De Vrouw in het Götakanaal vormt een alleszins geslaagde kennismaking met Maj Sjöwall en Per Wahlöö en hun centrale personage Martin Beck. Veel hoofdpersonen in de moderne detective/thrillers zitten vol adrenaline, vliegen van hot naar her, zuipen en roken aan één stuk door, houden er in een subplotje nog een relatie op na en hebben het geluk aan hun reet hangen waardoor op het einde toch alles op zijn pootjes terecht komt.
Dat pakken Sjöwall en Wahlöö dan toch stukken beter aan. Vooruit, Beck drinkt zijn biertje en rookt zijn peukje, maar verder zijn er geen overeenkomsten met de overenthousiaste ADHD-ers die je net wat te vaak tegenkomt. Beck is een heel sober en degelijk personage, zelfs eentje zonder ambities. Hij is volgens collega's de beste verhoorder van Zweden, maar hij vindt het zelf allemaal wel prima. Hij heeft zeker hart voor zijn werk, maar daarmee is het meest spannende omtrent zijn karakter wel gezegd. Geen spannende liefdesrelaties of beslommeringen bij thuiskomt; laat Beck op het politiebureau maar schuiven en thuis bouwen aan zijn modelschip, één van zijn weinige hobby's.
Op het oog zijn dit nou niet bepaald smaakvolle ingrediënten voor een goed verhaal, maar het werkt wel degelijk. Sjöwall en Wahlöö concentreren zich gedurende het verhaal (met om en nabij de tweehonderd pagina's niet bijster lang) vooral op het politiewerk. Dat vond ik erg interessant; het boek is immers geschreven toen de huidige communicatiemethoden als de mobiele telefoon en de e-mail nog niet bestonden. Hierdoor is het politiewerk voor Beck en zijn collega's vaak lastig, traag en frustrerend. Zo is het lang wachten op bericht uit het buitenland, zijn de telefoonverbindingen niet optimaal en is er regelmatig slechte onderlinge communicatie tussen de bureau's, waardoor het onderzoek onnodige vertraging oploopt. Zo wordt er een uitgebreid en in mijn ogen ook realistisch beeld geschetst van het politiewerk, dat in dit boek ruim zes maanden in beslag neemt, met de nodige voor- en tegenspoed. Het schrijversduo uit ook flink wat kritiek op de bureaucratie tussen de regels. Dat begint eigenlijk al direct op de eerste pagina, maar sluimert door het hele boek een.
Het verhaal concentreert zich rondom een bij toeval gevonden lijk in het Götakanaal. Beck en collega's gaan vervolgens stapje voor stapje te werk en maken langzaam vordering. Opvallend is dat Sjöwall en Wahlöö alles heel kort en degelijk beschrijven zonder enige poespas. De humor is ook gortdroog en de karakters hebben allemaal wel rare trekjes en vreemde eigenschappen. Zo heeft Beck een hekel aan autorijden, maar een nog grotere hekel aan de metro en mensenmassa's zijn ook niet aan hem besteed. Ook andere personages hebben nogal eigenaardige karaktertrekjes, wat soms op de lachspieren werkt. Het is eigenlijk allemaal een beetje over de top, maar het wordt op een leuke manier gebracht zonder er echt teveel nadruk op te leggen, waardoor ik me er ook niet echt aan kon storen.
Langzaam maar zeker vordert de zoektocht naar de dader. Echt heel erg spannend is het niet, maar interessant om het te volgen is het absoluut wel. Het lijkt me ook niet echt een serie die zich focust op de spanning, want het richt zich in dit boek meer dan andere verhalen op de weg richting het moment waarop de spanning te snijden moet zijn: het einde. Tegen het einde wordt het dan ook echt erg spannend, zeker wanneer Beck en consorten de dader op het spoor denken te zijn. De climax steekt op zich goed in elkaar, al is de aanloop naar de confrontatie een beetje flauw. De laatste pagina's vond ik ook net wat teveel van het goede soms, maar het doet gelukkig geen afbreuk aan de rest van het verhaal.
Na afloop van De Vrouw in het Götakanaal kan ik niets anders zeggen dat ik zeker meer van de Martin Beck reeks ga lezen. Het is een interessant karakter, heel anders dan de meeste lezers gewend zullen zijn. Sjöwall en Wahlöö brengen het op een leuke manier, met heerlijk droge humor en een schrijfstijl zonder opsmuk. Het verhaal vordert in een lekker tempo, waarbij genoeg facetten van het politiewerk tegen het licht gehouden worden. Het einde is prima, al vond ik de aanloop net wat sterker.
* * * *