menu

Min Kamp. Sjette Bok - Karl Ove Knausgård (2011)

Alternatieve titel: Vrouw

mijn stem
4,05 (10)
10 stemmen

Noors (Bokmål)
Autobiografisch / Ideeënliteratuur

1440 pagina's
Eerste druk: Oktober, Oslo (Noorwegen)

In dit deel kijkt de schrijver terug op zijn enorme literaire project. Waarom schreef hij zo onverholen over zichzelf en zijn familie? Wat zijn hiervan de consequenties geweest? Komen zijn herinneringen wel met de werkelijkheid overeen? Op deze belangrijke vragen tracht Knausgard in het eerste gedeelte van dit boek op een eerlijke en open wijze een antwoord te vinden. Het tweede deel bevat Knausgards gedachten over literatuur, taal, geschiedenis, Hitler en het nazisme, en de gruwelijke gebeurtenissen op Utoya. Daarnaast reflecteert hij op de kracht van woorden en de relatie tussen mens en realiteit. Al deze universele onderwerpen worden bijeengebracht tot een diepgaande persoonlijke ervaring wanneer Knausgard over zijn manisch-depressieve vrouw Linda schrijft.

zoeken in:
avatar van liv2
Laatste deel (en het aantal pagina's is geen vergissing.....)

avatar van Abubakari
Waarom schreef hij zo onverholpen over zichzelf en zijn familie?

Moet dat niet onverholen zijn? Of is zijn schrijfstijl nogal belabberd en is het onbeholpen?
Of hij schrijft onverholen en onbeholpen, kortom onverholpen.

avatar van Lalage
1440 pagina's en dat is dan deel 6, het lijkt wel op Het Bureau.

avatar van liv2
Abubakari schreef:
(quote)

Moet dat niet onverholen zijn? Of is zijn schrijfstijl nogal belabberd en is het onbeholpen?
Of hij schrijft onverholen en onbeholpen, kortom onverholpen.


Het moet idd onverholen zijn. Dit is een fout van mij want ik nam de tekst eigenhandig over uit de prospectus. Dus Knausgard valt niets te verwijten, liv2 daarentegen.....

Dit klinkt meer als een essay over de (autobiografische) romancyclus Mijn Strijd dan als een deel van die reeks. Weet iemand hier al of dat inderdaad zo is, of Deel 6 op dezelfde voet verder gaat?

avatar van liv2
****

Het leven van Karl Ove Knausgård wordt beheerst door zijn allang overleden dominante, kille vader. De enige manier om zich van hem te bevrijden, is door in manisch tempo te schrijven. 'Vrouw', het laatste deel van zijn serie 'Mijn strijd', is essayistischer dan ooit.

Volkskrant recensie

avatar van liv2
Volgens De Standaard

*****

Het slotdeel van de cyclus waarin de schrijver reflecteert over de andere delen en zijn verweving van beschrijving en reflectie tot nieuwe hoogten stuwt. Een briljant verslag van een glorieus verloren strijd

De toekomst brengt iets anders. In zijn slotzin zweert Knausgård na zijn 'mislukt' experiment het schrijver-zijn af. Hij wil de fictie uit, het leven in. Dat wil zeggen: hij zal niet meer beschrijven, alleen nog reflecteren....

avatar van Theunis
4,5
Hoe ver kan een schrijver gaan in het beschrijven van zijn eigen leven? Hoeveel waarheid kan zijn omgeving aan? Wanneer heb je het punt bereikt waarop je niet de volledige waarheid meer kunt vertellen, waarop je concessies moet doen? Karl Ove Knausgård zal zichzelf die vragen tijdens het schrijven van de Mijn Strijd reeks veelvuldig hebben gesteld. Zijn eigen antwoord zal meestal geweest zijn dat er geen grens is, dat je nooit concessies mag doen. Dat bleek lastig te zijn. Door druk van buitenaf heeft hij noodgedwongen een aantal passages geschrapt en een aantal namen veranderd. Maar hij heeft het tot een minimum weten te beperken, want hij heeft geschreven wat hij wilde schrijven: de waarheid. En hierin heeft zichzelf en zijn omgeving alles behalve gespaard. Je leest niet zomaar een lijvig boek over het leven Karl Ove Knausgård, nee, je kruipt onder z’n huid, voelt de pijn, het verdriet, de frustratie en ook, al zijn ze sporadisch, de korte moment van vreugde. Als lezer ben je voortdurend pijnlijk dichtbij. En toch, toch blijft het wonderbaarlijk dat ik als lezer ook aan het einde van het zesde deel van de reeks, als ik richting de 4000e pagina ga, wil blijven doorlezen. Alsof het een verslaving is, waar ik nu al schrijvend van probeer af te kicken. Hoe komt dat? Om die vraag te beantwoorden moeten we de diepte in.

De waarheid gebiedt mij te zeggen dat ik niet alle boeken achter elkaar heb gelezen. Hoe goed de reeks ook is, op een gegeven moment heb je even afstand nodig, zoals je in je eigen leven soms ook even de ruimte moet zoeken om jezelf weer te vinden. Het eerste boek van de reeks las ik al in de vroege zomer van 2014 en boek vijf had ik eind 2015 uit. Dus dit laatste deel, Vrouw, heb ik een tijdje links laten liggen. Ik had wel even genoeg van Knausgård. Bovendien was dit laatste deel het meest lijvige boek en om me heen hoorde ik geluiden dat er moeilijk doorheen te komen was. In het midden van het boek zou een essay van honderden pagina’s staan over Hitler en je moet je er echt even doorheen willen bijten. In november was ik in de bibliotheek, op zoek naar een dik boek. Ik had zin om me ergens in onder te dompelen. Toen mijn oog op de boeken van Knausgård viel wist ik genoeg.

Vanaf het begin sleurde Knausgård me meteen zijn leventje in:

De eigen kleine hel van de kleine man, zo klein dat ze eigenlijk niet genoemd mocht worden, terwijl ze aan de andere kant alles overheerste.

Knausgård schrijft over het halen en brengen van de kinderen naar de crèche, het schrijven in de tijd tussen het halen en het brengen in en het belangrijkste dilemma in het begin van het boek: de dreigende taal van zijn Gunnar, zijn oom. Gunnar heeft het eerste boek gelezen en dreigt met stappen omdat er volgens hem weinig van klopt. Bovendien bezorgt hij zijn familie een slechte naam. Knausgård vraagt zich af wat hij moet doen, is bang, belt veel met de uitgever. Als lezer leef je met hem mee, met zijn onzekerheid. Je vraagt je af of hij te ver is gegaan in zijn beschrijvingen, of hij de werkelijkheid misschien, bewust of onbewust, verdraaid heeft. Je denkt na over hoe herinneringen gekleurd worden door de tijd die er overheen is gegaan en in hoe het komt dat de waarheid van zijn oom een totaal andere is. De tijd doet iets met de vroegere werkelijkheid, waardoor het verleden soms een andere lading krijgt, een lading die het in het toenmalige heden niet had, of zoals Knausgård het beschrijft:

Dat wat toentertijd zonder betekenis was, licht als lucht, een reeks gebeurtenissen die op dezelfde manier verdwenen als het donker ’s ochtends, zou over twintig jaar beladen zijn met het lot.

Het is de combinatie van deze overpeinzingen en de gedetailleerde beschrijvingen van het kleine leventje van Knausgård die het boek een prachtige dynamiek geven. De details zijn rauw, zonder beeldspraak, zelfkritisch, gevoelig. Zoals wanneer Knausgård beschrijft hoe het is als de kinderen bij hem zitten als hij een boekje voorleest terwijl het buiten onweert.

Die drie kleine, ademende lijven dicht tegen me aan, verdiept in het verhaal. Het gerommel aan de hemel, dat steeds dichterbij kwam. Het geroffel van de regen op het balkon en beneden op de markt. Hun onschuld, het pure en mooie dat ze hadden.

Daarnaast zijn er de gedachtekronkels die tot in de diepste dieptes reiken. Over de functie van de kunst: het voorkomen dat de werkelijkheid, dat was onze voorstelling van de wereld is, samenvalt met die wereld. Over het christendom. Over de illusie van de unieke ik. Over zijn eigen onzekerheid. Over verenigingen, organisaties en bonden die de zwakte van de enkeling moeten elimineren. Het is alsof je als lezer in de duinen fietst: het ene moment moet je je best doen om omhoog te komen en als je dan op die top staat, trots en genietend, kun je jezelf weer gewichtloos naar beneden laten vallen, totdat de volgende hobbel zich aandient.

De grootste hobbel was het middengedeelte, het essay over dat andere Mijn Strijd boek: Mein Kampf van Adolf Hitler. Dit gedeelte begint met een uiteenzetting van het gedicht van Paul Celan over tientallen pagina’s. Ik haakte bijna af. Het zal om iets wezenlijks zijn gegaan en dit komt op het einde van het essay ook terug, maar ik kon mijn aandacht er niet bijhouden. Maar o, wat was ik blij dat ik door ben gaan lezen, want even verderop wist Knausgård me weer volledig te pakken. Knausgård schrijft in dit gedeelte en biografie over de jonge Hitler, de Hitler die op weg is op uiteindelijk de geliefde en later gevreesde Führer te worden. Maar, schrijft Knausgård, wij kijken met de werkelijkheid van het heden. In de wetenschap van wat hij op latere leeftijd heeft gedaan, is het moeilijk voor ons om onbevangen naar de jonge Hitler te kijken. Maar dat is precies wat Knausgård wel probeert te doen. Knausgård herkent veel van zichzelf in de jonge Hitler: de zoektocht naar een bepaalde afstand, de liefde voor kunst, de moeilijke relatie met zijn vader. Knausgård zoekt naar de toenmalige werkelijkheid en probeert te begrijpen, werkelijk te begrijpen hoe het zover heeft kunnen komen dat Hitler zover heeft kunnen afglijden. Hij citeert wat Hitler over zichzelf schreef in Mein Kampf, maar gebruikt ook citaten uit biografieën en dagboeken van mensen die dichtbij hem stonden. Wat opvalt zijn de merkwaardige karaktereigenschappen van Hitler: de woede-uitbarstingen, de onzekerheid, het niet openstaan voor enige vorm van correctie, het zichzelf toe-eigenen van vrienden. De gedachtes van Hitler zijn beperkt vindt Knausgård. Ze blijven binnen de cultuur hangen waarin hij leeft, vol vooroordelen en algemene inzichten, halve waarheden, geruchten en gangbare onbetrouwbaarheden. Ze zijn vaak afkomstig uit populistische tijdschriften uit die periode. Het niveau in Mein Kampf was volgens Knausgård zo laag zodat je er geen argumenten tegenin kon brengen. Dat had totaal geen zin.

Af en toe kwam de huidige werkelijkheid tijdens het lezen wel erg dichtbij. Bijvoorbeeld als Hitler in 1922 het volgende over de politieke partijen van toen zegt:

Die zijn te professioneel, te academisch. De man in straat kan ze niet volgen en wordt zo vroeg of laat het slachtoffer van de onzinnige methodes van de communistische propaganda.

Ik moest denken aan het opkomende populisme overal ter wereld. Knausgård lijkt te willen waarschuwen, te willen aantonen hoe belangrijk het is om te leren van wat er toen niet goed is gegaan. Dit kan alleen met het schrijven van de toenmalige werkelijkheid. Knausgård laat zien hoe dat niet moet. Bijvoorbeeld door te laten zien dat de gelauwerde Hitler biograaf Kershaw vaak vooringenomen heeft geschreven over Hitler. Hij zet beschrijvingen van ooggetuigen naast de gekleurde beschrijvingen van Kershaw en toont glashelder aan dat Kershaw zijn eigen gedachtes over Hitler projecteert op de tekst. Knausgård benoemt het gevaar hiervan. Want op deze manier proberen we Hitler buiten onze menselijke werkelijkheid te zetten, zegt hij, alsof hij geen mens was, alsof hij onmenselijk was. Hoe onwaar is dat! En hoe gevaarlijk is dat! Hij was immers een mens. Hij had zijn dromen, angsten, onzekerheid. Hij was menselijk, maakte fouten die wij ook maken en die anderen in machtsposities ook maken. Als we die menselijkheid niet durven te verwoorden, als we niet willen onderzoeken hoe logisch het is dat Hitler uiteindelijk de macht kon grijpen, als dat een taboe blijft, dan zullen we nooit leren van het verleden en dan kan ons hetzelfde weer overkomen, hoe onwerkelijk dit voor velen ook lijkt. We weten dat het Hitler uiteindelijk lukt om de macht te grijpen, ook al blijkt dat er veelvuldig wordt gewaarschuwd over zijn gedachtegoed. Maar de mensen zien het niet, ze staren zich blind op Hitlers onweerstaanbare charisma en zijn ongeëvenaarde toespraken. Mensen hebben hem nodig. De tijd lijkt hem nodig te hebben. De tijdgeest, vol wantrouwen richting de gevestigde orde, roept om autodidactische leiders die zeggen wat de mensen willen horen. En daar is dan Adolf Hitler die het antwoord heeft. Zelfs de grootste denkers van die tijd lopen achter hem aan. Waarom zou dat ons niet kunnen overkomen? Waarom zouden wij niet blind achter een leider aan kunnen lopen. De schrik slaat me verderop in het essay om het hart als Knausgård schrijft dat de dialectiek die Hitler gebruikte, die van de manipulatie en de propaganda, bij ons alleen zichtbaar is in de reclamewereld en dat het dus “naar een ongevaarlijk deel van de maatschappij is verbannen”. Is dat zo? vraag ik me dan af. Nee, inmiddels niet meer. Het boek is een aantal jaartjes oud en deze conclusie van Knausgård lijkt al gedateerd. De opkomst van het populisme, de bubbel van de sociale media, het nepnieuws, het presidentschap van Trump. Het is snel gegaan.

Ook in het essay komt Knausgård dus ook terug op de waarheid, de werkelijkheid, de realiteit. Als hij het over lichaam, het bloed en de dood heeft, als hij het over de werkelijkheid heeft in de biografie van Kershaw, als hij de opkomst van Hitler werkelijk probeert te begrijpen. Dit is het grote thema, de link tussen zijn eigen biografie en het essay en misschien daarom wel zo wezenlijk en krachtig: Knausgård zoekt de absolute waarheid, het eigene en laat al het andere wat wij er als mensen aan toevoegen, om troost te bieden, om de werkelijkheid mooier te maken dan het is, al dat andere laat hij weg. Iedereen heeft zijn eigen waarheid, en de waarheid die Knausgård beschrijft zal door iemand uit zijn omgeving, weer anders worden bekijken. En dat is ook zo. De relatie met zijn schoonmoeder is veranderd. Linda, zijn vrouw, heeft zijn diepste gevoelens over haar gelezen, gevoelens die je misschien anders voor jezelf houdt. Ook dit heeft consequenties. Knausgård vraagt zich ergens af wat hij zijn kinderen eigenlijk aandoet met het schrijven van deze biografie. Zij zullen mogelijk later alles lezen over hun eigen kleine leventjes, maar ook over hun zieke moeder en vooral over hun vader. Zullen ze begrijpen wat hij heeft geschreven?

Ook al zegt hij op het einde van het boek dat hij blij is dat hij klaar is, dat hij geen schrijver meer hoeft te zijn, toch zegt hij eerder dat hij dit moest doen. Hij moest opschrijven wat hij dacht en mocht niets overslaan, anders was het geen werkelijke autobiografie. En dan ben ik terug bij de vraag die ik in het begin stelde: waarom ik in hemelsnaam maar bleef doorlezen. Het is die waarheid, die niet alleen louterend was, maar bovenal onweerstaanbaar bleek. In een tijd waarin alles leuk moet zijn, snel moet gaan, groots is, is goede kunst het tegenovergestelde en dat is dus wat het is: weergaloze literatuur.

In het laatste gedeelte keert Knausgård terug naar zijn eigen dagelijkse, kleine werkelijkheid. Op pijnlijke wijze beschrijft hij het ziekteproces van zijn vrouw Linda. Ze is manisch depressief en dat wordt in detail beschreven. Het gaf me regelmatig een brok in de keel.

Naarmate ik dichterbij het einde kwam kon ik me maar moeilijk voorstellen dat het hiermee zou eindigen. Ik betrapte mezelf erop dat ik nieuwsgierig werd naar hoe het verder zou gaan. Ik ging een grens over, dacht ik. Ik was het slachtoffer van verslavend soort voyeurisme. Af en toe legde ik het boek even weg. Een keer tijdens het wegleggen pakte ik mijn telefoon en ik zocht op of er inmiddels nieuwe autobiografische werken van Knausgård waren uitgebracht. Ik las eerder dat hij klaar was met schrijven, dat de Mijn Strijd reeks de laatste was, maar de tijd maakte die conclusie tot een leugen: inmiddels zijn er weer een paar autobiografische boeken van hem verschenen. Hij was nog niet klaar en ik ook nog niet. Rest mij de volgende vraag waarover de tijd maar moet gaan oordelen: hoeveel waarheid kunnen we nog aan?

Gast
geplaatst: vandaag om 05:31 uur

geplaatst: vandaag om 05:31 uur

Let op: In verband met copyright is het op BoekMeter.nl niet toegestaan om de inhoud van externe websites over te nemen, ook niet met bronvermelding. Je mag natuurlijk wel een link naar een externe pagina plaatsen, samen met je eigen beschrijving of eventueel de eerste alinea van de tekst. Je krijgt deze waarschuwing omdat het er op lijkt dat je een lange tekst hebt geplakt in je bericht.

* denotes required fields.

Let op! Je gebruikersnaam is voor iedereen zichtbaar, en kun je later niet meer aanpassen.

* denotes required fields.