menu

Winterijs - Peter van Gestel (2001)

mijn stem
4,14 (7)
7 stemmen

Nederlands
Jeugdboek
Oorlog / Psychologisch

250 pagina's
Eerste druk: De Fontein, Baarn (Nederland)

Thomas en Zwaan (die eigenlijk Piet heet) zijn dikke vrienden. Toch lijken ze niet op elkaar. Thomas is een straatschoffie en Zwaan is meer een kleine professor. Zwaan woont samen met zijn nichtje Bet bij tante Jos. Thomas merkt al snel dat er iets bijzonders met hen is. Het heeft te maken met de oorlog. Tante Jos slikt veel pillen en doet nooit wat in huis. Maar Thomas mag wel bij haar komen wonen als zijn vader naar Duitsland moet. Hij heeft het erg naar zijn zin en is stiekem verliefd op Bet. Als tante Jos in de war raakt, moeten Zwaan en Bet weg. Thomas mist ze ontzettend. Komen ze ooit nog terug?

zoeken in:
avatar van Ted Kerkjes
4,5
Ted Kerkjes (moderator)
In Winterijs vertelt Thomas Vrij over de koude winter van 1947. Hij is tien jaar en woont samen met zijn verstrooide en dromerige vader in Amsterdam. Zijn moeder stierf niet lang na de oorlog: zij overleed de tweede kerstdag van 1945. Het verdriet wordt door vader en zoon eigenlijk nogal opgekropt: beiden weten zich er geen raad mee en lopen er maar mee rond. Vader kookt een ketel zonder water en praat tegen de kraan en Thomas reageert ontwijkend als er naar zijn moeder wordt gevraagd, zoals personages in Van Gestels boeken zo goed ontwijkend kunnen reageren.
Thomas, door velen ´Tommie´ genoemd, is een zeer dromerige jongen. Hij is een typisch ¨schoffie¨ wat zijn taalgebruik en nukkige houding betreft, maar hij is wel een fantasievolle schoffie: hij verzint aldoor de prachtigste verhalen. Zo vertelt hij als de vrienden van zijn vader op bezoek zijn een aangrijpend verhaal over toen hij een zielig hondje zag dat vastgevroren was aan het ijs. Helaas worden zijn verzinsels zelden geloofd, wat hij dan moeilijk kan verkroppen. ¨Zwijgend bekeken ze me. Ze lieten niet met zich spotten, die kerels. Ik sprong van de kist en kroop weg achter een rookstoel, verstopte mijn hoofd achter mijn benen. Ik krijg jullie wel, dacht ik, ouwe stakkers, vlegels - het zou wat, jullie kunnen de rambam krijgen, de pest in je hart, de vliegende tering in je kop, nooit nee nooit vertel ik jullie nog iets.¨
Thomas heeft zijn rijke fantasie van geen vreemde: zijn vader is schrijver. Later zou hij echter niet in de voetsporen van zijn vader willen treden: een heel boek bij elkaar verzinnen lijkt hem een rotwerkje.
Door zijn dromerige aanleg en de Amsterdamse setting is de vergelijking tussen Thomas Vrij en Kees Bakels uit een Theo Thijssens Kees de jongen natuurlijk snel gemaakt. Maar was het niet Thijssens opvatting dat vrijwel iedere jongen zich in zijn geesteskind kon herkennen? Van Gestel zal ongetwijfeld veel geput hebben uit zijn eigen jeugd, aangezien hij zelf ook in 1947 als tienjarige door Amsterdam wandelde. De parallel met Kees de jongen zal de auteur waarschijnlijk zelf ook zijn opgevallen: hij heeft deze in ieder geval bewust versterkt door de protagonist ¨smoor¨ te laten zijn op klasgenoot Liesje Overwater, want die naam lijkt me een verwijzing naar Rosa Overbeek.
Op een dag leert Thomas Piet Zwaan kennen, een vroegwijs (Thomas zegt: ouwelijk) jongetje dat bij hem in de klas komt. Al gauw worden ze vrienden, hoe verschillend ze ook zijn: Thomas is een zogenaamd schoffie, met bloedkorsten op de knieën, een snotneus en grof taalgebruik en Piet, of ´Zwaan´, zoals hij steevast door Thomas genoemd wordt, is een zeer belezen jongen, erg wijs voor zijn leeftijd en heel beleefd. Waarom zoekt Zwaan Thomas op? Hij neemt Thomas zelfs mee naar zijn deftige huis, waar hij woont bij zijn excentrieke tante Jos en zijn dertienjarige nicht Bet. Thomas krijgt hier, ondanks zijn onbeleefdheid, een warm welkom.
De geringe inkomsten nopen Thomas' vader tot het nemen van een baan. Hij vindt werk in Duitsland: hij gaat brieven censureren voor het Britse leger. Thomas moet worden ondergebracht bij tante Fie. Deze weet niet goed raad met de dromerige aard van haar neef en Thomas vindt het daar dan ook niks en vlucht steeds vaker naar dat deftige huis van Zwaan, waar hij vreemd genoeg altijd met open armen wordt ontvangen. Sterker nog: als tante Fie haar enkel verzwikt, waardoor het zorgen voor Thomas haar wat moeilijk wordt, mag hij bij tante Jos, Bet en Zwaan logeren!
Wanneer Thomas bij Zwaan logeert in het deftige huis op de Weteringsschans gebeurt er van alles: hij raakt allereerst ontzettend goed bevriend met Zwaan, hij wordt smoor op de dertienjarige nicht Bet, maar hij stuit ook vaak op zaken waar niet over gesproken mag worden. ´Niks begrijpen, niks vragen.´, ´Daar heb jij gelukkig nog geen weet van.´, ´Heeft je vader je nooit iets verteld?´ en ´Ik vertel het je heus nog wel eens, Tommie.´zijn veelgehoorde zinnen. Stukje bij beetje krijgt Thomas echter de verhalen over het verleden te horen.

Wat het boek in mijn ogen in de eerste plaats zo goed maakt, is de schrijfstijl. Thomas vertelt het verhaal met zijn eigen taalgebruik, een vocabulair vol zogenaamde ¨vloekwoorden¨: ´verrekte´, ´rot-´ en dergelijke. Niettemin staat het boek vol prachtige, poëtische zinnen. Het gebruik van interpunctie vond ik erg opvallend: waar de meeste auteurs -zeker auteurs van jeugdliteratuur- een zin in stukken zouden hakken, plaats Van Gestel een komma, wat zinnen oplevert als: ¨Op zaterdagmiddag, toen Zwaan en ik door de stad zwierven en van een man in generaalspak Heck niet mochten binnengaan, zodat ik Zwaan van mijn vele centen niet op ranja en een tompoes kon trakteren en we in arrenmoede bij een dikke Cineac Chinees kleverig snoepgoed kochten dat pijn aan je tanden deed maar lekker zoet was en we de voorstelling in de Cineac tweemaal bekeken, omdat we de tekenfilm nog een keer wilden zien en we smoor werden op een blonde zangeres die bij een orkestje met veel trompetten guitig en hups aan het zingen was, gleed tante Fie op de Jozef Israëlskade uit en verzwikte haar enkel.¨. Dit verhoogt het spreektaalgehalte, maar nogmaals: het boek staat vol schitterende zinnen.
Wat ook helpt, is dat Thomas Vrij een geweldig personage is: zijn dromerigheid, zijn brutaliteit, de manier waarop hij ¨smoor¨ is op Bet en de manier waarop hij Piet Zwaan bewondert, is prachtig neergezet. Thomas is een jongen die in stilte bewondert. Hij kropt zelf veel verdriet op, maar wanneer een ander bedrukt is, beurt hij hem op met een ¨pigpagpengeltje¨.

Verder is het boek rijk aan vele thema's. Zo behandelt het boek op originele wijze de oorlog. Ik vond het interessant hoe weinig de kinderen, die niet direct getroffen waren door de oorlog, wisten wat er nou eigenlijk gebeurd was. Zo weet Thomas eigenlijk niets. Dit komt natuurlijk doordat kinderen overal buiten werden gehouden: er werd ontzettend veel opgekropt en verzwegen.
Een ander mooi aspect is de vriendschap tussen Zwaan en Tommie, een vriendschap die wordt gekenmerkt door contrasten: het contrast braverik-schoffie, het contrast rijk-arm, maar vooral het contrast wetend-onwetend. Thomas is onwetend, door het Grote Zwijgen. Het Grote Zwijgen en het Grote Opkroppen, waardoor al het verdriet en alle geheimen onuitgesproken blijven liggen en zich ophopen, wat in het boek gesymboliseerd wordt door de sneeuw, het gladde winterijs.

Gast
geplaatst: vandaag om 22:49 uur

geplaatst: vandaag om 22:49 uur

Let op: In verband met copyright is het op BoekMeter.nl niet toegestaan om de inhoud van externe websites over te nemen, ook niet met bronvermelding. Je mag natuurlijk wel een link naar een externe pagina plaatsen, samen met je eigen beschrijving of eventueel de eerste alinea van de tekst. Je krijgt deze waarschuwing omdat het er op lijkt dat je een lange tekst hebt geplakt in je bericht.

* denotes required fields.

Let op! Je gebruikersnaam is voor iedereen zichtbaar, en kun je later niet meer aanpassen.

* denotes required fields.