menu

Veertien Uilen - Annie M.G. Schmidt (1952)

mijn stem
1,00 (1)
1 stem

Nederlands
Jeugdboek / Gedichtenbundel
Humoristisch

64 pagina's
Eerste druk: De Arbeiderspers, Amsterdam (Nederland)

Gedichten over van alles, bijvoorbeeld het poppenfeest, Heldere Griet, Luilekkerland expres, veertien uilen, de beer uit Breukelen, nieuwjaarsfeest in Hellevoetsluis, zeven mannetjes, Regenpiet, de kerstboom van de kabouters, het mannetje Fop en Joris Pudoris Pudittelman.

zoeken in:
avatar van Ted Kerkjes
1,0
Ted Kerkjes (moderator)
geplaatst:
De kinderpoëzie van Annie M.G. Schmidt #3
Deadlines en onnodige poëzie

Bij mijn stukje over Het fluitketeltje had ik het al even over deadlines:
Ted Kerkjes schreef:
Ik denk dat de gebrekkigheid van veel gedichtjes terug te voeren is op het feit dat Schmidt uiteindelijk ook gewoon een schrijfster was die in opdracht schreef: elk gedicht was gewoon een deadline die ze moest halen, en de ene keer zal ze meer inspiratie hebben gehad dan de andere keer.
Het lijkt misschien of ik problemen heb met schrijven in opdracht of zo, maar dat is niet zo. Eigenlijk vind ik het ergens zelfs een sympathiek idee. Het druist natuurlijk wel in tegen het (romantische) beeld van de kunstenaar die de “aller-individueelste expressie van de aller-individueelste emotie” nastreeft, maar ik heb eerlijk gezegd heel weinig op met dat idee van kunstenaarschap. Ik vind dat die opvatting op een irritante manier de kunstenaar centraal zet in plaats van het werk zelf. Ik bedoel, je kunt heel autonoom en individueel jouw gevoelens verwoorden, maar dat is zeker geen garantie voor goede kunst. Bij het werken in opdracht staat daarentegen juist het werk zelf centraal, en dat bevalt me veel meer. Ik snap overigens ook wel waarom het voor veel mensen een vieze bijsmaak heeft: bij werken in opdracht verwordt kunst immers tot een product. Maar daar vind ik an sich niet zoveel mis mee. Dat romantische ideaal (of beter gezegd: dat Tachtigers-ideaal) van de kunstenaar die naar de “aller-individueelste expressie van de aller-individueelste emotie” streeft vind ik erg naïef en suf. Volledige autonomie bestaat niet: niet in de kunst en zeker niet daarbuiten. (Micha Wertheim heeft daar ook een ge-wel-dig stukje over in, volgens mij, Micha Wertheim voor zichzelf.)

Dit stukje is nu al heel langdradig, dus laat ik nu maar snel naar de Veertien uilen toewerken.

Annie M.G. Schmidt schreef haar kinderpoëzie in opdracht van Het parool: ieder gedichtje was dus een deadline. Zoals ik hierboven al heel omslachtig schreef, vind ik dat niet erg, maar veel gedichtjes in deze bundel maakten op mij een erg afgeraffelde indruk. Of het werken in opdracht daar de oorzaak van is, weet ik natuurlijk niet, maar die indruk kreeg ik wel. Dit vermoeden wordt ook wel enigszins bevestigd in de autobiografische bundel Wat ik nog weet. In dat boek is een column opgenomen die de totstandkoming van ‘Luilekkerlandexpres’, één van de versjes in Veertien uilen beschrijft. In september 1951 werd Annie Schmidt door haar moeder opgebeld: haar vader lag op sterven. Hij was buiten bewustzijn en lag in bed te reutelen.
‘Ik blijf wel bij ‘m,’ zei ik. ‘Ga een beetje slapen, je bent doodop.’
(…)
Ik haalde m’n blocnote en pen uit m’n tas.
Morgen moet ik m’n versje voor Het Parool inleveren, dacht ik. Dat moet ik dus hoe dan ook vannacht schrijven. En ik begon aan het versje over kinderen die eigenlijk door de rijstebrijberg moeten heen eten, maar dat niet hoeven omdat ze in een bus zitten die er dwars doorheen rijdt.
(…)
Toen, al schrijvend aan dat versje, voelde ik geen verdriet of spijt of schuldgevoel, alleen maar een dwangmatige werking van m’n hersens als ze rijmwoorden moeten zoeken.
Toen het versje af was hield het reutelen op.
Schmidt schrijft dat ze altijd een moeilijke relatie met het versje heeft gehad, er lag een “taboe” op. Of dat met schuldgevoel te maken had of met de kwaliteit, staat in de column nergens expliciet toegelicht, maar het lijkt erop dat het een combinatie van beiden is.
Het versje wou ik nooit meer lezen. Tot nu. Niet zo best, maar ach… gezien de omstandigheden.


Zoals ik bij Het fluitketeltje ook al schreef, zijn Schmidts muzikale, korte gedichtjes vele malen geslaagder dan haar langere, verhalendere gedichten. Helaas vallen veruit de meeste gedichten in Veertien uilen in de tweede categorie: bijna alle versjes zijn ellenlange, ietwat krakkemikkige verhaaltjes. Soms zijn die gedichten nog wel gebaseerd op een aardig idee, maar dan weet Schmidt het wat mij betreft gewoon niet zo grappig op te schrijven. Een voorbeeld hiervan is 'De baard van koning Dagobert': dit gedicht gaat over een koningin die reuzetrots is op de baard van haar man, die volgens haar de langste is. Maar dan ontvangt ze op een dag een brief van een koningin van een naburig land die stelt dat haar man toch echt een langere baard heeft. Dit resulteert in een soort dick-measuring contest, wat ik wel geestig vond. Helaas is het gedicht zelf niet zo geestig, want Annie Schmidt lijkt zich soms gewoon geen raad te weten met het rijm en metrum, waardoor het geen light verse wordt, maar gewoon rijmend proza. (Het gedicht duurt ook meer dan vijftig lange versregels.) Eigenlijk kan ik mij wat de lange verhalende gedichten betreft wel vinden in de befaamde kritiek van Adriaan Morriën. Hij schreef:
Bekijkt men haar werk met het roofdierenoog van de gedresseerde kritikus, dan vindt men weinig dat stand houdt. Annie M.G. Schmidt heeft voor haar ontboezemingen niet een overrompelende originele vorm gevonden, zoals Kees Stip die bijvoorbeeld wel gevonden heeft. Haar teksten zouden evengoed in proza geschreven kunnen zijn.
Wat de lange gedichten van Schmidt betreft, heeft Morriën hier wel een punt, vind ik.

Maar gelukkig zijn er ook wel gedichten te vinden die ik wel geslaagd vind. Het hoogtepunt van de bundel is voor mij 'Een hoed met gele pluimen', toevallig (?) wederom een gedichtje dat op muziek is gezet. Het gaat over "juffrouw Diewertje D. Duimen" die altijd haar hoed met gele pluimen draagt, tot deze echter op een stormachtige dag van haar hoofd gewaaid wordt. Met haar hoed lijkt ze ook haar identiteit verloren te zijn: ze weet niet meer wie ze is en zelfs haar omgeving wijst haar af:
nee, juffrouw, het spijt ons zeer
maar wij kennen u niet meer.
Het gedichtje is ook goed te lezen als een satire op uiterlijk vertoon en burgerlijkheid: tussen de regels lees je dat juffrouw Diewertje D. van Duimen een deftige juffrouw is die met haar hoofddeksel een zekere sociale status heeft. Het grappigste vind ik overigens het stukje dat ik hierboven citeerde, de reactie van haar omgeving: "wij kennen u niet meer". Die reactie impliceert dat ze haar wel degelijk ooit hebben gekend, en daarmee vallen ze dus door te mand. Bovendien zeggen ze niet "herkennen", maar "kennen". Ze willen haar dus niet meer kennen, Diewertje D. van Duimen heeft met haar hoed haar sociale status verloren. Dat gedichtje vind ik bijzonder grappig en scherp. En nodige poëzie.

Voor de liefhebbers is hier is een uitvoering van dit liedje te vinden, door niemand minder dan de Leidse Sleuteltjes: Een hoed met gele pluimen (1963). (Kenners zullen weten dat de Leidse Sleutels er nooit voor terugdeinsden om hun publiek te confronteren met subversieve nummers vol messcherpe maatschappijkritische themathiek.)

Gast
geplaatst: vandaag om 17:12 uur

geplaatst: vandaag om 17:12 uur

Let op: In verband met copyright is het op BoekMeter.nl niet toegestaan om de inhoud van externe websites over te nemen, ook niet met bronvermelding. Je mag natuurlijk wel een link naar een externe pagina plaatsen, samen met je eigen beschrijving of eventueel de eerste alinea van de tekst. Je krijgt deze waarschuwing omdat het er op lijkt dat je een lange tekst hebt geplakt in je bericht.

* denotes required fields.

Let op! Je gebruikersnaam is voor iedereen zichtbaar, en kun je later niet meer aanpassen.

* denotes required fields.