Jij Zegt Het - Connie Palmen (2015)
Nederlands
Waargebeurd
210 pagina's
Eerste druk: Prometheus,
Amsterdam (Nederland)
Ted Hughes en Sylvia Plath vormen het beroemdste liefdespaar uit de moderne westerse literatuur. In 'Jij zegt het' geeft Connie Palmen de in 1998 overleden Ted Hughes een stem. Ze laat hem terugkijken op zijn gepassioneerde huwelijk dat op 11 februari 1963 eindigt in de zelfmoord van zijn vrouw, en op zijn leven dat vanaf dat moment door deze dood wordt beheerst. In de talloze biografieën krijgt zij de status van martelares, hij die van verrader en moordenaar, beschimpt door wildvreemden en aangeklaagd door mensen die hij als vriend beschouwde.
***
Er blijft iets wringen. Palmen transformeert een persoon in een personage, maar baseert zich om dat personage vorm te geven op feiten uit het leven van de persoon. Dat maakt dit boek tot een zoveelste toevoeging aan de voyoristische literatuur over Plath en Hughes
De foto op de omslag is gemaakt door ondergetekende...
Mooie foto en mooie opdracht! De cover voor een boek van Connie Palmen mogen maken is wel bijzonder, het betreft toch wel een groot publiek!
Maar een vraagje: Ik heb het boek niet gelezen, daardoor kan ik het beeld niet zo goed associëren met de plotomschrijving.
Kan jij hier iets meer over zeggen?
Mooie foto/cover! Ik heb het boek bijna uit.Waar ik op gehoopt had was een soort van hommage aan de twee dichters, gelardeerd met een paar filosofische overpeinzingen, maar helaas. Ik ben er voorlopig weer even klaar mee met de boeken van Madam Sherry.
en ja hoor!
Connie Palmen wint de Libris Literatuur Prijs 2016 met "Jij zegt het" - deredactie.be
Ik weet absoluut zeker dat Plath dit nooit gezegd heeft, ook niet privé. Het is iets wat Palmen zelf vindt (van de poëzie van Sexton). En dat irriteert me zo aan dit soort biografische fictie. Een hoop is er van waar, maar een hoop ook niet. Dit wilde ik even gezegd hebben.
Afijn, heb nu de eerste 126 bladzijdes gelezen van de vuistdikke Plath-biografie De Rode Komeet en ben inmiddels aanbeland bij het jaartal 1946, de eerste veertien levensjaren van Plath zitten erop en ik kan niet anders zeggen dan dat ik het een zeer indrukwekkende biografie vind.
Maar Palmen geeft er weer zo'n dramatische wending aan, dat Plath tegen haar man Ted Hughes gezegd zou hebben dat ze Sexton in gesprekken steeds vaker betrapte op gebrek aan eruditie en dat ze haar poëzie weliswaar goed vond maar ook te licht.
Even iets rechtzetten hier en wat nuance aanbrengen. Want hoewel Plath dit nooit over haar collega gezegd heeft, voor zover ik weet, heeft ze ooit wel het volgende over Anne Sexton gezegd: "Ze heeft heel goede dingen geschreven, en ze worden beter, maar er is ook een hoop losse rommel bij."
Uit Plaths biografie 'Red Comet' heb ik nu begrepen dat deze opmerking van Plath geen verrassing was.. gezien haar 'New Critical' neigingen, waar ze zich nog niet van had ontdaan.. Ze herkende Sextons revolutionaire talent pas op het moment dat ze haar formalistische tics probeerde af te schudden.
Later aanbad ze Sexton. In haar dagboek schreef ze, over haar dichtbundel The Colossus: 'Te geforceerd en te retorisch. Een blad uit Anne Sextons bundel zou daar goed zijn.' In 1962 kreeg ze van Sexton een exemplaar van haar dichtbundel 'All My Pretty Ones toegestuurd. In een brief aan Sexton liet ze weten: 'Het is buitengewoon vrouwelijk in de beste zin van het woord, en zo heerlijk onliterair.' Hughes heeft zelfs toegegeven dat ze zonder Robert Lowell en Anne Sexton nooit zou hebben geschreven wat ze uiteindelijk schreef.
Maar door de terloopse opmerking van Plath in dit boek en dat daar verder ook geen aandacht aan wordt besteed wekt Connie Palmen de indruk dat Plath misschien neerkeek op Sexton of zelfs jaloers op haar was, en dat is zeker niet het geval. Verschillen waren er wel natuurlijk: Plath was een academisch opgeleide dichter, Sexton een intuïtieve.
Tussen Plath en de dichteres Marianne Moore was er overigens wel wat wrijving, want Moore mocht Plath niet zo. In een brief aan de uitgever noemde ze Plaths gedichten 'bitter, frigide, uitgeblust, afkerig'. Plaths reactie daarop: 'Het spijt me dat Miss Moore de duistere kant van het leven schuwt, zodanig dat ze vindt dat er noch goede noch genietbare poëzie uit kan voortkomen. Ze schuwt, zoals ik weet, ook de seksuele kant van het leven.'
Hahaha catfight!


Tussen Plath en de dichteres Marianne Moore was er overigens wel wat wrijving, want Moore mocht Plath niet zo.
Haha, hier ben ik weer... Tadah!
Palmen besteedt ook zeker wel aandacht aan Marianne Moore, hoor, 2 pagina's lang maar liefst! De ik-verteller, Ted Hughes dus, vertelt dat zijn vrouw Sylvia ooit een aantal gedichten had opgestuurd naar Moore, met het verzoek om een aanbeveling voor een werkbeurs, maar haar gedichten werden enkele weken later minzaam retour gezonden.
Dan zegt, of beter gezegd denkt Hughes: "Vanaf dat moment had ik die ouwe taart gehaat en verbannen naar de derde kring van Dantes hel."
Vreselijk mens trouwens die Marianne Moore.
Kudos voor Palmen!
Met ‘Jij zegt het’ geeft Connie Palmen martelaar Ted Hughes een stem, hij die zich na het overlijden van zijn wederhelft Sylvia Plath in diep stilzwijgen hulde, tot vlak voor zijn dood. In de ogen van de literaire goegemeente was Hughes’ principiële stilte een schuldbekentenis. Palmen ziet andere mogelijke motieven, zoals daar zijn: het sparen van de twee overblijvende kinderen, een gebrek aan energie in de jaren na Plaths dood, of zelfs het willen verhinderen dat zijn wederhelft (die haar hele leven naar roem en erkenning had gehunkerd) postuum van haar voetstuk zou vallen.
Ontnuchterend is ‘Jij zegt het’ zeker. Plath wordt neergezet als pathologische psychiatrie uit de tekstboeken, iets als een kruising tussen manische depressie en borderline persoonlijkheidsstoornis. Zij strikt haar man, die oorspronkelijk geniet van zijn messiascomplex, meer en meer in de mazen van haar hysterische grillen. Hij leert af haar waanideeën te bestrijden, vanuit de ervaring dat elk wederwoord olie op het vuur is. Het vervreemdt hem van haar nog terwijl ze samen zijn, en het distantieert hem van zijn innerlijke stem, kortom zijn artistieke identiteit komt onder druk te staan. Geen wonder dat een scheve schaats lonkt.
En toch! Nog voor hij er heus en wel iets buitenechtelijk op na houdt, is het alweer Plath die hem nota bene zelf de deur wijst, en vervolgens compleet demoniseert bij haar omgeving. Terwijl hij blijft geloven in een mogelijke verzoening, zakt zij weg in een morbiditeit waartegen alleen hij het antigif was, is, kan zijn. Met hem neutraliseert Plath haar enige kans op redding, kortom zij pleegt in letterlijke zin de moord op zichzelf. In een huiveringwekkend slot beschrijft Palmen hoe Hughes gebroken achterblijft. Het gekonkel der intriganten en de achterklap van de roddelpers moet dan nog beginnen…
Palmen beschrijft het allemaal in genadeloos efficiënte taal, stilistisch rijk aan beelden en ideeën. De korte alinea’s vertellen niet alleen over de neergang van twee onlosmakelijk verbonden zielen, maar mediteren ook over kunstenaarschap, over tijd, over de botsing der culturen, over het ons-kent-ons van het artistieke circuit, en ga zo maar door.
Beknopt, doch ontzettend krachtig. Finaal trouwens een roman die geen absolute waarheid predikt, maar veeleer nuance toevoegt aan historische ‘feiten’ waarvan het kompas tilt sloeg, omdat Plath nu eenmaal niets verkeerd kon hebben gedaan volgens haar duizenden en duizenden adepten. Simultaan een roman die zowel Plath als Hughes overstijgt, omdat Palmen de universele menselijke natuur en de strijd der seksen onder de loep neemt.
Weergaloos!
4,25*


