Ik wilde iets gaan zeggen over Hegels
Die Phänomenologie des Geistes, waarbij ik onder meer de 'onleesbaarheid' van dat boek wilde vergelijken met Plato's dialoog Parmenides, zodat ik dan maar eerst iets zeg over deze dialoog van Plato en daarbij kort inga op wat
MatthiasVA hierboven erover zegt.
Filosofie in de oudheid was een goddelijke en in die zin religieuze onderneming: het streeft naar het ultieme begrip (de diepste inzichten) en daarmee tegelijk naar de meest verheven of 'goddelijke' kennis waartoe men zelf god moet worden. Of eigenlijk is omgekeerd het doel van filosofie 'wijs' en daarmee een soort god te worden - waarmee men boven alle wereldse onrust en strevingen een geestelijke rust vindt die men normaliter aan goden toeschrijft - waartoe de filosofie de weg wijst (en waarmee het hard botste met het christendom dat deze 'hoogmoed' afwijst en de zaak als het ware omkeert: wij kunnen niet opstijgen naar het goddelijke maar God daalde af - in de vorm van Jezus - naar ons: zie ook Nietzsche's
kritiek op het christendom). Plato was in dat opzicht wellicht de meest religieuze denker omdat zijn hele filosofische project in het teken staat van die opstijging naar het goddelijke.
Die weg is niet makkelijk, vergt het uiterste van degene die het probeert en - zeker in de interpretatie van latere neoplatonisten zoals Plotinus - ook niet uit te drukken omdat het hoogste stadium voorbij denken en zijn ligt zoals Plato's God (Idee van het Goede) in de dialoog
Politeia zelf ook voorbij denken en zijn ligt (opnieuw in contrast met het latere christendom dat God opvat als een zijn of wezen). Plato geeft ons dan ook niet de waarheid maar wijst er slechts naar: wij moeten zelf die waarheid vinden. Hierboven wordt dat Plato's 'ironie' genoemd maar dat lijkt me niet juist: Socrates was 'ironisch' - hij hield zich van de domme om z'n tegenstander zichzelf klem te laten lullen, om het populair te zeggen - maar Plato ging voorbij Socrates en diens 'aporie' in het zoeken van de waarheid, al kan die niet worden gezegd (en zeker niet opgeschreven: zie mijn opmerking bij Aristoteles'
Poetica).
Plato's dialoog Parmenides is Plato's meest 'goddelijke' geschrift dat ons als zodanig naar de filosofische hemel lijkt te brengen. In dat opzicht is dit meest verheven werk vaak opgevat als de bekroning van de filosofie dat vanwege z'n aard - het goddelijke - ook het meest duistere en onbegrijpelijke is. De Renaissance-filosoof Ficino schreef erover:
"En terwijl hij [Plato] in de andere werken ver boven alle andere filosofen uitstijgt, lijkt hij in dit werk zelfs zichzelf te overtreffen en dit werk op wonderbaarlijke wijze voort te brengen uit het adytum van de goddelijke geest en uit het diepste heiligdom van de filosofie. Een ieder die het lezen van dit heilige boek onderneemt, moet zich eerst nuchter en onthecht voorbereiden, voordat hij de moed heeft om de mysteries van dit hemelse werk aan te pakken."
Hegel schreef erover (en hier zal ik op terugkomen als ik iets over Hegels werk zal zeggen):
"... waarin de Parmenides van Plato, zo'n beetje het grootste kunstwerk van de oude dialectiek, werd beschouwd als de ware onthulling en de positieve uitdrukking van het goddelijke leven; en ondanks de grote duisternis van wat de extase voortbracht, kon deze verkeerd begrepen extase in feite niets anders zijn dan het zuivere begrip."
De dialoog is om twee redenen enigmatisch: het eerste deel is nog niet duister maar wel opmerkelijk omdat Plato's hier z'n eigen Ideeënleer op alle mogelijke manieren aanvalt en het tweede 'theologische' deel is een onnavolgbare serie dialectische redeneringen over het Ene (het goddelijke). Waar Plato's vroege dialogen vooral Socrates een stem geeft, vindt Plato mede onder invloed van de pythagoreeërs en de wiskunde in z'n middendialogen een eigen stem (de Ideeënleer) en ontwikkelt zich daarna nog sterker richting het pythagorisme. De dialoog Parmenides kan worden opgevat als de overgangsdialoog naar een meer pythagorese metafysica waartoe hij eerst afstand moest nemen van z'n Ideeënleer (de filosoof Parmenides is in wezen de grondlegger van die Ideeënleer in de zin dat hij het absolute Ene leerde die de participatie van de dingen erin onmogelijk maakte, welk probleem Plato wilde oplossen). Veelzeggend is dat Plato na z'n dood bv. niet Aristoteles maar Speusippos als zijn opvolger koos: onder Speusippos - die de Ideeënleer expliciet verwierp - en daarna Xenocrates ontwikkelde het platonisme zich als een neopythagorisme.
Het is waar dat latere aanhangers en commentatoren de ontwikkeling van Plato's denken buiten beschouwing lieten. Opmerkelijk genoeg resulteerde de bestudering van Plato's werken in de oudheid tot twee tegengestelde scholen: enerzijds het scepticisme van de 'Nieuwe Academie' (die als zodanig aansluit bij Socrates' systematisch onderzoeken en weerleggen van elk standpunt maar ook bij wat ik schreef over het onzegbare van de waarheid bij Plato) en anderzijds het latere Midden- en Neoplatonisme dat juist een leer wil destilleren uit Plato's werk. Kenmerkend voor die leer is dat ze sterk religieus of mystiek is, gericht op het transcendente en goddelijke, ten koste van het politieke waarmee het later ook concurreerde met het christendom. Maar ook binnen de christelijke wereld werd Plato bestudeerd, samen met Aristoteles die opmerkelijk genoeg werd opgevat als de voorbereiding op Plato: Aristoteles werd de filosoof van het wereldse terwijl het platonisme bleef streven naar de opstijging naar het goddelijke als uiteindelijke doel.