Het begon met het doorbladeren van het eerste deel van de dagboekaantekeningen Wat Je Zegt Ben Je Zelf (1970) van C. Buddingh’, die reeds op mijn bureau ligt te wachten. Dit leidde ertoe dat ik op het net wat aan het surfen sloeg om te kijken wat er over dit werk is geschreven en zo op het volgende essay stuitte: ‘De aanval van Willem Frederik Hermans op C. Buddingh’: ‘Kees, hoe durf je?’ van de hand van schrijver Frank van Dijl op de website Tzum en is opgenomen in de bundel Hermans Honderd (2021). Van Dijl verwijst hierin naar een stuk van Willem Frederik Hermans met de titel ‘Opmars der dagboekaniers’, dat zou gaan over de matige kwalitatieve Nederlandstalige inbreng aan het genre van het literaire dagboek. Benieuwd of ik dit stuk zelf in de kast heb staan - want ik heb inmidels een redelijke boekenplank vol staan met werken van W.F. Hermans - vervolgde ik mijn literaire zoektocht. En jawel: Houten Leeuwen en Leeuwen van Goud (1979).
Toen ik het essay van Hermans had gelezen, ging ik vanzelf verder met het volgende stuk en zo drong het boek zich eigenlijk vanzelf bij me op en werden de drie of vier drukwerken die ik reeds aan het lezen was, genadeloos aan de kant geschoven. Sinds het lezen van de interviewboeken (De Aardigste Man ter Wereld en Scheppend Nihilisme), een biografie (De Raadselachtige Multatuli) en een tweetal bundels (Niet uit Kwaadaardigheid en De Weerspannige Slaper) bekruipt me het sentiment dat ik het beschouwend proza oftewel de essays en polemieken van Hermans interessanter vind dan zijn fictieve werk.
Wanneer namelijk Hermans een punt maakt of zijn betoog kracht wil bijzetten, dan doet hij dit niet halfslachtig, maar met grote bevlogenheid. Het maakt dan ook niet zoveel uit of hij met zijn pathos uit de bocht vliegt of te hard van stapel loopt, want hij vertelt zijn verhaal met zulk stilistisch vernuft dat de letters op het papier knetteren. Om maar een verwijzing naar een ander groot Nederlandstalig stylist, Jeroen Brouwers, erin te gooien. Hermans heeft wat te melden en dat doet hij te vuur en te zwaard.
Bij de essaybundel Houten Leeuwen en Leeuwen van Goud zal ik met genoegen terugdenken aan de kritieken van Hermans op de Nederlandse schrijvers Lodewijk van Deyssel en J. van Oudshoorn. Zijn bewondering voor de rijke magnaat Howard Hughes, die voor mij nog totaal onbekend was, maar naar aanleiding van het stuk ‘De Heilige Howard’ van Hermans het één en ander heb geleerd over deze toch wel bizarre ‘Elon Musk avant la lettre'. Namelijk een zeer succesvol ondernemer met politieke invloed, naarmate in een isolement geraakt en in geestelijke zin van het pad afraakt. Hermans vertelt een opmerkelijke anekdote waarin Hughes in een verduisterde kamer, bang voor bacillen van buitenaf, alsmaar dezelfde film bekeek:
“Ik had geen idee welk meesterwerk van het witte doek dat wel kon zijn, de film die Howard meer dan honderdvijftig keer voor zich heeft laten afdraaien op z’n privé-projector: Ice Station Zebra. Zijn lijfwacht en z’n verpleegsters werden op het laatst dol, wanneer ze de muziek alleen maar alweer uit zijn slaapkamer hoorden komen. (...)
Ik kon me niet herinneren ooit eerder van deze film te hebben gehoord en had hem in ieder geval niet gezien.
Ik zal hem ook wel nooit te zien krijgen, dacht ik en dat vond ik vervelend. Want al zou het niet de allemachtig interessante Hughes geweest zijn die hem honderdvijftig keer zich liet afdraaien, maar onverschillig wie, dan zou ik nog hebben willen weten wat de kwaliteiten moesten zijn van een rolprent waar iemand (al was het maar één mens ter wereld) bijkans nooit op uitgekeken was geraakt. In maart 1977 heeft de Franse TV me op mijn onuitgesproken wens bediend: Station Polaire Zebra, een product uit 1968, naar een verhaal van Alistair Maclean. En toen heb ik hem dus gezien, 1 keer, en ik heb geen behoefte aan een tweede keer.” (Pag. 84)
Daarnaast zijn de stukken in het hoofdstuk ‘Dat machtig mooie Nederlands van ons’ over de verschillen tussen het Nederlands in België en die zijn noorderbuur zeer vermakelijk: "Zodra de Nederlander ten zuiden van Roosendaal is doorgedrongen, krijgt hij het gevoel dat hij zich in het buitenland bevindt. (...) De bevolking spreekt een taal waarin heel wat Nederlanders maar geringe overeenkomsten met hun eigen taal ontdekken. Ze halen dus hun laatste resten school-Frans tevoorschijn, zetten feestneuzen op, beginnen een lied te zingen, meegebrachte boterhammen op te eten en zich ongemanierd te gedragen. (...)
Vele Vlamingen vervult dit verschijnsel met zorg.
Zij willen, in cultureel opzicht, door ons niet als buitenlanders worden beschouwd. Waarom niet? Omdat ze zoveel van ons houden? Geenszins.
Een Nederlandse schrijver hoeft maar eens een kritische opmerking over een Vlaamse dichter te maken en er zullen in de Belgische pers bittere beschouwingen verschijnen dat de snoodaard zijn (uiteraard misplaatste) ‘Hollandse superioriteitsgevoelens’ heeft willen botvieren." (pag. 93)
Inmiddels heb ik zijn tweede essaybundel Ik Draag Geen Helm met Vederbos (1979), die omstreeks dezelfde tijd is uitgegeven, alweer bijna uit.
Inhoudsopgave:
Een woordje vooraf 9
Mensbeeld en aanstoot
De Stem des Volks 15
Tien herdersuurtjes 21
Mensbeeld en aanstoot 28
De schipbreuk der bibliofielen 34
Geld stinkt of stinkt niet
De anale analyse van Pierre Rey 47
De Heilige Howard 58
Dat machtig mooie Nederlands van ons
Onze Vlaamse broeders 93
Mogen wij Nederlands schrijven? 96
De ongeöliede pinda's van Hugo Claus 103
Sire! Excellenties! Dames en Heren! 114
De spelling van verspilling 119
Brief aan Dr. L. Craeybeckx 148
Kabeljauw in rode inkt 161
Eventjes evalueren 164
Is het om te huilen? 169
Uitputtend 174
De vijanden van de lagere volksklassen 178
Heldendaden en landverraders
Landverraders aan het woord 187
De SS als amateursport 195
De chassidische bellenblazer, of De demontage van de maatschappij-kritische, gynaecologische, religieuze, historische en literaire stinkbom die Weinreb heette 206 Weinreb en de Nederlandse letterkunde 225
Lou de Jong en de tante van Weinreb 241
Stelselmatig onmethodisch
De pet van Paul Feyerabend 255
De snippers van de schrijftafel 273
Nederlandse leeuwen
Een rechtzinnige zondaar 289
De school van De Schoolmeester 299
De verboden boeken van de Tachtigers 1: Een Liefde 306
De verboden boeken van de Tachtigers II: Pijpelijntjes 315
Van Oudshoorn, wat ik me van hem herinner 323
Opmars der dagboekaniers
Op de hoek van de tafelreeks 343
Opmars der dagboekaniers 348
Bijzonder aardig; prima, prima 366
Herkomst der illustraties 379
Plaatsen en data van eerste publicatie 381
Aantekeningen 383
Register 389