Wat literatuur verplicht is aan zichzelf: de realiteit zoals de lezer die meent te kennen uitdagen, bevragen, zodanig omspitten dat boven onder wordt, en onder boven.
Met ‘Jij zegt het’ geeft Connie Palmen martelaar Ted Hughes een stem, hij die zich na het overlijden van zijn wederhelft Sylvia Plath in diep stilzwijgen hulde, tot vlak voor zijn dood. In de ogen van de literaire goegemeente was Hughes’ principiële stilte een schuldbekentenis. Palmen ziet andere mogelijke motieven, zoals daar zijn: het sparen van de twee overblijvende kinderen, een gebrek aan energie in de jaren na Plaths dood, of zelfs het willen verhinderen dat zijn wederhelft (die haar hele leven naar roem en erkenning had gehunkerd) postuum van haar voetstuk zou vallen.
Ontnuchterend is ‘Jij zegt het’ zeker. Plath wordt neergezet als pathologische psychiatrie uit de tekstboeken, iets als een kruising tussen manische depressie en borderline persoonlijkheidsstoornis. Zij strikt haar man, die oorspronkelijk geniet van zijn messiascomplex, meer en meer in de mazen van haar hysterische grillen. Hij leert af haar waanideeën te bestrijden, vanuit de ervaring dat elk wederwoord olie op het vuur is. Het vervreemdt hem van haar nog terwijl ze samen zijn, en het distantieert hem van zijn innerlijke stem, kortom zijn artistieke identiteit komt onder druk te staan. Geen wonder dat een scheve schaats lonkt.
En toch! Nog voor hij er heus en wel iets buitenechtelijk op na houdt, is het alweer Plath die hem nota bene zelf de deur wijst, en vervolgens compleet demoniseert bij haar omgeving. Terwijl hij blijft geloven in een mogelijke verzoening, zakt zij weg in een morbiditeit waartegen alleen hij het antigif was, is, kan zijn. Met hem neutraliseert Plath haar enige kans op redding, kortom zij pleegt in letterlijke zin de moord op zichzelf. In een huiveringwekkend slot beschrijft Palmen hoe Hughes gebroken achterblijft. Het gekonkel der intriganten en de achterklap van de roddelpers moet dan nog beginnen…
Palmen beschrijft het allemaal in genadeloos efficiënte taal, stilistisch rijk aan beelden en ideeën. De korte alinea’s vertellen niet alleen over de neergang van twee onlosmakelijk verbonden zielen, maar mediteren ook over kunstenaarschap, over tijd, over de botsing der culturen, over het ons-kent-ons van het artistieke circuit, en ga zo maar door.
Beknopt, doch ontzettend krachtig. Finaal trouwens een roman die geen absolute waarheid predikt, maar veeleer nuance toevoegt aan historische ‘feiten’ waarvan het kompas tilt sloeg, omdat Plath nu eenmaal niets verkeerd kon hebben gedaan volgens haar duizenden en duizenden adepten. Simultaan een roman die zowel Plath als Hughes overstijgt, omdat Palmen de universele menselijke natuur en de strijd der seksen onder de loep neemt.
Weergaloos!
4,25*