Ik keer graag terug naar schrijvers die me eerder goed zijn bevallen. Erik Vlaminck is daar één van. Zijn karakter staan steevast aan de zelfkant van de maatschappij. Het leven overkomt hen altijd. Ook dit karakter is weer een typisch figuur uit het brein van Vlaminck: Dikke Freddy. Vlaminck heeft een prachtige vorm gevonden van waaruit hij twee kanten van de samenleving tegenover elkaar zet: autoriteit versus gepeupel, macht versus onmacht. Hij laat Dikke Freddy brieven schrijven aan bestuurders, burgemeesters en ministers. Vlaminck schrijft deze columns al vijfentwintig jaar. In deze bundel is Freddy verhuist naar Oostende. Een tipje van de sluier: Dikke Freddy schrijft meteen naar de burgemeester. Na de aanhef is dit de eerste regel:
“Omdat men mijn lichaam meer vocht inneemt dat het afgeeft, noemt men mij Dikke Freddy.”
Freddy beklaagt zich over dure, modieuze urinoirs die in de stad zijn geplaatst. Er zijn “pissijnen” geplaatst die ’s nachts uit de grond komen “om de winkelende madammen niet te verstoren”.
Alles komt samen in één van de laatste zinnen van de brief:
“Meneer de burgemeester, u hebt er geen gedacht van hoe vreugdevol klaterend mijn water stroomt in een pisbak van honderdduizend euro terwijl ik in uw Koningin der Badsteden vanwege administratieve perikelen zelfs niet aan een leefloon geraak.”
De overige brieven verschillen voornamelijk qua inhoud, niet van vorm. Het knappe van de betere brieven is dat ze haarfijn onbenullige en oliedomme bestuurlijke oplossingen blootleggen, oplossingen die de gewone man eerder kwaad dan goed lijken te doen.