die enkel haar toebehoort…maar is dat werkelijk wat ze nodig heeft? Door terug te keren naar portretten van Shelley Duvall, zoekt ook zij weer aansluiting bij Max’ wereld, na hun vermeende breuk…alweer een poëtisch element waarmee Harstad de emotionele en intellectueel-architecturale cohesie van het boek wederom versterkt.
Maar dus, terug naar de personages: stuk voor stuk ontheemd, woonachtig op een plek die niet hun geboortegrond is, als symbool voor het nomadendom van de existentie: veroordeeld tot pogingen er voor elkaar te zijn en elkaar te naderen, maar daardoor ook beslissingen te nemen die een ander uitsluiten. Prachtig is dat Harstad de vriendschap tussen Max en Mordecai tot wasdom laat komen vanuit hun zoeken naar identiteit en authenticiteit, met klassiekers uit de toneel- en filmcanon als spiegel. Dat Max later gehoor heeft aan Mordecai’s hulpkreet, ook al gaat dit ten koste van Mischa, is even hartverscheurend als intens. Net zoals de kunsten lijkt Harstad ook de thema’s liefde en vriendschap in absolute termen te benaderen, hoewel hij voor Max en Mischa misschien ook weer een weg naar de toekomst plaveit, en net die voorzichtigheid en onzekerheid raakt aan wat de verbinding tussen twee mensen in realiteit zo eindeloos betoverend maakt. Te romantisch? Nee dus. Dichterlijk-uitvoerig geschreven, maar wel waarachtig, in essentie.
Kortom (want over een zonder meer prachtig en verslavend boek als dit kan een mens uren doorgaan, doch daar heeft niemand boodschap aan), dus kort en goed: Harstad laat onbenoemd wat niet te duiden valt, maar zijn onderzoek naar wat mensen tot mens maakt, hoe mensen zich tot elkaar verhouden en zich proberen verbinden…het lijkt allemaal weggelopen uit een virtuoos gecomponeerde (apocalyptische finale incluis!) roman met simpelweg onvergetelijke karakters, die allemaal hun fouten hebben, die mislukken, en net in die mislukking hun grootsheid laten zien.
Moeder, waarom lezen wij? Hier om!
4,25*