Het boek lijkt vrij kort, en is dat ook. Desalniettemin neemt Elsschot al z’n tijd om alle beweegredenen van een in wording zijnde kaaskoopman te belichten. ’t Is niet iedereen op het lijf geschreven om een succesvol zakenman te worden, en dus kan men zich maar beter goed voorbereiden.
De kaas is slechts bijzaak. Elsschot kon het personage ook in vis laten handelen, maar dat bewaard natuurlijk niet zo lang als kaas. Tenzij het om gerookte haring zou gaan. Maar zulke titel bekt dan weer zo lekker niet als ‘kaas’.
In het boek heerst constant dezelfde sfeer. Het hoofdpersonage is vanaf pagina 1 constant druk bezig met allerlei zaken: hij gaat naar zijn elitaire bijeenkomstjes, gaat de kaas bestellen, wacht tot de kaas geleverd wordt, selecteert zijn agenten, …... Een gezellige drukte.
Ondanks die drukte is het boek haast altijd optimistisch en blijft het hoofdpersonage enthousiast. Zelfs in het begin van het boek, wanneer de moeder van het hoofdpersonage het loodje legt, kan je totaal geen empathie opbrengen voor dat mens. Niet zo zeer omdat oudjes automatisch grappig zijn, maar wel omdat Elsschot zelf de meest netelige situaties op zulke ondeugende en stiekeme manier vertelt dat het grappig wordt, en je het gevoel hebt dat er achter de dood van dat mens iets goeds schuilt.
Halverwege het boek - ergens tussen de keuze van het behangpapier en de aankoop van de schrijftafel - heb je al door dat het boek enkel
met een sisser kan aflopen, en dat er bitter weinig kaas zal verkocht worden. Dat er op het einde ook niet meer gebeurt dan wat op voorhand te voorspellen was, is een teleurstelling.
Het beste stuk van het boek is het stuk voor het einde, waar Laarmans tot de conclusie komt dat er voor hem
geen toekomst is weggelegd in de kaas. Het is de enige moment waar z’n enthousiasme even plaats moet maken voor een gevoel van schaamte en nederigheid. Zijn eer is verpletterd door de kaas.
Een stukje:
[i]Maar waarom heb ik het dan gedaan? Ik walg van kaas. Ik heb nooit verlangd kaas te verkopen. Kaas gaan kopen in een winkel vind ik al erg. Maar met een kaasvracht ronddolen en smeken tot een christenziel die last van je schouders neemt, dat kan ik niet. Dan liever dood.
Waarom heb ik het dan gedaan? Want het is geen nachtmerrie maar bittere werkelijkheid. Ik had gehoopt de kazen in die patentkelder voor eeuwig te begraven, maar ze zijn losgebroken, spoken mij voor de ogen, drukken op mijn ziel en stinken.”
Hierboven zie je ook duidelijk in de typische Elsschotstijl. Geen lang uitgesponnen zinnen, maar kort en krachtige zinnetjes. Het geheel komt zelf speels over.
Het onvermijdelijk voor een boek van Elsschot: Er moet gewoon een link zijn met z’n andere boeken. In dit boek is dat niet alleen Laarmans, die de hoofdrol heeft, maar ook Boorman komt even voorbij in een figurantenrol. Ergens vind ik dat wel vreemd: Laarmans zou Boorman toch al moeten kennen van de gebeurtenissen in ‘Lijmen’?
Een leuk en [i]cheesy[i] boekje, maar met een einde dat toch wat tekort komt om er voor te zorgen dat ik het boek nog dagenlang in me draag.

3,5*